Euronationalisme is niet nodig

De aanslag in Brussel op 22 maart doet veel inkt vloeien. Ook vanwege Jonathan Holslag in De Morgen op 23 maart ’16.

Zijn standpunt luidt dat er meer Europese coördinatie moet komen en liefst een heuse Europese politie ( al zegt hij dat laatste niet zo direct en overigens bestaat Inter/Europol al langer). Nationale grenzen dicht doen is verspillend, want dan moet je 33.000 km bewaken i.p.v. 11.000 met 600 miljard per jaar. Door terug te vallen op de nationale staten zullen we ons ook niet tegen het hooghartige Rusland kunnen verdedigen. Méér Europa dus, minder ‘verdeeldheid’ onder de naties.

Holslag is een zeer verstandig man, doch zijn redenering zit compleet fout.

Het lijdt geen twijfel dat een goede coördinatie vruchten afwerpt. Doch dat is maar een onderdeel van het probleem – en naar mijn oordeel zelfs niet eens het belangrijkste.

Holslag gaat er van uit dat ‘we’ – dat is dan de verzameling van de bevolkingen van Europa, en zo sluipt het Europanationalisme dus ongezien onze geesten binnen – die 600 miljard efficiënter moeten besteden. Alweer: een zo efficiënt mogelijk aanwenden van middelen zal wel niemand afwijzen. Ook dit is evenwel niet de zaak. De vraag is of je van die 600 miljard moet uitgaan. Is dat bedrag in absolute zin voldoende om een zeer heterogene bevolking van meer dan een half miljard mensen zodanig te managen, dat het veilig is? Als ik commentatoren mag geloven duidelijk niet en zelf geloof ik dat evenmin. Ik verwijs naar een Vrije Tribune in het Centre Français de Recherche sur le Renseignement. In Vrije Tribune nr. 62 trekt Bernard Snoeck van leer tegen vorige Belgische regeringen die nagelaten hebben voldoende middelen te voorzien voor de uitrusting van moderne veiligheidsdiensten.

Het is zeer twijfelachtig of deze tekortkoming alleen maar voor België geldt. Ook de andere Europese landen hebben hun defensie de laatste decennia hopeloos verwaarloosd – Groot-Brittannië en Frankrijk misschien uitgezonderd – en dan nog! Links juichte over een “vredesdividend”.

Als deze gedachtegang juist is, betekent dit dat Holslag voor zijn redenering uitgaat van een verkeerde premisse: nl. dat het bedrag van 600 miljard voor veiligheid een vaststaand gegeven zou zijn. De VS met 320 miljoen inwoners geven 525 miljard uit voor militaire defensie alleen. In Europa zitten in het bedrag van 600 miljard àlle uitgaven voor veiligheid begrepen. Dat is véél te weinig.

De tweede fout in Holslags gedachtegang is de opvatting dat je makkelijker een grens van 11.000 km kunt bewaken dan een van 33.000 km. Op het eerste zicht lijkt dat een plausibele gedachtegang, ware het niet dat je door binnengrenzen weg te halen tegelijk ook een heel groot binnenland schept, waar je vervolgens elke controle over verliest. In een groot binnenland kunnen misdadigers zich beter verstoppen. Dat zien we ook gebeuren: kandidaat-terroristen verkassen op enkele uren tijds van Brussel naar Parijs en van daar naar Amsterdam. Niets of niemand die hen hindert. Er zijn immers geen binnengrenzen. Het gaat niet om grenzen zelf, doch om het behouden van de controle over de gebeurtenissen. Precies daarvoor heb je overzichtelijkheid nodig en die schep je mede door een grote moot in kleinere, hapklare stukken te hakken. Bedrijven doen iets gelijkaardigs: ze zonderen de productie van één soort producten af omdat de processen hierbij gelijkaardig en dus overzichtelijker zijn.

Vergelijk een concreet “product” met een concreet volk, dat immers zijn eigenaardigheden heeft, zijn gewoonten, zijn taal en zijn cultuur. Hierover een goed overzicht hebben, betekent dan ook beter beheersen: voorzien, bijtijds ingrijpen, gepast ingrijpen op de juiste plaatsen. In een islamitisch land kijk je voor een deel naar andere dingen en beoordeel je de dingen anders dan in een christelijk land.

Dat brengt ons op het derde punt: het gaat helemaal niet om het sluiten van grenzen – of tenminste: niet in eerste instantie. Het sluiten van grenzen is slechts een middel uit een reeks van andere middelen om een doel te bereiken. Dat doel is veiligheid. Nu zit die veiligheid en vooral de wil om de samenleving veilig te maken voor een groot deel tussen de oren. Daarmee komen we uit op cultuur. Als een gemeenschap een geschiedenis van discussie en compromissen heeft, zal het er daar wellicht minder gewelddadig aan toegaan dan wanneer je te maken hebt met mensen die een gewelddadige geschiedenis hebben.

Dit is maar een voorbeeld om te zeggen dat je veiligheid slechts kunt bereiken als de mensen zich met elkaar identificeren. De treurders die op 22 maart ‘s avonds op het Beursplein in Brussel een wake hielden, zullen hoogstwaarschijnlijk niet zo snel tot geweldpleging overgaan: ze beschouwen zichzelf allemaal als broze, kwetsbare mensen die voor elkaar een zekere verantwoordelijkheid dragen en deelgenoot zijn in hetzelfde lot. Zoiets noemt men: identificatie.

