Vlaams nationalisme wordt Vlaams patriottisme

Het Vlaams nationalisme is bezig van natuur te veranderen. Het evolueert in snel tempo van een verdedigend Vlaams nationalisme naar een zelfbewust Vlaams patriottisme.

Het verschil tussen beide is, dat in het Vlaams nationalisme de verdediging van de eigen identiteit centraal staat. In het Vlaams patriottisme – zoals in elk patriottisme – wordt die identiteit als iets gewoons aangenomen en wordt de verdere structurering van de samenleving mede op de vanzelfsprekende aanwezigheid van de betrokken nationale identiteit ontwikkeld.

Soms hoor je zeggen: het Vlaamse nationalisme is klaaglijk, het is kaakslagflamingantisme. Ten bewijze daarvan voert men de Vlaamse opwinding met betrekking tot Brussel-Halle-Vilvoorde op – of dergelijke dossiers.

Die mensen vergissen zich.

De massa van de politieke spanning kan namelijk niet langer in hoofdzaak op het continuüm ‘defensief-offensief’ worden gesitueerd. De politieke spanning in Vlaanderen bevindt zich steeds meer rond het nemen van de beslissingen die aan de orde zijn in elke normale democratie die op de vanzelfsprekende aanvaarding van de nationale identiteit berust.

Het proces van verschuiving naar dat laatste zien we zich nu onder onze ogen voltrekken.

We constateren dat de Vlaamse minister van Begroting voor ‘zijn’ parlement uitleg moet komen geven over een financiële manipulatie, die hij hoogstwaarschijnlijk ter goeder trouw heeft gedaan, maar waar sommigen uit dat parlement zich niet voldoende bij betrokken voelen. Het gaat om Vlaams geld, een actie van een Vlaamse regering, ter redding van een holding in Vlaanderen. Overleg werd gepleegd met net-niet buitenlandse collega-regeringen, de Belgische regering werd niet bij de zaak betrokken en het dossier werd ‘in alle droogte’ door uitsluitend de Vlaamse instellingen afgehandeld. Precies zoals zou gebeuren indien Vlaanderen een soevereine staat zou zijn geweest.

Dit is een voorbeeld van een samenleving die voluit bezig is haar eigen democratische legitimiteit te beleven. Ze doet dat op grond van een vanzelfsprekende ‘vlaamsheid’. De kritiek die de Vlaamse begrotingsminister te verteren krijgt handelt niet over het Vlaamse aspect van de hele zaak, maar over de democratische correctheid van het regeringsoptreden. Waarmee diezelfde regering meteen ingeschreven wordt op de lijsten van de regeringen die volgens democratische staatsprincipes (willen) handelen.

Om het sociologisch te zeggen: er is een vanzelfsprekende aanname dat, althans voor een belangrijk deel van het maatschappelijke leven, de Vlaamse nationale identiteit de centrale basis vormt van het politieke gebeuren.

Bart Dewever en zijn NVA hebben, naar men zegt, de ‘grondstroom’ die in Vlaanderen leeft te pakken gekregen. Dat zal wel wezen, maar het essentiële lijkt toch dat tot die grondstroom steeds meer behoort dat een dominant gedeelte van de bevolking het Vlaams zijn niet alleen aanvaardt, maar kennelijk bereid is dat tot centrum van (een deel van) zijn politiek handelen te nemen of te laten zijn.

Dat is een fundamenteel andere toestand dan, laten we zeggen, twintig jaar geleden.

Niet dat in die jaren het Vlaamse element niet aan de orde kwam. Mensen als Jos de Saeger hebben de verdienste dat ze ‘Vlaanderen’ naar het gebeuren in Brussel hebben gehaald. Maar Vlaanderen bleef altijd iets perifeers. Het centrum was België en de Belgische identiteit. Het Vlaamse: dat kwam er nog eens bovenop, doch als aanvulling of zelfs eventueel ter benadrukking van de Belgische identiteit, maar altijd perifeer.

Periferie en centrum zijn dus van positie verwisseld, en dat is de kern van het aanvoelen van NVA.

Het probleem van de traditionele partijen is dat ze niet of onvoldoende bij machte zijn om deze mentale ‘switch’ ook te maken. Hoewel ze taalkundig en organisatorisch los staan van hun Franstalige zusterpartijen, zijn ze mentaal nog steeds met hen verbonden. Ze redeneren nog steeds als liberale, socialistische of christelijke families, en zodoende houden ze vast aan de Belgische identiteit als centrum, zoals die altijd al was.

