Tanpinar versus Blommaert en co.

Hieronder laat ik een enigszins gewijzigde reactie op de hatelijke elfjuliboodschap van een stel extreemlinksen verschijnen. Ik had het stuk naar Yves Desmet van De Morgen gestuurd, maar kennelijk is daar de ruimdenkendheid begrensd tot al wie tot het linkse kliekje gerekend wordt.

Hoe komt het toch dat ik steiger telkens ik extreemlinkse figuren zie peroreren dat de Vlaamse staatsidentiteit geen dominantie mag uitoefenen en dat er naast de territoriale verbondenheid nog vele andere vormen van verbondenheid bestaan? Dat gebeurde toen ik in De Morgen, nota bene op 11 juli, een stuk las van een aantal als uiterst links bekend staande figuren, onder de titel “Van identiteit geen staatszaak maken”.

En waarom knik ik heftig van “ja” als ik de Turkse schrijver Ahmed Tanpinar zie schrijven: “Alleen met de massa en het momentum van de Osmaanse erfenis kan het moderne Turkije werkelijk verder”? Turkije moet volgens Tanpinar zijn modernisering dus enten op de Osmaanse stam. Zoals een goede Cabernet geënt moet zijn op een degelijke onderstam – de Californische zijn uitstekend. Als amateur-wijnbouwer zegt zulks me een hele wereld, groter dan die in welk opiniestuk in een zichzelf progressief noemend blad dan ook.

Wat zegt Tanpinar nog?

“Je moet een identiteit hebben. Iedere natie ontleent die identiteit aan haar verleden.”

Ik neem aan dat extreemlinks geen bezwaar heeft tegen de opeising van het hele verleden voor opname in de volheid van de Turkse nationale identiteit door Tanpinar. Maar in het Vlaamse geval betwist extreemlinks de coördinerende rol van nationale identiteit die Tanpinar zo in de verf zet. Ze wil de Vlaamse natie-identiteit op slechts gelijke hoogte plaatsen met andere vormen van verbondenheid: geloofsovertuigingen, politieke voorkeuren…. Volgens extreemlinks is Vlaanderen in de greep van een staatsvormend project dat de dominante Vlaamse identiteit dreigt af te laten lijnen door de Vlaamse territoriale omschrijving.

De aap komt wel snel uit de extreemlinkse mouw: de eenzijdige klemtoon op de Vlaamse omschrijving van identiteit leidt ertoe dat Vlaanderen en België als tegengesteld moeten worden beschouwd. “We moeten aanvaarden dat er verschillend kan gedacht worden over het Vlaamse staatsproject en dat dit los staat van het al dan niet erkennen of miskennen van de Vlaamse identiteit.” Aldus het extreemlinkse verhaal.

Kort en simpel gezegd, zonder het omfloersende gezwam van mooi klinkende woorden: De vorming van de Vlaamse identiteit op basis van een Vlaamse staatsstructuur moet worden afgewezen. België moet blijven bestaan en de Vlaamse nationale identiteit mag geen dominant karakter krijgen.

Ik zal het nog korter zeggen: “De Vlaamse nationale staat mag niet bestaan”.

Reden? De Vlaamse nationale staat brengt een nationale identiteit met zich die de andere verbondenheden – lees: de klassenverbondenheid – in de weg staat of insluit en dus de communistische revolutie dwars zit.

De dames en heren wouldbe-communisten moeten eens uitleggen waarom ze de Belgische staatsidentiteit wél goed vinden en de Vlaamse niet, al zal ik verderop mijn eigen vermoeden hierover verder uitspreken. Een gemeenschap haar nochtans in het Handvest van de VN opgenomen zelfbeschikkingsrecht ontzeggen, terwijl andere volkeren dat recht wél hebben, lijkt erg op discriminatie op etnische gronden.

Ten tweede:  de dames en heren, mede door de onvermijdelijke Jan Blommaert aangevoerd, verklaren voorts dat het debat over kosten en baten moet gaan: “daarover moet het debat wél gaan”.

Wel nog aan toe! Ik zal de partij niet bij naam noemen, maar ze is de grootste van het land. Er gaat zo ongeveer geen dag voorbij, of die partij wijst op de een of andere manier op de nadelen van het voortbestaan van de Belgische staat en de baten van een confederale ombouw van die staat. Dus gààt het debat toch over wat de dames en heren van de Vooruitgroep wensen? Maar toch gaat het daar dus niet over, want anders hoeven ze niet te zeggen dat het debat dààrover moet gaan. “Selectief blind”, noemt men zulks. En wie debatteert over kosten en baten van Vlaanderen moet toch iets in gedachten hebben dat voor zoiets als “Vlaanderen” door kan gaan – anders hoeft het debat zelfs niet eens. Die logica kan toch de fel verlichte geesten van Vooruitgroepers niet ontgaan?

