Een walgelijke vertoning

Mijn oom Jan werd in 1940 opgeroepen voor wat eufemistisch heet “de 18-daagse veldtocht”. Het werd veeleer een loopkoers, maar dat terzijde.

Na zijn terugkeer uit Frankrijk werd hij lid van het gewapend verzet in zijn geboortestad Geel. Lang bleef hij dat niet, want de bezetter zat hem op de hielen. Hij ging in de koolmijn werken, waar hij door de Duitsers met rust werd gelaten. Die hadden immers kolen nodig voor hun oorlogsindustrie. Mijnwerkers waren kostbaar.

Veel heeft mijn oom Jan me over die periode nooit verteld. Dat is typisch voor mensen die echte gruwelen meegemaakt hebben.

Eén keer heeft hij me verteld over een bombardement. Over jongemannen die doelloos in het rond lopen te brullen, hun kapotgeschoten kinnebak met nog slechts een dun een velletje aan hun gezicht bungelend. Over nog dampende darmen die in de struiken hangen en wanhopige officieren die met pistolen op aanvallende vliegtuigen schieten.

En over het verzet, op het einde van de oorlog, toen iedereen de afloop van die oorlog al kende. Over de afrekeningen, de vetes en de hatelijke jennerij van lieden die door datzelfde verzet als collaborateurs werden weggezet, omdat ze het aangedurfd hadden als schoolmeester de kinderen “Vlaamse stapliedjes” aan te leren. Mijn eigen schoonvader was in dat geval. Er waren er die het op zijn post als onderwijzer voorzien hadden. Een hoge pet had hij over die verzetslieden van het laatste uur niet op en een grijns van misprijzen trok over zijn gezicht als hij dan toch eens over die lieden sprak.

Aan hem moest ik denken naar aanleiding van de heisa bij de regeringsverklaring van Michel.

Collaboreren met een vijand is altijd fout. Het is een door-en-door asociale daad, die zelfs niet eens met “vaderlandsliefde” van doen heeft, ook al omdat vele “vaderlanden” die liefde gewoon niet waard zijn.

La Belgique heeft nog veel te veel goed te maken om het in lengte van jaren tot de status van geliefde vaderland te kunnen brengen.

Volgens het woordenboek betekent collaboreren: in een oorlog samenwerken met een vijand die het eigen land militair bezet heeft. De term komt van het Franse collaborer, wat “samenwerken” betekent. Derhalve kan het begrip collaboreren een ruimere betekenis worden toegeschreven: samenwerken met krachten of machten die hun gezag willen vestigen op gebieden die hen niet toebehoren. In die zin waren lieden die samenwerkten met de kolonialen collaborateurs en in vele gevallen werden ze, na het einde van de koloniale periode, door de plaatselijke machthebbers ook zo behandeld.

Als deze gedachtegang juist is, luidt de vraag of er niet nog andere vormen van collaboratie moeten aangewezen worden. Die vinden vandaag plaats. De vraag is of het bewust en zonder de voorafgaande goedkeuring van de meerderheid van de burgers afstaan van soevereiniteit aan de EU niet ook als een vorm van collaboratie moet worden opgevat. En of het doorgeven van gevoelige nationale informatie aan Amerika dat niet eveneens zou kunnen zijn.

De meerderheid in het Belgisch parlement heeft die vragen niet op tafel gesmeten, maar dat had de zaak toch wel een ander karakter kunnen verschaffen. Vermoedelijk heeft niemand de zaak helemaal in een voor Franstaligen lastige hoek willen drijven, wetend dat de stemming meerderheid tegen minderheid de discussie toch zou beslechten.

Doch voor een essayist volstaat deze politieke opportunistische berekening niet en dus blijft de vraag gesteld.

Nu zijn er talloze redenen waarom iemand tot collaboratie besluit. Er kunnen politieke redenen zijn, zoals de Franse partij met Parijs collaboreerde tijdens de Franse bezetting (1794 -1815). Er kan puur opportunisme in het spel zijn – en de grootste opportunisten kwamen er na 1945 best wel mee weg.

