Allochtoon seksisme?

Normal 0 21 false false false NL JA X-NONE /* Style Definitions */ table.MsoNormalTable {mso-style-name:Standaardtabel; mso-tstyle-rowband-size:0; mso-tstyle-colband-size:0; mso-style-noshow:yes; mso-style-priority:99; mso-style-parent:””; mso-padding-alt:0cm 5.4pt 0cm 5.4pt; mso-para-margin:0cm; mso-para-margin-bottom:.0001pt; mso-pagination:widow-orphan; font-size:12.0pt; font-family:Cambria; mso-ascii-font-family:Cambria; mso-ascii-theme-font:minor-latin; mso-hansi-font-family:Cambria; mso-hansi-theme-font:minor-latin;}

Sofie Peeters heeft dus via een uitzending het probleem van de seksuele intimidatie in Brussel open en bloot op tafel gelegd.

Het is al jaren algemeen bekend dat jonge vrouwen in het Brusselse er maar best aan doen zich niet te opzichtig te kleden, jazelfs: niet te modern, als ze willen verhinderen dat ze door benden jonge Noordafrikanen lastig worden gevallen. De meesten doen dat dan ook maar, hetgeen meteen een toegeving is aan de Noordafrikaanse seksuele opdringerigheid. Of ze kiezen een ‘kot’ zo dicht mogelijk bij de campus, zodat ze op enkele minuten tijds in de collegezaal zijn, waar ze veilig zijn.

De reactie van de politieke machten is zowel bespottelijk als droef, afhankelijk van het standpunt dat men inneemt. Het is belachelijk, omdat slingeren met boetes wegens ‘seksisme’ niets aan de oplossing van het probleem zelf zal bijdragen, zoals trouwens iedereen wel weet. Het probleem is namelijk van mentale aard en met wat afdreigen wordt op dat punt niets veranderd. Dat dergelijke ‘maatregel’ bovendien komt onmiddellijk na de uitzending en kort voor de gemeenteraadsverkiezingen, maakt het optreden van de politieke verantwoordelijken inderdaad tot een lachertje. Het is tegelijk ook tot droefheid stemmend dat waarschuwingen vanuit zowat elke denkbare maatschappelijke hoek nooit tot een fatsoenlijke politieke reactie, die naam waardig, hebben kunnen leiden. Dat betekent dat het politieke wereld ofwel voornamelijk met zichzelf bezig is, ofwel dermate verblind is, dat ze het bestaan van een probleem niet eens beseft. In de beide gevallen leidt dit tot een telkens weer (soms lichamelijk) beschadigen van mensen, hetgeen altijd weer een punt van droefheid is.

De waarheid is natuurlijk veel rauwer: de door een bepaald soort links beheerste Brusselse politiek teert op de aanwezigheid van Noordafrikanen, die het gros van hun stemmers vormen en daarom moeten geknuffeld worden. Dit laat zien dat het de Brusselse politieke leiding niet om menselijke waarden te doen is, maar om het behoud van hun eigen machtspositie, en dat ze zelfs bereid is om daarvoor een constante seksuele intimidatie van autochtone vrouwen op de koop toe te nemen.

De conclusie is alvast: dit soort politici moet eruit. Punt, uit. Zij richten veel kwaads aan, onder allerlei vormen. Niet alleen omdat ze kennelijk de seksuele intimidatie van vrouwen niet aan kunnen, maar ook omdat ze door dit soort praktijken te laten voortbestaan de integratie van immigranten in de praktijk tegenwerken en tegelijk de wederzijdse haat van volksgroepen voedsel geven. Het is in alle opzichten een verderfelijke politiek .

Dit alles is echter maar een aspect van de zaak.

Er zijn aangelegenheden die veel dieper liggen.

In 1789 proclameerde Olympe de Gouges haar officiële ‘Verklaring van de rechten van de vrouw en de burgeres’.

In 17 duidelijke artikelen eist Olympe, geboren in 1748 in Montauban als één van de kinderen van een slager doch vermoedelijk bastaardkind van markies De Pompignan, een volstrekte gelijkwaardige behandeling op van de vrouwen in een maatschappij die ondanks alle gekrijs over democratie en gelijkheid, nog altijd diep door discriminatie van vrouwen was getekend. Wie deze 17 artikelen vandaag de dag leest, schrikt helemaal niet op van de inhoud, hoogstens enigszins van de toon. Voor Olympe bestaat de natie uit mannen en vrouwen en vormen deze laatsten dus net als mannen ‘De Natie’. Derhalve eist ze voor vrouwen het recht op om op het schavot te gaan – hetgeen haar overigens in 1793 gegund werd. “ Het vrouwelijke deel van de bevolking dat evenals het mannelijke deel belastingen betaalt, heeft het recht aan iedere openbare instantie rekenschap te vragen over haar beleid”, verklaart zij in haar artikel 15.

