De onoprechtheid van multiculturalisten

 

In een grondig gedocumenteerd boek van zeldzame politieke incorrectheid heeft  de Antwerpse auteur Wim van Rooy enkele jaren geleden scherp uitgehaald naar de onoprechtheid van de predikanten van het multiculturalisme. Van Rooy begint met een ferme uithaal naar ‘ons’ academische milieu, dat hij – zonder dat zo te zeggen – van komedie beschuldigt.

Dat is verre van onterecht. Verontwaardiging, die zo kenmerkend is voor ‘het volk’, mondt volgens de geleerde dames en heren veel te makkelijk uit in wat ze meesmuilend ‘populisme’ noemen. Het volk eist immers maatregelen. Het is niet gediend van eindeloze palavers over het geslacht van de engelen. Geconfronteerd met de concrete gevolgen van een falend en hopeloos versleten beleid, wensen de mensen de problemen opgelost te zien. Men leze er de opvattingen van Stephan Rummens en co maar op na. Een gelijkaardige houding neemt Jan Blommaert aan, ‘toevallig’ ook iemand uit de extreemlinkse hoek.

Die heeft het niet begrepen op de maatregel van het Antwerpse gemeentebestuur om immigranten te laten meebetalen voor de kosten die ze veroorzaken. Erger nog vindt Blommaert dat sommige illegalen gratis medicijnen tegen aids worden geweigerd. Oh, inbreuk op het diep-menselijke recht op geneeskundige bijstand! En ja hoor, meteen wordt hij bijgesprongen door een andere rode broeder: de onvermijdelijke Jozef de Witte.

Meneer Blommaert weet natuurlijk wel beter.

Ten eerste gaat het om slechts enkele gevallen.

Ten tweede waren er in die enkele gevallen wel degelijk verontschuldigingen in hoofde van het stadsbestuur.

Niks daarvan, vindt Blommaert: voor geneeskundige verzorging bestaan er geen uitzonderingen. Geen enkele. Punt, uit. Ziedaar Blommaerts radicalisme. Men zou er haast voor in bewondering neerknielen.

Maar één ogenblik, vriend Blommaert!  Als het waar is dat het recht op geneeskundige verzorging aan elk ander recht vooraf gaat, waarom voer je dan geen actie om de overheden van het oorsprongland te dwingen dit recht na te leven? Want als mensen de andere kant van de planeet moeten opzoeken om geneeskundige verzorging te krijgen, is het dan niet omdat de regering van hun eigen land in de fout is gegaan?  Waarom die sukkelaars zover weg van huis laten gaan – of is het bedoeld? – en ze nog op extra-kosten laten jagen omdat hun eigen regering tekortschiet? Waarom moet een reserve-overheid, de Antwerpse in dit geval,  telkens weer opdraaien voor het falen van de overheid die het éérst had moeten optreden?

Je kunt daarover een hele boom opzetten. Geen Blommaertiaans woord daarover, natuurlijk.

En dan was het deze week alweer prijs. Ene Jef Verschueren, die ons in zijn onbegrensde taalkundige wijsheid – hebben die taalkundigen (Blommaert noemt zich ook taalkundige) echt niets beters te doen? –  weet te vertellen dat elk nationalisme de neiging heeft naar autoritarisme te verglijden, ook als het in den beginnen ‘braaf’ is zoals dat van Dewever. Want dat nationalisme is niets anders dan een omfloerst identiteitsdiscours. Alles wat die identiteit kan bedreigen wordt gezien als een aanval op voor de integriteit van het volk. Dat hoeft niet te leiden tot uitsluiting van wie ‘anders’ is.  En dan komt het: ‘Dat was de theorie toen. In de praktijk zien we andere dingen, zowel toen als nu.’

Het zou ons te ver leiden om de kromrederingen van iemand die zich nochtans voorstelt als taalkundige even bloot te leggen. Bijvoorbeeld: waar haalt Verschueren de suggestie vandaan dat de praktijk ook nu andere dingen laat zien? Welke dan wel? Of zoiets als historisch pars pro toto? Of waar haalt hij vandaan dat de theorie ‘toen’ – hij bedoelt natuurlijk de tijd van de nazi’s – (ook) anders was dan de toenmalige praktijk? Ze was verdorie helemààl niet anders! Men kwam open en bloot uit voor rasverbetering en tégen rasvermenging. Zelfs aan de Katholieke Universiteit van Leuven waren er hoogleraren die openlijk antisemietische opvattingen koesterden. Hoge nazi’s waren bij de Engelse landadel veelal graag geziene gasten. En Hitler heeft over zijn ware bedoelingen ooit enige twijfel laten bestaan. Theorie en vreselijke praktijk vielen in die jaren wél samen en komen, omgekeerd, van geen kanten overeen met het nationalistische discours van vandaag.

Meer zelfs.

Hannah Arendt, de joodse filosofe van het totalitarisme heeft in haar Origins of Totalitarism, in haar hoofdstuk The Decline of the Nation-state, een scherp onderscheid gemaakt tussen nationalisme en totalitarisme. Ze komt ronduit op voor een duidelijke, betekenisvolle nationale staat, waar de burger zich in kan thuis voelen. Ze sluit zich aan bij Edmund Burke – jaja: de favoriet van Dewever! -, die verklaarde dat het veel wijzer is te spreken over De Rechten van de Engelsman dan over de abstracte Rechten van de Mens. In Burkes visie valt namelijk het recht op het bezit van een concrete nationale identiteit mee in de korf van rechten. De vluchtelinge Arendt wist héél goed waarover ze sprak.

Wat bezielt figuren als Blommaert, Verschueren en Rummens e.a. toch, als ze zowat alles ondernemen om de culturele rechten van minderheidsgroepen te promoten door het afbreken of minimaliseren van het recht op nationale identiteit van ‘ontvangende’ volkeren? Waarom moet de ene identiteit ten allen prijze gepromoot worden en de bestaande, nationale identiteit zoveel mogelijk verzwakt? Wat nog erger is: David Miller wijst erop dat een samenleving niet kan bestaan zonder een gezonde dosis onderling vertrouwen onder de burgers. Hoe groter de verschillen tussen die burgers, hoe moeizamer dat vertrouwen tot stand komt. Neem nu dat dit benodigde vertrouwen onder de drempel valt. Dan laat de toekomst zich zo voorspellen: er ontstaat een strijd tussen de groepen om de macht. De zwaksten – vaak de immigranten dus – zullen het onderspit delven. Wiens rechten worden hier eigenlijk beschermd? Even herinneren aan Ruanda?

Omgekeerd is het bij herhaling bewezen dat geïntegreerde immigranten vaak beter overtuigde nationale burgers zijn dan de autochtonen, al was het maar omdat ze het verschil kennen. Maar daartoe is dan nu net het bestaan van een sterke nationale identiteit noodzakelijk.

Deze gedachten liggen zo voor de hand, dat het bijzonder lastig wordt om te geloven in de afwezigheid van kwaadaardige bedoelingen bij de schrijvers die ik hier op de korrel neem.

Het idee dat oprijst is dat de heren helemaal niet echt geïnteresseerd zijn in de rechten van wie ‘anders” is, vermits het anderszijn in onze Vlaamse samenleving nu al ten overvloede gepraktiseerd wordt: holebi, blank en zwart, religies, beroepsgroepen, maatschappelijke klassen, verschillende politieke partijen, bloembollenkwekers en wijnboeren enzovoorts. De ware bedoeling van de bedoelde multiculturalisten is het afbreken van elke relevante en dus verplichtende nationale identiteit met het oog op een algehele massificatie – het plan van het totalitarisme, léés Arendt heren!-, wat nodig is om hun utopische communistische heilstaat te vestigen.

Zolang de eerlijke multiculturalisten niet openlijk spreken, staan ze mee onder deze verdenking.

 

Jaak Peeters

Februari 2013

extreemlinkse dictatuur

Ziezo: voortaan bestaan er in Gent geen allochtonen meer. Het stadsbestuur en alles wat ervan afhankelijk is zal het woord niet meer gebruiken. Men wil namelijk een “inclusief beleid” voeren. Iemand allochtoon noemen is dus exclusivistisch of, in hun eigen termen, stigmatiserend.

Op zichzelf zou de kritisch denkende toeschouwer hierbij de schouders ophalen: iets dergelijks kun je immers niet volhouden, want dan kan men de toeschrijving van wel erg veel bijvoeglijke naamwoorden stigmatiserend noemen. Een buurt “ros” noemen is stigmatiserend voor het grootste deel van haar bewoners; wijzen op de spaarzaamheid van Nederlanders kan stigmatiserend worden uitgelegd; men kan in dezelfde orde van gedachten opvallende kleding verbieden, wegens “stigmatiserend” zoals in het China van Mao. Enzovoorts.

De essentie is drieledig.

Ten eerste: extreemlinks aanvaardt geen kwalificaties die mensen van elkaar onderscheiden. Dat geldt het meest van al voor eigenschappen die menselijke groepen van elkaar onderscheiden. Die houding neemt extreemlinks vooral aan tegen naties en etnische groepen. Onderscheid maken tussen Vlamingen en Walen is al gauw “stigmatiserend”. Je hoort die beschuldiging ook werkelijk. Als extreemlinks onderscheidende kwalificaties wel aanvaardt, is het omdat ze de bestaande groepsstructuren kunnen beschadigen en dus in hààr discours passen. De  Antwerpse burgervader kan erover meespreken.

Sinds de Franse Revolutie is links, en dan vooral extreemlinks, gebiologeerd door het idee van de universele mens. Die universele mens is “leeg”.  Alles wat die mens onderscheidt van anderen, is verwerpelijk, antiek of hooguit aanvaardbaar binnen de persoonlijke levenssfeer.  Dat die persoonlijke en openbare levenssfeer door elkaar vloeien – postmodernisten leren ons toch dat identiteiten niet bestaan? – kan de pret niet bederven.

Voor het latere liberalisme en het daarop reagerende marxisme is deze lege mens Gefundenes Fressen. De vestiging van de utopie van de liberale maatschappij wordt immers gehinderd door een mensentype, dat nog andere doelen nastreeft dan zijn maximale materiële belang. Idem dito voor het marxisme, voor wie alles wat mensen van elkaar onderscheidt des duivels is, omdat het hinderlijk is in het kader van de klassenstrijd en niet compatibel met de utopie van de klassenloze werelddictatuur van het proletariaat.

Extreemlinks, dat in Gent de lakens blijkt uit te delen, heeft ons dus wel wat uit te leggen, omdat de vestiging van een marxistisch geïnspireerd bestuur in de derde grootste Vlaamse stad wel degelijk gevaarlijke consequenties kan hebben. Het kan toch niet verbazen dat in het Duitsland van de vroege twintigste eeuw de radenrepubliek werd weggeveegd?