NVA heeft geen Franstalige zusterpartij en kan zich dus makkelijker richten naar de Vlaamse identiteit als kernpunt van de overkoepelende nationale identiteit. En zo is het niet toevallig dat diverse maatregelen ter inburgering van nieuwkomers in de kringen van NVA hun oorsprong vinden: voor NVA gaat het om de burger van de Vlaamse staat.

De opeenvolgende hoge scores voor NVA in opiniepeilingen hebben uiteraard te maken hebben met een diep, maatschappelijk ongenoegen over de gang van zaken in den lande. Maar dat diep maatschappelijk ongenoegen vindt een deel van zijn wortels ook in de steeds groeiende vanzelfsprekendheid waarmee de modale Vlaming zich tenminste òòk Vlaming voelt. Men hoort het elke dag: “ die Walen..!”- onderverstaan: “en wij, Vlamingen”. Die wederzijdse affirmatie lijkt een vast politiek feit te zijn geworden.

Precies op dat punt slaagt NVA er tot nog toe in de koppeling te maken tussen vlaamsnationale besognes en het politiek en maatschappelijk optreden in de ‘normale’ staat. De traditionele partijen slagen hierin niet en dat zou wel eens de echte basis kunnen zijn van het wantrouwen dat bij velen tegenover hen heerst. Om het simpel te zeggen: de traditionele partijen groeien mentaal en existentieel weg van de modale Vlaming.

Hiermee belichaamt NVA dus het nieuwe Vlaamse patriottisme, dat niets anders is dan het uitbouwen van de maatschappij in Vlaanderen op de grondslag van een vanzelfsprekende Vlaamse identiteit. En daar schuilt ook het probleem van het Vlaams Belang, dat er namelijk niet in slaagt de stap naar het patriottisme te zetten.

Oh ja: er moet ook nog verdedigd worden. De kwestie Brussel-Halle-Vilwoorde, bijvoorbeeld. Maar ook daar priemt een heel andere dimensie doorheen de kieren. Als artikel 4 van de Belgische grondwet het grondgebied van deze staat in vier taalgebieden indeelt, dan zou iedere normale burger dat moeten weten. Men moet zijn grondwet kennen. Meer nog: iedere burger moet die grondwet ook nog toepassen en, in voorkomend geval, doén toepassen. Dat heeft steeds minder met flamingantisme te maken, maar alles met goed burgerschap. Wie tegenover  Franstalige extremisten toegeeflijkheid in de toepassing van die wetten en ipso facto van de grondwet aanvaardt, ondergraaft zélf de democratische rechtstaat. Precies dat ondermijnt de geloofwaardigheid van de traditionele partijen, want de Vlaams geworden burger neemt niet langer dat de wetten die rondom de Vlaamse identiteit zijn gebouwd, van mindere signatuur zouden zijn en dus aan het heil van het Belgisch centrum mogen opgeofferd worden.

De houding van NVA in deze kwestie verschijnt bijgevolg niet langer meer (alleen) als een flamingantische eisenbundel, maar is steeds meer een uiting van het streven naar de goed functionerende rechtstaat.

Een Vlaamse rechtstaat.

Ook hier verschijnt dus de patriottische dimensie.

Ja: het Vlaamse nationalisme verandert van natuur.

Het wordt Vlaams patriottisme.

 

 

Jaak Peeters

Dec 11

Een moderne leer en veel werk

Sinds het verschijnen van Ernest Gellners naties en nationalisme wordt deze auteur in nationalistisch denkende milieus nogal eens ingedeeld bij de tegenstanders van het nationalisme. Zelf heb ik dat ook zo altijd aangevoeld. Misschien is zijn naties en nationalisme wat militanter geschreven, want in zijn Culture, Identity and Politics, dat enkele jaren later verscheen en waarvan voor zover bekend geen Nederlandse vertaling voorhanden is, klinkt hetzelfde verhaal veel neutraler en aanvaardbaarder.

Ik zal trachten zijn verhaal hierna kort samen te vatten.

Daarna zal ik trachten wat kritische noten aan te brengen.

Het geheel brengt ons tot enkele enigszins verrassende conclusies.