Hoewel de inhoud van de tekst in onze hedendaagse oren helemaal niet zo ongewoon klinkt, wordt hij toch door niemand minder dan Jean-Jacques Rousseau verworpen. Deze laatste is altijd op het standpunt blijven staan dat de vrouw de man toebehoort en in diens Emile steunt hij zich op een citaat uit de bijbel: Het is niet goed dat de mens alleen is en daarom moet hij een vrouw hebben. De vrouw als aanvulsel voor de man. Jacob Slavenburg schreef ooit een kleine monografie over dit onderwerp onder de titel: “de mislukte man”.

Het is zinnig te denken dat in de beleving van vele Noordafrikanen de visie van Olympe op heftig verzet botst en dat dit verzet vanuit de koran wordt ondersteund. Voor velen betekent dit dat de opvattingen en culturele inzichten van Noordafrikanen verkeerd zijn, want verouderd en vervangen moeten worden – door welke maatregelen dan ook – door het principe van de gelijkheid van man en vrouw.

En toch geloof ik dat hiermee nog steeds niet alles is gezegd.

Naar mijn aanvoelen is namelijk de verhouding tussen mannen en vrouwen niet een van simpele gelijkstelling. Tussen mannen en vrouwen heerst een spanning, die veel subtieler is dan wat door een platte gelijkstelling tot uitdrukking kan worden gebracht. Dat laat zich trouwens vermoeden als je in een voetnoot bij een tekst van Olympe leest : “Van Parijs tot Peru, van Rome tot Japan is het domste dier volgens mij de menselijke man”. In de ideeënwereld van Olympe is er dus meer aan de hand dan een simpele gelijkstelling van man en vrouw. Er zit spanning op. In haar preambule verklaart zij overigens: “Dientengevolge erkent en verklaart de sexe, welke de andere overtreft in zowel schoonheid als moed, betoond in de lijdensweg van het moederschap, in tegenwoordigheid en onder toezicht van het Hoogste Wezen(..)” Neen: voor Olympe is de waarheid zelfs andersom: in werkelijkheid vormen de vrouwen het voornaamste geslacht!

Welnu: deze veelal stiekeme gedachte leeft onder vrouwen meer dan vele mannen bevroeden. Er bestaat een zekere vorm van vrouwelijke spot ten aanzien van de mannelijke sexe, die beschouwd wordt als lomp en onedel. In de beleving van sommige vrouwen is de man slechts nodig voor de bevruchting en voor het overige is hij een lastpost, wiens aanwezigheid een Andere, Nieuwe wereld in de weg staat: “De toekomst is vrouwelijk”, aldus Mitscherlich. En aangezien de toekomst alleen maar interessant is als hij beter is dan het heden, volgt daaruit dat de vrouw meer te bieden heeft dan de man.

Hiermee verschijnt een diepliggende spanning tussen mannen en vrouwen, waaraan geen recht wordt gedaan in de hedendaagse politiek van volstrekte gelijkheid ( die er overigens biologisch niet eens is), geplaatst tegenover de utopie van de mannelijke superioriteit en dito bezitsrecht, zoals dat in extreme mate door Noordafrikanen wordt geëtaleerd.

De ‘uitlokking’, waarover sommige mannen zich beklagen, past eveneens in deze sfeer en is dus geen zaak van strafrecht, doch van existentiële spanning onder de sexen.

Ik ben bang dat deze met de existentie van de mens zelf verbonden subtiliteiten die behoren tot de grondslagen van onze cultuur in deze tijd van oppervlakkige opbodpolitiek verloren gaan.

 

Jaak Peeters

Juli 2012

Met de liefde, als u wil.

Opmerkelijke stelling: het echte is eenvoudig.

Is deze stelling correct?

Ja, toch minstens in grote mate.

Is deze vraagstelling belangrijk?

Zeer zeker!

 

Laten we aanvangen met een beschouwing van Yves Petry in het julinummer van De Gids.

Onder de titel Lezen en Schrijven legt deze jonge Vlaamse en in Nederland volkomen aanvaarde schrijver uit hoe hij het onderscheid ziet tussen journalistiek en literatuur.