Ten tweede: er zit iets niet snor met de manier waarop extreemlinks naar andere steden kijkt. Als Liesbeth Homans zegt dat de Antwerpse kiezer voor het beleid gekozen heeft dat ze nu ten uitvoer legt, dan legt ze een verklaring af van het zuiverste democratische water. Dat is inderdaad de essentie van de democratie: het bestuur voert een beleid naar de wensen van de kiezer. Sommigen, zoals Stefan Rummens, aarzelen niet om in zo’n geval te spreken over populisme. Men kan dat lezen in een recent nummer van het tijdschrift Filosofie. Dat is verdacht. Wat zou Rummens, en bij uitbreiding het Gentse stadsbestuur, zeggen als Antwerpen immigranten zou verwélkomen? Het antwoord laat zich uiteraard raden. Zodoende is de kiezer die wensen uit die met die van extreemlinks overeenkomen “democratisch” en de kiezer die dat niet doet is “populistisch”. Dat lijkt verdacht veel op de gang van zaken in de vroegere oosterse “volksdemocratieën”.

Dat betekent voorts dat extreemlinks zichzelf daarmee het recht toeschrijft over het gedrag van anderen morele oordelen uit te spreken. Extreemlinks verheft zich dus boven iedereen, ook de kiezer. Daarmee brengt het de democratie een steek recht in het hart toe. Want de democratie vereist nu net dat men zich onthoudt van morele oordelen over wat de kiezer heeft geoordeeld. Het enige wat in een democratie mogelijk kan zijn, is het informeren en daartoe dient een fatsoenlijk, dus neutraal openbaar debat.

Maar er is nog een derde element.

Het bannen van het woord allochtoon roept onvermijdelijk de wereld op die Orwell zo pakkend heeft geschilderd. Die wereld van de Big Brother, waarin een overheid het leven van iedereen tot in de details controleert om het te beheersen, is maar mogelijk dank zij het bestaan van Nieuwspraak. Oorlog is vrede! Vrijheid is slavernij! Onwetendheid is kracht!

Onderwerpen waarvoor men geen woorden heeft, kan men niet tot voorwerp van discussie nemen. Woorden ontstaan immers uit de behoefte iets te benoemen dat mensen belangrijk vinden.  Door de betekenis van woorden te verdraaien – zoals Orwell laat zien -, of sommige woorden te bannen – zoals extreemlinks in Gent wil – verhindert men de kiezer – dit is: de vrije burger – over dit onderwerp op een degelijke manier te discussiëren. Door die woorden te bannen die op onderscheid tussen mensen wijzen, wil extreemlinks haar wereld aan anderen opleggen. Niet door het eerlijke, open gesprek, maar volgens de principes van een Orwelliaanse dictatuur.

Waarmee extreemlinks op zichzelf de verdenking laat dat het haar niet om het lot van de allochtoon te doen is, maar om de vestiging van haar marxistische utopie.

 

 

David Miller over nationaliteit en burgerschap

Geïnterviewd worden heeft op de spreker een uitwerking die gelijkaardig is met de uitwerking die het schrijven op de auteur heeft: het zet aan tot verder overdenken en opent vaak nieuwe perspectieven of legt verbanden die voorheen verborgen bleven.

Mijn interview in Doorbraak onder de titel “De Gucht amputeert de mens” heeft me doen denken aan de opvattingen van David Miller in diens Citizenship and National Identity. Miller (° 1946) is geen theoreticus van het nationalisme, maar een politieke theoreticus. Dat is interessant, want Miller verdedigt de stelling dat sociale rechtvaardigheid slechts bereikt kan worden in het kader van een nationale staat, die bijeen wordt gehouden door verwijzing naar een samenhangende basiscultuur.

Miller verzet zich uitdrukkelijk tegen de opvatting dat de nationale staat door de globalisatie aan de ene kant en het opkomen van gefractioneerde identiteiten ( zoals homofiliegroepen) aan de andere kant leeg en krachteloos zou worden gemaakt. Miller ontkent vanzelfsprekend niet de invloed van de globalisering of van de vele postmoderne identiteiten, maar stelt dat hun effect niet mag overdreven worden. In dat opzicht is hij het eens met theoretici van het nationalisme zoals Anthony Smith en John Hutchinson.

Miller, die zichzelf een sociaal-democraat noemt en zich “links” plaatst, is van oordeel dat de waarden en ideeën die aan de basis liggen van wat hij het republikeins burgerschap noemt, dringend moeten gehervalideerd worden.

Om te beginnen maakt Miller een onderscheid tussen de republikeinse vorm van burgerschap, de liberale opvatting en, tenslotte, de libertaire visie.

“Republikeins” is niet wat vele Vlaamse nationalisten denken, namelijk: niet-monarchaal. Onder republikeins burgerschap verstaat hij het opereren in een delibererende maatschappelijke orde, waarin de beslissingen het gevolg zijn van een open discussie onder de burgers, die bereid zijn naar de mening van anderen te luisteren en desnoods hun eigen mening willen herzien. Dit hooggestemd ideaal vereist een hoge mate van persoonlijke betrokkenheid bij het geheel van het maatschappelijke leven en, bovenop, de zo mogelijk nog moeilijker te bereiken ware debatcultuur, die hier, in Vlaanderen, ver te zoeken valt. Het bestaan van een onding zoals het cordon sanitaire tegen één partij is nou net het omgekeerde van de debatcultuur die Miller voor ogen staat. Critici zullen gelijk ook wijzen naar de enorme verantwoordelijkheid van de pers. Hoe het daarmee is gesteld werd dezer dagen nog eens bewezen door het optreden van een journalist van een zichzelf toonaangevend noemende krant, die erin bestond één zinnetje uit een interview van drie bladzijden zodanig uit te vergroten, dat het misvormd werd tot hét nieuwsitem van de week. Het was niet de eerste keer dat hij deze techniek gebruikte…

Als ideaal is het republicanisme van Miller ongetwijfeld zeer nastrevenswaardig.

Omdat zo’n ideaal per definitie al zo moeilijk haalbaar is, gaat Miller op zoek naar de basisvoorwaarden voor zo’n kwaliteitsvol openbaar debat. Miller stelt als de hoofdbasisvoorwaarde het bestaan van een gemeenschappelijke basiscultuur, die hij niet in de wereld van de globalisatie vindt, noch in de onderscheiden deel-identiteiten, doch alleen mogelijk acht binnen de grenzen van een nationale staat. Hiermee komt hij op de golflengte van schrijvers zoals Anthony Smith, Montserrat Guibernau en John Hutchinson, hoewel hijzelf geen etnosymbolist is. Deze auteurs zijn namelijk van mening dat naties gebouwd worden op oudere, soms gedeeltelijk vergeten, vaak puur etnische ideeën en mythen, maar in ieder geval op een mentale onderlaag die door alle leden van de gemeenschap gedeeld wordt. Zonder die (oudere) grondslag heeft een natie geen samenhang en valt ze uit elkaar in rivaliserende facties.

In het voorbijgaan – en dat is interessant voor Vlaamse nationalisten – wijst Miller erop dat separatisme volgens hem moreel verdedigbaar kan zijn, maar dat vormen van federalisme of decentralisatie soms betere oplossingen zijn voor de spanningen tussen onderscheiden nationaliteiten in één land.

Vlaamse nationalisten moeten dus argumenten verzamelen waarom afscheiding in het Belgische geval een betere optie is dan een verder uitbouwen van een of andere vorm van federalisme – en hiermee is niet bedoeld: het onderzoeken of het streven naar confederalisme de beste methode is om het einddoel te bereiken, want dat is een kwestie van politieke tactiek. Ze moeten dit doen op het niveau van de genoemde basiscultuur.

Terugdenkend nu aan de opvattingen van De Gucht en zijn geestesgenoten, is het interessant het onderscheid onder het licht te brengen dat Miller maakt tussen zijn republikeins burgerschap, dat veel weg heeft van een “vrij maar verantwoordelijk”- verhaal, bekend bij N-VA, en wat hij liberalisme en libertarisme noemt.

De liberalistische opvatting van burgerschap bestaat er volgens Miller uit dat de maatschappij opgevat wordt als een geheel van rechten en plichten, met een onderlinge balans die voortdurend verschuift.

De libertaire opvatting vat de maatschappij op als een geheel van mogelijkheden, waaruit het individu naar eigen believen put. De Gucht behoort duidelijk tot deze laatste groep.

De beide liberalistische opvattingen onderscheiden zich van de republikeinse, doordat ze zich niet oriënteren op de individuele betrokkenheid bij het maatschappelijk debat, dat uitgaat van de gezamenlijke verantwoordelijkheid van een door een gemeenschappelijke cultuur samenhangende groep en dat de toekomst van de hele groep op het oog heeft. Liberalistische opvattingen “consumeren”. Ze trekken het individu a.h.w. uit de gemeenschap en plaatsen het ertegenover. De Milleriaanse republikeinse zienswijze eist persoonlijk engagement en zelfs opoffering, niet alleen als methode, doch ook als zijnswijze. Republicanisme “produceert”.

Voor deze opvatting valt veel te zeggen. Ze verwijst immers naar respect voor de menselijke waardigheid al zodanig. Die maakt immers dat de burger aan zichzélf verplicht is te streven naar hoogwaardig maatschappelijk en sociaal gedrag. Anders degradeert hi zichzelf. Zo’n burger “consumeert” dus niet. Hij schépt voornaamheid. Denk maar aan: Bildung.

Ook de sociale dimensie is eveneens erg belangrijk, want sociale rechtvaardigheid, de uitbouw van een goed functionerende nationale gemeenschap en het respect voor de waardigheid van de mens ( cfr mensenrechtenverklaringen) vullen elkaar aan.

Dat zei de Italiaanse nationalist Mazzini overigens in de negentiende eeuw al.

Dit alles bevat stof voor weerwerk tegen zowel de liberalen als de socialisten in dit land, die er maar niet in slagen het nationalisme een passende plaats in het openbare Vlaamse leven te geven.

 

 

Jaak Peeters

Feb. 2013

 

Een staatsgreep

Terwijl de Joëls de Ceulaer van deze wereld NV-A voorzitter Dewever ertoe dwingen zijn tijd te verprutsen met het antwoorden op domme vragen waarop iedereen met een middelmatig verstand voor de vuist weg het juiste antwoord kan geven, voltrekt zich over onze hoofden heen een heuse staatsgreep.

