Beschouwingen over bommen,Is en jihadisme.

Nuancering nodig

 

Er wordt druk geredetwist over de houding die we tegenover IS en het jihadisme in het algemeen zouden moeten aannemen.

Meestal verwerpen wij IS en het jihadisme. Als alles wat we er over lezen zelfs maar voor de helft juist is, loopt er geen weg naast deze veroordeling.

In wat volgt wil ik niettemin aantonen dat een genuanceerd oordeel zinvol is. We schieten echt niets op met weliswaar emotioneel bevredigende maar bij nader toezien weinig verstandige oproepen om erop los te slaan. Aboutaleb is van oordeel dat IS moet weggevaagd worden. Etienne Vermeersch wil IS “verpletteren”. François Hollande meent dat zijn land nu in oorlog is en stuurt zijn vliegtuigen om IS-stellingen te bombarderen. Daarmee sluit hij zich nog nauwer aan bij de Westerse en Russische methode om IS vanuit de lucht te verlammen.

Ik ben geen militair strateeg, maar ik pleit er wel voor om met verstand te werk te gaan.

Het is zonder discussie duidelijk dat kerels die in een theater in het wilde weg onschuldige mensen doodschieten misdadigers zijn, gemene moordenaars met name, en dat diezelfde kerels volgens de wettelijk geldende regels moeten gestraft worden.

Wie bovendien dergelijke misdadigers hand- en spandiensten verleent, bijvoorbeeld door ze van wapens te voorzien of ze mentaal op te jutten, gedraagt zich als medeplichtige en ook deze figuren horen te worden gestraft.

Er zijn mensen die van oordeel zijn dat IS misdaden tegen de menselijkheid begaat – een standpunt dat ik deel – en bijgevolg als organisatie moet aangepakt worden, d.w.z. als organisatie vernietigd en de individuele misdadigers ervan gestraft.

Nu is menselijkheid evenwel een erg rekbaar begrip. Het wordt vooral aangevoerd door die landen, waarvan er onderdanen door IS werden gedood of mishandeld of zelfs kinderen doelwit van moordacties door IS zijn. Er zijn echter landen die de praktijken van IS niet altijd of niet openlijk afkeuren. Saudi-Arabië past nog steeds middeleeuwse lijfstraffen toe en onthoofdt nog steeds mensen om redenen die wij, westerlingen, onterecht vinden. Niettemin rijst de vraag wat de verantwoordelijkheid is van de mensen die weerzin tegen deze Saudische praktijken voelen, als zij met datzelfde Saudi-Arabië intens handel drijven. Zijn we dan niet allemaal een klein beetje medeplichtig aan het naar ons aller aanvoelen onmenselijk systeem in dat land? Laten we regimes die ons van geen kanten aanstaan niet beter links – of rechts – liggen? Is dat niet consequenter?

Ook hier past dus alvast een genuanceerde benadering.

 

Eigen verantwoordelijkheid…

 

Aan de ene kant moet ieder land en ieder individu zijn verantwoordelijkheid nemen. Een andere wereld valt niet vol te houden. De verantwoordelijkheid voor onthoofdingen ligt dus in de eerste plaats bij Saudi-Arabië zelf. Dat men in dat land een andere beleving heeft bij zo’n onthoofding verandert principieel niets aan hun verantwoordelijkheid.

Sommige mensen zullen vinden dat mijn standpunt té relativistisch is en dat er mensenrechten bestaan die elke culturele of nationale autonomie te boven gaan. Dat is hun mening, maar kennelijk niet die van iedereen, zoals het geval van Saudi-Arabië laat zien. Zodoende komt het er dan op neer dat een groot deel van de wereld een deel van onze westerse normen niet aanvaardt.

Of we dat graag horen of niet: bij dat feit zullen we ons moeten neerleggen. Het enige wat we kunnen doen is uit de feiten laten blijken dat wij gelijk hebben en zij ongelijk.

Vooralsnog kunnen we dat niet, alvast niet op een manier die anderen geen kans laat iets anders te doen dan ons standpunt bij te treden.