Wat kort door de bocht: journalistiek heeft vandoen met de boodschap. Met inhoud. Met wetenschap en met kennis. Journalistiek is dan ook een hondsmoeilijk vak. Want je moet niet alleen begrijpen waarover je het hebt. Dat is een voorwaarde waaraan manifest niet altijd is voldaan. Het volstaat de commentaarstukken in de zogeheten kwaliteitskranten te lezen. Of te luisteren naar het gezwets van journalisten in zogeheten duidingsprogramma’s op radio of, erger nog: de televisie. Je moet het ook nog correct overbrengen. Quod non, al te vaak.

Literatuur echter, is van een ander gehalte. De grote literaire auteurs hadden en hebben geen biologie nodig om hun verzinsels te rechtvaardigen. Onverschrokken komen ze op voor de waarheid en het bestaansrecht van hun personages met geen ander wapen in handen dan de hypnotische vermogens van de taal( blz. 31).

Dat is niet alleen een mooie, welluidende zin – om mooie dingen te zeggen behoeven we geen Engels -, dit citaat bevat ook een schat aan inzichten.

Om te beginnen zet Petry zich af tegen het geloof – meer dan een “geloof” is het immers niet – dat een goede tekst er eentje is die verwijst naar, gebouwd is op of past bij de moderne wetenschap, de economie incluis. Wie niet kan aantonen dat hij of zij in die wereld meekan, kan slechts rekenen op welwillend medelijden en vaak op smalend misprijzen. Niet alleen, anders gezegd, datgene wat wetenschappelijk lijkt en daarom vooral ernstig aandoet, is een deel van de schaarse menselijke aandacht waard. En nog ruimer gezegd: niet alleen het algemene, het universele, het wiskundige, het abstracte moet op die aandacht kunnen rekenen. Het leven is namelijk ruimer, groter en grootser dan het soms enge wereldje van elkaar beconcurrerende wetenschapslui die voornamelijk het Engels gebruiken om zichzelf zo snel mogelijk wereldwijd op het toneel te hijsen om, wie weet, zelfs ooit een internationale prijs te uit de brand te slepen, om over de Nobelprijs maar eerbiedig en vooral stil te zwijgen. Het leven is ruimer. De dingen die niet elke dag in de aandacht van de voornaamheid staan, zijn evenzeer leven als de wiskundige formules van Maxwell, die voor Einstein het uitgangspunt van zijn relativiteitstheorie vormden. Meer zelfs: die ingewikkelde formules zijn zelfs niet denkbaar zonder dat gewone, simpele leven. Ook Einstein was dol op spaghetti.

En dan komt de naar mijn oordeel belangrijkste zin van het citaat: “Onverschrokken komen ze op voor de waarheid en het bestaansrecht van hun personages(..)” De waarheid van hun personages!

Wat zouden deze woorden Martin Heidegger genoegen hebben gedaan, als hij nog zou hebben geleefd! ‘De waarheid van het personage’…

Ik moet bekennen dat deze zin me getroffen heeft. Hij raakt, naar ik aanvoel, de kern zelf van ons Westers beschavingsprobleem.

Dat probleem bestaat eruit dat de westerling niet schijnt te kunnen leven zonder de illusies van een universele, tijdloze missie, waaraan hij zijn persoonlijk waardebesef ontleent en geneigd is alles ondergeschikt te maken. Een geloof dus in zijn opdracht de wereld door zijn ingrijpen onherkenbaar van uitzicht te doen veranderen.

Niet dat er niet héél veel ter aarde is dat verandering behoeft. Ziekten, rampen, milieuproblemen – dat alles ook zonder tussenkomst van de mens. Ja: er is ruimte voor verbetering.

Maar veel van de dingen waarvan men gelooft dat ze verandering behoeven, vormen het voorwerp van menselijke perceptie en die is, zoals gezegd, gecontamineerd door de illusies van vaak missionaire aard. Al te veel worden er door deze door illusies mismaakte perceptie dingen op de schop genomen die al bij al helemaal niet zo mis blijken te zijn.

Vaak merken we dat pas achteraf. Zoals hedendaagse schrijvers nu schoorvoetend toegeven dat de zogeheten beschavingstaak van de Europeaan in Afrika misschien beter niet was uitgevoerd. Want zonder de ingreep van de Europeanen – voor wie de missionaire illusies overigens vaak veeleer als schaamlapje dienden voor vulgaire hebzucht -, waren de Afrikanen bezig aan de ontwikkeling van een eigen, Afrikaanse versie van een moderne beschaving. Hetgeen Amilcar Cabral ertoe bracht op te komen voor de waardigheid van de Afrikaanse beschaving. En ons tot bescheiden voorzichtigheid zou moeten aanzetten.