 

Dat wat men nationalisme noemt, is het pure gevolg van de moderniseringsprocessen sinds de ontplooiing van de technische beschaving, dus: sinds zowat de achttiende eeuw. Gellner, die kennelijk nogal taalkundig gericht is, licht deze stelling toe door het verhaal van de dialecten te vertellen. In een wereld, waarin mensen opgesloten zitten in een vast traditioneel maatschappelijk patroon, kunnen dialecten zich handhaven. Zodra echter een wereldbeeld postvat waarin economische en wetenschappelijke groei centrale waarden zijn, wordt vernieuwing en innovatie een belangrijk principe. Vervolgens komt daaruit dan weer voort dat mobiliteit – in zowat alle betekenissen – sterk toeneemt, en die mobiliteit veegt de kansen van de dialecten van tafel. Standaardisatie wordt immers noodzakelijk, temeer daar een dergelijke cultuur algemene scholing vereist en omgevormd wordt tot een literaire cultuur. Tegelijk worden de oude, traditionele banden verbroken, ook weer als gevolg van de mobiliteit. Op die manier wordt de cultuur, die voorheen als vanzelfsprekend en daarom voor het zicht van de mensen verduisterd was, nu een punt van bijzondere aandacht. Wie in de vigerende, gestandaardiseerde cultuur goed mee is, verhoogt zijn kansen. Cultuur wordt dus een waarde op zich. Nationalisme is geboren, stelt Gellner.

Alles wel beschouwd brengt de modernisering dus een scherpe selectie onder de plaatselijke idiomen. Er zijn er immers veel te veel. Welnu, zegt Gellner: slechts enkele idiomen overleven, maar worden vervolgens goed gedefinieerd en afgelijnd. Heel vaak wordt het winnende idioom door hun aanhangers gekozen.

Zodoende, zegt Gellner, heeft Renan gelijk: er bestaat een soort onafgebroken plebisciet, vermits het volk beslist welk idioom zal vigeren.

Omgekeerd is er ook een soort geheugenverlies werkzaam: de herinnering aan de oude dialecten en bijhorende tradities slijt en gaat verloren.

Gellner verklaart dat een cultuur zichzelf in het leven kan roepen zonder de steun van een dynastie of een staat – en iedereen herkent hier het Vlaamse geval. Maar elke cultuur, hoe die ook is ontstaan, zal ernaar streven de noodzakelijke politieke instituties te scheppen opdat de culturele infrastructuur, die een moderne cultuur nodig heeft om te bestaan, zou kunnen worden ontwikkeld.

 

Er zitten verschillende vragen en kritische opmerkingen verborgen in deze nogal brutale samenvatting van Gellners leer over het nationalisme.

Hierna worden er enkele gegeven, zonder volledigheid na te streven.

Ten eerste: Gellner maakt weinig onderscheid tussen twee ontstaansbronnen van de moderne nationale staat. De eerste is welke door Gellner wordt beschreven en die door nationalisten nogal eens volksnationalisme wordt genoemd. Een cultuur gaat vooraf aan de staat, die nadien vorm krijgt op basis van de eisen die de centrale cultuur stelt. De tweede bron is die waar een centrale, al bestaande staatsmacht haar cultuur oplegt aan andere, perifere culturen. Nationalisten spreken dan van staatsnationalisme. Dit laatste is het Belgische geval in 1830, waar een  Franstalige natie haar cultuur aan de Vlamingen wou opleggen en de Vlaamse cultuur uitroeien.

Maar is daarmee alles gezegd?

Neem het Franse geval. Frankrijk wordt vaak het voorbeeld van een staatsnatie geheten. Weber heeft echter aangetoond dat deze visie verre van vanzelfsprekend is. De Franse staatsnatie is namelijk een imperialistische uitbreiding van een reeds bestaande proto-natie in Ile-de-France. Omstreeks 1850 sprak niet eens de helft van de Franse staatsburgers Frans! Dus is die fameuze Franse staatsnatie in haar oorsprong eigenlijk een… volksnationale staat, die zich te buiten gegaan is aan imperialisme.

In het Belgische geval is er een evolutie van één staatsnatie naar twee staatsnaties, die beide berusten op één centrale cultuur, en die elk wars zijn van een perifere positie.

Het komt me voor dat over deze kwestie het laatste woord verre van gezegd is. Nationalisten zouden, hier aangeland, nu aan de slag moeten en deze materie verder uitspitten.