 

… en evenwichtskunst

 

Maar er is natuurlijk ook nog die vervelende “aan de andere kant”. We bewonen immers allemaal dezelfde planeet en hoe we het ook wenden of keren: uit dit feit volgt een stuk gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. Deze laatste moet zover reiken, dat de acties die nodig zijn voor het behoud van de planeet mogelijk blijven. Daartoe is een minimale vorm van onderlinge solidariteit noodzakelijk. Die is alleen mogelijk als de verschillende groepen en mensen bereid zijn elkaar voldoende tegemoet te komen, zodat een draagvlak voor gemeenschappelijk actie mogelijk wordt. Door mensen te mishandelen, vrouwen en kinderen legaal te laten verkrachten, slavenpraktijken toe te staan en dies meer, wordt echter zoveel afkeer opgewekt, dat wrok en woede onafwendbaar worden. Saudi-Arabië moet het spel willen meespelen. Ook de Saudi’s moeten nog aan iemand anders denken dan alleen maar zichzelf…

Wat in dit verband de gevolgen zijn van de bombardementen, is stof voor zo dadelijk.

Ik erken echter dat een ‘hoogkonstige’ oefening in evenwichtskunde nodig is, maar daar valt, vrees ik, nu eenmaal niet aan te ontkomen.

 

De vraag rijst uiteraard of het optreden van IS niet van een heel andere orde is. Speelgoedpoppen vol explosieven proppen is zonder meer extreem misdadig. Voorts beoogt IS de stichting van “het Tweede Kalifaat”, hetgeen geopolitiek nogal moeilijk door te slikken valt. Iets dergelijks zou ook niet door Saudi-Arabië worden aanvaard: waarom anders dat enorme Saudi-leger? Ten derde blijft overeind wat in de eerste zinnen van deze bijdrage vermeld staat: in het wilde weg mensen vermoorden is een misdaad die moet gestraft worden, ongeacht de motivatie van de daders. We moeten dat als democratie staande houden: anders kunnen we niet zo goed alles opgeven en doen wat Michel Houellebecq zegt: ons laten veroveren en ons neerleggen bij de dominantie van de Islam.

 

Laat al het voorgaande de nuancering aanvoeren die nodig is om onze houding tegenover IS en zijn aanhangers verder te bepalen.

 

Is bombarderen wijs?

 

De vraag luidt dan: is een oorlog het juiste antwoord? Zijn bombardementen verantwoord of zelfs noodzakelijk?

De vraag is niet van militaire aard – daar wil ik me verre van houden wegens volstrekte onkunde. Evenmin is de prijs van doorslaggevende aard, al is het voeren van een oorlog verschrikkelijk duur.

Sta me toe me voorlopig te beperken tot de bombardementen.

Partijgangers van de moordenaars in Europa onder een bommentapijt leggen is psychologisch ongetwijfeld erg bevredigend: we geven die kerels lik op stuk en laten hen de prijs betalen die bij ons onschuldigen tegen hun wil in hebben moeten betalen. Die reactie is menselijk en misschien zelfs moreel nog verantwoord ook. Immers: door zo te handelen herstellen we weer het evenwicht dat door de moordpartij verbroken was. Recht is niet denkbaar zonder evenwicht: iedereen moet gelijkelijk aan bod kunnen komen, ook als het om bestraffing gaat.

Maar is dat bombarderen ook echt wijs?

 

Is het bombarderen van IS efficiënt? Sommigen denken van wel, maar hun mening is niet echt overtuigend, want IS ‘opereert’ noch altijd lustig verder. Na twee volle jaren van intensieve bombardementen verklaart Obama dat IS moet vernietigd worden…

Een tweede vraag is of dergelijke langdurige en voor de burgerbevolking ongetwijfeld pijnlijke bombardementen de haat jegens het Westen niet opvoeren – ik had het er daareven al over en haat opwekken werkt in alle richtingen. Zien ze er niet het gedrag van hedendaagse kruisvaarders in, ook al moet het optreden van deze laatsten niet meteen geheel veroordeeld worden – ook in deze laatste zaak ligt de schuld verdeeld.

Eidoch: als het bombarderen IS militair niet uitschakelt, doch als gevolg heeft dat miljoenen mensen ons gaan haten, dan moeten we toch goed nadenken. Want die miljoenen hebben in onze landen overal familie. Dat element wordt nu, met de overdadige instroom van asielzoekers, nog sterker. Het klopt dat deze laatste mensen op zoek zijn naar rust, naar vrede en naar nieuwe kansen in het leven. Maar als zij naar hier komen brengen zij ook hun etniciteit en hun solidariteit met hun achtergebleven soortgenoten mee. Dat is bijzonder gevaarlijk, want het ondermijnt hun wil om zich bij ons te scharen. Waarom anders moet een regering zulke scherpe veiligheidsmaatregelen nemen?