Er kunnen morele redenen zijn.

Zo is bekend dat vele jongemannen, daartoe door hun collegeleraren aangemoedigd, naar het Oostfront trokken. Ze kozen voor een minder kwaad – dienst nemen in het Duitse leger – om een groter kwaad – het goddeloze communisme – te bestrijden. Diegenen die hen aangemoedigd hadden hun leven hiervoor te riskeren, waren later, toen de afrekening kwam, in geen velden en wegen te bekennen – met enige forcerie op te vatten als een houding van collaboratie met de nieuwe machthebbers toch? De vraag is overigens of Oostfronters wel als “collaborateurs” pur sang kunnen aangeduid worden, al opent dat meteen een nieuwe discussie…

Wat doen ouders als collaboratie de enige weg is om aan het geld te komen dat nodig is om de levensreddende medicijnen voor hun kind te kopen? Of alleen maar: om de honger in de magen van hun kinderen te stillen? Werd collaboratie doorheen te tijden door machthebbers niet gehanteerd om de bevolking onder de knoet te houden?

Ik alvast heb mijn oom Jan deze laatste soorten collaboratie nooit weten veroordelen. Hij sprak evenmin een veroordeling uit over de jongelui die het communisme waren gaan bestrijden. Hij, de verzetsstrijder van het eerste uur, was zelf anti-communist en fervent IJzerbedevaarder: op zijn schouw prijkte een houten maquette van de IJzertoren.

Dit nu werpt een fel en totaal ander licht op de woorden van Jan Jambon, die de collaboratie in algemene zin veroordeelde, doch eraan toevoegde dat iedereen zijn redenen had om te collaboreren.

Deze woorden getuigen van een wijsheid, die de razende furie van de PS te enenmale ontgaat: de nuancering die bij dergelijke kiese en vaak dramatische momenten van menselijk onvermogen en bij vaak na aarzeling en in diepe ellende genomen beslissingen past. De Jambon die ik persoonlijk ken, heeft ongetwijfeld aan dit soort nuances gedacht toen hij iedereen zijn eigen redenen toeschreef om te collaboreren. Hij begreep dat miserie, armoede en noodtoestanden allerlei mensen tot het uiterste kunnen drijven en dat het daarom onrechtvaardig is alle vormen van collaboratie op een grote hoop te smijten.

Dat men in “het zuiden des lands” voor dergelijke nuancering geen oog heeft, al was de collaboratie daar naar het getal minstens even groot, bewijst dat er twee Belgiës bestaan. Quod erat demonstrandum.

De confederatie zal er hoe dan ook komen…

Nu is de felle feeks Onckelinx verstandig genoeg om zelf dat onderscheid te maken. Precies dàt gegeven doet me walgen van haar optreden. Goed wetend dat Jambon heel wijze en menselijke dingen zegt waar een redelijk mens kies mee omspringt, misbruikt zij de miserie en de nood waarop Jambon doelt om sfeer te scheppen, keet te schoppen en een hele partij, ja een heel regeerprogramma, die beide met de hele collaboratie totaal geen uitstaans hebben, in de verdoemenis te jagen.

Jambon heeft niets verkeerds gezegd en die krijsende hysterica Onckelinx wist dat. Maar ze wist ook dat ze dit onderwerp kon gebruiken om de misleide en op dat punt erg gevoelige Franstalige zielen op te zwepen tegen de nieuwe regering en tegen de Vlamingen. Dezelfde Vlaamse koe nota bene, waarvan ze tegen haar eigen achterban zei dat die nog een tiental jaren moest worden uitgemolken. Maar dààrover zweeg ze wijselijk.