Ten tweede: Wat is de betekenis van het zogeheten selectieproces waarover Gellner spreekt? Als de Vlamingen besloten hebben om naast hun dialect tenminste een standaardtaal te leren, gaat het hier dan om een selectie pur sang? Of moeten we eerder spreken over iets dat als een deken bovenop het bestaande wordt gelegd? En is die deken vreemd aan wat eronder ligt? Of is er toch verwantschap en zo ja, in welke zin? Zodoende gaat er in ieder geval minder verloren dan Gellner suggereert. Daarbij zouden we dan oog in oog komen te staan met een zuiver democratisch proces – een bewuste beslissing. Met andere woorden: welk is de rol van de grotendeels onbewuste processen die Gellner schijnt te veronderstellen? En wat betekent het dat een winnend idioom wordt gekozen? Wat is de rol van machtsprocessen? Brengt de aandacht die het culturele zelf krijgt in de periode van de modernisering niet uit zichzelf mee dat de rol van onbewuste processen afneemt? Is dat specifiek voor wat als nationaal geldt? Als dat zo is, in het zaak te weten hoe de beslissingprocessen zelf verlopen en hoe de uiteindelijke beslissing tot stand is gekomen. Alweer een taak voor nationalistische theoretici.

Ten derde: Gellner beweert terecht dat een cultuur zichzelf in het leven kan roepen zonder de hulp van officiële machtsstructuren. Hoe gaat dat precies in zijn werk? Maar vooral rijst dan de vraag of nationalisten dan niet het gelijk fundamenteel aan hun kant hebben, als ze beweren dat een natie uit de verre nevelen van de oudheid opdoemt.

Als het begrip ‘natuurlijk’ namelijk iets betekent, bijvoorbeeld zoiets als: “ wat zonder bewuste ingreep van mensen tot stand kwam”, dan steekt er een natuurlijk element in élke vorm van nationalisme – ook in het staatsnationalisme, zoals het voorbeeld van Ile-de-France laat zien. De vraag is dan: wat betekent het als we zeggen dat België een kunstmatige staat is en Vlaanderen iets natuurlijks? Het antwoord lijkt iets te moeten zijn zoals: België is een kunstmatige staat voor de Vlamingen, omdat hij niet het politieke uitvloeisel van hun eigen cultuur is. België is echter een natuurlijke staat voor de Franstaligen.

Als dit juist is, is hiermee het doodvonnis van de staat België getekend.

Bovendien zit er toch nog een andere ‘knoop’ in Gellners verhaal. Dat suggereert namelijk een breuk met het verleden bij het ontstaan van een nieuwe cultuur. Oude, gegroeide banden verdwijnen als gevolg van de toegenomen mobiliteit. Maar niettemin slagen sommige culturen erin zichzelf te vestigen als een moderne, volwaardige cultuur. Hoe moeten we dit allemaal verstaan?

 

De op zichzelf interessante analyse van Ernest Gellner roept dus tal van nieuwe vragen op. Vele van deze vragen hebben een reële betekenis voor het concrete politieke leven. Daarom dringt zich de conclusie op dat de afwezigheid van nationalistische denkers en auteurs in het debat over deze kwesties niet mag blijven voortduren.

Er is nog een tweede, hoogst verrassende conclusie.

Als Gellner gelijk heeft met het verband dat hij legt tussen de modernisering en de opkomst van de nationale gedachte, dan is het nationalisme niet een relict uit het verleden, zoals sommige schrijvers beweren, maar dan is het nationalisme een hoogst moderne leer.

Ten derde rijst de vraag hoe de toekomst er zou kunnen uitzien, als de planetarisatie die we vandaag meemaken verder doorgaat. Zal er een soort wereldcultuur ontstaan, zoals Toulmin beweert? Of zal de wereldmassa van 7 miljard mensen veel te groot zijn om ook maar enigszins overzichtelijk te zijn, zodat die wereldcultuur zich beperkt tot coördinatie en de gevolgen van de commercie, doch voor het overige uiteenvalt in verschillende …jawel: nationale culturen?

Nationalisten hebben, me dunkt, nog veel werk voor de boeg.

 

 

Jaak Peeters

Dec 11

Een moderne leer en veel werk.