Ditmaal zijn het geen generaals die samenzweren of een of andere duistere groep ultra’s van welke slag ook. En neen hoor: het gaat ook niet om sympathisanten van de jaren dertig, meneer Coburg! Het gaat dit keer om technocraten, steeds meer de ware beslissers die in hun kantoren van twaalf hoog onze economie én onze politiek in de door hén gewenste richting sturen en daartoe zonder meer onze democratie de nek omdraaien.

Men zou zeggen dat dit soort dingen voorpaginanieuws is en voorwerp van ellenlange discussies en analyses. Niks daarvan. Wij doen alsof onze neus bloedt, houden ons bezig met hoofddoeken en de vraag of regenboogtruien al dan niet door een burgemeester mogen verboden worden.

Het zit zo.

Herman van Rompuy, zichzelf democraat én “president” van Europa noemend, zelf wel beter wetend maar zoals zovele politici nooit het achterste van zijn tong te kijk latend, heeft een rapport gepubliceerd, begin december 2012. Van Rompuy stelt een “ Europese begrotingsunie” voor. Er moet een bankenunie komen. Daarnaast komen er begrotingscontracten. En in 2014 moet een heuse begrotingsunie tot stand komen met eigen belastingen. Jaja: ook Europa wil belastingen kunnen heffen. Zodat het Europees leger van Verhofstadt en co er meteen kan komen. Onze jongens kunnen dan op verre slagvelden gaan sneuvelen.

De Europese commissie maakt ( sinds het nieuwe stabiliteitspact zelfs al vrij snel) een plan op dat de beleidsoriëntaties, prioriteiten en doelstellingen op budgettair en economisch terrein voor de EU als geheel aangeeft. Een federale begroting zoals Obama dat doet. Dat wordt vervolgens door de Raad van ministers besproken. De lidstaten hebben dan enkele weken om deze Europese oekazes in hun eigen begroting op te nemen (niet: er commentaar op te geven! De minister heeft beslist, en het nationale parlement heeft zich niet meer te bemoeien) en die begroting dan door de Europese commissie te laten goedkeuren. Die controle door Europa gaat over alles wat geld kost en opbrengt. Dus over alles. Tot in de details.  Exit Vlaamse autonomie. Wie zich niet aan de regels houdt, wordt zonder meer onder toezicht gesteld.

Ewald Engelen zegt hierop dat er tussen het door ons gekozen nationale parlement en de kiezer een contract bestaat: “wij stellen U aan om onze wensen ten uitvoer te leggen”.

Daar grijpt nu van buitenaf een externe instantie van technocraten op in, en dat nog geen klein beetje ook. Daardoor wordt het contract dat wij met onze parlementen hebben, zonder meer kapotgemaakt.

Engelen zegt: als van Rompuy zijn zin krijgt, dan heeft Nederland geen parlement meer, maar een Raad van Toezicht.

Ik voeg eraan toe: dan hebben we zelfs geen democratie meer. Dit is immers een heuse staatsgreep. Want het is aan de DEIMOS om te bepalen welke de doelstellingen en beleidsoriëntaties zijn die moeten worden nagestreefd. Het is best mogelijk dat de Euro zonder dergelijke staatsgreep niet overeind blijft. Maar zelfs dan komt het niet de technocraten toe om onze democratie onderuit te halen. En dat men niet kome aandraven met het Europees “parlement”. Voor zover die vergadering niet zélf in een antinationale logica zit gevangen (“steeds méér Europa en wat nationaal is, is slecht”), komt het ook die Europese vergadering niet toe om het contract tussen kiezer en zijn nationaal parlement te doorkruisen. Dat recht heeft namelijk niemand. Alleen de contractanten zelf kunnen hun wederzijds contract opzeggen.

Dat iemand als Van Rompuy met dergelijke antidemocratische voorstellen voor de dag komt is hoogst verbazend, temeer daar hij mij zelf in een mail ooit gezegd heeft goed te beseffen dat de Vlaamse bevolking rond Brussel radicaliseert vanwege de toenemende verbeulemansing van haar gemeenten. Van Rompuy heeft dus duidelijk weet van het bestaan van onvrede en maatschappelijk ongenoegen. Het moet hem bekend zijn dat in een zeer recent Frans rapport van de prestigieuze Sciences Po, een  Parijs instituut voor politieke wetenschappen, gebleken is dat het vertrouwen van de modale Fransman in Europa vrijwel nihil is.

Door desondanks toch een dergelijke technocratische staatsgreep te willen plannen wordt de complete afwezigheid van enig democratisch aanvoelen bij de leidende Europese kliek openlijk getoond. De dames en heren beseffen niet hoever ze van het volk afstaan en hoezeer het ongenoegen, de spanning, de haat zelfs zich aan het ophopen is.

Op een vergelijkbare manier is de Franse Revolutie gegroeid: uit stijgend ongenoegen en opgekropte wrok.

Eurocratië lijkt de zelfvernietiging van Europa – want iets anders kan hier niet uit voortkomen – wel doelbewust na te streven. Op een ogenblik dat het volksnationalisme zich overal sterk manifesteert niettemin toch een weg opgaan die nu net compleet tegengesteld is aan de diepste streefdoelen van dat nationalisme, kan niets anders dan tot oorlog leiden.

Staatsgrepen leiden overigens zelden tot vrede.

Helaas vallen meestal niet de ware schuldigen, maar soms miljoenen simpele sukkelaars, die het allemaal niet hebben gewild maar naar wier mening nooit werd gevraagd, laat staan: geluisterd.

Niet door politici. Niet door technocraten. En niet door journalisten.

 

 

Jaak Peeters

Feb 2013

In Vlaanderen Vlaams: onrechtvaardig?

In de officieuze spreekbuis van de PVDA, ex-Knack, verscheen een artikel van de inmiddels beruchte In Tilburg verzeild geraakte extreemlinkse hoogleraar Jan Blommaert, PVDA-er en promotor van andere extreemlinkse doctorandi. U kent het wel: de rode broeders promoveren elkaar en spelen vervolgens de bal naar elkaar toe.

De titel van zijn schrijfsel luidt: “ In Vlaanderen Vlaams: een onrechtvaardige samenleving.”

Nu is zelfs die titel alleen al zo flagrant, zo fundamenteel in tegenspraak met alles wat vlaamsgezinden altijd al gedreven heeft, dat zo’n titel zonder meer kwetsend is. Het PVDA-blad, van het eerbiedwaardige Knack op korte tijd naar een extreemlinks scheldblaadje geëvolueerd ( met figuren als Van de Voorde, Pauli, Ico Maly, Beiri en nog andere kortjakken), moet dit toch beseft hebben? Of zijn de redacteuren van het PVDA-magazine net zo dom als uit een recente enquête over de kennis van het onderwijzend personeel bleek? Het “In Vlaanderen Vlaams” onrechtvaardig laten noemen: dat is er in ieder geval ver over.

Niet zonder enige verontwaardiging stuurde schrijver dezes een antwoord naar het genoemde blad.

Natuurlijk verscheen het nooit.

Wat dacht u?

Daarom laat ik het hier in enigszins aangepaste vorm verschijnen.

 

Wie als onbaatzuchtig ijveraar voor de Vlaamse zaak een titel leest als “Vlaanderen Vlaams: een onrechtvaardige samenleving” schrikt daar in eerste instantie van op en wordt in tweede instantie boos.

Dat laatste omdat het “In Vlaanderen Vlaams” een diep-sociale en daarom menselijk diep doorleefde houding weerspiegelt, toen de heren onder elkaar Frans spraken en het arm en kleingehouden plebs “Vlaams”. Er bestaat zoals iets menselijke waardigheid – als sterk links geëngageerd activist kent de heer Blommaert ongetwijfeld de uitspraak van de door de Portugese geheime politie vermoorde Ernesto Cabral, die het verwerven van autochtone vrijheid opvatte als een zaak van menselijke waardigheid.

Boosheid is een slechte raadgever.

Daarom zal ik proberen enkele vreemde kronkels in het nihilistisch-marxistische verhaal van Blommaert aan te wijzen.

Ik ga even in op zijn eerste punt, nl. het “fictieve karakter” van het Nederlands. Voor de “nihilistische postmodernistische marxist” Blommaert bestààt “het Nederlands” niet. Dat is dus ‘Derrida tot in het extreme’. Een tekst heeft met alle andere teksten verbanden en dus bestaat hij eigenlijk niet. Nou moe. Niet voor niets noemen sommigen Derrida een charlatan. Uit dat “fictieve” karakter leidt de heer Blommaert  af dat het ‘opdringen’ van een minimaal niveau ervan aan immigranten onrechtvaardigheid schept. Laat me duidelijk zijn: het Nederlands bestààt, en daar helpt het intellectueel gemodder van slechte hoogleraren – slecht omdat ze hun werk zouden moeten doen, in plaats van overal het marxisme-leninisme te prediken, dan moeten ze nl. politieke activist worden – helemaal niet aan. Er bestaan Nederlandse woordenboeken en er is een Nederlandse grammatica. Dat volstaat om te zeggen dat “Het Nederlands” bestaat. Het nihilisme van Blommaert is slechts een misplaatste poging om onder de gordel te slaan. Het is bovendien vals nihilisme, want marxisme is met nihilisme niet verzoenbaar. Blommaert hangt de nihilist uit, omdat hem dit uitkomt om de volgens hem burgerlijke Vlaamse maatschappij te beschadigen.

Blommaerts “analyse” valt overigens makkelijk om te keren: het feit dat zwakke immigrantengroepen het gewenste niveau moeilijker halen, betekent dat de inspanningen gericht kunnen worden zodat er nu net méér “over de streep” worden gehaald dan zonder dat vooropgestelde niveau. Met andere woorden: de door Blommaert aangevallen aanpak schept méér rechtvaardigheid.

Blommaert moet de door de EU bepaalde niveaus van taalkennis niet aangrijpen om zijn intellectuele schuinsmarcheerderij achter weg te steken omdat het abstracties zijn.  Zo’n niveau is altijd een soort gemiddelde en iedereen weet dat de uiteinden van de groepen waarop men een gemiddelde berekent elkaar overlappen.

Nu weet ik met zekerheid dat gemiddelden bestààn, zoals statistici weten, maar het zijn wél menselijke constructies. Ook een constructie “bestaat”. Tegenwoordig zegt men: we leven in verhalen, maar dat zijn ook constructies. Niemand onder ons is bij machte om de totaliteit van een zaak te overzien, laat staan van de hele existentie. Derhalve zijn al onze “verhalen” waarin we leven altijd weer onvolmaakte constructies.  Daarom botsen ze soms of spreken elkaar tegen. Uit het “postmoderne” karakter van deze toestand afleiden dat constructies niet echt bestaan en dus waardeloos zijn zou tot gevolg hebben gehad dat als ik Blommaerts logicaprofessor zou zijn geweest, student Blommaert in september zijn examen had kunnen overdoen.