Voor vele, klassieke commentatoren moeten literaire personages worden opgevat als typevoorbeelden van zijnswijzen met een universele betekenis. Ze worden dan ingeschoven in één of ander Groot Verhaal dat veelal stoelt op of geassocieerd wordt met zo’n missionaire illusie.

Maar niks universele betekenis! Dat zijn interpretaties achteraf, nàdat de schrijver zijn verhaal heeft gecomponeerd. Wat de schrijver op de eerste plaats bekommert is, als ik Petry begrijp, niet de mogelijke universele draagwijdte maar de waarheid van het leven die hij in zijn roman voor de lezer openlegt.

Dààr begint het leven. Dààr verschijnt de waarheid. Dààr ligt het vertrekpunt van elke ware beschaving.

Heerlijke inzichten zijn dit!

En het gaat om eenvoudige dingen.

En dat eenvoudige: dat is inderdààd het echte. Het echte leven is eenvoudig. Het echte is tegelijk eenvoudig en concreet, zelfs haast onbenullig. Doch het is het enige leven dat er voor de schrijver toe doet. Voor de schrijver… en voor elk redelijk mens. Universeel zijn niet een stel soms hypocriete principes – al vereist deze uitspraak een uitleg die de mogelijkheden van dit stuk verre te boven gaan. Universeel is het altijd en overal tot verschijning komen van het simpele particuliere. Een punt, grondig te overwegen door al die volksnationalisten die plots Euronationalisten worden, zodra ze in Brussel door de Europese Ziekte worden aangeroerd. Derk-Jan Eppink zegt er in De Groene wijze woorden over. Misschien dringt het ooit zelfs door tot bij de tot wanstaltige proporties mismaakte verwaandheid van de Europese bazen. Het zou een hele verbetering zijn. Als de Onaantastbaren zouden inzien dat ze op hun sterfbed precies dezelfde weg opgaan als al die simpele zielen waarover ze bij leven als ongenaakbare paladijnen meenden te moeten heersen.

Deze inzichten zijn belangrijk. Heel erg belangrijk. Vooral voor politieke activisten, die zich veelal in stelling hebben geschaard tegen het opkomende populisme, nationalisme, racisme, pessimisme en nog wel van dat soort –ismen.

Schrijver dezes is niet beschaamd om zichzelf nationalist te noemen.

 

Nationalisme begint namelijk bij het respect voor het onbenullige, het kleine, het eenvoudige. Het particuliere. Het echte, evenwel.

Met de liefde, als U wil.

 

Jaak Peeters

Juli 2012

 

11 juli 2012: Etaleren van uitzichtloos nationaalnihilisme.

Zoveel is zeker: de zomer van 2012 maakt een grote kans voor de prijs voor slechtste zomer van de afgelopen 25 jaar. Regen, neerslagvlagen en tussendoor buien, veel wind en veel te koud: het lijkt eerder Bamis dan zomer.

Dan zou je zo denken dat elke gelegenheid om eens iets positiefs op tafel te brengen gretig met de twee handen aangegrepen wordt. Klinkt toch redelijk, niet? Een mens kan toch niet altijd zitten kankeren op dat hondenweer. Daar komt een depressie van.

En dan zijn er dus de feestjes van 11 juli. U weet wel: ‘Vlaanderen feest’ – binnenshuis natuurlijk, vanwege dat weer.

11 juli betékent bovendien wat. Het is een dag van plechtige verklaringen en officiële recepties om het bestaan van de Gemeenschap van de Vlamingen onder de aandacht te brengen.

Niets mis mee, zegt U me?

Tja: dat zou een redelijk mens denken.

Een democratisch denkend mens leest kranten van velerlei strekking. Dus, bijvoorbeeld, ook De Morgen, ons allemaal bekend als een progressieve krant met nog meer nieuws en nog meer duiding. Nog actueler en nog overzichtelijker. Zo overzichtelijk, dat het soms aan een compilatie van doodsbrieven doet denken. Maar dat is allicht kwestie van persoonlijke smaak.

