Een Vlaamse kinderhand…

Kennelijk was voor zowat alle Vlaamse commentatoren het hek van de dam, toen Franstaligen in een debat op RTBF in meerderheid hadden laten aanvoelen dat ze niet langer vasthouden aan de uitbreiding van Brussel, in ruil voor de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde. Behalve het FDF, natuurlijk. Dit ‘nieuwe’ feit bracht de dames en heren commentatoren ertoe zich plots positief gestemd te tonen over de kansen op de vorming van een nieuwe Belgische regering.

Er was dat bewuste weekeinde slechts één schoonheidsfoutje: een Franstalige fractieleider had ook verklaard dat de verdwijning van de parasieten van N-VA uit de onderhandelingen de zaak vooruit heeft geholpen.

Laten we wel wezen: er is nog steeds niets om positief over te doen.

Verder lezen

Advertenties

Open brief aan Bart Peeters, N-VA bestrijder

Geachte Bart,

 

Neen, echt: je kent niks van politiek. Je kent niets van de met name Belgische politiek, de politiek in dit land, waaraan je verklaart gehecht te zijn.

Ik hoor het je betreuren dat Vlamingen niet voor Franstaligen kunnen stemmen en omgekeerd. Volgens jou ligt de kern van het nationaliteitenprobleem immers in het kiesstelsel.

Neem me niet kwalijk: maar uw analyse getuigt van complete wereldvreemdheid.

Mat ik dat niet zeggen?

Toch wel.

Ik zal aantonen waarom.

Je betreurt namelijk dat niet heel België is zoals Brussel-Halle-Vilvoorde. Daar is de stemming zoals jij je die voorstelt immers wel mogelijk.

Welnu: laat dat nu precies het gebied zijn waar het zowat elke dag tot conflicten tussen Vlamingen en  Franstaligen komt.

Dat laat vermoeden dat jouw ‘oplossing’ de problemen niet weg zou nemen, maar ze net zou vermeerderen.

Ik weet niet wat ik het meest moet geloven: dat je hopeloos naïef bent of – even hopeloos – onwetend.

Laten we aannemen dat het eerste het geval is: je bent naïef.

Dan besef je dus niet dat onder Franstaligen zowat als leidraad geldt om overal in Vlaanderen Frans te spreken. Het ordewoord luidt dat wanneer een Franstalige in Vlaanderen in het Nederlands wordt aangesproken, hij of zij systematisch in het Frans moet reageren. Je gelooft me niet? Ik kan je de tekst laten zien.

Kom me niet vertellen dat zulke ordewoorden de ronde doen in slechts kleine Franstalige groepen. Ze doen alvast de ronde in …jawel: Brussel-Halle-Vilwoorde. Dat is uitgerekend dat gebied, dat jij als model voor heel België voorstelt.

Je moet me toch eens komen uitleggen hoe je een fatsoenlijke samenleving kunt opbouwen wanneer één groep systematisch weigert de taal van de andere groep – toevallig zelfs de meerderheidsgroep – te erkennen en dat nota bene op haar eigen grondgebied.

Je weet toch wat er gebeurt wanneer een Franstalige met een Vlaming in Vlaanderen in contact komt? Er wordt Frans gesproken. Punt, uit. Niet eens één keer, maar telkens weer. Altijd weer opnieuw.

En nou gaan we even kijken naar de fameuze zes randgemeenten.

Omstreeks 1900 waren die zes gemeenten eentalig Vlaamse dorpen. Het was er goed om leven, iedereen kende iedereen en het leven ging zijn gang.

Vandaag zijn die dorpen grotendeels Franstalig.

En weet je hoe dat komt, beste Bart?

Dat komt omdat er gebeurd is wat jij voor heel België voorstelt. Dat komt omdat altijd en overal Franstaligen eisen dat zij in hun taal kunnen leven – ze noemen dat zelfs een ‘mensenrecht’ en eisen op die grond ‘minderheidsrechten’ op – en dat het de anderen moeten zijn die zich aan hen aanpassen. En zo is het verlopen in die eertijds eentalig Vlaamse dorpen. De Franstaligen bleven hardnekkig de Nederlandse taal afwijzen en hun eigen taal spreken. En de Vlamingen? Die pasten zich aan…in hun eigen gemeenten.

