Een slecht pleitbezorger

Ik begrijp de hysterie rond de persoon van Jurgen Habermas niet. De Vlaamse media meenden kennelijk hun intellectueel gehalte te tonen door hem gelijk tot één van de grootste levende filosofen te verheffen. In het Woordenboek Filosofie van Harry Willemsen wordt aan Habermas’ communicatief handelen precies één klein lemma gewijd van ongeveer één vijfde van één van de ruim 500 pagina’s. Beroepsfilosofen hebben dus niet zo’n hoge pet op met Habermas, die overigens in de schaduw stond van zijn voorgangers Adorno en Horkheimer, wier kritische theorie veel origineler was.

Dat communicatie ook handelen is en een eigen, zelfs moreel netwerk doet ontstaan weet de taalfilosofie al lang. Dat in de politieke communicatie het streven naar consensus centraal moet staan en men daarbij geen strategische machtsspelletjes mag spelen, maar bereid moet zijn om de ander tegemoet te treden, heeft ook David Miller in zijn Republikeins Burgerschap uitvoerig belicht.

Zo origineel is Habermas dus niet.

Overigens wordt Derrick van het scherm gehaald omdat hij een nazi was; de ex-nazi Jurgen Habermas wordt met grote trom en dito eer binnengehaald.

De reden is simpel: voor de heersende ideologen van dit ogenblik is Habermas de man die ze kunnen gebruiken om in te zetten tegen wat zij populisme en nationalisme noemen.

Wat mij meer dwarszit is het feit dat de heer Habermas vanuit zijn eigen schaamte om zijn persoonlijk engagement als jonge nazi – waarover Dirk Rochtus in Doorbraak uitvoeriger schreef – het verzet tegen een verstikkende en volksvreemde EU wegzet met een verwijzing naar de duivels in het Duitsland van weleer. Met zoveel woorden verklaart Habermas dat Duitsland tegen zichzelf moet beschermd worden en daartoe een supranationale democratie noodzakelijk is. Want de spoken waren overal rond, vindt hij, daarmee naar het nationalisme van ook de kleinere volkeren verwijzend. Als uiting van wantrouwen tegenover zijn eigen land kan dat tellen. Habermas worstelt hier echter vooral met zijn eigen angsten, onzekerheden en trauma’s uit een oorlog, waarmee de overgrote meerderheid onder ons, schrijver dezes incluis, niets te maken heeft of wil hebben, omdat ze toen nog geboren moest worden. Dat een oude heer uit Duitsland, die er persoonlijk wél bij betrokken was, na zoveel jaren nog steeds schaamte voelt, kan eenieder begrijpen. Maar het weze wel heel duidelijk dat wij – de naoorlogse generaties – geen zaken hebben met deze trauma’s en nog minder wensen terecht te komen in een politiek systeem dat opgebouwd is om de onzekerheden van deze oude heren te bedwingen.

Onze duivels zijn er andere.

Doch het geval Habermas is nog om een andere reden interessant.

Professor Milgram deed een halve eeuw geleden een experiment. Daaruit bleek dat brave, goed opgeleide en zelfbewuste, beschaafde mensen er niet voor terugdeinzen om in extreme gevallen ( oorlog, grote rampen, grote pressie van buitenaf) andere mensen de dood in te jagen of hen zwaar te treffen. Het experiment werd nadien verschillende keren herhaald, telkens met gelijkaardige resultaten. Ook vrouwen blijken uiterst bloeddorstig  te zijn als de omstandigheden daartoe nopen.

De Duitse psycholoog Welzer schreef onlangs een boek waarin hij uitlegde dat in alle oorlogen, in alle tijden en in alle omstandigheden soldaten tot grote wreedheden in staat zijn. Het doet er niet toe welke ideologie zij aankleven of welke zaak zij dienen: als het letterlijk om een zaak van leven en dood gaat wreken soldaten in uitzinnige woede hun gedode kameraden, doden zijn om te doden en rijgen zij de “oorlogsmisdaden” aan elkaar.

Er bestaat geen enkel middel om het plegen van “oorlogsmisdaden” te voorkomen. Het enig middel is de oorlog zélf te voorkomen.

Daartoe moet men allereerst de frustraties wegnemen en ervoor zorgen dat mensen en volken “voldaan” zijn.  Michael Ignatieff schreef ooit dat voldane mensen het zich kunnen veroorloven kosmopolitisch te zijn of neerbuigend te doen over de begeerten van de hongerigen. “Het is niet het nationalisme zelf dat er mis is met de wereld”, schreef hij. “Ieder volk moet een plek hebben waar het thuis is en deze honger moet voor iedereen worden gesteld.”

Welnu: is de Vlaamse honger naar zelfbestuur gestild? En zal die honger elders worden gestild in een Europese constructie die letterlijk over alles en nog wat beslist, zoals Habermas kennelijk wil? Als het diepe wantrouwen in de positieve krachten van de mens, dat Habermas openlijk etaleert,  de ziel zelf van de Europese Unie moet doortrekken, dan zal de honger van de volkeren alleen maar verergeren. Dàt kan geen goede grondslag voor een leefbaar Europa zijn.