Niet dat opzwepen niet mag. Daar niet van. Maar niet door er nogmaals op een totaal ongenuanceerde manier de miserie uit de oorlogsjaren voor te misbruiken. Niet door politieke munt te willen slaan uit de diepe menselijke ellende van zovele sukkelaars, ook in Wallonië. Iemands ellende gebruiken voor eigen politiek gewin is walgelijk.

Dat het CDH daar nog een schepje bovenop deed, door ook de jonge Francken onder vuur te nemen, maakt de zaak nog pijnlijker. Als het gerecht een inmiddels 90-jarige Bob Maes zelf gerehabiliteerd heeft, dan betekent dit dat de officiële daartoe aangestelde instanties ons verzoeken de spons over het verleden te vegen en samen gemeenschap te vormen. Wat er “humanistisch” is aan het weer openscheuren van wonden die intussen officieel geacht worden te zijn genezen, is mij een raadsel. Ik was van oordeel dat wie zijn straf heeft uitgezeten, nadien weer kritiekloos zijn plaats in de samenleving mag opnemen. Dat is toch een verworvenheid van ons democratisch rechtsbestel? Maar sommige “humanisten” kennen het begrip vergeving kennelijk niet, hoewel het toch centraal staat in hun eigen christelijk genoemd gedachtengoed.

Als zelfs het verkrachten van dergelijke grondprincipes van het menselijk samenleven toegestaan is om de politieke vijand te belasteren, dan is alleen walging en afkeer op zijn plaats. Dat is meer dan alleen maar verspillen van politieke energie, zoals Bruno Dewever zei.

Het is een walgelijke vertoning.

Jaak Peeters

Oktober 2014

Mijn nieuwe boek….

cover_vlamingen_vlVlamingen zijn fatsoenlijke mensen

Onder deze titel is zopas mijn nieuwe boek verschenen, bij uitgeverij Pelckmans in Kalmthout.

Vanuit een ongenoegen over de bij herhaling steeds weer opklinkende beschuldiging dat onze mensen een racistische ingesteldheid zouden hebben, ben ik op onderzoek gegaan om uit te zoeken wat mensen nu echt denken. Ik heb daarover dus een indicatief sociologische onderzoek gedaan. Meestal immers formuleert men zomaar stellingen, zonder die te onderbouwen. Daarom is mijn boek meer dan alleen maar een pamflet.

Het blijkt dat onze mensen helemaal niet de racisten zijn waarvoor een bepaalde groep lui hen wil houden.

Wel blijkt de modale Vlaming te hechten aan het behoud van zijn land voor zijn eigen kinderen. Mij lijkt daar niks mis mee. Daarmee treedt echter een duidelijk etnisch principe in het discours. Ik maak duidelijk dat etniciteit in deze zin veel meer in het geding is, dan vaak wordt aangenomen. Ik heb het begrip zelf nader toegelicht, aan de hand van internationale literatuur.

Ook het begrip identiteit behoeft bijstelling, want het wordt heel vaak slordig en zonder verdere definiëring gehanteerd. Zo betekent dat begrip voor ieder wat anders en uit zoiets kan alleen maar spraakverwarring en oplosbare discussie voortkomen.

Ik stel een duidelijk werkmodel voor om met identiteit om te gaan.

Voorts confronteer ik enkele maatschappelijke groepen met de duidelijke constatering dat de modale Vlaming helemaal geen racist is. Ik vraag hen om uitleg over hun ware bedoelingen. Ook de Europese Unie neem ik onder handen, want de politieke doelstellingen van de groepen die de Europese Unie dragen en belichamen lijken niet altijd even zuiver.

Tenslotte formuleer ik een aantal paden om alvast een concrete politiek op het getouw te zetten met het oog op de aanpak van het probleem van de verhouding tussen allochtonen en autochtonen.

Jaak Peeters, Vlamingen zijn fatsoenlijke mensen. Uitgeverij Pelckmans, 2014, 216 blz., ISBN 978-90-2898-7886-7, € 19,50

Het boek kan besteld worden bij de boekhandel of via klantendienst@pelckmans.be.

 

Jaak Peeters