Deze onvolmaaktheid  van de door mensen geconstrueerde leefwereld, ten tweede, dwingt ons te kiezen voor de democratie, omdat niemand onder ons de wijsheid in pacht heeft en het resultaat na onderling overleg vermoedelijk beter zal zijn. Dat rekent ook  ten gronde af met de marxistische dromen van Blommaert en co, voor wie de bourgeoisie haar werk heeft verricht door het opruimen van het Ancien Regime en nu dus zelf plaats zou moeten maken voor de eeuwige dictatuur van het proletariaat. Alsof dat laatste geen constructie zou zijn, veel fictiever nog dan de zogenaamde fictie van het Nederlands! Alsof de grenzen tussen de “klassen” niet zwaar doorlaatbaar zijn! De ene constructie aanbidden en de andere zwaar tacklen, alleen maar uit ideologische vooringenomenheid, is geen teken van logische consequentie.

Democratie nu dwingt tot wederzijdse communicatie, en het kan me niet schelen welk niveau de zich met alles bemoeiende EU daarop plakt: als het maar werkt. In plaats van de positie van het Nederlands aan te vallen, moet de heer Blommaert wat beter nadenken.

De heer Blommaert verliest nl. iets essentieels uit het oog, en dat is mijn derde punt.

Avishai Margalit schreef ooit dat we moeten streven naar een fatsoenlijke maatschappij. Dat is, volgens hem, een maatschappij die niet kwetst. Nu heb ikzelf – toevallig zeker?-  een studie gepubliceerd onder de titel De gekwetste mens. Ik heb daarin gevonden dat kwetsen betekent: mensen in de existentiële orde ontdoen van hun menselijke volwaardigheid, zodat ze in die orde “lager” staan dan anderen.

De heer Blommaert moet me eens uitleggen hoe het mogelijk zal worden een fatsoenlijke samenleving te maken, als die is als een toren van Babel. Iedereen kan immers met de ogen dicht voorspellen wat er gebeuren zal: de sterkste zal winnen, zoals de Franskiljons in Vlaanderen destijds en de bezetters waartegen Cabral streed en zoals zal gebeuren met de zwakke groepen waarvoor Blommaert zegt op te komen. De vrije samenleving bestaat niet, dat weet de heer Blommaert ook. Vrijheid en democratie moeten telkens weer bevochten worden.

Het ergste vind ik nu, dat de heer Blommaert, de marxist dus, in werkelijkheid opkomt voor de vrije markt in de wereld van de menselijke communicatie. Hij schijnt er nog heilzame gevolgen van te verwachten ook. Diezelfde vrije markt bestrijdt hij evenwel te vuur en te zwaard – nou ja – als het om sociale of economische kwesties gaat. Dat blijkt immers uit zijn eigen tekst.

Er zit dus een opmerkelijke tegenstrijdigheid in de opstelling van iemand die aan de ene kant beweert op te komen voor zwakke ‘ongewenste’ doelgroepen doch diezelfde doelgroepen dan vervolgens ‘verzuipt’ in een extreem-liberalistisch bad van letterlijk babelse spraakverwarring.

Geef mij dan maar Margalit of Ernesto Cabral.

 

Jaak Peeters

Jan 2013

Over het zogeheten populisme

Sinds de schottoespraak van Albert Coburg, die gemeend heeft  het stemgedrag van grote aantallen Vlamingen voor populisme te moeten verslijten, past het om er de gedachten eens te laten over gaan.

Het eerste wat daarbij opvalt is het volstrekt ontbreken van een algemeen aanvaarde definitie. Elke auteur hanteert zijn eigen definitie, sommigen hebben er geen of hanteren er tegelijk verschillende.

Een voorbeeld is de tekst van Arnold Labrie in het monumentale Nationalisme, naties en staten. Hij heeft het over panslavisch populisme, populistisch nationalisme, utopisch populisme, populistische boektitels, volksnationalisme als populisme en nog wel enkele van dit soort omschrijvingen. Alles binnen een bestek van hooguit 50 bladzij.  Stefan Rummens, een als KUL-ethicus vermomde Agaleffer, omschrijft populisme in Filosofie als de gedachte dat democratische beslissingen een directe uitdrukking moeten geven  aan de wil van het volk.  Een andere “artiest” is Rob Riemen die de opkomst van Wilders’ PVV in Nederland niet alleen als populisme ziet, maar er zelfs de terugkeer van het fascisme in meent te bespeuren.

Wie de definitie van Rummens tegenover de visie van Riemen plaatst, merkt meteen dat die beide elkaar uitsluiten.  Wilders was immers duidelijk bereid tot het sluiten van compromissen toen hij aan het kabinet Rutte I zijn gedoogsteun gaf. Als de PVV populistisch is, dan vereist het populisme in ieder geval niet de rechtstreekse omzetting van de wensen van de kiezer in wetten. Dus is of Riemen of Rummens fout. Leefbaar Nederland werd door zijn vijanden als populistisch omschreven, hoewel de vermoorde Pim Fortuyn weliswaar charisma bezat, maar intellectueel zijn mannetje stond. Intellectueel populisme dan maar?

David Reybrouck pleitte zelfs openlijk voor méér populisme, dat hij opvatte als de afwezigheid in de besluitvorming van de lager opgeleiden. Een vergelijkbare opvatting houdt Ludo Abicht erop na.

Er bestaat kennelijk geen algemeen aanvaarde definitie van populisme. Het betekent voor elke auteur wat anders.

Een klein beetje kritisch nadenken doet natuurlijk vermoeden dat “populisme” wel een of andere “kernbetekenis” moét hebben.

Kennelijk gaat het telkens weer over gewoon volk – wat dat ook zijn moge-, dat zich door de heersende klassen niet erkend acht en verlangt dat de dames en heren bij hun beslissingen met zijn zorgelijkheden rekening houden.

Populisme wordt vaak geassocieerd met charismatisch leiderschap. Aangezien mensen erover klagen dat ze niet gehoord worden, werven politici die wél naar hun noden en zorgen kijken, snel veel aanhang. Charismatisch? Misschien. Maar wat is daar eigenlijk mis mee?

Als de traditionele beslissers hetzelfde hadden gedaan, zou er van populisme geen sprake zijn geweest. Zodoende moet men haast concluderen dat het ligt aan de koppige onwil van de “hogere” klassen om naar het volk te luisteren dat zoiets als populisme überhaupt kan verschijnen.

De elitaire escapades van lieden zoals Rob Riemen, die er zich in zijn Adel van de geest op beroemt in een poepchique, peperduur restaurant in New York met de dochter van Thomas Mann te kunnen dineren, wekken eerder het beeld van een zelfingenomen elite, die misprijzend de neus op haalt voor het plebs en kwistig geld rondstrooit, terwijl het volk morrend om betere lonen vraagt. Lui die de middelen hebben om even het vliegtuig naar New York te nemen om een avondje dikkenekkerij te spelen met een bekende dame, kunnen het zich veroorloven de universele kosmopoliet uit te hangen. Maar mensen die elke dag met de fiets naar het kantoor rijden hebben hier echt geen boodschap aan.

Het meewarig bejegen van de zorgen van het gewone volk etaleert een grondig en tegelijk onbeschoft misprijzen voor de wereld van de gewone, werkende mens, zonder wiens arbeid hun elitair gezwets niet eens mogelijk zou zijn.

Het is weinig origineel, maar de gedachte dat socialisme of zelfs marxisme in deze orde van gedachten bij het gehate populisme moeten worden ingedeeld, valt nogal lastig te onderdrukken.

Reybrouck krijgt op die manier gelijk: sommige “hogeren”  gebruiken hun schotschriften tegen het voorts ongedefinieerde populisme slechts als een middel om de afstand tussen henzelf en het door hen geminachte plebs te maximaliseren. Een zichzelf links noemend figuur als Rummens is ons derhalve heel wat uitleg verschuldigd…

En laten dan bovendien, omgekeerd, de rangen van de hogeren niet altijd even onbesproken zijn. Wat moeten we denken van de buitenechtelijke escapades van Albert Coburg – die nota bene hardnekkig weigert zijn eigen kinderen te erkennen? Of van de graaihanden van Jean-Luc Dehaene? Of van de bedenkelijke fiscale uitstapjes van Karel de Gucht – alsof de fiscus zonder reden een machtig man als een eurocommissaris van fiscale fraude gaat verdenken!

Er vàlt dus wel degelijk wat te zeggen over het gedrag van de zogeheten hogere klassen. Als “het volk”, dat zich dergelijke avonturen niet kan permitteren, op dit soort toestanden kritiek heeft, is elke poging om die kritiek als populisme weg te wuiven een versterking van dit populisme.

Idem dito voor wie naar de politieke en economische prestaties van de “elite” kijkt. Dat het economisch fout loopt is wel degelijk de schuld van de beslissers, net zoals het feit dat Nederlandsonkundige verpleegstertjes moeten worden aangetrokken om onze bejaarden aan hun bed te verzorgen. Dat heet “falend beleid”, en dat is niet de schuld van “het volk”.

En wat de Rummensen van deze wereld ook mogen beweren: eisen dat de besluitvorming rekening houdt met de zorgen van de massa van de mensen is niet verkeerd. Het is integendeel puur en zuiver democratisch – tenzij men de Zwitserse democratie met zijn rechtstreekse volksstemmingen en zijn vele referenda voor het gemak ook maar als populisme wil wegzetten.

Populisme wordt in verband gebracht met snel veranderende meningen in de publieke opinie. Vragen we ons af hoe dat komt? Als journalisten een miniem en op zich onbelangrijk stukje uit een interview tot in het extreme vergroten en zo in hun kranten laten verschijnen, wie is er dan de mening van de mensen aan het veranderen? Vooral als we weten waarom die journalisten zoiets buitenissigs doen: om de openbare opinie in hun zin te beïnvloeden of om zelf te scoren bij hun geldschieters.

 

Neen: het beroep op “populisme” maakt op mij geen enkele indruk.

 

 

Jaak Peeters

Jan 2013

Dick Pels en het natie-nationalisme versus het europeanisme.

Bij het lezen van Dick Pels’ bijdrage in Civis Mundi van december 2012 rees voor me op de Pels van Het democratisch verschil, waarin hij benevens voor het denken van Jacques de Kadt ook aandacht heeft voor begrippen als heterogeniteit en homogeniteit en het daarmee geassocieerde identiteit(1).  Een zwak voor Nederland ontbreekt in mijn wereldbeeld: een bewijs dat mijn literatuurlijst kennelijk onvolledig is.