En ja hoor: ook een bepaalde progressieve schrijvende ‘elite’ in De Morgen waagt zich op 11 juli 2012 aan beschouwingen over 11 juli. De flamingant in ons kijkt verrast op als hij een opiniestuk ziet onder de titel “O dierbaar Vlaanderen”. Het is nog lovend ook nog. En eigenlijk heeft de man gelijk: de Vlamingen hebben mee aan de wieg van de moderne democratie gestaan en dat is iets om trots op te wezen. En dan komt het: een resem commentaarschrijvers. De leeuwenvlag is helemaal niet Vlaams, maar werd door de flaminganten ‘gepikt’; “projectie van de huidige democratie op de middeleeuwse maatschappij”; “Vlaanderen fabeltjesland vol haat”; “waarom niet Belg zijn?”; “ Vlaanderen in de greep van VOKA” en ga zo maar door… Afbreken, kapotmaken, ridiculiseren, bespotten…

“Waar we zelf ruzie stoken, stoken we beter”, van de hand van de onvolprezen Steven Samijn, zelf wellicht geen Vlaming? Een stuk vol chagrijnige uithalen naar een NVA-voorzitter die het aandurft om als partijleider vragen te stellen bij de huidige gang van zaken in Vlaanderen– alsof dat niet tot zijn verdomde plicht zou behoren. Waarna De Morgen zijn actuele, overzichtelijke, progressieve kolommen openstelt voor een schare NVA-haters, voor wie én het flamingantisme én de NVA zowat Satan en Belzebub bij elkaar schijnen te zijn.

Waarom de heer Samijn 11 juli aangrijpt om een 11 julitoespraak van een partijvoorzitter voor te stellen als ‘stokerij’, dat is nou net de vraag die iedere columnist op de lippen brandt. Vooral als diezelfde heer Samijn – die zijn krant wel kent, nemen we aan?- best weet dat zijn opiniestuk een rist nurkige, nijdige commentaren tegen de door hem misgeciteerde partijvoorzitter zal uitlokken. Was het hem daarom te doen? Speelt Samijn een gemeen spelletje met zijn eigen lezers? Wil hij zelf stokebrand spelen?

Neen, denkelijk niet. Samijn méént wat hij zegt. Hij kàn namelijk niet anders, want zijn wereldbeeld biedt geen plaats aan de positieve zelfkritiek van een flamingantisch partijvoorzitter. Wat flamingantisch klinkt moet per definitie negatief, nukkig, droogstoppelig, en bruinachtig gekleurd zijn. Zo schrijft de progressieve, actuele, overzichtelijke canon van de dames en heren schrijvers in De Morgen voor. En zo hoort het ook voor een schare van hun lezers, die anders het azijn dat bij hen opwelt als ze het woord Vlaams horen niet kwijt kunnen.

Is het bij De Standaard – ooit het blad van het AVV-VVK, weet u nog? – dan zoveel beter? Het antwoord is duidelijk als datzelfde toonaangevende onverantwoord interessante, zichzelf kwaliteitskrant noemende blad 11 juli laat duiden door niemand minder dan Luckas Van dertaelen, waarvan iedereen in Vlaanderen weet dat hij de grootste, meest radicale flamingant van Vlaanderen en omliggende gebiedsdelen is. Want, orakelt de heer Van dertaelen: autonomie voor Vlaanderen zet de poort open naar zelfgenoegzaamheid. Dat zie je toch bij de Ieren, de Denen, de Letten, de Esten, de Tsjechen, de Oost-Timorezen: allemaal te mijden lui wegens door-en-door egoïstisch. Laten we dus maar lekker Belgen blijven. Overigens heeft de Vlaamse Beweging niks te maken met de groei van de Vlaamse autonomie en evenmin had 1302 iets vandoen met het verlangen om vreemde heersers te weerstreven. Gellner, Miller, Ozkirimli, Vandenberghe, Geertz, Hroch, Hutchinson, Guibernau, Anthony Smith: zij kennen er allemaal niets van. Meneer Van dertaelen: dàt is de ware goeroe.

En dan heb je nog het inmiddels afgesleten verhaal: Brussel is voor Vlaanderen van het grootste belang. Zal wel, maar beseffen we ook hoeveel het kost? Heeft iemand dat ooit berekend? En wat als het imperium Europa uit elkaar valt? Of is Brussel vooral belangrijk voor en vanwege Europa? Gaan Helsinki, Kopenhagen en Dublin ten onder omdat ze gespaard blijven van de Europese invasie?

Hoe bestaat het in godesnaam dat de redactie van een zichzelf kwaliteitskrant noemend blad zulke oppervlakkigheden en zelfs onzin in zijn kolommen toelaat? Omdat die redactie zelf geen klepel ziet hangen misschien?