Dat, beste Bart, is een gang van zaken die een redelijk mens, dat is: een mens voor wie rechtvaardigheid enige betekenis heeft, niet kan accepteren.

Ik geloof niet dat jij deze gang van zaken goedkeurt.

Helaas moet ik Vic van Aelst gelijk geven als hij zegt dat de Franstaligen slechts tevreden zullen zijn als de kabeljauw in Oostende Frans zal spreken. Want de Franstalige mentaliteit is nog steeds geenszins veranderd. Ik hoorde het nog zeer recent bevestigen door een Vlaamse vrouw uit Anderlecht.

Nochtans schijn jij wel in de goede wil van de modale Franstalige te geloven. Dat is, mag ik het zeggen? – naïef.

Want het bovenstaande verhaal is niet kenmerkend voor een kleine, minieme extremistische groep. Het is algemene praktijk.

Overigens is deze minieme extremistische groep zoals jij ongetwijfeld zult antwoorden wel honderdduizend personen groot. Voornamelijk in …jawel: het gebied dat voor jou model moet staan voor heel België.

Maar misschien ben je ook onwetend.

Misschien weet je niet dat de onwillige burgemeesters in de randgemeenten – personen waarvoor je het ongetwijfeld zult opnemen – wel degelijk Nederlands kennen, maar het systematisch weigeren te spreken.

Kom me dus niet vertellen over zoiets als ‘goede wil’ vanwege Franstaligen!

Beste Bart: je bent onwetend over wat jouw fundamentele uitgangspunt bij de beoordeling van de politiek in dit land is. Je gaat uit van België. Dat is voor jou een finaal gegeven, een onwankelbaar voorafgaandelijk feit.

Vergeet je echter niet een paar eenvoudige dingen?

Bijvoorbeeld dat de diepe cultuurkloof die heel Europa verdeelt, nou dwars door dit land loopt? Dat zou toch een lichtje moeten doen branden, of minstens vragen oproepen?

Of nog dat de eerste Belgische grondwet door 46000 ‘Belgen’ werd goedgekeurd. Dat is zo’n 1,3 ten honderd van de toenmalige bevolking. En bovendien: alles uitsluitend in het Frans.

Dat is alles verleden tijd, zul je antwoorden?

Was dat maar waar!

Want elke dag opnieuw kunnen je de signalen vinden dat de Franstalige perceptie erin bestaat dat héél België van hen is. Dat zij, en zij alléén, het recht hebben om de lakens uit te delen. En dat ze die macht willen behouden, door middel trouwens van grendelgrondwetten, alarmbellen en dubbele meerderheden. Een stelsel dat maakte dat een uitspraak van het Hooggerechtshof nooit kon uitgevoerd worden. Een stelsel nota bene dat Di Rupo nu nog wil versterken.

Vindt U zoiets democratisch, Bart?

Neen toch!?

Neen, Bart: je kent niks van de Belgische politiek. Het ligt echt niet aan het kiesstelsel.

Mag ik je daarom vragen om voortaan eerst goed na te denken, vooraleer mee te huilen met de wolven in het bos, als verantwoordelijke mensen aan die toestanden iets willen veranderen?

Misschien is dat wel de enige kans om het land dat u lief schijnt van de ondergang te vrijwaren.

 

 

Jaak Peeters

Aug 2011

Collectief identiteitsbesef

Theodore Dalrymple, schrijversnaam van de Engelse psychiater Anthony Daniels, wordt door progressief Vlaanderen vooral uitgespuwd. Want hij vertelt dat de jeugd verkeerd opgevoed wordt. Dat ruikt naar normen en waarden en daar kan progressief niet zo mee voort.

Als Dalrymple – of Daniels – die uitspraak zo, in zijn ongenuanceerde algemeenheid, zou hebben gedaan, is ze overdreven. Maar Daniels werkte in achterstandswijken, in zogeheten multiculturele wijken waar drugs, prostitutie en gewelddadigheid schering en inslag zijn.

Als zich verantwoordelijk voelend mens is Daniels op zoek gegaan naar de oorzaken van deze toestanden. Ze zijn niet te vinden in het ontbreken van materiële voorzieningen. Want – alweer in algemene zin – ook armere mensen geven vaak blijk van trots en zelfvertrouwen.