Daarom onthoud ik me hier van kritiek, althans in de gewone zin van dat woord, en zal ik mijn eigen visie plaatsen tegenover de opvattingen van Pels, zoals die uit zijn stuk in het genoemde tijdschrift blijken.

Ik sluit me, vooraf, graag aan bij Pels’ eresaluut aan Wim Couwenberg. Net als Pels herken ik in hem een zelfstandig denker, een intellectuele vrije vogel, die in de pers wel eens enigszins misprijzend werd neergezet als ‘een publicist’. Publicisten zijn er vele en men hoeft over hun werk niet meewarig te doen, maar ze hebben zeker niet allemaal het gehalte van Wim Couwenberg. Couwenberg toonde zich ook een Vlamingenvriend, iemand die nu eens even niet meewarig deed over dat obsolete nationalisme van de Vlamingen en die de verlangens van een onvoldane natie (Ignatieff) begreep – iets waarvoor velen in Vlaanderen hem dankbaar zijn.

Voorts wil ik me slechts kort mengen in het nog steeds fel woedende links-rechtsdebat. Pels heeft gelijk: dat debat is verre van verdwenen en is het zelfs nooit weggeweest. Vanuit Vlaanderen kan ik dit hier getuigen. We zien dat bijvoorbeeld in Antwerpen, waar N-VA –voorzitter Bart Dewever door de zichzelf links noemende zijde van het politieke spectrum “rechts” wordt genoemd. De discussie is fel en bijwijlen onredelijk. Zo verscheen van de mij voorts onbekende Ico Maly een doctorale studie over N-VA, de partij van Dewever, waarin die partij – ik zeg het lichtjes overdreven, toegegeven – nog net niet als neonazistisch werd weggezet. Nu ben ik zelf vanaf het prille ontstaan van die partij betrokken geweest bij N-VA. Ik behoorde bij het kleine clubje dat na het uiteenvallen van de toenmalige Volksunie (2)  van oordeel was dat de Vlaamse ontvoogding niet alleen een recht was, doch met meer zorg en evenwicht hoorde te geschieden dan alvast in het toenmalige Vlaams Blok gangbaar was. Pas onlangs heb ik al mijn functies in N-VA neergelegd, omdat ik  vond dat de tijd rijp is voor een nieuwe generatie. Welnu: hoewel ik die partij, mag ik wel zeggen, ten gronde heb gekend, herken ik haar niet in het geschrift van Maly. Het lijkt wel om een andere partij te gaan. Maar een en ander wordt duidelijk voor wie kijkt wie de hoofdpromotor was: Jan Blommaert, een communistisch academicus, voor wie de strijd tegen alles wat niet heel erg links is kennelijk een Leitmotiv is. Maly trekt nu intussen de achterzaaltjes van linkse kroegen in Vlaanderen rond om zijn wijsheid over N-VA te verkondigen. La lutte continue. (3)

Het is niet moeilijk om van dit soort intellectuele gevechten ook de nodige mediatieke versies op te disselen .( 4)

Ik neem aan dat dit volstaat als aanduiding dat de tegenstelling tussen links en rechts nog steeds actueel is.

En toch onderschrijf ik Pels’ stelling niet helemaal: dit soort debatten raakt namelijk de kern van onze problemen niet.

Anders dan het assenkruis waar Pels over spreekt, zou ik een kruis van twee dimensies willen tekenen om het politieke veld te beschrijven. De ene dimensie is de materialistische. De andere, die ik daaraan toe voeg als psycholoog, noem ik de existentiële dimensie.

De reden waarom ik dat zo wil doen komt voort uit de analyse in mijn Worsteling met de moderniteit (5) . Ik heb daarin aangetoond dat de mens helemaal niet het subject van de geschiedenis is, waarvoor hij zich gewoonlijk houdt. Met name de materialistisch denkende en sinds de revoluties van de achttiende eeuw dominante maatschappelijke groepen zijn van oordeel dat de mens zich een wereld kan scheppen die hij zich wenst. Een simpele blik naar de ecologische toestand van onze planeet leert ons hoe naïef die idee wel is. Erger nog: de mens blijkt het vaak onwetende en willoze werktuig te zijn van een historische evolutie, die zijn geest en zijn ziel tormenteert, misvormt en hem daardoor tot onredelijke reacties brengt. Wat meer is: hoe materialistischer de mens zichzelf opstelt, hoe meer hij in de ban van zijn historische tormenten geraakt. Toch is die materialistische dimensie niet weg te denken: de materiële behoeften dringen zich immers op. Klassiekerwijze ent zich op die materialistische dimensie de links-rechtstegenstelling. Rechts op het continuüm vindt men het liberalisme van de hebzuchtigen; links wordt bevolkt door de marxistische afgunstigen (6).

De psycholoog echter vraagt zich af waarom mensen zich überhaupt hebzuchtig resp. afgunstig opstellen? De grondidee van het antwoord is dat  de materialistische dimensie slechts zijdelings raakt aan de kern van de menselijke existentie. Wat mensen evenzeer drijft is van veeleer geestelijke en zelfs spirituele aard, zoals de rotstekeningen van Altamira laten vermoeden. Mensen willen iets en iemand zijn en daarom ligt aan de basis van het politieke optreden veeleer een andere, fundamentele ervaring: die van de angst. De mens is wellicht het enige dier dat voluit angst kan beleven, want hij weet dat zijn ‘ietsheid’ slechts tijdelijk is en hij is angstig voor het Grote Niets dat volgt na de dood (7) . Welnu: de geschiedenis van de historische kwellingen die de mens heeft die fundamentele angst altijd onderhouden en nog aangevuurd (8) . Daarom is het menselijk gedrag niet zonder die geschiedenis van angsten en kwellingen te begrijpen. Dat geldt ook voor vandaag. De protagonisten van de materialistische dimensie in het politieke spectrum hopen hun angsten het zwijgen op te leggen door het opstapelen van materiële middelen: wie veel bezit mag  zich immers veiliger weten. Maar er is nog een andere dimensie: de existentiële. Want wie rijk is gaat ook dood. Dus is er een apart existentieel continuüm. Aan de ene kant van dat continuüm vindt je de diep-gelovigen. Ze lossen hun angstprobleem op door zich vol overgave en gelaten toe te vertrouwen aan Gods milde goedheid. De andere kant van het continuüm wordt bezet door activistische zijnswijzen, met name nationalisme. In deze laatste positie sluiten mensen zich aaneen om bij elkaar de steun te vinden die hen in staat stelt om hun existentiële angsten de baas te worden. Derhalve voel ik me gerechtigd te beweren dat de links-rechtsdebatten al te vaak de kern van het menselijke probleem niet raken en dus de maatschappelijke doeltreffendheid om ermee om te gaan hinderen.

Zonder daar nu verder op door te gaan: ik ben nu klaar om Pels’ opvattingen over nationalisme en europeanisme te bekijken. Daar zijn namelijk gelijkaardige processen gaande.

Als Mark Rutte beweert dat Europa niet langer rechtstaat als een Groot Verhaal, dan vergist hij zich. Er is – terecht – veel kritiek op Europa en met nog meer recht op de draak die men van Europa heeft gemaakt: de Europese Unie (9) . Maar uit de veelvuldigheid van die kritiek afleiden dat het Europese Groot Verhaal een afgedane zaak is, is zeer zeker een brug te ver.

Ik vat hierna dat Europese Groot Verhaal even samen en volg daarbij de formulering van Anthony Smith in diens Nations and Nationalism in a global Era (10). De schepping van een Europese federale of zelfs unitaire staat maakt een einde aan duizend jaar nationalisme binnen Europa. Waartoe ons dat laatste gebracht heeft, leren ons de oorlogen van de twintigste eeuw. Door zich te verenigen kan Europa terug zijn positie als wereldleider terug innemen. De Europese eenheid zal niet alleen vrede brengen, maar ook voorspoed door het wegvallen van economische grenzen.

De recente voorstellen van Van Rompuy behelzen het ondergeschikt maken van de nationale parlementen aan het Europese. Als Europa tenslotte nog greep krijgt op de defensie, is de Europese staat een feit: Europese buitengrenzen, een Europese regering, een Europees gerechtshof, een Europese centrale bank, een Europees parlement (11) en een Europees leger.

Met die instituties willen de eurofiele kringen hun Groot Verhaal concreet realiseren.

Wat dat in feite betekent laat zich afleiden uit sommige recente uitspraken van G. Verhofstadt, die onlangs als zijn mening te kennen gaf dat Europa troepen moet sturen naar Syrië.

Maar dat is natuurlijk een streep door de rekening van het genoemde Groot Verhaal: Europa zal doet wat alle grote mogendheden de hele geschiedenis lang al hebben gedaan:  externe belangen verdedigen, desnoods met militaire middelen. Er is geen enkele garantie dat meer Europa ook betekent dat er geen jonge Europeanen meer op verre slagvelden zullen sneuvelen.

Europa verschijnt daarom niet als iets nieuws of iets sui generis, maar als een vergrote versie van de klassieke (multi)nationale staat. Het is dus maar een heel gewoon verhaal, zoals we dat al heel, veel te lang reeds kennen. Wat Mark Rutte ook moge beweren: Europa staat daar, kaarsrecht opgericht, groots, machtig, onaantastbaar en daarom gevaarlijk. Precies omdat mensen terugvallen in hun oude gewoonten.

Gevaarlijk dus omdat Europa het product is van de angsten van de Europese mens en daarom niet het gevolg van redelijk en logisch redeneren… zoals het altijd al was.

In 1945 lag Europa er compleet verwoest bij. Wat de generatie van die jaren beheerste was maar één ding: “dat nooit meer”! In Vlaanderen gold die slogan trouwens als langer, op de IJzertoren in Diksmuide, waar in vier talen gebeiteld staat: “Nooit meer oorlog!” De toren is inmiddels een nationaal monument.

De reactie van de oorlogsgeneratie was er een van verbijstering om de wreedheid waartoe mensen kennelijk in staat zijn – psychologen weten zulks al veel langer, hetgeen B.F. Skinner ertoe bracht zijn versie van een modern Utopia voor te stellen.

De tijden die na de wereldbrand volgden, moesten voor de oorlogsgeneratie een totale verandering brengen, hetgeen we gezien hebben in de 68-generatie. Pas die generatie immers vond de kracht om op te staan, na een lange periode van noodzakelijke wederopbouw. Het was ook de tijd om alle idealen van de vooroorlogse tijd overboord te gooien, want ze hadden niets dan ellende gebracht. De natie behoorde tot die idealen, want het waren toch de nationale legers die oorlog hadden gevoerd?