De meeste oorlogen zijn binnenlandse oorlogen. De spoken van Habermas duiken dus het vaakst op tijdens  binnenlandse oorlogen. En de mens zelf: die zal nooit veranderen.

De Europese Unie, zoals Habermas die opvat, zou dus wel eens een voedingsbodem voor veel méér “spoken” kunnen zijn dan voor minder, zelfs al draait het uiteindelijk en hopelijk niet op “oorlogsmisdaden” uit.

Europa heeft in de getraumatiseerde Habermas een bijzonder slecht pleitbezorger.

 

Jaak Peeters

April 2013

Advertenties

Vlaanderen kan vergaan

Het lijkt wel telepathie. Op het ogenblik dat in deze blogreeks een artikel verscheen onder de titel “een volk kan wel vergaan”, waarin onder meer werd gewezen op de schadelijke gevolgen van het opzwellen van Brussel tot Europese hoofdstad, verscheen in Humo II een weergave van de opvattingen van Eric Corijn over Brussel.

Deze man vindt hierin dat Brussel al langer niet meer de stad van twee cultuurgemeenschappen is , maar een kleine wereldstad met een internationaal georiënteerde economie. Dus moet Brussel, dat over enkele jaren 200.000 inwoners meer zal tellen, kunnen uitbreiden en uitgroeien tot een wereldstad, die overeenkomt met de beruchte Metropolitan Region van de zesde staatshervorming, waaraan de christendemocraten, volkomen onbegrijpelijk overigens, hun medewerking verlenen.

In die enkele zinnen verraadt de Brusselaar Corijn de ware bedoelingen achter die M.R., bevestigt hij de Vlaamse onderschikking aan de Franstalige dominantie in Brussel en geeft hij voedsel aan de Franstalige eis tot uitbreiding van Brussel.

Die uitbreiding zou er natuurlijk, op de lange termijn, ook kunnen toe leiden dat stukken van Wallonië  verbrusseld worden. Maar voorlopig is daar nog geen sprake van, omdat Brussel nog steeds volledig op Vlaams grondgebied ligt, zodat het Wallonië allemaal een worst zal wezen. Het enige, ware slachtoffer van de uitgroei van Brussel tot een “wereldstad” is Vlaanderen – en alléén Vlaanderen. Dat zal, zoals eerder al beschreven, van binnenuit uitgehold worden.

Overigens is die uitholling alvast politiek al volop bezig.

De aanwezigheid van de ‘Vlaamse’ SPA op het PS-congres  toont dat die partij terug Belgisch wordt. Het is gewoon wachten tot hetzelfde zich in de liberalistische rangen voor doet. Groen en PVDA zijn nu al uitgesproken Belgisch.

Het plaatje wordt dus verre van opbeurend.

Wie de vergelijking wil maken met de ontwikkeling van een nationaal patriottisme in Tsjechië in de negentiende een twintigste eeuw, merkt dat ook daar lange tijd twee ( en zelfs meer) identiteiten concurrentieel naast elkaar hebben gestaan: het Tsjechisch volksnationalisme en het Duitstalige, naar Berlijn of Wenen gerichte staatsnationalisme. Deskundigen zullen deze beschrijving een te eenvoudige voorstelling van de feiten vinden, maar ze voldoet in dit verhaal en is zeker niet fout.

Dit naast elkaar bestaan van elkaar min of meer bestrijdende identiteiten komt wel vaker voor en die identiteiten hoeven zelfs niet eens nationaal te zijn. Ze kunnen ook religieus zijn. Maar zo’n wankele situatie kan niet lang bestaan. De goede, democratische ontwikkeling bestaat eruit dat de identiteit die het dichtst bij de originele bevolking staat, uiteindelijk het pleit wint. In politieke termen kan men hier ook denken aan subsidiariteit.

In Tsjechië is deze gewenste ontwikkeling dus tot stand gekomen. Maar voor Vlaanderen ziet het er veel minder rooskleurig uit. Het lijkt erop dat een belangrijk gedeelte van de politieke klasse in Vlaanderen voorgoed gekozen heeft voor de Belgische identiteit als dominante identiteit. Het vreemde daarbij is dat deze keuze werd gemaakt door de linkerzijde en zelfs door de meest extreme linkerzijde. Eric Corijn is een notoir marxist. Nu zijn er onder de marxisten zowat evenveel strekkingen als er marxisten zijn. Maar Corijn is een materialistisch georiënteerde, zeg maar extreme marxist. Hij hecht geen enkele waarde  aan  geestelijke, spirituele of, in het algemeen, symbolische inhouden, behalve als deze nuttig zijn in het materialistische verhaal. Dat geldt overigens ook voor Groen, dat nota bene voortbouwt op de erfenis van de Franse Revolutie – naar de woorden van Jos Geysels zelf. Hoe het opkomen voor milieu en natuur en het behoud daarvan samen te rijmen vallen met een stroming, die nu net de hele oude wereld en cultuur wilde wegvagen en vervangen door een rationele, wiskundige, vertechniseerde wereld, is voor wel meer waarnemers een raadsel. Maar ook zij dus hechten geen enkel belang aan de symbolische orde die zo belangrijk is in elke mensenmaatschappij. Voor Groen mag Vlaanderen gerust verfransen. Ze doen in ieder geval geen enkele moeite om het voortbestaan van de Vlaamse afzonderlijkheid te ondersteunen.

