Is racisme relatief?

Deze uitspraak van N-VA-voorzitter Bart Dewever heeft bij extreemlinks misschien oprecht en bij een schare politiek opportunisten in media en politiek voorgewend kwaad bloed gezet.

Racisme zou relatief zijn en kennelijk verstaan een aantal figuren dat als zou Dewever daarmee bedoelen dat racisme geen probleem is.

Nu heb ik zelf de uitzending waarin hij deze uitspraken deed gevolgd en Dewever heeft, bij herhaling en heel uitdrukkelijk en daarbij bij herhaling door de interviewster op een botte manier onderbroken, gesteld dat hij racisme afkeurt en dat hij de aanwezigheid ervan in onze samenleving betreurt. Ik heb geen onvertogen woord uit zijn mond gehoord.

De reacties uit de mediawereld en die van de politiek berusten dus ofwel op onwetendheid, waardoor we er geen rekening meer mee hoeven te houden; ofwel weten de bedoelde dames en heren best wel dat Dewever racisme afgekeurd heeft, en dan past voor hun houding maar één uitdrukking: vals.

De eerste mogelijkheid zal wellicht gelden voor MR-voozitter Chastel. Ik verdenk hem er namelijk niet van zelf de uitzending gezien te hebben. Wat Almaci en co betreft, ben ik geneigd de tweede mogelijkheid aan te stippen.

Ik wil hier drie dingen bespreken:

  1. Is racisme een ernstig probleem?
  2. Wat is racisme?
  3. Is racisme relatief?

Is racisme een ernstig probleem? Als we het – met permissie – gezwets in onze wel zeer links-georiënteerde media moeten geloven: ja. Zelf neem ik een heel ander standpunt in. Er is zeer zeker een probleem, maar dat is niet zo ernstig dat zowat ons hele politieke discours rond dit racisme zou moeten draaien, alsof er geen andere, misschien zelfs veel ernstiger problemen zijn. Dat van de hoge aantal zelfmoorden in Vlaanderen, bijvoorbeeld. Of het ongemerkt langzaam weglekken van onze democratische bevoegdheden naar allerlei buitenlandse economische en politieke machten. Of dat van de staatskas waarvan de bodem akelig blank is.

Eerst bespreek ik een simpel feit om mijn stelling te staven en vervolgens duik ik even in de internationale literatuur.

In 2013 werden er volgens de Vlaamse Integratiemonitor in heel België ongeveer 3500 gevallen van racisme en discriminatie aangekaart. Hoeveel er echt bestraft werden wordt niet vermeld, maar dat aantal zal wel lager liggen, omdat een aantal aanklachten onontvankelijk is of afgewezen wordt.

Dat is, brutaal gerekend, tien gevallen per dag.

Volgens die kranten zelf worden er zowat een half miljoen kinderen per jaar gepest. De krant bericht met enige regelmaat ook over jongeren die na pesterijen zichzelf van het leven beroven. De lezer oordele zelf over de relatieve ernst der dingen. Per dag worden er twintig vrouwen verkracht – voor zover vrouwen zoiets willen meedelen.

Ik kan me als man moeilijk inleven in de beleving van een verkrachte vrouw, maar het binnendringen – letterlijk – door een wildvreemde in de diepste intimiteit van een vrouw lijkt me veel erger dan de uitspraak van een ober die tegen een gehoofddoekte vrouw zegt: ‘mevrouw, wij bedienen hier geen vreemdelingen’- dit laatste naar de mededeling van een allochtone dame op een debat, want zelf heb ik zulks nooit weten gebeuren. Zo’n boodschap krijgen is erg, ongetwijfeld, en kwetsend en verwerpelijk en wat nog al meer, maar zeg zelf: wat is het ergste: op een caféterras niet bediend worden of verkracht worden?

Kom niet vertellen dat die twee dingen niet met elkaar vergelijkbaar zijn. Dat zijn ze wél! In beide gevallen staat namelijk de menselijke waardigheid op het spel. Zeg niet: het ene wist het andere niet uit. Dat wil ook niemand, maar er is wél een rangorde.

Ik heb over dit onderwerp in Nederland ooit een boek gepubliceerd, maar ‘onze’ media hebben dat natuurlijk nooit ontdekt – laat staan: gelezen.