Als er iets voor ogen staat dat als Vlaanderen door kan gaan en waarvoor dus kosten en baten moeten berekend worden bestààt dat iets en dus heeft datzelfde iets een identiteit. Wat geen identiteit heeft bestaat namelijk niet, want het onderscheidt zich in niets van zijn omgeving. Nochtans schrijven de auteurs dat die gehate Vlaamse identiteit naar de buitenwereld geldt als criterium van onderscheid voor eigen Vlaamse staatsstructuren. Je mag je dus niet onderscheiden met de buitenwereld, en dààrom mag een Vlaamse identiteit niet bestaan!

Nou, lezer.  Kunt u nog volgen? Wie veel tijd over heeft kan zich eens amuseren met het optellen van de intellectuele inconsequenties.

Maar laten we het simpel houden.

We gaan terug naar Tanpinar. Je hebt een identiteit nodig. En een natie ontleent die aan haar verleden. En voor de Vooruitgroepers: tot dat al dan niet recente verleden behoort ook de klassenstrijd in Vlaanderen, de verschillende geloofsovertuigingen, de aanwezigheid van Marokkanen, Turken, Berbers en weet ik wat al meer, en de hele mikmak van de zo door extreemlinks geroemde maatschappelijke diversiteit. Neen: echt niet alleen de verhalen van Conscience, wees gerust, dames en heren!

Alleen: in een Vlaamse staat zullen we geen Belgen meer zijn. Zoals de Turken van vandaag inderdaad ook geen Osmanen meer zijn – maar wel in hun identiteit Osmaanse betekenissen meedragen. Echter: die Vlaamse nationale identiteit is dominant zoals de Turkse in Turkije en in een democratie omvàt die nationale identiteit de betekenissen van de door de linkerzijde omarmde klassenstrijd. En daar wringt het schoentje. Want is een Belgische identiteit waterachtig, een Vlaamse zou wel eens hecht kunnen worden.

Hiermee verraadt de Vooruitgroep haar ware aard: die groep is helemaal niet progressief, maar reactionair en Belgisch, met cynische heimwee naar het liberale België van de negentiende eeuw, waar een flamingantische progressief als Daens zo fel tegen streed. Voor de Vooruitgroepers moet de gang van de geschiedenis naar een een sterke Vlaamse nationale identiteit worden stilgezet, omdat zo’n identiteit veel kans biedt op een stevige nationale solidariteit. In die sfeer van solidariteit maakt het “overal strijd tussen links en rechts” weinig kans een dominant thema te worden en bedreigt daarom de bestaansreden zelf van extreemlinks. Zoals Miller uitvoerig toelicht, is een hechte nationale identiteit de beste garantie voor solidariteit en in een solidaire samenleving maakt de retoriek van de klassenstrijd geen kans.

Blommaert noemde Etienne Vermeersch eens “een intellectuele lapzwans”. Heeft iemand een voorstel van passend epitheton voor de heer Blommaert en co?

 

 

Jaak Peeters

Juli 2013

 

 

Paul Verhaeghe en het Vlaamse nationalisme

Midden in het opvallend opgeblazen hoerageroep van de Belgische traditionele partijen – die blijken nog maar eens bevallen te zijn van een staatshervorming, de zesde inmiddels al, geloof ik – lijkt het zinniger de blik maar naar ernstiger oorden af te wenden. Want het schouwspel van Verherstraeten en co – de genoemde is me persoonlijk bekend en zijn arrogant opgestoken kin is écht zijn gewone houding -, is weinig anders dan de voortzetting van een inmiddels versleten rakende en daarom holklinkende goednieuwsshow.

De feiten spreken immers andere taal. De staatsschuld wordt niet afgebouwd, de noodzakelijke hervormingen ten bate van het concurrentievermogen worden uitgesteld, de benadeling van Vlaanderen gaat gewoon door, de ware machtscentra blijven gewoon Belgisch en de traditionelen zetten hun “beleid” van de laatste decennia gewoon verder. De lintbebouwing gaat onverminderd door; de afbraak van onze intellectuele bovenlaag gaat verder door het massaal wegvloeien van jong opgeleide doctoraten; de infrastructuur veroudert in een razend tempo; onze ziekenhuizen verworden tot steenharde bedrijven in plaats van verzorgingscentra van zieke en zwakke medemensen;  het aantal zelfmoorden lag nooit zo hoog…. een lange zin die nog veel langer kan worden, alleen maar om te zeggen dat de dode mussen ons bij bosjes naar het hoofd worden gesmeten.

Niet zonder walging voor dit wansmakelijke en bedrieglijke – ik wik mijn woorden – gedrag van het Belgische régime, wordt het me veel te zwaar te moede om er nog woorden aan te verspillen.

Laat ons even ingaan op de inhoud van een goed boek, verschenen bij de Bezige Bij in 2012. Het is van de hand van de Gentse psychoanalyticus Paul Verhaeghe en vertelt het verhaal van de menselijke identiteit.