Daaruit volgt dat de extreme linkerzijde – op enkele zeldzame uitzonderingen na – geen zier geeft om de toekomst van Vlaanderen als afzonderlijke cultuurgemeenschap. Integendeel schrijft extreemlinks zich voluit in het verhaal van de uitbreiding van Brussel en de verfransing van grote delen van Vlaanderen in.

Het is verbazend hoe zwijgzaam de christendemocratie is. Zit die opgezadeld met een eveneens materialistisch denkende linkerzijde onder de vorm van het ACW? Of is de Christendemocratie afgedwaald van haar oorspronkelijk spoor? Het stilzwijgen van die strekking valt in ieder geval op en dat stilzwijgen is geen goed teken. Het immobiliseert namelijk belangrijke Vlaamse krachten. Wie zich de IJzerbedevaarten van de jaren zestig, bevolkt door talloze KWB-ers en zelfs ACW-ers, herinnert, weet wat dit betekent.

Dit alles roept inderdaad een zeer pessimistisch doembeeld op. Het is helemaal niet zeker dat de Vlaamse identiteit zich concurrentieel zal kunnen handhaven tegenover de Belgische – voor Milquet is dat trouwens al een uitgemaakte zaak. Het is al evenmin zeker dat de integriteit van Vlaanderen zal kunnen gehandhaafd worden. De kans dat Vlaanderen onder een Brussels-Franstalige dominantie raakt, is niet bepaald onbestaande en dit zou wel eens de arrogantie van de Franstaligen in de Vlaamse rand kunnen verklaren.

Bij dit alles wordt niet eens verwezen naar de enorme moslimgroep, die in toenemende mate uitgroeit tot Belgische moslims en mede als gevolg van harde Vlaamse agitatie in het verleden, geen voeling heeft of wil hebben met Vlaanderen.

Voor wie economisch denkt kan dit alles niet bepaald positief klinken, want nog nooit is een dominante identiteit ten aanzien van ondergeschikte identiteiten gul geweest als het aankwam op  het uitdelen van economische voordelen. Economie, politieke identiteit en staatkunde hangen nu eenmaal intrinsiek samen.

Het korte discours van Corijn in Humo II heeft een en ander nog eens in het licht gesteld.

Spijtig dat niet meer bewuste Vlamingen hiervan opschrikken.

Spijtig, gevaarlijk en economisch schadelijk bovendien.

Dat zullen vooral onze kinderen ondervinden.

Als ze vervallen zijn tot biologisch opvulmateriaal in een tot extreme proporties opgezwollen Brussels Metropolitan Region, Capital of Europe.

 

Jaak Peeters

April 2013

Een volk kan wel vergaan

Vlamingen zingen Geen tronen blijven staan, een volk zal niet vergaan.

Dat laatste is helaas geenszins het geval. Er zijn talloze voorbeelden van verdwenen volkeren.

Kort gezegd: om als volk te blijven bestaan moet er een vorm van afzonderlijkheid zijn.  Op etnisch gebied ligt die in de verwantschap van de leden van een gemeenschap. In de symbolische orde – als de groep te groot is voor echte verwantschapsbanden -, gaat het om het bezit van een eigen taal en cultuur op een eigen, afgebakend territorium.

Sociologisch gesproken moet de samenhang binnen de groep beduidend groter zijn dan die met de leden van de buitenwereld, of nog: de relaties binnen de groep moeten aanzienlijk intenser zijn dan met mensen buiten de groep.

Welnu: zowel de retoriek van het antiracisme als de ideologie van het europeanisme plegen een aanslag op de afzonderlijkheid van Vlaanderen. Beide ideologieën bestrijden op een fundamentele manier de nationale afzonderlijkheid.

Beide ideologieën verwijzen naar de vaak aangehangen ideologie van het kosmopolitisme. Dat laatste vormt de meest extreme vorm van vijandschap tegenover elke vorm van groepsbesef.

De grondidee van het kosmopolitisme is namelijk dat alle mensen op de eerste plaats mens zijn. De afzonderlijkheid die ontstaat wanneer mensen in nationale ( en andere) groepen worden ingedeeld, neigt naar immoraliteit, omdat ze afbreuk doet aan de door niets in te perken morele plicht om mensen, waar dan ook, te allen tijde bij te staan. Door het bestaan van naties worden echter middelen onthouden aan mensen buiten de eigen groep die in grote nood zijn omdat landgenoten “bevoordeeld” worden, bijv. door de sociale zekerheid.