Dan de literatuur. Ik haal hier Steve Fenton aan, die werkzaam is aan de unief van Bristol. Zijn boek ( Polity uitgeverij – 2010) handelt over Ethnicity. Zijn eerste twee hoofdstukken zijn voor ons onderwerp relevant.

Ten eerste deelt hij ons mee dat de benamingen die men in het politieke debat gebruikt afhangen van het geldende discours in die maatschappij en dus relatief zijn. Zo vertelt hij ons dat het conflict in ex-Joegoslavië steevast als een etnisch conflict werd beschreven. Waarom dan, vraagt hij, waren die conflicten er niet tijdens het bewind van Tito? Die etnieën waren er toen toch ook al? Omdat, zo zal men ons meedelen, Tito die etnische krachten onder controle had. Nou dus, zegt Fenton, kun je net zo goed zeggen dat het bedoelde conflict een politiek conflict was. Het ontbreken van een passende politieke structuur waardoor de etnieën konden worden opgevangen was de mogelijkheidsvoorwaarde voor het ontstaan van een conflict. Dat is overigens ook mijn eigen standpunt. In ex-Joegoslavië was er niet te veel maar te weinig nationalisme, want in dat laatste geval zouden de etnieën officieel erkend en de grenzen vastgelegd zijn geweest en zou de federatie wellicht op vredelievende wijze uiteen zijn gevallen – of helemaal niet. Het is toch een algemeen menselijk gegeven dat vooral getraumatiseerde mensen en mensengroepen zich buitenissig gedragen? Wil men eens even naar de Palestijnen kijken? Denken we even aan de tijd toen zij vliegtuigkapingen uitvoerden…

Waarom noemde iedereen het conflict in ex-Joegoslavië desondanks toch etnisch? Omdat dat het op dat ogenblik heersende discours was! Ziedaar het standpunt van Steve Fenton. Heeft iemand de mening van deze man in ‘onze’ media ooit horen doorklinken? Natuurlijk niet, en men vraagt zich af of men in die media wel léést. Politici lezen niet. Die hebben daar geen tijd voor. Maar journalisten?

Fenton spreekt in zijn tweede hoofdstuk uitvoerig over racisme. Hij vertelt hoe in de meeste niet-Europese landen bij volkstellingen naar huidskleur en/of etniciteit gevraagd wordt. In Brazilië bijvoorbeeld vraagt men aan te kruisen op een schaal van blank naar zwart. In de Verenigde Staten wordt de negroide vorm meegenomen in de census, omdat dit – zo wordt gezegd – helpt bij het nemen van maatregelen om discriminatie te bestrijden. Alleen in Europa vraagt men niet naar “ras” – ik zet het woord tussen aanhalingstekens, om elke zinloze discussie te vermijden over een term die ik hier gebruik in de betekenis van Fenton, nl. als een sociologische categorie. In Europa vraagt men naar “nationaliteit”. Hoezo, nationaliteit? Is dat dan geen groepscategorie, mevrouw Rutten?

Daarmee wordt duidelijk dat het gebruik van een term én de betekenis die hij heeft, inderdaad afhangen van het discours in de betrokken maatschappij. In de Verenigde Staten is de verhouding tussen blank en zwart sedert generaties een zwaarwegend onderwerp en dit onderwerp kleurt dus het politieke discours. In Europa verkiest men andere termen, omdat er een ander discours heerst en men hier de spanningen onder de huidskleuren niet kent.

Quod erat demonstrandum.

Zowat in de hele wereld wordt dus het sociologische begrip ras in het openbaar discours gehanteerd. Kennelijk weegt dat probleem daar minder. Alleen de Europese intelligentsia worstelt kennelijk nog steeds met dingen die elders gewoon in het openbare discours ingebouwd werden.

Ik begrijp dit gedrag, maar keur deze houding niettemin af, omdat ze ons afsnijdt van de toegang tot een hoop informatie die nochtans nuttig zou kunnen zijn. Als men leidinggevenden op het werk vraagt waarom ze liever ‘Belgen’ aanwerven dan allochtonen, dan krijsen spraakmakers maar gelijk over racisme en discriminatie en die moeten dan bestraft worden. Gevolg hiervan is dat geen enkele leidinggevende enige toegang zal verschaffen tot de ware overwegingen die hem tot zijn keuze brengen. Als methode om onszelf te foppen kan dat in ieder geval tellen!