De derde vraag bij het beoordelen van de westerse bombardementen luidt of we IS niet in de positie van de martelaar duwen, hetgeen IS nog meer sympathie oplevert, zodat de geesteshouding die we met IS willen uitroeien zich wellicht nog verspreidt.

Tenslotte kan het westers optreden, met enige moeite weliswaar, uitgelegd worden als een uiting van neokolonialisme, omdat ex-koloniale mogendheden nu hun morele orde willen opleggen en dus aangeven de inheemse minderwaardig te vinden. Zelfs als deze kwalificatie correct is – en in een aantal gevallen is ze dat ook -, dan nog rijst de vraag of het wijs is de betrokkenen met de neus in de stinkende brij te willen duwen.

 

Sommigen zijn ongeschikt voor onze maatschappij

 

Misschien moeten we een stap terugzetten.

Als we ervan overtuigd zijn dat onze westerse democratie waardevol is – en die overtuiging, vind ik, zouden we allemaal moeten delen -, dan moeten we misschien vooral en op de allereerste plaats een constatering doen. Deze bestaat eruit dat sommige volkeren en mensen gewoon niet geschikt zijn om te functioneren in de wereld die wij, in het westen, hebben opgebouwd – dat overigens niet zonder slag of stoot en na vele honderden jaren van intense en moeizame maatschappelijke strijd.

Ik leg de klemtoon op: een constatering. Want als we constateren dat Moslims niet de juiste opvoeding resp. opleiding hebben gekregen om in onze, veeleisende maatschappij mee te draaien, dan wordt dat makkelijk uitgelegd als een of andere vorm van racisme.

Kijk: van dat gepraat over racisme moeten we nu eens eindelijk afkomen! We moeten de heksenjacht die op ‘racisten’ plaats vindt stopzetten. Ze past trouwens niet in onze democratische staatsordening maar staat er haaks op. Ik heb elders al uitdrukkelijk gepleit voor de afschaffing van instituties zoals het Centrum voor Gelijke Kansen én de wetgeving waarop dat soort ondingen gebaseerd is. Ik kan het hier alleen maar herhalen: constateren is géén racisme.

Punt, uit.

 

En als die instituties en bijhorende wetten dienen moeten om dat toch heldere onderscheid te verdonkeremanen, moeten die instituties en wetten verdwijnen. Het denken en oordelen mag zich niet laten muilkorven: dat vrije denken is nou net een van de grootste verworvenheden van onze democratische rechtstaat.

 

Eigen verantwoordelijkheid van de Moslims

 

Dat inzicht heeft echter een belangrijke consequentie: mensen die kennelijk niet geschikt zijn om in onze maatschappij te leven, moet de toegang tot onze landen worden geweigerd. De schuld van die weigering rust niet op ons, maar op henzelf.

We zijn toch allemaal van mening dat mensen min of meer redelijke wezens zijn en begiftigd met het vermogen tot logisch oordelen? Welnu: dan moeten zij zélf beseffen dat ze niet naar landen kunnen waarvan ze het maatschappelijk proces niet aankunnen of die een waardenpatroon hebben waarmee ze zich niet kunnen verzoenen. Wie gaat solliciteren in het bedrijfsleven stelt zich toch ook geen kandidaat voor een functie waarvoor hij of zij manifest de kennis en kunde ontbeert? In het allesomvattende – het hele menselijke leven namelijk betreffende – maatschappelijk proces zou dat wel mogen?

Erg verstandig lijkt me dat niet bepaald…

 

Ook het argument dat de moordenaars niet de ware Islam belichamen houdt geen steek. Wie immers heeft er gelijk en hoe zouden buitenstaanders over dat gelijk kunnen oordelen? De moordenaars zelf beweren dat net zij de juiste Islam belichamen en ondersteunen hun mening met citaten uit de Koran, die daar inderdaad effectief in te lezen staan.

Het is dan ook aan de Islamieten zelf om het bewijs te leveren dat de Koran kan uitgezuiverd worden en de moordenaars dus ongelijk hebben. Maar: die operatie kan uitsluitend door Moslims worden uitgevoerd.