Deze opvatting is fundamenteel fout. “Menselijkheid” is niet zoiets als een ui, die je kunt afpellen om uiteindelijk uit te komen op de kern van de menselijkheid zelf. De “schillen” behoren namelijk net zo goed tot de menselijkheid, omdat, bijvoorbeeld, Vlamingzijn een concrete vorm is waarin het menszijn tot werkelijk bestaan komt. Er bestaan geen mensen zonder dat ze tegelijk concrete eigenschappen hebben. Wie concrete eigenschappen bezit, onderscheidt zich en alleen al daarom is afzonderlijkheid een onderdeel van het menszijn.

Deze ideologische aanslag op de afzonderlijkheid van mensen en volkeren mag dus makkelijk weerlegbaar zijn, de politieke pendant ervan heeft wel degelijk zware consequenties onder vorm van de ideologieën van het antiracisme en het europeanisme.

Dat deze politieke ideologieën gevaarlijker zijn dan de erachter liggende utopie van het kosmopolitisme, ligt aan het feit dat politieke ideologieën het aanschijn geven aan machtsstructuren. En waar machtsstructuren bestaan, ontstaat ook de kans op opportunisme.

Deze laatste nu vormt de grote bedreiging voor het voortbestaan van kleinere nationale groepen.

Als kleinere groepen bovendien sociaal en economisch zwakker staan dan de groepen tegen wie ze hun afzonderlijkheid moeten verdedigen, wordt de druk om in de grotere groep op te gaan groot en vele kleinere volkeren lopen dus het gevaar geassimileerd te worden.

Een klassiek voorbeeld zijn de Vlamingen in Brussel, in het begin van de twintigste eeuw.

Welnu: er doen zich thans politieke en maatschappelijke ontwikkelingen voor, die de afzonderlijkheid van Vlaanderen bedreigen, omdat ze aan de lieden die bereid zijn tot assimilatie een opportunistisch voordeel bieden.

Het eerste element daarbij is de aanwezigheid van de EU-instellingen in Brussel. Brussel zal daardoor zeker opzwellen tot het veelvoudige van wat het thans is. Monnet zei al dat eigenlijk heel Brabant tot Brussel zou moeten behoren. Een cijfer van tien miljoen in de toekomst is niet ondenkbaar. Parijs is van dat formaat en laat zijn culturele, sociologische, sociale en politieke slagschaduw vallen op centra als Melun, Beauvais en Compiègne. Die steden liggen 40 tot 50 km. van Parijs. Dat betekent dat Antwerpen in de schaduw van Brussel komt te liggen.

In die reusachtige megalopolis zullen Engels en Frans domineren. Bovendien zijn die talen nu al psychologisch dominant. Met andere woorden: vrijwel héél Vlaanderen wordt een cultureel hybried gebied waarin het opportunistische voordelen biedt het Nederlands op te geven.

Ten tweede: in ons onderwijs dringt nu, op een weliswaar sluipende wijze, het Engels door. Dat betekent dat die taal de onze verdringt: een andere uitleg is niet mogelijk. Het begint dus met Engels in het hoger onderwijs en vervolgens, ter voorbereiding, in het secundair onderwijs en, nadien, op de achtergrond van de cultureel hybride algemene situatie, volgt het tweetalig onderwijs. Volgt dan de twee- of drietaligheid bij de bakker en de slager. Het openbaar landschap verengelst nog meer, ditmaal aangevuld, wellicht slechts marginaal, met het Frans, dat we uit Vlaanderen verdreven waanden.

De verleiding om de kinderen in het Frans en/of het Engels op te voeden wordt wel zeer groot. Een herhaling van het scenario in Brussel zit er dus aan te komen.

Bovendien hebben we onszelf wijsgemaakt dat een goede Vlaming een kenner moet zijn van vele talen. Dat schenkt hem namelijk communicatiekansen. Maar het maakt hem tegelijk tot de eeuwige secretaris. Het adagio de Vlaming past zich altijd aan bevordert onze strijdbaarheid niet.

Dit alles speelt zich af op de hoger – geschetste ideologische achtergrond van de strijd tegen de afzonderlijkheid.

Wie toekijkt zal moeten toegeven dat het antiracisme zich feitelijk tegen Vlamingen richt en, zoals minister Bourgeois onlangs ondervond, gehanteerd wordt om de integratie van anderstaligen in Vlaanderen te bestrijden. Deze integratie is, zoals iedereen begrijpt, nu net gericht op het behoud van de afzonderlijkheid van Vlaanderen.

Idem dito gaat het met de massieve opstoot van euronationalisme: de retoriek van de ever closer union. Dat kan slechts betekenen: en dus een steeds zwakkere nationale staat. Je kunt een sterk, zwaar gepromoot en opportunistisch voordelig euronationalisme niet op gelijke hoogte blijven vasthouden als een Vlaams, op Vlaamse afzonderlijkheid gericht nationalisme, dat immers, op de hoger aangegeven achtergrond, veel minder opportunistische kansen biedt.

We kunnen er dus niet omheen: er staan ons in de nabije toekomst ontzettend grote bedreigingen te wachten. Waarschijnlijk worden we geconfronteerd met de grootste gevaren voor ons voortbestaan als volk, sinds dat in de achtste en negende eeuw ontstond.