De rest van mijn verhaal wordt nu eenvoudiger om te behandelen.

Is racisme relatief? Wat is racisme?

Om met de tweede vraag te beginnen: racisme is de overtuiging dat de mensheid in enkele grote ondersoorten uit elkaar valt, dat die ondersoorten op een stabiele manier genetisch van elkaar zijn gescheiden en voor een aantal criteria van hoger naar lager vallen te rangschikken. Het hoogst gekwalificeerde ras zou dan het recht toekomen om de wereld te overheersen. Het is de definitie die Fenton hanteert.

Maar dat is natuurlijk niet de betekenis die ‘men’ aan racisme toekent. Die is veel simpeler, sociologischer en vooral vaag. Racisme is in de geesten van velen slechts een synoniem voor ‘maken van onderscheid’ of ‘verschil zien’. Nu kan élk kenmerk als een markeerder van onderscheid dienen. Ik kan er bijvoorbeeld voor kiezen om mijn appartement niet aan een gezin met kinderen te verhuren, uit vrees voor beschadiging van mijn eigendom. Ik maak dan onderscheid en je zou kunnen beweren dat ik sommige categorieën van mensen benadeel. Gezinnen met kinderen hebben het al niet makkelijk. Welke kenmerken werkelijk gehanteerd worden, hangt af van de aard van het gevoerde discours. Dat betekent dat ‘onze’ spraakmakers worstelen met een gigantisch probleem: dat van het aanvaarden van bepaalde criteria om menselijke groepen te definiëren. Immers: klassedenken – toch ook groepsindeling?- mag wél; staatsdenken – tot de EU toe, dat is toch ook een ‘groep’? – mag ook. Voetbalploegen en vissersclubs mogen eveneens en de lijst kan makkelijk aangevuld worden. Maar als begrippen zoals etniciteit, nationaliteit of zelfs ras ter sprake komen, gaat men stijf in een toestand van algehele mentale verkramping. Sommige groepen ‘mogen’ gewoon niet.

Het voert me veel te ver om dit punt hier verder uit te werken. Doch: in het licht van de stellingen van Steven Fenton is het klaar dat het feit dat er zoveel over racisme wordt gepraat, zeer zeker te maken heeft met de aard van de gedachtenwereld van onze spraakmakers en misschien wel minder met het objectief bestaan van het hoger gedefinieerde racisme dan zij zelf voorwenden. Ik heb nl. zelf gevonden dat dit laatste racisme een eerder marginale positie is. Wat ik wél aanneem is dat onze spraakmakers, niet gehinderd door respect voor wat de modale mens echt gelooft en denkt, zichzelf volproppen met allerlei ideeën over gelijkheid, cosmopolitisme en over foute ideeën ‘ bij het volk’. Wat ik ook aanneem is dat dit racisme zonder de gebeurtenissen in het verleden van Europa wellicht veel minder aan bod zouden zijn gekomen.

Racisme is dus inderdaad relatief, dit wil zeggen: het sociologische en politieke gewicht ervan hangt van diverse factoren of omstandigheden af. Omdat het begrip vaag is en vaak ongedefinieerd, hangt de gehanteerde betekenis ook af van van de opvattingen van wie het gebruikt.

Wat racisme is en hoe ermee wordt omgegaan hangt voorts en als gevolg hiervan af van de aard en de inhoud van het openbaar discours. Als namelijk de hele wereld er de hand niet voor omdraait om in censusverrichtingen naar huidskleur en etniciteit te vragen, maar hier, in Europa iedereen die zich deftig acht steigert als er voorzichtige kritische vragen oprijzen, dan is racisme inderdààd relatief , want geassocieerd met de discutanten zelf. De kritische waarnemer vraagt zich dan bezorgd af of de steigerende spaakmakers wat te verbergen hebben of welllicht zelfs beschaamd zijn om hun compliciteit met het naziregime. In plaats van er openlijk mea culpa over te slaan, wentelt men de morele plicht liever af op het gewone volk, dat de werkelijke last draagt van de massale migratiebewegingen van het ogenblik. Wie zich hiertegen verzet wordt gepenaliseerd of geculpabiliseerd – beide termen uit hun eigen jargon.