Pas als tenminste de boeken manifest schoon zijn kunnen Moslims met recht beweren dat hun geloof vredelievend is.

Moéten zij die opschoning zo nodig verrichten? Natuurlijk niet, maar dan moeten ze beseffen dat ze in onze democratische samenlevingen niets te zoeken hebben. En dan vervalt, naar ik vrees, zowat de grond waarop het Westen zich baseert om zich met Arabië te bemoeien.

 

Identificatie met wereldverbeteraars

 

Er is nog een meer fundamentele overweging in deze zaak aan de orde.

Jongelui willen altijd de wereld veroveren, zoals alle jonge dieren dat willen doen. Ze willen niet alleen de wereld veroveren, maar ze willen ook een ideale wereld scheppen. Elke generatie opnieuw voelt zich geplaatst voor de opdracht een schone, goede wereld op te bouwen. Dat schone en goede neemt elke generatie andere vormen aan. In de jaren zestig van vorige eeuw ging het over de vrede, omdat we allemaal de dreiging van de nucleaire apocalyps voelden. Vandaag is dat het klimaat. Morgen zal het wat anders zijn.

Dat doet er niet toe: het psychologische mechanisme is altijd hetzelfde. Het heeft te maken met mensen die een zinvolle plaats in de wereld zoeken. Een doel om voor te bestaan.

Echter: jongelui hebben, net als iedereen, ‘idolen’ nodig of nog: figuren of voor-beelden waarmee ze zich kunnen identificeren en die in hun ogen de strijd belichamen die zij zelf willen voeren.

Nu is onze westerse maatschappij een moeilijke wereld, vol zakelijke en andere competitie en met afwezigheid van vele zachte waarden en bovendien beheerst door commerciële ‘waarden’. Precies hoog opgeleide jongeren zijn gevoelig voor deze mistoestand.

Die gevoeligheid geldt niet alleen voor allochtone jongeren, maar om redenen die duidelijk zullen worden zijn zij gevoeliger.

Omdat de figuren of toestanden waarmee men zich kan identificeren in onze westerse, vaderloze wereld veelal ontbreken, kijkt men naar diegenen die de indruk wekken dat ze strijdvaardig, onverschrokken en met verachting voor het eigen leven de ideale wereld opbouwen die jongeren in hun interpretatie van de Islam vinden en die ze concreet aan het werk zien in IS. De talloze asielzoekers en in het algemeen Midden-Oostelijke allochtonen brengen, zoals gezegd, naast zichzelf ook hun etniciteit, hun religie en hun cultuur mee. En dus, heel vaak, ook hun meer dan gewone sympathie voor de ‘wereldverbeteraars’ van IS.

Hiermee geef ik in het voorbijgaan ook te kennen weinig geloof te hechten aan het socialistische standpunt dat het grootste deel van de radicalisering bij moslimjongeren op het conto van sociaaleconomische achterstelling moet geschreven worden. Overigens weet niemand wat oorzaak en wat gevolg is. Het blijkt trouwens dat voornamelijk hooggeschoolden vatbaar zijn voor jihadisme.

Wat deze mislopen jongelui bezielt is, denk ik, uiteindelijk op de eerste plaats een existentieel probleem: de vraag – of beter: de schreeuw – naar zin in hun bestaan. Dat leidt “tot het criminele gedrag van mensen die gek worden van het gevoel niet te bestaan.” Dat zijn de woorden van de Duits-Franse (Elzassische?) filosoof Bernard Stiegler in een recent interview met het Vlaamse blad De Uil van Minerva. Men behoeft een echte reden om voor te leven en, in het Westen verblijvend, bovendien de ergernis die men als islamiet wellicht ervaart, in te slikken.

 

Weg met het politiek-correcte denken!

 

Alweer vinden we hier een reden om te keer te gaan tegen het heersende politiek correct denken, dat ons zo nodig een racistisch complex wil aanpraten. Niet alleen bestaat dit niet – ik althans heb het niet gevonden – maar veel erger is dat dit gebazel over racisme de aandacht afleidt en de zaak zelfs nog verergert. Als jongelui te horen krijgen dat ze slachtoffer zijn van racistisch misprijzen drukt hen dat nog dieper in hun gevoelens van existentiële benadeling.