Vlaanderen kan wél vergaan!

 

Jaak Peeters

April 2013

Europa terugdringen?

Wie het terrein kent, weet dat Europa veel te veel geld heeft en dat het dus veel kan besparen. Europa past trouwens een perverse logica toe: in naam van de monetaire stabiliteit dwingt het de lidstaten tot soms dramatische besparingen, maar zélf zit het op een berg geld en blijft het buiten schot.

Alle geroep van schreeuwers van het slag van Verhofstadt ten spijt, is het in de milieus gemeengoed om het te hebben over “Europees geld” waarvan onvoldoende gebruik wordt gemaakt. “Het is toch zonde? Het ligt daar maar…”

Er is in dat kader een heuse Europese nomenklatura ontstaan, een verzameling dikbetaalde ambtenaren, die met een haast onbeperkte, door vrijwel niemand gecontroleerde macht de toewijzing van dat rijkelijke Europese manna aan zogeheten “projecten” van allerlei slag sturen. Want Europa meent zich met alles te moeten bemoeien: het onderwijs, de bouwwijze van nieuwe woningen, stadsvernieuwing, aanleg van wegen, de inplantingsplaats van bruggen, herstructurering van de plaatselijke economie, de plaatsing van stopcontacten… Er is geen onderwerp of je kunt “projecten” indienen en vervolgens daarvoor Europese subsidies aanvragen. Geld genoeg.

In de lijn daarvan is er een klasse “deskundigen” opgestaan, die er haar professie van heeft gemaakt om bedrijven, instituten en besturen te “adviseren” in het opmaken van zogeheten “calls” – het jargon is vanzelfsprekend in het Engels. Want het indienen van zo’n “Europees project”, moet U weten, is een avontuur op zich. Wie het nog nooit heeft gedaan, valt achterover wanneer hij of zij ermee wordt geconfronteerd.

Uit eigen ervaring: een “call” wordt binnen “een venster” ingediend. Als het “venster” gesloten is, is de kans verkeken.  “Calls” mogen in de voorziene periode binnenkomen via zogeheten “nationale agentschappen”, ondergeschikte afdelingen van de hoger genoemde, Europese nomenklatura. Ze moeten volgens een vast schema worden opgesteld. Belangrijk is te bewijzen dat het om iets nieuws of iets vernieuwends gaat. Heel belangrijk is de zogeheten “dissiminatie”, dit wil zeggen dat een groot bedrijf dat zo’n project indient, een aantal kleinere bedrijven mee moet nemen. Zogenaamd om het algemene niveau op te trekken. Dat laatste is complete nonsens: wie het terrein kent weet beter.

Vervolgens wordt de “call” voorgelegd aan een aantal deskundigen. Niemand twijfelt aan de kwaliteiten van die mensen en het kan best zijn dat de beste inzendingen vooraan op de lijst belanden.

Wie zijn project aanvaard krijgt, ontvangt niet zomaar geld. Hij moet daar een berg administratie voor verrichten. En dus zijn er bedrijven in de consultancywereld die hiermee rijkelijk hun boterham verdienen.

Ik laat de subsidietechniek voor wat die is.  Belangrijker is het mechanisme zelf.

Een door niemand echt gecontroleerde kaste wijst namelijk bergen geld toe aan ingezonden projecten over onderwerpen waarvan een eveneens door niemand gecontroleerde Europese Commissie voordien verklaard heeft dat ze van wezenlijk Europees belang zijn. Sommige europarlementairen geloven nog steeds dat ze enige invloed op die commissie hebben, maar zij dolen.

Op dat “wezenlijk belang” valt een en ander af te dingen. Zo vindt die EC het belangrijk dat de huizenbouw naar nulenergie evolueert. Dat lijkt belangrijk en het is op zich ook niet bepaald zonder belang. Maar voor wie weet dat zowat 80% van het huizenbestand minimaal 20 of meer jaren oud is, is zo’n nulenergie er niet bij en luidt de vraag of klimaatpolitiek op dat niveau moet gevoerd worden en niet eerder in de landbouw of de industrie. Voorts is er de vraag of de klimaatbeheersing in de woningbouw niet de noodzaak van een verlaging van de bevolkingsdruk met zich brengt. Dat zou betekenen dat de EC de immigratie moet tegengaan – het omgekeerde van wat ze nu doet.

Maar zelfs dat is niet het punt.

Het punt is dat het geld dat die nomenklatura als heuse paladijnentroep al dan niet kwistig toewijst nota bene afkomstig is uit de zakken van de nationale belastingbetaler. Deze veel geplaagde diersoort werkt zich in het zweet om het vele belastingsgeld op te hoesten, dat dan vervolgens deels in de greep van de hoger genoemde nomenklatura terechtkomt en dat geld moet dan nadien op een beleefde en haast onderdanige manier en volgens de normen van de dames en heren uit die nomenklatura teruggebedeld worden:  “Krijgen we alstublieft een deel van ons eigen geld terug?” Niet, vanzelfsprekend, na eerst de nomenklatura rijkelijk vergoed te hebben.