Oh ja: er bestaat geen boek waar de enigszins belezen lezer geen kritiek op heeft. Verhaeghe geeft, dunkt me, te weinig aandacht aan de biologische factoren die ons gedrag bepalen. Wie als driftkikker werd geboren blijft driftkikker. Zijn houding tegenover het christendom lijkt me nogal eenzijdig. En er zijn nog van die opmerkingen.

Maar het gaat om details en accentverschillen, want in grote lijnen kan ik met zijn stellingen akkoord gaan.

Zo legt hij uit hoe identiteit tot stand komt in een proces waarbij wij als menselijke wezens ons aan de ene kant willen aansluiten en dus identificeren met de groep waartoe we behoren, maar aan de andere kant onze eigen afzonderlijkheid willen handhaven of versterken. Identificatie en afzonderlijkheid vormen samen een spanningsveld waarbinnen onze identiteit zich vormt.

Er zijn maar twee manieren om “iemand te zijn”: door zich bij een groep aan te sluiten – een motorbende, bijvoorbeeld – of door uit te blinken. Identificatie en afzondering.

Wat de inhoud van die identiteit betreft: die komt uiteraard uit onze omgeving. We vinden onze identiteit niet zelf uit en al evenmin kiezen we die zelf, zoals een extreem liberaal als De Gucht denkt. Wij zuigen onze identiteit op uit onze omgeving. Die omgeving bestaat niet alleen uit onze ouders en familie, maar uit het hele verhaal van onze samenleving. Het grote narratief, zoals dat zo mooi heet, het geheel van verhalen, mythen, gemeenschappelijke overtuigingen, gemeenschappelijke ervaringen van gisteren en vandaag, kortom: een heuse symbolische orde, die bemiddeld wordt door de taal. Door het spreken van dezelfde taal wordt ieder van ons met ongeveer dezelfde symbolische orde geconfronteerd. Zodoende ontstaat groepsidentiteit.

Het boek navertellen zou onmogelijk zijn en bovendien de auteur onrecht aan doen. Het is het volledig doorlezen waard.

Verhaeghe keert zich, naar mijn oordeel volkomen terecht, tegen het heersende discours van het neoliberalisme. Dat is niets anders dan een geïndividualiseerde versie van het survival of the fittest. Een soort hedendaags sociaal darwinisme. Maar ditmaal zijn het niet de groepen die in onderlinge strijd tegenover elkaar staan, maar de individuen. Deze ontmaskering van de diepe hatelijkheid van het neoliberalisme – en eigenlijk van elk liberalisme – doet de nationalist goed aan het hart, want dat neoliberalisme ontwricht de hele samenleving ten bate van de economische belangen van een kleine groep en laat in werkelijkheid de grote massa verweesd achter, de werkende middenklasse op de eerste plaats. Geestig is ook Verhaeghes constatering dat de eis naar minder staat juist oorzaak is van méér regelgeving: als je euthanasie vrijgeeft, ontstaat de behoefte om regels uit te vaardigen waar die voordien niet nodig waren.

Ook het normen- en waardendebat van de CD&V moet er aan geloven, en nog terecht ook. Het verdwijnen van normen en waarden is namelijk niet de oorzaak, maar het gevolg. Als je immers jongeren altijd weer vertelt dat elke behoefte, elk verlangen perfect te bevredigen is, en zelfs op korte termijn, en dat genieten van onbegrensde consumptie het levensdoel is (blz. 154), dan verdwijnt elk engagement dat het persoonlijke voordeel te boven gaat. Alle gezwam over “het midden” van de heer Beke is daarom naast de kwestie: de zaak is dat de symbolische orde, waarop de jongeren moeten steunen om zichzelf een identiteit te bouwen, door vijftig jaar onbenullig beleid zodanig is ondermijnd, dat het profiteren of nooit tevreden zijn allengs normaal is geworden. De christelijke zuil heeft zichzelf kritiekloos ingeschreven in het neoliberale verhaal en verwaarloosd aangepast tegengas te geven. Zij vooral heeft haar taak verwaarloosd.

Hij zal het zeker niet zo bedoelen, maar Verhaeghes boek leent zich uitstekend tot verdere gronding van het Vlaamse nationalisme. Want wie spreekt over de symbolische orde als uitgangspunt van individuele en groepsidentiteit, spreekt over “oorsprong”.  Die oorsprong moet dus met grote zorg omgeven worden, en gevrijwaard van links geëxperimenteer en neoliberale hebzucht. En is bezig zijn met deze oorsprong niet ….. nationalisme?

Nationalisme komt toch van natio, dat op zijn beurt afgeleid werd van nascere: “geboren worden”?

En wat heeft er nu meer met oorsprong te maken dan de eigen fysische maar dus ook mentale geboorte?

 

Jaak Peeters

Juli 2013