En, ten tweede, zolang wij jongelui geen modellen aanbieden waarmee ze zich kunnen vereenzelvigen en waarvoor ze kunnen strijden, maken wij het hen wel heel erg moeilijk. Ze moeten dan zelf op zoek naar iets wat sowieso heel moeilijk te vinden is. Ik moet hierbij vooral Groen scherp veroordelen. Als er één groep is die ook op dit gebied destructief is, is het Groen. Als wij, bijvoorbeeld, Vlaanderen kunnen presenteren als een product van democratische actie en bijgevolg een medium waarbinnen die democratie tot ontwikkeling kan komen en waarvoor we ons allemaal kunnen inzetten, dan kunnen wij jongelui iets aanbieden waarin ze een vervulling van hun leven zouden kunnen vinden. Een werkende democratie maken kàn bezielend werken. Laten we wel wezen: in onze egalitaire democratie kunnen we gewoon geen individuele modellen als voor-beeld aanbieden. Het enige wat we hebben is…onze democratie zelf.

Maar wij staan toe dat destructieve groepen zoals Groen ( dat nota bene voor het groen niets onderneemt) precies dit identificatiebeeld afbreken, voorstellen als obscurantistisch of zelfs racistisch, al toont een sociaaldemocraat als David Miller onbetwistbaar aan dat de benodigde solidariteit en dus de modelvorming pas in een duidelijk omschreven en dito beleefde nationale democratie mogelijk is. In de plaats daarvan spelen we echter Groen’s destructieve spel mee door bijvoorbeeld een democratische organisatie zoals Vlaams Belang buitenspel te zetten. Het is mogelijk dat deze laatste partij geen bestuurlijke bekwaamheid bezit, maar dat moet dan blijken, zoals moet blijken dat Moslims in staat zijn te functioneren in moderne westerse staten. Of nog: we staan toe dat charlatans zoals Guy Verhofstadt hun dagen vullen met ons mee te delen dat we alleen kunnen overleven in en dank zij een Europese Unie en dat we dus onze oude nationale identiteiten bij het huisvuil moeten zetten. Hoe denkt de heer Verhofstadt de Moslims ertoe over te halen zich met een bureaucratische machtsconstructie te identificeren waarmee zovelen uit de autochtonie zich niet kunnen vereenzelvigen – en die dat overigens ook niet waard is?

 

Tot slot: verantwoordelijkheid opnemen.

 

Als we mensen ernstig nemen – zoals het hoort -, moeten we ze toestaan hun verantwoordelijkheid op te nemen. Meer zelfs: we moeten dat ook eisen – en tegelijk aanvaarden dat men ook ons op onze plichten wijst. In wat gelijkaardige zin ben ik trouwens geneigd een strakker standpunt in te nemen jegens gelukzoekers vanuit Afrika. Afrika is, zoals bekend, slechts gedeeltelijk bewoonbaar. Met de klimaatverandering zal het er niet op verbeteren. Je moet dan ook niet kweken als konijnen – ik hanteer de woorden van Paus Franciscus. Doen ze dat wél, dan moeten ze daar zelf de gevolgen van dragen. De lusten langs één kant en de lasten vervolgens afwentelen: dat past niet binnen wereld waarin iedereen de hem toegewezen verantwoordelijkheid opneemt.

 

Jaak Peeters

November 2015

 

Demonen hebben we niet nodig.

Het gebeurt niet vaak, maar onlangs luisterde ik nog eens naar de VRT. Aan woord was Rik van Cauwelaert. Ik hoor het hem nog zeggen: ik heb schrik dat de oude demonen de kop weer opsteken. Daarmee verwees hij naar de houding van de Hongaarse regering, die de grenzen van haar land sloot voor de massa’s Midden-Oosterlingen, die in Europa een nieuw leven komen zoeken.

Van Cauwelaert is geen nationalist, maar een Vlaamsgezinde christendemocraat. Hij ontmoet in Vlaamse kringen nogal wat sympathie. Ongewoon is dat niet, want ons journalistieke wereldje telt niet zoveel lieden die met opgeheven hoofd Vlaamse kringen durven te frequenteren. Van Cauwelaert is zowat de witte raaf.

Toch roept van Cauwelaerts uitspraak lastige vragen op.