Men vraagt zich af waar we mee bezig zijn.

Men moet niet komen aandraven met het argument dat de betrokken geldsommen voor nationale overheden onbereikbaar groot zijn. Een project van 20 miljoen Eur is best wel een heel groot bedrag maar ook die som kan makkelijk door een Vlaamse overheid worden opgebracht.

Sommigen beweren dat op die manier de concurrentie scherper wordt en daardoor de hoogste kwaliteit boven komt drijven. Men kan hopen dat alles fatsoenlijk verloopt, maar dan nog klopt het argument niet. De meest indrukwekkende technologische resultaten in de recente geschiedenis zijn het gevolg van bewuste normstelling door de overheid. In 1917 was Rusland een berg achterlijke miserie. 44 jaar later stuurde Rusland als eerste land een man in de ruimte: Joeri Gagarin, op 12 april 1961.  In 1960 verklaarde Kennedy dat er voor het einde van het decennium een Amerikaan op de maanbodem zou staan. En als gevolg van de overheidsdoelstelling werd de eerste atoombom uit de geschiedenis gefabriceerd, op een paar jaren tijds…

Op een slinkse manier wordt een  dure Europese administratieve elite gecreëerd, die zich in macht en invloed ver boven de nationale verheft. Zo usurpeert Europa dus haar macht: het kruipt ons langs de rug over ons hoofd.

Erger nog is dat Europa er zodoende toe neigt de innovatie bij zichzelf te monopoliseren. Daardoor ontstaat een hiërarchie van innovatieve inspanningen: het Europese is “het hoogste” en dus het meest begerenswaardige.

Maar de wetenschap vordert het meest van al door het stapje voor stapje opeenstapelen van kleine beetjes, stuk voor stuk elk veel te minuscuul om in aanmerking te komen voor de aandacht van de genoemde Europese paladijnen. De lagere status van de kleine, veelal nationale verbeteringen, voert op den duur ook tot een lagere kwaliteit. Zodoende is het denkbaar dat de bombastische Europese projectenindustrie op den duur funest uitpakt voor de ontwikkeling van de techniek in haar geheel, want die moet het ook hebben van de talloze schamele, kleine stapjes. Zelfs namelijk het meest prestigieuze project kan niet zonder de resultaten van bescheiden technologische ontwikkelingen.

Vraag: moet “Europa” niet terug worden gedrongen?

 

Jaak Peeters

April 2013

De ondraaglijke lichtheid van de logica van J. de Witte

Volgens de baas van het antiracismecentrum in Brussel is de poging van Geert Bourgeois om de Roma ertoe te dwingen zich door middel van een inburgeringscursus te integreren in de Vlaamse maatschappij “discriminatie”. Dat heeft hij, met die woorden, gezegd in een TV-uitzending op 10 maart 2013.

Men knippert met de ogen bij het horen van dit soort logica: wie Roma wil verplichten zich in te burgeren, moet hen eerst identificeren als niet-ingeburgerde Roma. Dat is stigmatiserend en “dus” discriminerend.

Pierre van den Berghe, de onvolprezen studax van het etnicisme, heeft al vele jaren geleden in zijn The Ethnic Phenomenon duidelijk gemaakt dat het etnisch denken een van de meest natuurlijke reacties is van de menselijke soort – en de menselijke niet alleen.

Etnisch denken betekent, in zijn allerruimste betekenis, weinig anders dan het feit dat men voorrang geeft aan verwanten. Van den Berghe, een aanhanger van Richard Dawkins, voert deze drang terug op de “wil” van de genen om zichzelf te reproduceren. We hoeven zover niet te gaan en kunnen etniciteit opvatten als het “aanvoelen van grotere nabijheid van verwanten”, ook al zijn deze verwanten geen biologische, maar culturele verwanten.

Iedereen kan dit “etnische element” terugvinden in het verlangen van mensen om hun oorsprong te kennen. De grote vraag van de filosofie luidt: “Wie ben ik? Wat kom ik hier doen? Wat betekent dit alles? Wat is mijn plaats in de kosmos?”. Religies bieden mensen een plaats in de kosmos. Voorouderverering is niets anders dan zichzelf ingeketend weten in een rij van opeenvolgende verwanten. Wetenschap probeert uit te vinden wie en wat de mens eigenlijk is. Miljarden worden besteed om leven buiten de aarde te vinden en zo onze plaats in de kosmos te definiëren. Op een simpeler niveau gaan mensen op zoek naar hun voorouders en pluizen ze de archieven uit. In vele streken wordt iemand gedefinieerd als “Jef van Gusta van Louis van boer Janssens”. Afkomst dus. Als ik weet waar ik “begonnen” ben, dan wéét ik wie ik ben.

Dat alles betekent dat de mens, in het verre verleden net als vandaag, grote behoefte heeft om te weten wie hij is, wat hij op deze wereld komt doen – velen vinden geen antwoord en plegen zelfmoord -, en wat onze bestemming is. Met andere woorden: wij willen onszelf definiëren.