Als de hele meute steigert wanneer iemand vanuit een democratisch gesproken volkomen verantwoorde houding die naar waarheid zoekt de vragen stelt die men zelf liever niet stelt, dan wekt dat bovendien argwaan op bij de groepen die zogenaamd achtergesteld worden en gaan deze laatsten zich, geholpen door het effect van de herhaling, inderdaad op den duur als slachtoffers van racisme ervaren. Zoiets als selffullfilling prophecy. En sommigen uit die groepen zullen zich vervolgens afsluiten, want het helpt toch niet, dat wordt dagelijks bevestigd.

Zo is racisme inderdaad relatief.

Sommigen zullen boos recht veren om me te beschuldigen. Hold on your horses! Laat me duidelijk zijn: het hoger gedefinieerde racisme is volstrekt niet mijn mening en het sociologische racisme laat ik voor wat het is: sociologisch en dus – inderdaad – relatief. Voor mij is de mens een gesitueerd en betrokken, in hoofdzaak niet-rationeel wezen dat handelt vanuit emotie en gekleurde wereldbeelden. Ik leg me neer bij de beperktheid van onze diersoort. Ik ben echt niet bereid Don Quichotte te spelen en ten strijde te trekken tegen de menselijke natuur, al was het maar omdat dit de weg naar meer inzicht en kennis afsnijdt. Ik heb te veel gelezen en geleerd om niet in te zien dat de mens een zeer labiel en vaak onbetrouwbaar wezen is. Ik bouw de menselijke natuur liever in het verhaal in, dan heb ik de dingen tenminste te pakken – zoals dat in de VS en op zovele plaatsen in de wereld gebeurt en zoals ik dat geleerd heb uit de psychotherapie of bij Sigmund Freud. Om er mee om te gaan, moet je het bestaan van de dingen erkennen – maar daarom nog niet toejuichen.

Als Dewever over racisme spreekt en het relatief noemt, dan zal hij vermoedelijk niet de opvattingen van Fenton in gedachten hebben. Het is niet zeker dat hij deze auteur kent. Maar hij heeft naar mijn oordeel wel gelijk als hij racisme als een ongewenst sociologisch feit ziet waarvan de sociologische positie afhangt van de totale menselijke situatie, cultuur, geschiedenis, religie enz. Is niet alles in onze menselijke wereld vol beperkingen relatief? Is uiteindelijk niet alles met alles verweven en dus… relatief ? Ik verwijs naar het verhaaltje van de vlinder in het Amazonewoud die in Japan een aardbeving veroorzaakt. En dan is het ook gewoon waar dat sommige allochtonen zich schikken in hun zelf ervaren achterstelling, ook omdat ze zichzelf opsluiten. Ik zeg dit met overtuiging, want ik het heb fenomeen zelf gezien. Wat is er verdorie mis met deze uitspraak? Wat is er mis met de uitspraak dat de achtergestelden ook zélf uit hun pijp moeten willen komen? Waarom moet alles van de overheid komen? Is democratie niet ook het geloof in de zelfredzaamheid van de menselijke persoon? Zitten allochtone moeders die hun kinderen nog steeds in het Berbers grootbrengen niet op een verkeerd spoor? Als we zien dat iemand als Zuhal Demir, eveneens allochtone maar door haar ouders aangemoedigd om met de Vlamingen te leven, het toch ver geschopt heeft dan zien we dat er wel degelijk veel afhangt van de allochtonen zelf. En wat is er zo onredelijk aan het constateren dat sommige allochtonen die in het herkomstland uit de miserie komen en hier, naar hun eigen normen, uit onze sociale zekerheid zomaar een smak geld kunnen krijgen, zich daarin gaan koesteren terwijl anderen, autochtonen én allochtonen vaak voor enkele luttele centen meer uit werken moeten en moeten ploeteren om de rekeningen rond te krijgen? En àls allochtonen de handen uit de mouwen steken en vervolgens toch geen kansen krijgen, dàn breekt het ogenblik aan om sanctionerend op te treden en ik vermoed dat de meerderheid van onze mensen zich daar nog zou in vinden ook. Dat mag ik alleszins afleiden uit mijn eigen onderzoek. Mag ik er overigens op wijzen dat nu net Dewever deze stelling al bij herhaling heeft geformuleerd?