Wie zegt ‘demonen’ te vrezen, geeft te kennen zelf niet tot die club te behoren – het andere zou nogal vreemd zijn. Dat betekent in dit geval naar alle waarschijnlijkheid dat van Cauwelaert het predicaat demonisch met nationalisme verbindt.

Voor de nationalist die schrijver dezes is wekt van Cauwelaerts positie nogal wat wenkbrauwengefrons. Nationalisten weten immers maar al te goed dat het demoniseren van iemand legio is en dat vooral nationalisten, maar zij dus niet alleen, met grote regelmaat het slachtoffer zijn van lieden die hen demonisch noemen – en die zichzelf tot demonenbestrijders verheffen.

Het minste wat je in dit soort situaties kunt eisen is dat wie een oordeel wil uitspreken vooraf het héle plaatje moet bekijken: zowel de positie van de demonenaanhangers als die van de demonenbestrijders.

En dan blijkt met grote regelmaat dat die zogeheten nationalistische demonen eigenlijk niets anders om het lijf hebben dan het verlangen om het nakomen van de rechten van het volk waaruit de genoemde demonen oprijzen. En dat de demonenbestrijders héél vaak de verdedigers van gevestigde imperiale structuren zijn, ook als het om maar kleine imperia gaat, zoals het Belgische. De verhouding tussen Catalonië en Castiliaans Spanje, zeg maar. Wie wat wetenschappelijker op deze materie wil ingaan leze Miroslaw Hroch, waarvan ik in deze blogreeks een artikel (vrij) vertaald heb gepubliceerd.

Maar eigenlijk maakt dat niet uit. We stoten gewoon op een algemeen bekend maatschappelijk probleem: een veelal zelfverklaarde elite die meent het recht te bezitten anderen de wet voor te schrijven of hun gedrag af te keuren. Vaak worden ze aangevuld door een schare journalistieke dominees.

Eidoch: wie voor de opkomst van welke demonen dan ook bevreesd zegt te zijn, moet zich vooraf afvragen of die elite niet evenzeer in de fout is. Anders gezegd: of er langs de kant van de spraakmakers niet evenzeer, weliswaar andere, demonen aan het werk zijn, waardoor de nationalistische tegendemonen worden opgewekt. En of het dus niet de demonen van de zogeheten elite zijn, die aan het begin van de demonenstrijd te vinden zijn.

De fout helemaal langs een kant leggen is niet overtuigend en is historisch ook niet vol te houden.

Wie de analyses op een eerlijke manier tracht te maken kan er immers moeilijk omheen: die zogenaamde nationalistische demonen strijden nogal vaak tegen onterecht tot stand gekomen heersersposities en beogen in vele gevallen niets anders dan de volwaardigheid voor hun uit eigen volk voortkomende elites.

Ik zie niet wat daar mis mee is.

Er is wel wat mis met imperialisme. Als de Oekraïners hun eigen natie willen ontwikkelen, los van Moskou, is dat één zaak. Maar als Verhofstadt de boel gaat opstoken is dat vals spel, want wat Verhofstadt wil is niets anders dan Oekraïne in te lijven bij het EU-imperium. Waar zitten nu de gevaarlijke demonen?

Laten we overigens wel wezen: als het bestrijden van onterechte machtsposities fout zou zijn vervalt elke grond om een dictatuur te bestrijden en de democratie te prediken. Dan kom je vervolgens onvermijdelijk op een maatschappelijke tweedeling uit: heersers versus overheersten, meester versus slaaf – en dat beeld neemt vele, vele vormen aan, ook economische en sociale. Het is een universeel probleem waarmee zowat de hele mensheid geconfronteerd wordt. Dit probleem loopt dat als een rode draad doorheen de geschiedenis van vele volkeren en beschavingen.

Wie democratisch denkt kan die tweedeling echter niet aanvaarden. De kernvraag voor de democraat luidt: wie beslist er over mijn toekomst en die van mijn kinderen? Zijn dat heersers, in politieke of economische – lees: commerciële – zin? Of zijn wij zelf het, die voorschrijven hoe wij willen leven en die het leven van onze kinderen aan henzelf willen overlaten, liever dan het in handen van machtsgroepen te geven?