Dit brengt Daniels ertoe op zoek te gaan naar de levensaanvang van de betrokkenen: hun opvoeding. Kort gezegd: als jongeren niet leren hoe ze moeten leven, dan kunnen ze dat ook niet. Er zijn ouders nodig, en ouderen in het algemeen, die als rolmodel optreden en die aan jongeren aanleren waar er grenzen liggen. Maar als die ouderen ontbreken of aan hun opvoedende plichten verzaken, leren jongeren gewoon geen grenzen.

Nu is het een fundamentele behoefte van elk menselijk wezen naar de eigen identiteit op zoek te gaan. Jongeren leren ‘wie ze zijn’. De vorming van een vast en enigszins samenhangend zelfbeeld, de verwerving van een eigen geloofwaardige identiteit dus, verloopt via de confrontatie met alles wat ‘het andere’ is, dit wil zeggen: door het verkennen van grenzen. Wie zijn grenzen kent, kan zichzelf afbakenen en weet dus ook wie hij is en wat hij kan en mag. Ziedaar overigens het belang van zo’n betwist begrip als identiteit. Voor de psycholoog  kan er geen twijfel over bestaan: grote delen van het menselijk gedrag hebben direct van doen met die verwenste identiteit.

Maar in de sloppenwijken van onze grote steden krijgen we te maken met een totaal ontwrichte wereld. ‘Ontwrichten’ wil zeggen: uit zijn gewricht halen, uit elkaar halen wat in elkaar hoort te haken. Ze ontberen de rolmodellen die hen helpen hun grenzen en dus hun identiteit te bepalen.

Jongeren die in een ontwrichte wereld zijn opgegroeid hebben geen andere keuze dan constant zelf op zoek gaan naar de grenzen van zichzelf, om tenminste te zichzelf te kunnen ervaren. Het gaat dus om meer dan de kick zelf. Ze kunnen weinig anders dan liefst hevige confrontaties uitlokken, want die geven de grootste zelfervaring. Als dit soort confrontaties plaats vindt onder soortgenoten – of lotgenoten – dan valt licht te voorspellen dat misdadigheid, geweld, drugs en dit soort lieflijkheden inderdaad aan de orde van de dag zullen zijn.

Nu spreekt Dalrymple over de Londense achterstandwijken.

Maar toch moet men wijzen op een weidser uitwaaierend probleem, dat met de bovengeschetste toestanden wel eens raakpunten zou kunnen hebben.

Het gaat om een gebrek aan besef wie we als collectiviteit zijn. Dat heeft te maken met onze welvaart en nog veel meer met onze schijnwelvaart.

Enigszins lapidair gezegd komt het erop neer dat vele mensen ver boven hun stand leven. Ze steken zichzelf tot over de oren in de schuld. Ze kopen een veel te groot huis, daar bovenop nog eens een mooie, meestal veel te grote auto en worden dan boos als ze die tweede vakantie wegens geldgebrek moeten afzeggen.

Men zou wel eens verbaasd kunnen staan, als men zou constateren hoe leeg de portemonnee van vele mensen is en hoe vaak mensen zwaar besparen op levensmiddelen of de aankoop van medicijnen bij de apotheker uitstellen omdat de beurs het niet toelaat.

Al die mensen zijn doorgaans heel gewone, fatsoenlijke mensen. Ze vergalopperen zich niet aan diefstal of gewelddadigheid. Ze onderhouden hun voortuintje, knippen hun heg en rijden hun gazon af.

Maar er komen geen kinderen. Want dààrvoor is het geld op. Je kunt niet tegelijk een groot, mooi huis kopen, een – of twee: één voor meneer en één voor mevrouw – nieuwe auto, zodat een paar decennia een zware maandelijkse afbetaling voor de boeg ligt, en dan nog eens kinderen op de wereld zetten. Want kinderen kosten geld.

Welnu: op die manier verbreekt een groot deel van onze generatie de historische ketting van de generaties. We zijn gefocust op onze materiële welvaart en de status die dergelijke dingen ons schijnen op te leveren, putten daartoe onze mogelijkheden uit en houden niets over om onze historische rol te spelen in onze gemeenschap. En àls er kinderen zijn – nogal eens per accident -, dan zijn ze voornamelijk tot last – begrijpelijk voor wie tot over z’n oren in de schulden zit.