Oh ja: vergeten we niet dat ook de wereld van de kunstenaars met enige regelmaat zijn licht over de politieke toestand laat schijnen. Bart De Wever is een onverdraagzaam man, dat weet iedere kunstenaar toch? En Vlaanderen onafhankelijk maken? Ben je gek? Op naar het lieve België, dixit Manu Claeys, die enkele jaren geleden een nieuw leven begon als beroepsdwarsligger tegen het BAM-gedoe in Antwerpen en zich daardoor nu een hele piet voelt.

Voor wie toekijkt – men moet niet eens scherp toekijken, want het springt je zo in het gezicht – is het duidelijk hoe een kliekje zelfverklaarde intellectuele leiders en dito schrijvers beslag hebben gelegd op onze pers – met dank overigens aan de marketeer, die inmiddels in Nederland bezig is zijn vernielend exploot met de NRC te herhalen. Dat kleine groepje heeft zichzelf geassocieerd met een spraakmakend groepje acteurs en would-be kunstenaars van extreemlinkse signatuur, nietwaar Dirk Tuybens, alias de Directeur van Witse?

Voor dat hele, al bij al in aantal beperkte wereldje is alles wat Vlaams klinkt achterlijk, boers, oubollig, bruin, zwart, verderfelijk. Ja: vooral bruin, want de verwijzing naar het verleden mag niet ontbreken. Dat flamingantenfamilies onderdak boden aan Joden om hen uit de klauwen van de Nazi’s te houden ( en desondanks na de oorlog verdorie gestraft werden!) en extreemlinksen van de verwarring van de bevrijding gebruik hebben willen maken om een communistische volksstaat te vestigen ontgaat hen te enenmale – pour besoin de la cause, natuurlijk.

Nou, dames en heren. Als die antivlaamse houding uw keuze is, wat is dan jullie alternatief?

Terug naar het Belgique une et indivisible? Terug naar het Belgique van het Vlomske? Terug naar de franskiljonse standenstaat? Dàt was hij toch, niet?

Hebben jullie dan nooit gehoord van de Renaissance? De Verlichting? De Bataafse, Amerikaanse, Franse en Engelse revoluties? De emancipatie en de dekolonisatie? En als dat alles voor jullie dan niets betekent, waarom eisen jullie dan voor uzelf datgene op, wat jullie aan de massa van de Vlamingen ontzeggen: zelfbeschikking en vrijheid? Is dat niet… egoïstisch?

De waarheid is dat de linkerzijde – waarvan sedert de intrede van Rode Luc nu ook de BRT ( V-RT zijn ze niet waard) voluit deel uitmaakt, alvast sinds onafhankelijke journalisten die de onwelvoeglijke fratsen van de goddelijke keizer van Oostende in het licht brengen in de zuiverste Sovjetstijl met broodroof bedreigd werden- de waarheid is dus, zeggen we, dat een groot deel van de linkerzijde hopeloos vastzit in zijn verkrampte, uitzichtloze zwarte leegheid. Dat deel van de linkerzijde dat we hier op de korrel nemen kan het Vlaamse fenomeen niet plaatsen, omdat het niet bij machte is uit te komen bij een volwaardig, écht links discours. Ze zouden bij de Gravensteners te rade kunnen gaan, maar ze verkiezen zich verder nukkig en koppig in de hopeloosheid van hun wanstaltig mismaakt discours te blijven wentelen, de dames en heertjes. Ze kunnen niet anders dan ontvoogdingsbewegingen in de wereld vanuit hun linkse positie te steunen, maar als het om Vlaanderen gaat slaat de verkramping onontwijkbaar toe en verdwijnt alle redelijkheid, om plaats te maken voor ziekelijke zelfhaat, zelfvernietigingsdrang, zelfverachting, vermengd met een haast opmerkelijke geestelijke verwardheid en desoriëntatie, dat alles soms weggestopt onder een misplaatst en onbeschoft misprijzen voor het voorzitterschap van een democratisch verkozen doch helaas Vlaams parlement, nietwaar meneer Decleir? Ze schreeuwen, ze huilen, ze slaan wild om zich heen, ziedend omdat de karavaan ongestoord voor hun neus voorbijtrekt en zich niet aan hun gesubsidieerd nationaalnihilisme gelegen laat.

De ondertoon van al dat antivlaams gekrijs heeft al te veel weg van onmacht van een ‘intellectuele’ zweverigheid, vastgelopen in een nihilisme dat geen blijf weet met zijn eigen zinloosheid.

Jaak Peeters 12 juli 2012