Meer ten gronde gaat het hier over de democratie als een uiting van respect voor de menselijke natuur zelf. Mensen moeten kunnen beslissen en leven volgens hun eigen natuur en hun eigen wensen en je moet deze uitspraak niet te individualistisch opvatten. Mensen zijn door-en-door groepswezens, maar daarover gaat het hier niet. Democratie kan niet bestaan als de natuurlijke habitus van mensen niet wordt aanvaard. Wie de natuur van de mens in zijn volheid niet aanvaardt, dwingt zichzelf in een positie waarin hij een stuk van de menselijke identiteit moet amputeren en dat vereist een vorm van geweldpleging. Dan kom je onvermijdelijk terug in de meester-slaafstructuur terecht. Dit is het probleem van mensen als De Gucht of Mark Eyskens. Die mensen aanvaarden de hele natuur niet.

Welnu: etniciteit is een stuk van de menselijke identiteit. Etniciteit maakt dat ouders op de eerste plaats voor hun kinderen zorgen. Zo moet het ook, want zij hebben die kinderen op de wereld gezet: ze nemen dus verantwoordelijkheid op voor wat ze zelf veroorzaakten. En op groepsniveau betekent dit dat een regering éérst de problemen van het eigen land op moet lossen, alvorens zich met de zaken van anderen te bemoeien. Deze houding lijkt me logisch uit de democratische ingesteldheid voort te vloeien. Daarom heeft de Hongaarse regering in ieder geval de principes mee. En daarom, zo stel ik, is Groen, dat de etniciteit van Vlaanderen niet aanvaardt, een antidemocratische partij.

Bovendien is de weigering om te aanvaarden wat voor velen een belangrijk stuk van hun identiteit is, kwetsend en daarom mede oorzaak van spanningen.

Ten derde: de erkenning van de natuur van de mens leidt tot de verplichting ook de gelijkwaardigheid van alle menselijke wezens te aanvaarden: we hebben toch allemààl kinderen die we ‘bevoordelen’? Niemand onder ons is dus ‘meer mens’ en niemand heeft daarom van nature meer zeggenschap. Niemand heeft het recht te beslissen wat anderen goed moeten vinden. Ieder moet zijn natuur trouw zijn en mag en moet zijn rechten laten gelden. Dat vereist engagement.

Een gezonde benadering van dit hels moeilijke en feitelijk nimmer definitief op te lossen probleem – met elke generatie begint het gevecht immers opnieuw – verdraagt echter geen scheldpartijen. Woorden als ‘populisme’ ( wat dat ook moge betekenen, want iedereen geeft er zowat een andere betekenis aan, zoals Louis Ide nog onlangs schreef) zijn dus ongepast. Maar ook het hanteren van termen zoals ‘demonen’ past niet in een democratisch debat. Een demon is een duivels wezen, verwerpelijk, door-en-door slecht en daar moet je je dus verre van houden.

Om de dingen te begrijpen moet men op zoek moet naar wat achter de oppervlakte van de fenomenen schuil gaat. Dat is in het onderhavige geval, onder meer, het etnisch fenomeen. Of, volks gezegd: soort zoekt soort of eigen kinderen eerst. Ik heb nog altijd niet ontdekt wat daar mis mee zou kunnen zijn. Heeft naar mijn mening in ieder geval niets met demonen te maken, wel met de diepere lagen van de menselijke ziel.

Wat kan in dit verhaal de meerwaarde zijn van het slingeren met beladen woorden zoals demonen?

Van Cauwelaert heeft tijdens zijn interview hier zeker niet op deze manier gedacht. Ik denk niet dat hij de etniciteit zelf bedoelt te bestrijden. Van Cauwelaert – een van onze laatste echte journalisten – redeneert christelijk en beklemtoont de humaniteit van ieder menselijk wezen: ieder mens is in de ogen van de godheid immers gelijkwaardig.

Wie in de Verlichting en de democratie gelooft zal die gelijkwaardigheid evenwel niet betwisten. Net niet! Maar de nationalist volstaat daar niet mee: voor hem telt niet alleen een soort abstracte menselijkheid, maar de hele concrete habitus van elk levend mens. Wie een stuk van de mens niet aanvaardt – door het demonisch te noemen, bijvoorbeeld -, aanvaardt de mens niet echt, kwetst, is zelf een bron van spanningen en is de democratie niet dienstbaar.

Neen: demonen hebben we echt niet nodig.

Jaak Peeters

November 2015