De conclusie uit deze schets en de daarin gestelde vragen luidt dat onze spraakmakers opgesloten zitten in een geldend discours, met zijn eigen terminologie, zijn eigen theoretische aannames, zijn eigen voor waarheid aangenomen vooronderstellingen en met een hele hoop contradicties. Een hele mentale constructie dus die de neiging heeft zichzelf voortdurend te reproduceren zonder nieuwe vragen en inzichten toe te laten en die daarom gedoemd is om steeds irrelevanter te worden, precies omdat ze de zich opdringende kritische vragen wegduwt. Bovendien is dit discours zoals dat kennelijk ook door een deel van onze politieke kaste wordt gevoerd gekenmerkt niet alleen door zijn eigen waarheden maar ook zijn eigen moraliteit. Al wie zich niet neerlegt bij de aangenomen geldigheid van dit discours wordt daardoor uitgesloten en uitgestoten. Toppunt is de Gentse oekaze om de termen allochtoon en autochtoon voortaan uit het discours te bannen. Dewever mag nog zulke indringende vragen stellen: hij wordt uitgestoten omdat hij zou stigmatiseren, hoewel hij gewoon analyses maakt. Alles precies zoals Fenton ons weet uit te leggen. Gewone mensen, die dagelijks met de gevolgen van de zogeheten superdiversiteit te maken krijgen, wordt zo doende helemààl elke kans ontnomen om het heersende discours aan te vullen of te corrigeren met reeële inhouden vanuit de menselijke werkelijkheid of zelfs vanuit de werkvloer. Ze zijn gewoon ‘fout’. Zo ontstond ‘zwarte zondag’, waarna men te vuur en te zwaard het ‘extreemrechtse’ gedachtengoed te lijf gaat. En men neemt zelfs niet eens de moeite naar literatoren te luisteren. Zo ontstaat een maatschappelijke tweedeling met een spraakmakende groep die geen voeling meer heeft met wat bij het volk zelf leeft – inclusief zelfs wat leeft bij de allochtonen.

Wie zoekt naar een probaat middel om de democratie te vernietigen en zware maatschappelijke spanningen te veroorzaken vindt hier Gefundenes Fressen.

Ik zou dus veel liever zien dat men eens eindelijk het hele, zeer genuanceerde verhaal onder ogen zou willen zien, de feiten zou willen kennen en erkennen en de kortzichtige politieke spelletjes achterwege zou laten.

Jaak Peeters

Maart 2014

Advertenties

Links en rechts te boven

In een van de recente nummers van de Groene Amsterdammer bericht Casper Thomas over de opvattingen van de Britse protest-intellectueel Tariq Ali. Die meent dat er in Europa een nieuwe intelligentsia in de maak is die links is, afstand neemt van het kapitalisme en van rechts, maar zich ook verzet tegen de huidige EU, die Ali zowat de meest ondemocratische instelling op het oude continent noemt.

Ali is opgegroeid in de communistische middens in Pakistan en hij kreeg het activisme met de paplepel ingegoten. Op de vlucht voor het militaire regime in Pakistan kwam hij terecht in Groot-Brittannië, zoals vele andere Pakistanen.

De rode draad door zijn activisme is het opkomen voor de werkende klasse en tegen een ongebreidelde vrije markt en tegen imperialisme.

Ali meent dat Europa een soort derde entiteit had moeten worden op het wereldtoneel, onafhankelijk en sociaal. Maar dat is dus niet gebeurd.

Natuurlijk is de huidige EU weinig anders dan het hoogst vreemd aandoende conglomeraat van kapitalistische groepen en een zichzelf hoogverheven achtende politieke elite, die in het overal opspelende nationalisme de grote vijand ziet. Zelf schijnt de EU niet in te zien dat ze eigenlijk weinig anders doet dan het oude nationalisme van de staten of de volken te discrediteren om het vervolgens te vervangen door een Europees nationalisme. Dat zijn niet mijn woorden, maar die van de eerbiedwaardige Noorse antropoloog Thomas Eriksen.

Maar door zich zo op te stellen speelt de EU onder één hoedje met “het kapitaal”. De EU-politiek is, vrij naar Lenin, niets anders dan ingekookte economie. Daarbij verkondigt het liberalisme de stelling dat de staat overbodig is, maar, zegt Ali, zonder staat werkt de liberale economie niet.

Wat dan het alternatief moet zijn?

Dat moet kennelijk zijn: de geheven vuist – de linker dan welteverstaan. En de strijd tegen rechts. En ‘dus’ moet de werkende klasse de staat weer in handen nemen, om het kapitalisme te lijf te gaan.