Roma, die een aparte etnische groep vormen, definiëren zichzelf àls Roma. Zij zijn allemaal, in de verste verte, op de een of andere manier met elkaar ‘verwant’. Ze hebben dus, in de symbolische orde, dezelfde oorsprong. Ze wéten van elkaar wie en wat ze zijn.

Barack Obama zou niet zijn wat hij nu is, als er niet bij voortduring naar zijn Afrikaanse afkomst zou worden verwezen. Joden zouden geen Joden zijn, als ze niet zouden wijzen naar het Verbond met Jahweh. Vlamingen zijn niet denkbaar zonder verwijzing naar de oorlog rond de Guldensporenslag.

Als het “definiëren” van mensen en mensengroepen niet langer mag, dan ontneemt men de mens de kans iets of iemand te zijn en zichzelf in deze chaotische wereld een duidelijke, herkenbare plaats en dus identiteit toe te schrijven.

Het vergt, dunkt me, weinig verbeeldingskracht om in te zien dat hierdoor een grove aanslag op de menselijke waardigheid wordt gepleegd.

Als we onze democratische samenleving in stand willen houden en beschermen, dan moeten we ervoor zorgen dat ze kan functioneren op basis van onderling vertrouwen onder de burgers – iets wat tussen Vlamingen en Franstaligen te enenmale niet langer mogelijk is.

Onderling vertrouwen is niet alleen een functionalistische zaak: kennis van de taal, met het oog op communicatie. Nogal wiedes dat wie een ander goed verstaat, makkelijker tot onderling vertrouwen komt. Maar onderling vertrouwen kan maar bestaan als mensen voelen dat ze in de volheid van hun zijnswijze erkend worden – dus ook in hun zelfdefinitie. Als ze dus weten wie hun tegenspeler is en nog meer, ipso facto, als ze weten dat de ander ‘verwant’ is – ook al is dat slechts in de symbolische orde. Iedereen is dan immers “gelijk”, hetgeen nou net tot de essentie van de democratie behoort.

Als ik het goed heb, komt de Witte op voor de erkenning van de Roma als minderheidsgroep. Maar als minister Bourgeois Roma wil verplichten Nederlands te leren, wil hij hen heus niet dwingen af te zien van hun zelfdefinitie. Nochtans is het dat wat de Witte lijkt te suggereren. Anders hoefde de moraliserende term “discriminatie” niet. Dat is één.

Ten tweede: als Roma Nederlands kennen, kunnen ze ingroeien in onze Vlaamse maatschappij. Daardoor kan het onderling vertrouwen tussen autochtone Vlamingen en de Roma alleen maar groeien. Doordat ze elkaar beter verstaan, “naderen” ze elkaar en worden ze in zekere zin “gelijker”.  Dat is belangrijk voor democratische maatschappij.

Maar volgens de logica van de Witte is het dringende verzoek om zich in te burgeren “discriminatie”. Dus: een minister die de democratische gelijkheid wil bevorderen, bezondigt zich aan…discriminatie.

Ten derde: door de Roma te volgen in hun “etnische” zelfdefinitie, zoals de Witte zélf doet, en de Roma inderdaad als Roma te definiëren,  zijn het niet de Roma noch de Witte, maar is het de minister die zich schuldig maakt.

In zijn studie over Middelman Minorities – Joden en Chinezen in Westerse steden, de Aziaten in Mombasa en Nairobi, enz.- schrijft van den Berghe: Het is vrijwel onmogelijk te assimileren in een maatschappij die jou niet aanvaardt of loyauteit te tonen in een maatschappij die jou discrimineert; het is onmogelijk vertrouwen te tonen in mensen die jou haten en bedreigen.

Een minister die wantrouwen wil weghalen en door communicatie wederzijdse aanvaarding wil bevorderen gaat zich volgens de moralistische logica van de Witte te buiten aan discriminatie?

Als we eens zouden onderzoeken of niet de eigen Vlaamse democratie gediscrimineerd wordt, meneer de Witte?

 

 

Jaak Peeters

April 2013

Etnische extinctie door de EU?

Is de EU een instrument in de handen van een Europees denkende elite om de volken en naties in Europa uit te wissen?

Het is in ieder geval bekend dat men in EU-middens  Europa opvat als een middel om “het nationalisme” te bestrijden. Er zijn bekende publicisten die deze stelling uitdrukkelijk aanhangen. In zijn monumentale  Etnische zuivering in Midden-Europa wijst Pieter van der Plank erop dat de geschiedenis ons leert dat multinationale staten uit elkaar vallen en dat alleen homogene natiestaten stabiel blijken te zijn. Niettemin  betreurt ook hij het veel te lang voortduren van de nationale soevereiniteit en het uitblijven van een heuse Europese staat.