Als we de naties dus afschaffen verdwijnen ook hun legers en komt er vrede.

Het verhaal is zo herkenbaar en zo diep-menselijk, maar het mist helaas al te veel logische onderbouwing.

Het afschaffen van naties is namelijk een uiterst heikele zaak van erg betwistbaar moreel allooi, omdat het alleen mogelijk is met geweldpleging door het onderdrukken van de bestaande nationaliteiten. Dat is in de geschiedenis helemaal niets nieuws en noopt ons te vrezen dat de uitvoering van dergelijke overtrokken emotionele reacties tot tegenreacties zal leiden, waardoor we nog veel verder van huis belanden.

Waar Europa origineel zou kunnen of moeten zijn, faalt Europa dan alweer.

In zijn National Identity (12) beschrijft de genoemde Anthony Smith twee modellen van natievorming. Het eerste noemt hij lateraal. Als voorbeeld geldt de Normandisch – Parijse protonatie, die haar nationale ideologie en dito mythologie over de rest van het huidige Frankrijk heeft verspreid. De Normandisch-Parijse elite heeft haar taal, haar cultuur en haar politieke gewoonten via de bureaucratie in de veroverde gebieden doen doordringen. Daarbij heeft ze de originele culturele en nationale identiteiten vernietigd, zoals onlangs door de Franse ex-premier Rocard ten aanzien van de Vlaamse cultuur in het huidige Noord-Frankrijk werd erkend (13). Op dezelfde manier werden ook de andere talen en culturen in het gebied dat nu Frankrijk is uitgeroeid (14) . Eén cultuur en natie heeft zich dus over een veel groter gebied dan het hare verspreid. Dat gebeurt altijd met gebruikmaking van technieken die we vandaag allemaal verwerpen, omdat ze te veel vandoen hebben met ethnic cleansing. Een beter herkenbaar voorbeeld is de Belgische afscheuring van 1830, waar de poging om Vlaanderen te verfransen mislukt is (15). Nochtans is de kern van de Belgische staat nog steeds, tot op vandaag, Franstalig. Dat wil zeggen dat wie wil doordringen tot de kern van de Belgische machtscenakels daar alleen komt als hij Franstalig is. Dit is overigens de ultra-korte samenvatting van het hele nationaliteitenprobleem in België, want de Vlamingen nemen die tweederangse positie niet langer en hebben daarom in Vlaanderen een parallelle democratie ontwikkeld.

Op vele plaatsen echter is deze uitroeiing wel degelijk gelukt.

Een tweede vorm van natievorming is volgens Smith de verticale, waarbij de elite van één etnische groep de bestaande maar onontwikkelde cultuur van haar eigen gemeenschap ontwikkelt. Daarbij hoeven geen etnieën te worden uitgeroeid omdat het de elite van de eigen etnie is die de culturele en nationale leiding van haar gemeenschap op zich neemt. Dit lijkt een perfect democratische aanpak te zijn. Voorbeelden zijn legio:  Nederland, Vlaanderen, Denemarken, Ierland, Finland, Polen, Griekenland, Portugal, Catalonië.

In Vlaanderen noemt men de eerstgenoemde, laterale, soort natievorming staatsnationalisme, de tweede, de verticale, volksnationalisme.

Over deze termen valt te discussiëren, maar dat maakt niets uit voor ons verhaal.

Welnu: er is weinig verbeeldingskracht voor nodig om in te zien dat het laterale model in vele euronationalistische hoofden een meer dan gewone aantrekkelijkheid bezit. Ik kan daar hier niet op ingaan, maar het is duidelijk dat tegen concrete pogingen om zo’n laterale Europese natie te vestigen verzet zal komen vanuit verticaal georganiseerde naties.

En daarmee is het hek helemaal van de dam: alles begint dan weer van voren af oftewel: de terugkeer van het zo gehate nationalisme, ditmaal echter aangevuld door een of andere vorm van euronationalisme zodat de zaken nog complexer zouden komen liggen dan ze vandaag al zijn. Op Europese schaal zou zich immers voordoen wat zich in België heeft afgespeeld: een neo-nationale identiteit – de Europese – die zichzelf verheven waant boven de nationale in een onafgebroken conflict gewikkeld met zich bedreigd wetende nationale of etnische identiteiten. Daarmee zou meteen de grote droom van het euronationalisme volledig aan diggelen liggen: het scheppen van de eeuwige vrede, waarvan al Kant wist te vertellen dat die slechts door een beheerste concurrentie van staten viel te bereiken.

Maar er is iets anders.

Dit model van Europees denken maakt twee fundamentele fouten. Ze ontstaan omdat Europa te veel met zichzelf bezig is.

Ten eerste: men redeneert hiërarchisch. Daar zijn historische redenen voor, maar in een tijd dat mensen hun buik vol hebben van Grote Verhalen, is ook de hiërarchie zélf verdacht. Men leze maar eens de fora van de kranten of vrage zich af waar het succes van Geert Wilders vandaan komt. Het moge dan allemaal wat onhandig wezen: we zien hier een vorm van populair verzet tegen oekazes van bovenaf. Dat is een houding waar men een meer dan gemiddelde aandacht voor moet opbrengen, ook omdat de elites werkelijk falen op terreinen die voor eenieder van belang zijn: economie, munt, veiligheid, klimaat. Daarmee verspeelt Europa  het krediet dat het nodig heeft om zich echt te vestigen en sluit het zich op in de hoofden van een elite, die zich van de bevolking steeds meer afkeert.

Ten tweede verliest het eurofiele geweld dat ons over de hoofden waait uit het oog dat de wereld meer dan ooit planetair is.  Een goede staatkundige organisatie moet dus niet alleen binnen het al bij al territoriaal beperkte Europa voorzien worden; veel belangrijker nog is een goede staatkundige en politieke regeling op planetair niveau.  Omdat mensen zich van deze planetaire interdependentie ook wel bewust zijn, zou Europa een groot stuk van zijn legitimiteit verspelen, als het zich op dat gebied niet overtuigend toekomstgericht opstelt. Maar als het zijn staatkundig denken uit vorige eeuwen overplant op de hele planeet, dan loopt het gegarandeerd mis.  Dat is iets waar velen voor vrezen. Generaal Powell, de Amerikaanse ex-opperbevelhebber, zei in een toespraak eens dat de ontwikkelingslanden geen behoefte hebben aan militaire ingrepen, maar aan economische en sociale ontwikkeling. Klimaat, migratie, grondstoffen, watervoorziening, voedsel: dat worden steeds meer problemen van wereldomspannende dimensie. Kort gezegd: ook voor grote mogendheden zoals Europa er kennelijk een wil zijn, is de tijd van autarkie voorbij. We hebben behoefte aan een planetaire structuur, waarin voor planetaire problemen oplossingen op planetaire schaal worden gevonden en waarbij kleinere eenheden vaak veel efficiënter blijken te opereren dan grote mastodonten (16). Men constateert dat zelfs het machtige China lid werd van het internationaal muntfonds, de VN en het wereldhandelsfonds, met wellust de Olympische spelen organiseert en zich zodoende inschrijft in een planetaire structuur. Jan van der Putten schreef onlangs: “ Nog nooit is een opkomende grootmacht economisch zo verstrengeld geweest met de rest van de wereld.(17) ” Maar wie kan uitleggen in welke zin en mate de Europese Unie op dit gebied een voortrekkersrol speelt? Is er verschil tussen het gedrag van een Europese Commissie en de regeringen van andere grote landen? Is het optreden van Europa in de wereld een gedrag sui generis? Het antwoord luidt telkens negatief. Het ziet er in werkelijkheid veeleer naar uit dat Europa alles doet wat mogelijk is om aan te schuiven in de rij van de groten en het daarbij vervolgens voor bekeken te houden.

Ook Europa echter zal de evolutie van de planeet niet stoppen.

Het ziet er dus al bij al naar uit dat ook een strak-unitaire Europese unie van binnenuit zal aangevreten worden door de bestaande etnische naties en van buitenuit door de toenemende eisen die voortkomen uit de planetaire interdependentie.

En daarmee zijn we, voor de tweede maal, terug beland bij een pijnlijk “déja vu!”.

Hiermee kan de kring gesloten worden: we behoeven een Europa dat, naar Zwitsers model, van onderen op georganiseerd is met de volken als bouwstenen – de integratie dus van een verticaal nationalisme – en dat, naar buiten uit, op zoek gaat naar nieuwe maar noodzakelijke planetaire structuren, waarin plaats is voor volkeren, culturen en cultuurgroepen.

Vrede verwerven we niet door onze nationaliteit op te geven. Niet in Europa en niet daarbuiten.

 

Noten

1.Dick Pels. Het democratisch verschil. Van Gennep, Amsterdam, 1993, blz. 148 e.v.

2.  De Vlaamse Volksunie hield geen enkel verband met de Volksunie die in Nederland enige tijd heeft bestaan. Er zijn ook nooit relaties geweest en er werd ook nooit naar verwezen.

3.  “De strijd gaat voort”.

4.  Wie daar belangstelling voor heeft: ik trek nogal eens van leer tegen de soms onredelijke houding van de media in mijn blogreeks: www.doorstroming.net.

5.  Jaak Peeters. Worsteling met de moderniteit. Pelckmans, 2009.

6. Ik druk me hier scherp uit. Ik licht dus even toe. Wie erop is gericht het bezitten van materiële middelen tot de kern van zijn streven te maken, wordt telkens weer tot jaloersheid gebracht omdat anderen over meer middelen beschikken. Hebzucht en afgunst houden elkaar dus in evenwicht. Ik geef hiermee ook aan dat ik niet spreek over het filosofische liberalisme, dat ik op de existentiële as wil plaatsen.

7. Vgl. Heideggers Sein zum Tode.

8. Tijdens de talloze oorlogen die de mens gevoerd heeft, was de dood nooit helemaal van het toneel.

9. Vanzelfsprekend denken we dan aan Thierry Baudet.  De aanval op de natiestaat, Prometheus, Amsterdam 2012 en voorts ook Wim van Rooy e.a. (red.), Europa wankelt, Van Halewijck, Leuven, 2012.