Sinds het verschijnen van Ernest Gellners naties en nationalisme wordt deze auteur in nationalistisch denkende milieus nogal eens ingedeeld bij de tegenstanders van het nationalisme. Zelf heb ik dat ook zo altijd aangevoeld. Misschien is zijn naties en nationalisme wat militanter geschreven, want in zijn Culture, Identity and Politics, dat enkele jaren later verscheen en waarvan voor zover bekend geen Nederlandse vertaling voorhanden is, klinkt hetzelfde verhaal veel neutraler en aanvaardbaarder.

Ik zal trachten zijn verhaal hierna kort samen te vatten.

Daarna zal ik trachten wat kritische noten aan te brengen.

Het geheel brengt ons tot enkele enigszins verrassende conclusies.

 

Dat wat men nationalisme noemt, is het pure gevolg van de moderniseringsprocessen sinds de ontplooiing van de technische beschaving, dus: sinds zowat de achttiende eeuw. Gellner, die kennelijk nogal taalkundig gericht is, licht deze stelling toe door het verhaal van de dialecten te vertellen. In een wereld, waarin mensen opgesloten zitten in een vast traditioneel maatschappelijk patroon, kunnen dialecten zich handhaven. Zodra echter een wereldbeeld postvat waarin economische en wetenschappelijke groei centrale waarden zijn, wordt vernieuwing en innovatie een belangrijk principe. Vervolgens komt daaruit dan weer voort dat mobiliteit – in zowat alle betekenissen – sterk toeneemt, en die mobiliteit veegt de kansen van de dialecten van tafel. Standaardisatie wordt immers noodzakelijk, temeer daar een dergelijke cultuur algemene scholing vereist en omgevormd wordt tot een literaire cultuur. Tegelijk worden de oude, traditionele banden verbroken, ook weer als gevolg van de mobiliteit. Op die manier wordt de cultuur, die voorheen als vanzelfsprekend en daarom voor het zicht van de mensen verduisterd was, nu een punt van bijzondere aandacht. Wie in de vigerende, gestandaardiseerde cultuur goed mee is, verhoogt zijn kansen. Cultuur wordt dus een waarde op zich. Nationalisme is geboren, stelt Gellner.

Alles wel beschouwd brengt de modernisering dus een scherpe selectie onder de plaatselijke idiomen. Er zijn er immers veel te veel. Welnu, zegt Gellner: slechts enkele idiomen overleven, maar worden vervolgens goed gedefinieerd en afgelijnd. Heel vaak wordt het winnende idioom door hun aanhangers gekozen.

Zodoende, zegt Gellner, heeft Renan gelijk: er bestaat een soort onafgebroken plebisciet, vermits het volk beslist welk idioom zal vigeren.

Omgekeerd is er ook een soort geheugenverlies werkzaam: de herinnering aan de oude dialecten en bijhorende tradities slijt en gaat verloren.

Gellner verklaart dat een cultuur zichzelf in het leven kan roepen zonder de steun van een dynastie of een staat – en iedereen herkent hier het Vlaamse geval. Maar elke cultuur, hoe die ook is ontstaan, zal ernaar streven de noodzakelijke politieke instituties te scheppen opdat de culturele infrastructuur, die een moderne cultuur nodig heeft om te bestaan, zou kunnen worden ontwikkeld.

 

Er zitten verschillende vragen en kritische opmerkingen verborgen in deze nogal brutale samenvatting van Gellners leer over het nationalisme.

Hierna worden er enkele gegeven, zonder volledigheid na te streven.

Ten eerste: Gellner maakt weinig onderscheid tussen twee ontstaansbronnen van de moderne nationale staat. De eerste is welke door Gellner wordt beschreven en die door nationalisten nogal eens volksnationalisme wordt genoemd. Een cultuur gaat vooraf aan de staat, die nadien vorm krijgt op basis van de eisen die de centrale cultuur stelt. De tweede bron is die waar een centrale, al bestaande staatsmacht haar cultuur oplegt aan andere, perifere culturen. Nationalisten spreken dan van staatsnationalisme. Dit laatste is het Belgische geval in 1830, waar een  Franstalige natie haar cultuur aan de Vlamingen wou opleggen en de Vlaamse cultuur uitroeien.

Maar is daarmee alles gezegd?