Ik dacht dat dit oude recept afgedaan had.

Is die werkende klasse niet de hedendaagse burgerij geworden? Die burgerij: dat zijn boeren die 2 eurocent krijgen voor hun kilo aardappelen omdat ze door warenhuisketens met toestemming van Europa – de macht – worden uitgeperst. Weliswaar is die burgerij niet rijk, maar de meesten onder hen zijn wel bezitters van een woning – of afbetalers met de hoop ooit bezitter te worden – en voorts met wat luttele spaarcenten. Of het zijn, zoals boeren, kleine ondernemers. Ze hopen hun korte leven op deze aarde in aanvaardbare welstand te kunnen leven. Ze hebben helemaal geen boodschap aan de proletarische revolutie, die immers in 1989 mis is gelopen.

Er is ook iets fundamenteel mis met de marxistische oplossingen. Wie de staat gebruikt als tegenpool van de kapitalistische machten, verliest meteen ook een neutrale overheid die twee partijen met elkaar kan doen samenwerken. Hij wordt immers zelf betrokken partij. Dat zie je bijvoorbeeld in het Duitse geval, waar de overheid door het bedrijf Vattenfall voor de rechtbank wordt gedaagd omdat de nieuwe handelsverdragen met Amerika het bedrijf 3,7 miljard eur. winst zouden kosten. Of in het geval van de EU. Je kunt een gesprek niet modereren als je zelf gesprekspartner bent: daarvoor heb je een niet-betrokken derde partij nodig.

Bovendien is de tegenstelling niet die van kapitalistische groepen versus de staat, maar die van de genoemde groepen versus de grote massa van de werkende bevolking, die voldoende greep op haar leven moet krijgen. Het probleem is dus dat de democratie onvoldoende werkt. Kapitalisme zal er altijd zijn. Het moet tegengekoppeld worden door een macht, die voort moet komen uit de belangenbehartiging van de grote werkende klasse – de massa van de hedendaagse burgerij.

Welnu: die voelt zich niet vertegenwoordigd. Niet door de EU, niet door de vakbonden die ze er niet helemaal ten onrechte van beschuldigt voornamelijk hun eigen kleine corporatistische voordeeltjes te willen verdedigen, niet door de politiek, die zich associeert met een ondemocratische EU aan de ene kant, en zich laat commanderen door een kapitalistische structuur, deze laatste mee ondersteund door de VS aan de andere kant.

Lapidair gezegd: ons geld is van de banken en ons land is van Europa.

Het grote probleem van onze dagen is dus onzekerheid en onrust en vooral: het gevoel van onmacht. In vroegere tijden was dat laatste niet aan de orde, omdat mensen niet beter wisten dan dat ze door vertegenwoordigers van God of zo werden bestuurd. Maar sinds de secularisatie en de Verlichting is dat veranderd. Mensen kiezen voor nieuwe partijen omdat de oude niet langer geloofwaardig zijn of omdat die zich telkens weer in de oude netten van liberaal kapitalisme of machtsdenken laten vangen – een niet mis te verstane waarschuwing overigens aan het adres van N-VA. Want N-VA zou veel beter dan vandaag het geval is het onderscheid moeten maken tussen het liberalisme, dat weinig anders is dan “graaien wat men krijgen kan” en nationalisme, dat gemeenschapsdenken is en gaat voor “allen voor allen”. Ik denk maar even aan Uplace of aan makheid waarmee men zich verhoudt tot de gemene greep van kapitaalgroepen op onze rust- en verzorgingstehuizen, die in de oude dag van onze mensen een middel zien om geld te verdienen. Dat we vastgebonden zitten in een liberale EU weet iedereen, maar dingen zoals Uplace en de roof van onze verzorgingssector: daar kunnen we wél wat tegen doen.

Anders dan Ali denk ik dus dat de opkomst van nieuwe partijen en hun politieke elite niet wijst op een opkomend nieuwsoortig marxistisch links, want dat wekt al even weinig vertrouwen voor lui die liever hun eigen huisje bewonen. Veeleer lijkt het me een poging om tegemoet te komen aan het door en door democratische verlangen naar zelfbeschikking, naar zekerheid en veiligheid bij de modale burger van vandaag, en dàt lijkt me zowel links als rechts.

Jaak Peeters

Maart 2015

Sluipende etnocide?