Op die manier verliest een groot deel van een hele generatie het contact met haar historische grenzen. Deze generatie isoleert zichzelf omdat ze het al te veel vertikt voor goed gevormde opvolgers te zorgen. Ze is namelijk teveel met haar materiële zorgen bezig. En als ze kinderen heeft, zijn die geen uitdaging maar een last. De ouderen stoppen we in een rusthuis.

Het is maar een voorlopige hypothese, maar zo’n historische isolatie zou wel eens een oorzaak voor een zwak collectief zelfbesef kunnen zijn – en omgekeerd.

Ook een generatie als geheel heeft immers behoefte aan een identiteit. Ook een generatie als geheel moet voelen dat haar bestaan zin heeft en dat kan alleen door zich in de historische ketting van generaties in te schrijven. Daardoor namelijk botst een generatie als geheel op haar grenzen als generatie: tegen haar eigen kinderen – de volgende generatie – en tegen haar ouders – de vorige generatie. 

Daarom is het vaak bediscussieerde probleem van de collectieve identiteit veel meer dan een nationalistisch fantasme.

Het gaat integendeel om een zaak van leven of dood. Want niemand kan voorspellen hoe de generatie die na ons komt – of wat er nog van over zal blijven – zich zal gedragen, wanneer ze opgevoed blijkt zonder sterk collectief identiteitsbesef. Wat zal er gebeuren wanneer een hele generatie collectief op zoek gaat naar haar identiteit?

 

Jaak Peeters

Augustus 2011

Een volk kan wél vergaan

“Een volk zal nooit vergaan”. Zo zingen Vlamingen  in hun nationaal lied. Helaas stemt die zin niet bepaald overeen met wat de feiten over Vlaanderen laten zien.

Ja: even enkele van die feiten.

Omstreeks 1900 -111 jaar geleden – telde Ukkel 20.000 inwoners en was de gemeente Nederlandstalig. Oudergem, met 30.000 inwoners vandaag: zelfde verhaal. Watermaal-Bosvoorde: idem dito. Wemmel, een van de landelijke gemeenten die omstreeks 1900 amper van het bestaan van de Franse taal hadden gehoord, telt nu zowat 50 % Franstaligen. Daarmee is deze gemeente het minst verfranst van alle Vlaamse gemeenten rond Brussel.

Kenners delen ons mee dat in Halle, Merchtem, Asse, Overijse en zelfs in Londerzeel het aantal Franstaligen hand over hand toeneemt.

Als België uit elkaar valt – en daar lijken de Franstaligen op aan te sturen – is de kans groot dat internationale arbitrage de zes randgemeenten bij Brussel zal voegen. Vlaanderen is dan niet alleen zijn hoofdstad, maar meteen ook zowat een half arrondissement grondgebied kwijt.

Niets laat uitschijnen dat de jaarlijkse transfers, in een grootteorde van zowat 11 miljard Eur, op korte termijn zullen verminderen.

Vlaanderen verliest zijn hoofdstad en een stuk van zijn grondgebied, zijn culturele homogeniteit wordt uitgehold, en levert bovenop nog eens een groot deel van de vrucht van zijn arbeid in onder het mom van solidariteit. Dat is pas een dikke vis – voor de Franstaligen, welteverstaan.

En het houdt niet op: onze hele energiebevoorrading is in buitenlandse handen, onze voornaamste industriële bedrijven zijn dat ook en de bevoegdheden die nodig zijn om tenminste de economische slagvaardigheid aan te zwengelen ontbreken te enenmale. Als we ze willen verwerven moeten we ze betalen… met grond.

Natuurlijk mag en moet de vraag worden gesteld naar de schuld voor dit alles. Ja: die schuldigen zijn gekend. Het zijn de Belgische bestuurders, verzameld in de traditionele partijen en aangevuld vanuit organisaties zoals het Verbond van Belgische Ondernemingen en, niet te vergeten, met enthousiasme door het Hof aangemoedigd. Zij allemaal wisten zeer goed dat de culturele strijd in Brussel en omgeving volop woedde. Ze wisten zeer goed dat het de Franstaligen altijd – gewoon altijd – om expansie te doen is. Ze hebben al die tijd nagelaten iets te ondernemen om tenminste een beetje rechtvaardigheid te doen heersen. Dat is zéér beleefd uitgedrukt.