Neem het Franse geval. Frankrijk wordt vaak het voorbeeld van een staatsnatie geheten. Weber heeft echter aangetoond dat deze visie verre van vanzelfsprekend is. De Franse staatsnatie is namelijk een imperialistische uitbreiding van een reeds bestaande proto-natie in Ile-de-France. Omstreeks 1850 sprak niet eens de helft van de Franse staatsburgers Frans! Dus is die fameuze Franse staatsnatie in haar oorsprong eigenlijk een… volksnationale staat, die zich te buiten gegaan is aan imperialisme.

In het Belgische geval is er een evolutie van één staatsnatie naar twee staatsnaties, die beide berusten op één centrale cultuur, en die elk wars zijn van een perifere positie.

Het komt me voor dat over deze kwestie het laatste woord verre van gezegd is. Nationalisten zouden, hier aangeland, nu aan de slag moeten en deze materie verder uitspitten.

Ten tweede: Wat is de betekenis van het zogeheten selectieproces waarover Gellner spreekt? Als de Vlamingen besloten hebben om naast hun dialect tenminste een standaardtaal te leren, gaat het hier dan om een selectie pur sang? Of moeten we eerder spreken over iets dat als een deken bovenop het bestaande wordt gelegd? Zodoende gaat er minder verloren dan Gellner suggereert. Daarbij zouden we dan oog in oog komen te staan met een zuiver democratisch proces – een bewuste beslissing. Met andere woorden: welk is de rol van de grotendeels onbewuste processen die Gellner schijnt te veronderstellen? En wat betekent het dat een winnend idioom wordt gekozen? Wat is de rol van machtsprocessen? Brengt de aandacht die het culturele zelf krijgt in de periode van de modernisering niet uit zichzelf mee dat de rol van onbewuste processen afneemt? Is dat specifiek voor wat als nationaal geldt? Als dat zo is, in het zaak te weten hoe de beslissingprocessen zelf verlopen en hoe de uiteindelijke beslissing tot stand is gekomen. Alweer een taak voor nationalistische theoretici.

Ten derde: Gellner beweert terecht dat een cultuur zichzelf in het leven kan roepen zonder de hulp van officiële machtsstructuren. Hoe gaat dat precies in zijn werk? Maar vooral rijst dan de vraag of nationalisten dan niet het gelijk fundamenteel aan hun kant hebben, als ze beweren dat een natie uit de verre nevelen van de oudheid opdoemt.

Als het begrip ‘natuurlijk’ namelijk iets betekent, bijvoorbeeld zoiets als: “ wat zonder bewuste ingreep van mensen tot stand kwam”, dan steekt er een natuurlijk element in élke vorm van nationalisme – ook in het staatsnationalisme, zoals het voorbeeld van Ile-de-France laat zien. De vraag is dan: wat betekent het als we zeggen dat België een kunstmatige staat is en Vlaanderen iets natuurlijks? Het antwoord lijkt iets te moeten zijn zoals: België is een kunstmatige staat voor de Vlamingen, omdat hij niet het politieke uitvloeisel van hun eigen cultuur is. België is echter een natuurlijke staat voor de Franstaligen.

Als dit juist is, is hiermee het doodvonnis van de staat België getekend.

Bovendien zit er toch nog een andere ‘knoop’ in Gellners verhaal. Dat suggereert namelijk een breuk met het verleden bij het ontstaan van een nieuwe cultuur. Oude, gegroeide banden verdwijnen als gevolg van de toegenomen mobiliteit. Maar niettemin slagen sommige culturen erin zichzelf te vestigen als een moderne, volwaardige cultuur. Hoe moeten we dit allemaal verstaan?

 

De op zichzelf interessante analyse van Ernest Gellner roept dus tal van nieuwe vragen op. Vele van deze vragen hebben een reële betekenis voor het concrete politieke leven. Daarom dringt zich de conclusie op dat de afwezigheid van nationalistische denkers en auteurs in het debat over deze kwesties niet mag blijven voortduren.

Er is nog een tweede, hoogst verrassende conclusie.

Als Gellner gelijk heeft met het verband dat hij legt tussen de modernisering en de opkomst van de nationale gedachte, dan is het nationalisme niet een relict uit het verleden, zoals sommige schrijvers beweren, maar dan is het nationalisme een hoogst moderne leer.