In een weekblad waarvan ik de naam hier niet noem werd vermeld hoe volgens mevrouw Christiane Timmerman, in Antwerpen hoofddocent en directeur van het centrum voor migratiestudies, van een overspoeling van ons land door immigranten vanuit alle hoeken van de wereld helemaal geen sprake is.

Dat is vreemd, vermits een internationaal vermaard specialist – niemand minder dan Paul Collier – precies het omgekeerde aantoont. Zijn boek, Exodus, draagt als ondertitel Hoe migratie onze wereld verandert. De migratie van vandaag is volgens deze door regeringen geraadpleegde expert dus wél van overweldigende aard. Zo overweldigend, dat ze “onze wereld verandert”. Het doen voorkomen alsof er nauwelijks wat aan de hand is, zoals mevrouw Timmerman lijkt te willen doen, doet dan ook de wenkbrauwen fronsen. Curieus is ook haar argumentatie als ze ons weet te vertellen dat de landverhuizing tijdens de hoogdagen van de Red Star-line in het toendertijdse haast lege – nou ja: nà de genocide op de ‘Indianen’, natuurlijk – Amerika ook weerstand opriep. Dat zal wel, maar die ‘Red Star-affaire’ laat toch maar het gelijk zien van mensen die zich zorgen maken om de massale immigratie die zij dan een ‘overspoeling’ noemen. Is er in Amerika soms geen sprake geweest van overspoeling? Wie negatief antwoordt, vraag ik even contact op de te nemen met vertegenwoordigers van de Wendat – de vroegere Huronen – in Canada. Die zullen de puntjes wel op de i zetten. En moet je mensen die zich om deze feiten zorgen maken maar meteen het etiket ‘rechts’ en ‘nationalistisch’ opkleven?

Helemaal bont maakt mevrouw Timmermans het toch als ze beweert dat illegalen zelfs een economische waarde hebben: ze leveren immers goedkope arbeid! Sterke koffie is dat. Aan de ene kant pleiten om een eerlijke verloning en tegelijk aan de andere kant de voordelen van de illegale onderbetaalde arbeid in het licht zetten doet mij alleszins aan een dubbele agenda denken. Met de mond (terecht) pleiten voor een eerlijke verloning maar tegelijk datzelfde pleidooi nuanceren als het om instroom van illegalen gaat, doet vermoeden dat er met die instroom van illegalen iets méér aan de hand is. Of nog: dat de pleiters andere bedoelingen hebben dat het uitbetalen van een eerlijk loon alleen.

Dat vermoeden wordt versterkt voor wie leest hoe het alternatief door Timmerman en co wordt geklasseerd: als rechts-nationalistisch.

Mag ik even gemeen zijn?

Mag ik zeggen: nog nét niet geklasseerd als .… Hitleriaans? Want dàt lijkt wel de suggestie die bij dergelijke redenaties opgeroepen wordt.

Nu heeft Dr. Hermann Rauschning ons bij herhaling duidelijk gemaakt dat Hitler geen nationalist was maar wel een racist – een sociaal-darwinist, om precies te zijn. Het Duitse volk was volgens hem geschikt om er een menselijk superras uit te kweken. Dat superras moest dan een groot territorium hebben, om vandaar uit de rest van Europa te overheersen. Daarom wou Hitler ten oorlog.

De suggesties die nationalisme met Hitlerisme willen verbinden maken op mij dus geen enkele indruk. Ook niet als ze afkomstig zouden zijn van iemand als mevrouw Timmerman.

Wat bij deze beschouwing blijft hangen is: waar zijn die mensen zoals mevrouw Timmerman in godesnaam mee bezig? Wat is hun bedoeling? De massieve immigratie minimaliseren om ze voort te laten duren zodat de uniciteit van ons volk wordt uitgewist en Vlaanderen ( en heel Europa) steeds meer van één wereldvolk deel gaan uitmaken?

Is deze vraagstelling te vérgaand?

Dan plaats ik hierbij ter overweging de posities van Ulrich Beck, die voor de Antwerpse Groenactivist Dirk Geldof zowat de peetvader is wanneer deze laatste zijn boek over superdiversiteit aan ons presenteert. Dit laatste overigens zonder enig cijfer of zonder wiskundige bewijsvoering. Superdiversiteit betekent dan dat geen enkele etnische groep nog de meerderheid vormt in een stad. Een soort supermulticulturalisme.