10. Anthony Smith, Nations and Nationalism in a global Era. Polity Press, 1996, blz. 121.

11. Zowat 80% van onze wetgeving vindt zijn oorsprong in Europa.

12. Anthony D. Smith. National Identity. Univ. of Nevada Press, 1991 ( Ook verschenen in de Penguin-reeks)

13. Knack, 8 december 2010.

14. Zie ook: E. Weber. Peasants into Frenchmen. The modernisation of Rural France. Standford Univ. Press, 1976.

15. In een brief aan de Belgische minister van justitie zou Charles Rogier geschreven hebben: “ De principes van een goed bestuur zijn gebaseerd op het gebruik van één enkele taal en het is duidelijk dat de enige taal van de Belgen het Frans moet zijn. Om dat te bereiken moeten alle functies, militaire en bestuurlijke, aan Walen en Luxemburgers wordt toevertrouwd, zodat de Vlamingen beroofd worden van de voordelen van die functies. Op die manier zullen de Vlamingen zich laten verfransen en wordt het Germaanse element in België geleidelijk uitgeroeid.” (Mijn vertaling). Een kopie van deze brief zou terecht zijn gekomen bij Lord Palmerston. Over het al dan niet apocriefe karakter wordt nog steeds gediscussieerd. In Franstalige kringen wordt het bestaan ervan ontkend. Het bestaan van dit soort discussies echter bewijst wel dat de gedachten, die erin worden uitgedrukt, tenminste hebben geleefd.

16. Van de 10 landen met het hoogste BBP per hoofd zijn er 9 met een bevolking niet groter dan die van Nederland.

17. De Groene Amsterdammer, 6/12/’12.

“Belgie? Voor hoelang?”

 

We doen het niet vaak, want het is niet onze eerste taak, maar dit keer maken we een uitzondering.

Guido Naets, de bekende Europa-journalist–met–het–legendarische–strikje, heeft zopas de laatste hand gelegd aan een boek over Nikolaus Augustin de la Haye. Deze man had met de legers van Napoleon zowat het halve continent afgedweild – nou ja, voor zover je zoiets over een soldaat kunt zeggen – en vroeg zich bij de Belgische afscheuring van 1830 zoals zovelen af: “België? Voor hoelang?” De lotgevallen van deze man werden door Guido nauwgezet op papier gebracht en gebundeld tot een boeiend verhaal.

Waarom Naets die man zo belangrijk vindt? Hij is niemand minder dat de overgrootvader van zijn moeder. Die band en het gekende enthousiasme dat Guido Naets altijd heeft uitgestraald vormen de garantie voor een dagje aangename literatuur.

Wie inschrijft voor 15 januari zal zijn naam vereeuwigd zien door opname ervan in de lijst van voorintekenaars.

Download de flyer van het boek.

 

 

De opdracht van de kunstenaar

Slechts weinigen hebben weet van het bestaan van Anthony Smith’s boek Nations and Nationalism in a Global Era. Het boek werd in 1995 gepubliceerd en, voor zover mij bekend, bestaat er nog steeds geen Nederlandse vertaling van.

Met die Nederlandse vertalingen is er trouwens wat aan de hand. Alleen de geschriften van Eric Hobshawm, marxist en gloeiende vijand van elke vorm van volksnationalisme of bevrijdingsnationalisme en Ernest Gellner, wiens afkeer voor het nationalisme nauwelijks voor die van Hobshawm moet onderdoen, vindt men in Nederlandse vertaling. Meer genuanceerde teksten van Anthony Smith, Walker Connor, David Miller, John Hutchinson of de jongere Catalaanse Montserrat Guibernau zijn er in het Nederlands niet te vinden.

Men moet zulks ten gronde betreuren, want over nationalisme en etniciteit valt echt wel meer te vertellen dan wat de beide hiervoor genoemde heren te bieden hebben.

Misschien is dat euvel – het ontbreken van een evenwichtig geheel aan teksten van internationaal gehalte over nationalisme en etniciteit in het Nederlands – mede debet aan de afwijzende houding van vele inlandse Nederlandstalige intellectuelen en kunstenaars tegenover het eigen, inlands nationalisme: ze kennen er niks van, ze begrijpen het niet, ze kunnen het gewoon niet plaatsen.

De manier waarop toneelacteurs als Koen de Bouw of de voorts toch niet onverdienstelijke Jan Decleir Bart Dewever of de toch als links bekend staande voorzitter van het Vlaamse Parlement, Jan Peumans, neerbuigend of zelfs beledigend bejegenen, vraagt in ieder geval om een gedegen repliek.

Ik zal dat hier doen aan de hand van inzichten uit het hierboven aangehaalde boek van Smith.

Nationale bewegingen worden vrijwel altijd opgeroepen door intellectuelen, meestal schrijvers of alleszins kunstenaars.  Ze gaan  op zoek naar een authentiek verleden van hun volk, voor zover dat natuurlijk nog terug te vinden is. Niet de volle historische waarheid is wat telt. Het komt erop aan een verhaal op te bouwen dat een existentiële waarde bezit. Daarmee wordt bedoeld dat deze nationale verhalen de gemeenschap voorzien van een gemeenschappelijk referentiekader dan mensen aanspreekt. Dat referentiekader, dat dus als canon kan gaan fungeren, stelt een verleden era van het volk in kwestie aanwezig, waaruit blijkt welke opmerkelijke daden figuren uit dat volk ooit hebben gepresteerd en zelfs tot welke eerbiedwaardige prestaties dat volk ooit in staat is geweest.

Enkele voorbeelden zullen duidelijk maken wat hier wordt bedoeld.

Historici en schrijvers gaan op zoek naar wat er gebeurde in de Bataafse revolutie, naar de  exploten van van der Capellen en Ondaatje en co. Of ze grijpen naar de gebeurtenissen van de oorlog tegen Spanje, de geuzenverhalen en de moedige en onbaatzuchtige inzet van Willem van Oranje, zijn volharding nadat zovelen van zijn mede-edelen door Alva waren vermoord en nadat twee eerdere pogingen om de Spanjaarden te verjagen waren mislukt.

Dergelijke verhalen maken duidelijk dat Nederland – tenminste de Zeven Provinciën – ooit moedig, manhaftig en krachtig waren en dat deze mensen derhalve tot stichtelijk voorbeeld van de huidige generaties kunnen worden verheven.

Een gelijkaardig verhaal vindt men in het verhaal van de Slag van de Gulden Sporen. Of Jan Breydel ooit heeft bestaan is nogal twijfelachtig – Pieter de Coninck zeker wel -, maar het voorkomen van de slag toont de hedendaagse Vlaming dat zijn voorgangers tot grootste prestaties in staat waren en dus tot voorbeeld van de hedendaagse Vlaming strekken, zodat die zich echt niet hoeft te laten doen.

Dat dergelijke verhalen gedeeltelijk maar nooit volledig op verdichtsel berusten, is van ondergeschikt belang. Historische feiten komen immers nooit in hun volledige juistheid tot ons. Frans – Jos Verdoodt schreef ooit niet voor niets: “Geschiedenis is nooit geschiedenis”. Elke intellectueel weet dat geschiedenis altijd weer interpretatie is. Geschiedenis heeft overigens twee functies: ten eerste is het een puur wetenschappelijke poging om de feiten boven te halen; ten tweede gaat het om het beschikbaar stellen van de geschiedenis als bron van lessen voor de huidige generaties.

Dat intellectuelen dus nationale verhalen construeren is minder onredelijk dan sommigen, zoals Lode Wils, ons willen voorhouden.

Overigens moeten we goed weten dat deze inventieve activiteiten van intellectuelen zowat universeel zijn. Ook Franse intellectuelen hebben de bestorming van de Bastille geromantiseerd en de eedaflegging op het Marsveld in Parijs op 14 juli 1790 werd door intellectuelen en kunstenaars uitvoerig beschreven en vol romantische overdrijving afgebeeld. Elke natie heeft behoefte aan een nationale canon dat als gemeenschappelijk referentiekader dienst kan doen. Zonder zo’n kader valt een gemeenschap onverbiddelijk uit elkaar, ontstaan er elkaar bestrijdende groepen, opstanden en omwentelingen en stort de economie in elkaar.

In zowat alle naties hebben intellectuelen en kunstenaars dit onmisbare werk verricht. In het verleden ging het, bij de Israëlieten, om de schijvers (‘profeten’) over de tijden van David en Salomon. Bij de Grieken valt Homeros niet weg te denken en bij de Romeinen wordt die rol gespeeld door mensen als Livius. In latere tijden, in Finland bijvoorbeeld, waren het Elias Lönnrot en Akseli Gallen-Kalela, die in Karelië op zoek gingen naar de wortels van de authentieke Finse cultuur. Schilders zoals Vasili Surikov in Rusland of Diego Rivera in Mexico hebben nationale heroïsche taferelen op het witte doek gebracht. Ook componisten hebben zich met dit werk bezig gehouden. Sibelius, Dvorak, Wagner en nog anderen gebruikten etnische inhouden om hun werk uit te bouwen. Men denke slechts aan de Nibelungen van Wagner. Wie Tsjaikovski’s 1812 hoort, kan de overweldigende klokken niet mislopen, die jubelen om de overwinning op de horden van Napoleon.

Ook vandaag nog zijn er kunstenaars die hun volk een spiegel voorhouden. Denken we maar aan Serjei Eisenstein, die met zijn film Pantserkruiser Potemkin de Russen een verhaal van moed en opoffering voorzette.

Niemand van al deze kunstenaars heeft er ooit aanspraak op gemaakt de volle waarheid en niets dan de waarheid te brengen. Niemand onder hen ook heeft zijn volk ten oorlog opgejaagd. Altijd weer werden ze gedreven door een diepe sociale zin, die ze begrepen als de opdracht om hun volk het goede, het schone, het hogere voor te houden. Moed, zelfopoffering, inzet voor de hele gemeenschap: het zijn waarden die tegenwoordig onder druk staan.

Heden ten dage worden we geteisterd door hoger genoemde artiesten van het slag van Thomas Lanoye – iemand die uitgerekend een heel ander voorbeeld heeft gekend, nl. dat Cyriel Coupé, beter bekend als Anton van Wilderode – of Kristien Hemmerechts, die in haar eigen vader beter heeft gezien. En in Nederland krijgen we te maken met de literaire capriolen van Adriaan van Dis en zijn geestesgenoten.

Wat die mensen bindt is een voelbare, zichtbare, haast meetbare afkeer voor de waardigheid van hun eigen, etnisch-nationale cultuur. Ze houden zich integendeel bezig met het inbeuken op politici die de geschiedenis kennelijk beter beheersen dan zij en zich voornemen om van hun volk een volwaardige, moderne, civiele gemeenschap te maken. Namen hoeven niet: ze zijn hiervoor te vinden.