Ten derde rijst de vraag hoe de toekomst er zou kunnen uitzien, als de planetarisatie die we vandaag meemaken verder doorgaat. Zal er een soort wereldcultuur ontstaan, zoals Toulmin beweert? Of zal de wereldmassa van 7 miljard mensen veel te groot zijn om ook maar enigszins overzichtelijk te zijn, zodat die wereldcultuur zich beperkt tot coördinatie en de gevolgen van de commercie, doch voor het overige uiteenvalt in verschillende …jawel: nationale culturen?

Nationalisten hebben, me dunkt, nog veel werk voor de boeg.

 

 

Jaak Peeters

Dec 11

Een verderfelijk conglomeraat

Wonderlijke tijden zijn het. Het regime knutselt een nieuwe regering in elkaar, na anderhalf jaar gekeer en gedraai. Wat oplapwerk ,wat pappen en wat bijschilderen en het Nieuwe België staat zowaar in de steigers. Of het ooit die steigers zal verlaten? Dat gelooft geen mens.

Op hetzelfde ogenblik wordt in Brussel de zoveelste cruciale vergadering over de euro  gehouden. Die euro moet namelijk gered worden, want anders valt de Europese Unie uit elkaar. Zo leren ons de goeroes van het Europese Geloof.

En uitgerekend op dit ogenblik komt een boekje op de markt van één van de zeldzame waarlijk kritische intellectuelen van deze tijd: Hans Magnus Enzesberger, waarvan de titel in het Nederlands luidt: “Het zachte monster Brussel of Europa in de klem”.

‘Brussel’ staat vanzelfsprekend niet voor die wat verloederde, mismaakte en voorzeker mismeesterde stad, die ooit een bloeiend centrum van Nederlandse cultuur was. Hij heeft het over de Europese machtsambtenarij die in Brussel is neergestreken en in haar kielzog tegelijk talloze aaseters meesleept onder de vorm van lobbyisten van allerlei slag.

De auteur blijkt al bij al niet zozeer het troepje Europese commissarissen te vrezen. Velen onder hen zijn vaak niet veel meer dan nationaal uitgerangeerde politici, die van de nieuw verworven status en dito macht nogal eens misbruik maken om wraak te nemen op de collega’s die hen van het nationale toneel hebben geduwd.  Dit om maar niet de naam te noemen van een Oost-Vlaams politicus, wiens veel te jonge zoon door hem in het Vlaamse Parlement werd gedropt. ‘Carrièreplanning’ noemen ze dat tegenwoordig.

Zij zijn de pasja’s van Europa. Helaas wéten ze dat ook nog ook.

Ook de in Europa nogal talrijke directeurs-generaal vormen voor Enzesberger geen echte bedreiging.

Die ziet hij veel meer in de eindeloze rij veelal onzichtbare ambtenaren in de tweede linie. Dat zijn hoogopgeleide, ambitieuze en op hun carrière toegespitste lieden. Ze voeren een actieve zelftewerkstellingpolitiek. Het schrijven van reglementen is hun taak en als er dus niets meer te reglementeren valt, moeten ze hoognodig nieuwe onderwerpen uit de hoek halen om die vervolgens aan reglementering te onderwerpen. Dit soort lui zit hoog genoeg in de Europese hiërarchie om veel invloed uit te oefenen, maar niet hoog genoeg om al te veel wind te vangen. Zij zijn moderne fakirs, altijd bezig met het draaien van de touwen waarmee ze de hooggeroemde Europese burger kunnen binden. Ze beoefenen met zwier de kunsten van de machtspolitiek: ze maken of houden de afstand tussen henzelf en het plebs, waarover ze menen te moeten heersen, zo groot mogelijk. Geheel dus in overeenstemming met de machtstheorieën van de Nederlandse politoloog Mauk Mulder. Dat plebs, nota bene: dat zijn U en ik, en zoals bekend zijn velen onder ons drager van een zelfverdiend universitair diploma.

Onder de titel ‘het begin van het postdemocratische tijdperk’, verklaart Enzesberger dat veel democratische standaards die op nationaal niveau met veel zweet en tranen werden bereikt, via Europa weer verloren zijn gegaan. Anders dan in de nationale staat, schrijft hij nog, bestaat er in Europa geen echte scheiding van de machten: zij die de richtlijnen uitvaardigen bedenken ze eerst zelf, vrijwel altijd achter gesloten deuren.