Meer zelfs: toen vanuit de Vlaamse Beweging geroepen, gesmeekt, geëist werd dat Brussel ontvet zou worden, omdat men daar zeer goed zag wat er te gebeuren stond, heeft men er zelfs de Europese hoofdstad in huis gehaald. Berekeningen over de maatschappelijke kost van die operatie werden door de traditionele machthebbers weggelachen – de eigen portemonnee van velen onder hen ten bate.

De Vlamingen wisten en weten nog steeds dat als Europa in Brussel hoofdstad houdt, het kleine Brussel niet kan volstaan om zo’n mastodont te huisvesten. Wijlen Monnet zei het al: eigenlijk moet héél Brabant hoofdstad worden.

Dat is precies wat de Franstaligen nastreven: Brussel uitbreiden betekent op termijn nog meer Brabantse gemeenten inlijven, want op dezelfde manier als de zes randgemeenten werden verfranst, zullen die andere Brabantse gemeenten ook bezwijken. Het is al volop bezig.

En ja hoor: de zaak zal verfranst worden. Niet verengelst. Want net zoals de vakbonden destijds de Vlamingen in Brussel hebben helpen verfransen, door hen aan te moedigen in het Frans school te lopen – ziedaar de oorsprong van het FDF -, zullen ‘wijzen’ ook nu weer ijveren voor een ‘grondige kennis van het Frans’ bij de Vlaamse autochtonen. Kwestie van de aanpasbaarheid van de Vlaming niet verloren te laten gaan. Zo kan Vic Van Aelst dus gelijk krijgen. Voor de onwetende inwijkeling uit Jamaica is België een Franstalig land en hij kijkt verbaast op als hij merkt dat dit niet zo is. Maar als je kunt kiezen: dan kies je toch voor het Frans, niet?

Het sterkste is dat het Vlaamse Parlement de funeste betekenis van dit alles veelal niet in de gaten schijnt te hebben en ermee instemt om het Frans – de taal van het imperialisme, punt uit – in Vlaanderen aanwezig te laten.

Alles op een rij gezet, zou je verwachten dat er mensen zouden opstaan om deze dodelijke evolutie – ze is dodelijk!- een halt toe te roepen of zelfs te keren. Dat laatste is zeker mogelijk…als men het wil. Nil Volentibus Arduum. Voor wie wil, is alles mogelijk. Maar de wil is er niet. Want onze krantencommentatoren, onze professoren, onze journalisten, ons onderwijzend personeel en nogal wat politiek personeel is vooral begaan om de zorg van de multiculturele maatschappij – al weet geen kat uit te leggen wat dat ding eigenlijk is. Jan Brugman schreef er in 1998 een boek over: “Het raadsel van de multicultuur”. En men is druk doende met het intussen door-en-door versleten links-rechtsdebat. En de krantenkolommen staan vol over moorden en de schunnige minislipjes van zogenaamde filmsterren. Stompzinnige Spielerei terwijl het huis in brand staat.

Men zou denken dat mensen dan eerst en voor alles de brandweer bellen, zeker als de brand al uitslaande blijkt. Neen, men beperkt er zich toe de oplettende waarschuwingen van alerte Vlamingen spottend af te doen. “ Extremisten”. “ Caracteriels”. Het mes diep in de rug.

‘Modernisering’, noemen sociologen dit alles. De maatschappij is in transitie. Brussel ook, dus. Neen: wetenschap is niet neutraal.

Ik heb zelden zo’n valse en verhullende term een wetenschappelijke status weten krijgen. Modernisering betekent vrijwel altijd dat de ene groep door een andere wordt weggedrumd, volgens de wet van de sterkste. De autochtone Amerikanen door de Europese indringers, waardoor de eertijds trotse ‘indianen’ nu verworden zijn tot een zielig en meelijkwekkend troepje havelozen. En zo zullen ‘wetenschappers’ ook wel vergoelijkend spreken over de culturele genocide in en rond Brussel.

En zullen de gematigden, de staatsdragenden en de modernisten het wegsterven van een volk bedekken met een mantel van een voor henzelf voordelige liefde.

 

 

Jaak Peeters

Augustus 2011