Of ze vinden het nodig erop te wijzen dat Conscience, schrijver van hét grote Vlaamse epos, zelf een Franstalige was of tenminste het Frans beter beheerste dan het Nederlands – alsof dat iets afdoet van de waarde van zijn werk. Terwijl aan de andere kant iemand als Godfried Bomans ( “Het kleine insectenboek”), Felix Timmermans, die met zijn Pallieter een universeel type neerzette, of Nest Claes die in Kosthuis van Fien Janssens scherpe kritiek uitoefende op de franskiljonse denationalisering van Vlaanderen in de negentiende eeuw, gewoon vergeten worden of afgedaan als passé.

Ja, die mensen uit die tijden spraken beter Frans dan Nederlands. Hoe kon het ook anders, vermits ze in het Frans naar school moesten en in die taal moesten werken?

Waarom komt er bij de Lanoyes en de Hemmerechtsen van vandaag niet het idee op dat we het hier met een fundamenteel onrechtvaardige toestand te maken hebben – iets wat zelfs Benno Barnard nu lijkt te begrijpen? En dat een Belgische staat, die sommigen onder hen aanbidden wegens “geen identiteit” ( wat onzin is), hier zonder meer etnocide heeft willen plegen en daarom alle recht om nog morele uitspraken te doen voorgoed verspeeld heeft – zoals neonazi’s er ook beter het zwijgen toe doen.

Anthony Smith schrijft in het genoemde boek dat de drijfveer van vele “nationalistische” kunstenaars te vinden is in de drang naar rechtvaardigheid. Hun bedoeling bestond eruit de etnische natie, waarvan ze deel uitmaakten, haar plaats onder de volkeren en dus haar waardigheid terug te geven, zoals Ernesto Cabral, de door de Portugese geheime politie vermoorde verzetsstrijder in West-Afrika, ooit zo pakkend schreef.

Door het terugbrengen van de gemeenschap tot bij haar existentiële kern konden deze mensen verhopen dat deze gemeenschap weer de trots en de kracht zou vinden die hun voorvaderen in het verleden tot grootste daden had gebracht. Dat referentiekader blijkt telkens weer gecentreerd rondom een groots verleden en heeft niets maar dan ook niets met “nationaal chauvinisme” te maken, zoals sommige politici met enige regelmaat in het Europees parlement weten te verkondigen, om de naam van Neelie Kroes niet te noemen – alsof de EU zelf zo’n schone staat van dienst kan overleggen!

Voor zover kunstenaars laboreren aan het collectieve referentiekader, oefenen ze invloed uit op de toekomstkansen van hun gemeenschap. Daar hoort niet lichtzinnig mee omgegaan en nog minder nihilistisch of vanuit een vreemde vorm van doodsdrift.

Het is mogelijk dat sommigen ingepakt worden door een negativistisch postmodernisme, dat hen wellicht in het nieuws brengt en hun werk doet verkopen. Als dat zo is, bewijzen ze zelf dat ze veel minder origineel zijn dan ze zelf denken. En ze bewijzen vooral dat ze geen duidelijk beeld hebben van de taak van een kunstenaar in de gemeenschap.

 

Jaak Peeters

Dec. 2012

Werk voor partijstrategen

Een blogreeks als deze moedigt aan om na te denken over de uitspraken van Gerolf Annemans na diens aanstelling als (interim)voorzitter van het Vlaams Belang. Zijn uitspraken zijn wat verloren gegaan in het medatieke gedruis omtrent het dwaze gezwets van Thomas Lanoye die uit pure zelfhaat de naam van Pieter de Coninck uit het arsenaal van Antwerpse straat- en pleinnamen wilde doen verdwijnen.

De uitspraken van Annemans zijn nochtans veel belangrijker dan de prietpraat van het schijnlinkse “artistieke” clubje.

Annemans wil het Vlaams Belang kennelijk ombouwen tot een radicale vlaamsnationale partij van overtuigend rechtse signatuur en daarbij uitbreken uit het carcan waarin Dewinter de partij had opgesloten: veiligheid en vreemdelingen.

Hoewel hij dat niet zo gezegd wil hebben, betekent dat weinig anders dan het opzij zetten van Dewinter – een beweging die in deze reeks al eerder werd aangemoedigd.

Een dergelijke personele amputatie zou de partij aan de ene kant schade berokkenen: de “racisten” zouden zich in de steek gelaten voelen. Maar aan de meer fatsoenlijke zijde zou de partij heel wat aantrekkelijker worden voor de modale flamingant.

Daarmee zou het Belang een echte uitdaging worden voor N-VA, zodat deze laatste partij niet langer meer kan doen alsof het Belang irrelevant is.

De belgicistische linkerzijde – een moeilijk te vatten combinatie, maar dat moet zij zelf maar uitleggen – zal nog wel enige tijd met het etiketje ‘racisme en extremisme’ blijven slingeren, maar dat zal steeds minder mensen overtuigen. Zelfs de weinig vlaamsbewuste media zullen op den duur niets anders kunnen dan schoorvoetend de realiteit te erkennen.

Dan wordt het voor N-VA menens, want dan wordt het N-VA – monopolie ernstig bedreigd.

Een geherdefinieerd Belang heeft immers wel enkele troeven.

Een greep moge volstaan.

Er is vooreerst de gematigd-kritische houding van het Belang tegenover de EU. Niemand kan er omheen: deze EU is het werk van onze politieke vijanden. Van hen moeten we geen producten verwachten die ons genegen zullen zijn. N-VA zal zich op dat punt grondig moeten bezinnen en gaan inzien dat een afwijzing van de huidige EU wel eens veel Europeser zou kunnen zijn dan het kritiekloos aanvaarden wat uit die EU afkomstig is. Het doet denken aan de uitspraak van Hans Verboven: Europa is te belangrijk om ermee te laten knoeien.

N-VA moet voorts het beginsel van de subsidiariteit herdefiniëren. Dat kan niet bestaan uit de mededeling dat het bestuur op het meest geschikte niveau moet geschieden. De belgicisten vinden België namelijk het meest geschikte niveau en de euronationalisten vinden hetzelfde van Europa. We komen er op die manier dus niet uit. Subsidiariteit kan maar één ding betekenen: beslissingen moet zo dicht mogelijk bij de gewone mens worden genomen – zodat Vlaanderen altijd voorrang heeft op België. De “hogere” niveaus moeten ondersteunend zijn en daar bijspringen, waar het lagere niveau de mogelijkheden ontbeert. We moeten gewoon af van het hiërarchische denken uit de vorstelijke tijd.

Het is duidelijk dat het Belang op dit punt een klare visie bezit, hoewel ze die zelf niet altijd concreet toepast.

Ook het sociale profiel van N-VA behoeft bijschaving. Niet naar de feiten, maar wel naar de perceptie vaart N-VA teveel in het water van VOKA. N-VA moet voor de brede middenklasse opkomen, en dat vereist tenminste een bijsturing van de communicatie. Ook op dit punt kan het Belang scoren, zeker op propagandistisch vlak.

Verder moet N-VA meer intellectuele kracht steken in de voorbereiding van de soevereiniteitsverwerving. De partij heeft goede troeven ten aanzien van het Belang, ook al omdat de term “onafhankelijkheid” op z’n zachtst onrealistisch is. Geen enkele staat is immers ‘onafhankelijk’, ook niet de allergrootste. Wat Vlaanderen moet bereiken is de status van soevereine staat, die zijn eigen rekening maakt en bij machte is om zijn integriteit te beschermen. Dat is een extra-reden om de extremistisch-liberale grenzeloosheid die nu tot de canon van de EU behoort om te buigen tot een (con)federatief denken: een bond van vrije maar in principe soevereine volkeren, met bevoegdheden die tenminste even vérgaand zijn als de kantonnale bevoegdheden in Zwitserland. Reken maar dat je in Zwitserland niet moet komen aandraven met de vraag naar taalfaciliteiten! En wie herinnert het zich nog? Nog maar enkele jaren geleden voerde het laatste kanton in Zwitserland het stemrecht voor vrouwen in. Zo vérreikend kunnen dergelijke bevoegdheden dus zijn. Zwitserland bewijst dat hiërarchisch denken niet hoeft: de gemeente int alle belastingen en doteert kanton en staat.

Belangrijker echter is dit: nu N-VA mee bestuurt, kan ze op het internationale toneel een activiteit ontplooien, wat het Belang niet kan. Want dààr is het, dat over de soevereiniteit van Vlaanderen zal beslist worden. Voor wanneer een conferentie met Catalonië, Baskenland en Schotland, desnoods over een status van waarnemend niet-stemgerechtigd lid, zoals Palestina ons toont?

N-VA heeft voorts iets te bieden op het intellectueel-conservatieve vlak, zeg maar op het vlak van het gemeenschapsdenken. De partij heeft op dat punt ook betere uitgangspunten dan de CD&V. Op dit gebied is het de beurt aan het Belang om zich aan het denken te zetten.

De uithaal van Annemans dat N-VA in de Vlaamse regering zijn beloften niet heeft kunnen houden is natuurlijk zwak, want daar staat een andere, niet voorziene en zelfs erg onderschatte prestatie tegenover: de Vlaamse rekening klopt! N-VA kan dus besturen, hetgeen het Belang nog zal moeten bewijzen.

En dan is er natuurlijk het hele verhaal over de immigratie – een heikele zaak, gezien het verleden. En het mens- en maatschappijbeeld dat de partij wil huldigen. Het Belang heeft niet het voordeel dat het kan steunen op de congressen van Volksunie, waar N-VA op verder bouwt.

Het is dus duidelijk dat een geslaagde ombouw van het Vlaams Belang verre van gegarandeerd is. Als het toch in zijn huidige gedaante blijft voortdenderen kan het maar beter zo snel mogelijk verdwijnen. Maar zal dat inzicht volstaan om de conservatieve krachten binnen die partij het zwijgen op te leggen?

Intussen kunnen de partijstrategen van N-VA zich maar beter voorbereiden. Misschien komen we over vijf jaar uit op één door vlaamsnationale principes gestuurde volkspartij, voor iedereen die alvast niet tégen Vlaanderen is. Twee van dat soort lijkt wel wat luxueus voor ons kleine landje – te klein, zolang Nederland niet nader in het vizier komt, hetgeen een punt is dat zowel N-VA als Belang verwaarlozen.

Niet dat het verkeerd is dat de autonomiegedachte over verschillende partijen verspreid is. We zouden moeten juichen als de traditionele partijen kun oogkleppen zouden afleggen en hun schouders zetten onder het autonomieproject. Dan zouden we van alvast dat probleem immers veel sneller verlost zijn.

Nadien ligt er nog werk genoeg te wachten.

 

 

Jaak Peeters

Dec. 12