Dat laatste zit Enzesberger hogelijk dwars: “Waar ooit (..) een idyllische kloostertuin lag, heeft de Europese wijk zich als een buitenaards Fremdkörper in de Belgische hoofdstad genesteld. Voor de buitenwereld is het Berlaymont een onneembare vesting. Er zijn veiligheidspoortjes als op een luchthaven, en zonder een plastic identiteitsbewijs op je revers kun je er onmogelijk naar binnen.”

Ho, dit is natuurlijk de gedroomde situatie voor jongelieden die zich driftig willen onderscheiden, zich afschermen en isoleren en zich in hun soms grenzenloze zelfoverschatting van het plebs verwijderen!

In zijn boekje neemt Enzesberger een gesprek op tussen hemzelf en één van deze eurocraten. Enzesberger verklaart dat de modale West-Europeaan een notitieboekje boven kan halen, waarin het nummer staat van zijn heimelijke geliefde die Alice Zimmermans heet en in Amsterdam woont, het nummer van de portier van een klein maar knus en goedkoop hotelletje in Odense, of nog het adres van enkele goede zomerhuisjes in de Franse Alpen, de naam van een uitstekende wijnbouwer in Navarra en die van een betrouwbare tandarts van Vlaamse afkomst aan de Costa del Sol. Al die fysisch al dan niet bestaande notitieboekjes, verklaart Enzesberger, die in de zakken van het zo misprezen plebs te vinden zijn: die bevatten het concrete netwerk van wat Europa voor de mensen werkelijk is. Dit is Europa.

Waarop de eurocraat met een even voorspelbaar als versleten antwoordt repliceert dat zulks  zonder de Europese Unie niet mogelijk zou zijn geweest.

Nu is een snelle blik doorheen de geschiedenis voldoende om deze uitspraak onderuit te halen en de feiten bewijzen, ook vandaag, dat we -, ‘we’: dat is de verzameling van de burgers die het plebs vormen- ons al lang onafhankelijk hebben gemaakt van die Europese instanties. “Tegenwoordig zijn we door de sociale netwerken sterker met elkaar verbonden dan door alle akkoorden die u hier in Brussel tot dusver bent overeen gekomen.”

Zo. Die zit.

En dan komt Enzesbergers dodelijke uithaal: “ De instanties die Europa over één kam scheren en onze leefwereld willen kolonialiseren, zitten ons meer in de weg dan ze ons tot nut zijn. U bent erop uit ons te normeren. Alstublieft, laat ons met rust met uw overbodige directieven.”

 

Laat ons nu even terugkeren naar het allereerste begin van dit stuk. Daarin ging het namelijk over de vorming van een nieuwe regering voor de staat Belgique.

Die regering wordt dus gevormd door de belichamers van de traditionele machten, die er kennelijk veel om te doen is de oude posities goed vast te houden en die dus geen kans voorbij laten gaan om met scherp te schieten op wat zij bestempelen als ‘populisme’, goed wetend dat dit laatste duchtig aan de fundamenten van hun macht begint te knagen. Zij nu hebben eurocratië in het leven geroepen, in toepassing van het adagium “steeds meer Europa!”, hetgeen met zich heeft gebracht dat thans zowat 80 procent van de regelgeving uit de Europese hoek afkomstig is. We wachten met spanning op het moment waarop we kennis kunnen nemen van de standaardiseringsregels voor de kropsla.

De vlucht vooruit, in de hopelijk ijdele hoop het zogeheten populisme een stap voor te blijven?

Voor de beide groepen schijnt er namelijk maar één grote tegenstander te bestaan: datgene wat men vroeger ‘de massa’s’ placht te heten. En ja hoor: ze bevinden zich in het gerenommeerde gezelschap van de heer Verhofstadt en de andere verlate hemelbestormers, die de afspraak met de Franse Revolutie gemist hebben.

Een politieke klasse die voornamelijk haar eigen agenda volgt en een europese ambtenarij die hetzelfde doet. In de beide gevallen om de macht voor zichzelf te verwerven om minstens te behouden.

Een objectief bondgenootschap tussen lieden die in eigen land alles doen om de stem van het volk te negeren en een Europese,ongenaakbare machinerie, ver verheven boven mensen en volkeren.

Dat lijkt het beste recept om een toekomstige democratische revolutie een continentaal karakter te bezorgen.

iets dergelijks: is dat niet een verderfelijk conglomeraat?

 

Jaak Peeters

Dec. 11