Vreemd overigens, want Beck wijst ook dit multiculturalisme af. Beck moge dan een gerenommeerd socioloog zijn: hij is duidelijk ook de getraumatiseerde Duitser die beschaamd is om wat zijn volk in vorige eeuw heeft uitgespookt. Die schaamte is terecht, maar dat geeft hem nog niet het recht om dan maar meteen elke nationaliteit te willen uitwissen, omdat het bestaan daarvan de mogelijkheidsvoorwaarde zou zijn van zoiets als Auschwitz. Overdrijf ik? Wat denkt u dan van volgende uitspraak van Beck op blz. 69 van zijn boek Cosmopolitan Vision: “Vooreerst: elke poging om enige vorm van etnische samenhorigheid te propageren of te praktiseren roept de herinnering op aan de Nazi-horror”. Zelfs het multiculturalisme – zélf al een ondermijning van de samenhang van het volk – krijgt van deze extremist geen genade. Multiculturalisme onderhoudt namelijk het voortbestaan van culturele groepen en brengt dus grenzen aan tussen mensen. Zodra dergelijke grenzen ten tonele verschijnen krijg je een wij en een zij en dus potentiële vijandschap en dus… ja hoor: de herkansing van Auschwitz. Als mensen als Pieter Daens terug zouden kunnen opstaan, zouden hun haren ten berge rijzen…Voorts moet Herr Beck ons eens vertellen hoe hij met dergelijke redeneringen het bestaan zelf van zoiets als vakbonden of sociaal-economische klassen ( waar hij als socioloog zeker mee bekend moet zijn ) kan uitleggen? Het sublieme karakter van Becks redeneringen blijkt onder meer uit volgend citaat dat ik bewust onvertaald laat: Every native began as a foreigner who drove out the previous natives, before claiming the native’s right tot protect themeselves against intruders as their natural right. ( blz. 68) Onze brave, christelijke grootouders en betovergrootouders zullen het dus geweten hebben!

Dergelijke onzin – meer zelfs: dergelijke hatelijkheden – doen dus de ronde in bepaalde milieus van Vlaanderen en heel Europa. Ze hebben velen in hun greep, inclusief ( naar ik vermoed) sommige redacteuren.

Sylvain De Bleeckere vraagt op blz. 111 van zijn boek Levensbeschouwing democratisch belicht of de mens van tegenwoordig op een stabiel platform loopt, dan wel op een varend schip in de ruimte woont. Hij zal het wel niet helemaal zo bedoelen, maar ik moest aan deze woorden denken bij het schrijven van deze tekst: natuurlijk is in het leven van de mens niets vast en onveranderlijk. Natuurlijk is ons huis voor een groot deel op los zand gebouwd – om De Bleeckere nog maar eens aan te halen.

Maar betekent dat dan dat we helemààl geen huis hebben of zelfs: mogen hebben? Dat we nergens thuis mogen zijn, méér thuis dan anderen er thuis zijn? Dat we uiteindelijk niemand specifieks meer mogen zijn? Alleen maar om aan de psychologische grillen van een getraumatiseerde Duitser tegemoet te komen of om dromerige al dan niet groene (?) figuren achterna te hollen?

De meeste mensen hebben alleen maar voordeel bij de zekerheid een thuis en een eigenheid te hebben. Dat is een psychologische basisbehoefte. Maar die koesteren is kennelijk fout.

Het is daarom een prangende vraag waarom sommigen onder ons zich zo nodig moeten uitsloven om ons ervan te overtuigen dat we vooral geen nationalistische ideeën mogen koesteren – wat die ideeën voor hen dan ook inhouden. En dat we alles op alles moeten zetten om de volken uit te wissen, om van dat nieuwe wereldvolk van allemaal eendere mensen dan de eeuwige vrede te verwachten.

Zelfs de oude Immanuel Kant, zelf een groot aanhanger van de Verlichting, stelt in zijn tweede principe van zijn De eeuwige vrede dat “het volkenrecht moet gebaseerd zijn op een federatie van vrije staten”. Kant sprak over staten. Zover wil ik zelfs niet gaan: volken volstaat voor mij al.

De vraag rijst inderdaad: een etnocide die haar naam niet durft te noemen. Is het dat waar sommigen mee bezig zijn?

Jaak Peeters

Februari 2015