Als hij zichzelf niet tegenspreekt, kan dat maar één ding betekenen: die Europese staat moet in hoge mate “homogeen” zijn en kan dus niet een verzameling van volkeren met grote interne zelfstandigheid zijn. Zo’n Europa zou immers niet stabiel zijn…

In dezelfde orde van gedachten komt de Duitse president Joachim Glauck op voor het scheppen van een Europese Res Publica, die het Engels als enige algemene voertaal zou hanteren. Het massief doordringen van het Engels in ons cultureel landschap van vandaag laat ons een blik werpen op wat ons te wachten staat als Glauck zijn zin zou krijgen: de volkstalen worden herleid tot huis-, tuin- en keukentalen.  Ook de CEO van Jacobs Suchard liet zich in die zin uit: volgens hem zou er nergens nog een doctoraat mogen worden aanvaard, als het niet in het Engels is geschreven. Helaas zijn zij niet de enigen die zo denken…

Dat is slechts achtergrond.

De voorgrond is het opzetten van een zogeheten Europese Grondwet; het Schengen-verdrag, een Europese justitie; een Europese Centrale Bank met bijhorende munt; Europees burgerschap; Europese buitengrenzen; een Europees Parlement; een nog net niet echte Europese regering, al komt het beslissingsrecht van de Europese Commissie over de begrotingen van de nationale staten aardig dicht in die buurt.

Wie de definitie van een staat kent, weet wat dat alles betekent: een eigen grondgebied met van de buitenwereld afscheidende buitengrenzen; een bevolking, gekenmerkt door een eigen burgerschap; eigen wetgevende instellingen; een eigen rechtsorde; een eigen munt. Alleen het leger ontbreekt nog, maar tal van zogeheten “missies” vinden onder EU-vlag plaats. Dat is dus een kwestie van tijd.

Laat ons voorgrond en achtergrond bij elkaar voegen. Dan ontstaat een grote kans op de herhaling op Europese schaal van de Franse geschiedenis: de vorming van een civiele nationale superstaatstaat met een civiel burgerschap – gesteund door ideologische tegengestelden zoals de extreme liberaal De Gucht en de erg linkse Barosso. Die staat moet intern voldoende homogeen zijn om het gevaar van een oorlog te bezweren, zoals een andere Europese extremist, Juncker, onlangs verklaarde. Dat kan niets anders betekenen dan de instelling van een Europees nationalisme. Als mensen zich bekennen tot dezelfde natie zullen ze elkaar minder gemakkelijk te lijf gaan. Zo luidt de theorie.

De Franse oud-premier Rocard verklaarde begin december 2008 dat de Franse eenheidsstaat zichzelf vestigde door de Occitaanse, Bretonse, Elzassische, Corsicaanse en Vlaamse cultuur uit te roeien. Zo is het ook werkelijk gebeurd, zoals ook Eugen Weber heeft aangetoond in zijn Peasants into Frenchmen. In 1850 sprak minder dan de helft van de Fransen het Algemeen Frans!

Hoe groot is de dreiging? Ze is in ieder geval realistisch. Als de Antwerpse inschrijvingstaks voor ongevraagde vreemdelingen weggestreept kan worden met een beroep op de “Europese regels”, of de inburgeringseisen voor Roma van een Vlaams minister afgeblokt kunnen worden met een beroep op diezelfde regels, dan ziet ieder duidelijk hoe elke vorm van verdediging tegen de etnische vervaging vanuit de Europese gremia wordt tegengewerkt.

Het doel lijkt dus: etnische vervaging door het vernietigen van de volken en de naties, die vervangen moeten worden door een Europees volk. Naast dat Europees nationalisme komt er ook de taalkundige gelijkschakeling op ons af: alles naar het oude, in Frankrijk beproefde model.

Moeten we dit alles laten gebeuren? Daar bestaat niet één reden toe, behalve natuurlijk de tegemoetkoming aan het machtsverlangen van een zichzelf elite noemende pan-europese kliek, die haar oude, maar door de nieuwe mundiale machtsverhoudingen gefrustreerde, imperiale dromen via de EU zoekt te verwezenlijken.

Verzet hiertegen  kan Vlaanderen op twee manieren organiseren. Ten eerste door ervoor te zorgen dat het zelf mee aan de tafels zit waar de beslissingen worden genomen. En ten tweede: door het voorbeeld van Singapore te volgen en de EU te verlaten, in toepassing van artikel 59 van de zogenaamde Europese grondwet.

Doch, om te beginnen, zien we de partijen die traditioneel over Belgique heersen en dus ook over Vlaanderen,  en aan de hoger genoemde EU-ontwikkelingen bewust hebben meegewerkt – wat hun compliciteit aantoont -, thans van de door henzelf ingestelde juridische en politieke instrumenten gebruik maken om Vlaamse verdedigingsmaatregelen onmogelijk te maken.

Maar erger: in het recente vlinderakkoord wordt de Vlaamse meerderheid nog verder gemuilband, door het mét hun akkoord instellen van nog meer grendels op de Vlaamse macht, zodat het voor Vlaanderen in feite onmogelijk wordt om binnen de lijnen van de Belgische grondwet zichzelf doeltreffend tegen etnische uitwissing te verdedigen.

Er zal inderdaad geen andere uitweg overblijven dan buiten de Belgische grondwet te treden. Als we tenminste aan de etnische extinctie door de EU willen ontsnappen.

 

Jaak Peeters

April 2013