Daar knijpt in het geval van de multiculturele maatschappij zoals men ons die verkocht heeft het schoentje: we moeten in één land samenleven met mensen die doordrongen zijn van totaal andere denkbeelden en daardoor vreemden blijven. Iemand die je als soortgenoot ziet doe je geen kwaad. Een vreemde: dat is andere peper.

Europees nationalistisch denken lost hier dus niets op. Het raakt niet aan de kern en verschuift integendeel zelfs de aandacht, weg van die kern. Jonathan Holslag heeft een probleem met de afzonderlijkheid van naties: hij zou liever één grote Europese natie zien. Wat we echter nodig hebben is, op allereerste plaats, overzichtelijke samenlevingen van mensen die bereid zijn het leven met elkaar te delen, elkaar te verdragen en elkaars kleine kanten te vergeven. Mensen die ervan overtuigd zijn dat andersdenkenden volstrekt vreemd zijn en bekeerd of zo nodig uitgeroeid moeten worden, zullen zich nooit met hen identificeren. Dit betekent het einde van het zogeheten multiculturele verhaal.

Voor mensen die in ons verhaal niet meewillen is er, alle Bart Eeckhouts ten spijt, in werkelijkheid maar één oplossing: hen verwijderen uit de samenleving.

Wat het hooghartige Rusland betreft waarover Holslag het heeft, tenslotte: waarom praten we in déze termen, de wij ( Europa) versus zij ( Rusland)? Waarom dat Europees staatsnationalisme vooraf in onze redeneringen inbouwen – gegeven het feit dat dit zogeheten hooghartige Rusland altijd al een belangrijke speler was in de Europese politiek? Als we eens nadachten over een Euraziatische veiligheidszone, in plaats van in de retoriek van een Koude Oorlog te blijven steken?

Hier liggen dus alvast vijf ingrediënten voor een doeltreffend recept tegen onveiligheid voor het oprapen: substantieel verhoogde budgetten, verfijnde coördinatie tussen de veiligheidsdiensten- inderdaad- , het opdoeken van het multiculturele bijgeloof mét de verwijdering van onwilligen uit onze samenleving, controleerbare binnengrenzen en een euraziatisch veiligheidssysteem.

Maar euronationalisme? Neen, dat is daar niet voor nodig.

 

Jaak Peeters

Maart 2016

Advertenties

Een nieuwe strategie?

De opiniepeilingen van maart 2016 geven een significante daling van de electorale aanhang van N-VA te zien. De partij daalt zowat 5% tegenover haar verkiezingsresultaat. De kranten spreken over ‘de prijs van het compromis’. Een daling van 5 procent is geen prijs, maar een heuse afstraffing. De waarheid heeft haar rechten.

In de partijhoofdkwartieren zal het dezer dagen zoemen van de analyses. Voor N-VA geldt alleszins dat vele kiezers zwaar teleurgesteld zijn omdat de beloofde verandering velen veeleer een dode mus lijkt. Voornamelijk het verhaal van de zogenaamde taxshift draait verkeerd uit. Immers: mits een goede uitleg – en die is voorhanden – is de operatie van een belastingsverschuiving best wel aanvaardbaar te maken, ook voor ‘gewone’ mensen. De vraag is evenwel wie dan de last van de weggeschoven loonlasten moet dragen. Die 21% BTW op elektriciteit, bijvoorbeeld. En daar knijpt natuurlijk het schoentje: de verlaging van de kosten van de arbeid wordt door de werkende middenklasse betaald. De partij – of de regering – heeft verzuimd om in een overtuigende compensatie voor deze hogere taksen te voorzien, of was daartoe niet in staat. Op die manier heeft zij zelf de oppositie en de vakbonden de stok in handen gespeeld waarmee die haar nu keer op keer slaan – N-VA uiteraard nog het meest. Extreemlinks kan zich nu wel grinnikend in de handjes wrijven: door deze belastingsregering maken de bazen meer winsten en wordt de werkende mens gepluimd. Het gaat er toch zo makkelijk in! Dat is onzin, natuurlijk, omdat de loonkosten bij ons zo hoog lagen dat het uitblijven van een daling ervan de middenklasse nog veel meer schade zou hebben berokkend. Ik breng even General Motors en Ford in herinnering.

Doch misschien is dat alles slechts een relatief onbelangrijk probleem, omdat het ook in nog andere landen bestaat en in allerlei versies van alle tijden is, althans voor wie vergelijkt met de eeuwen waarover zich de geschiedenis van een gemeenschap uitspreidt.

De grootste fout die de partij van Dewever naar mijn oordeel heeft gemaakt is binnen de Vlaamse regering de post voor onderwijs niet voor haarzelf op te eisen. Sommigen fluisteren dat N-VA geen goede kandidaat-titularis had voor deze post. Hoezo? Kent Crevits dan iets van onderwijs? Crevits is juriste – geen pedagoge. Men had bijvoorbeeld Theo Francken op deze post kunnen plaatsen. Francken is wel pedagoog. Onderwijs is zijn ding.

Waarom is deze omissie een fout?

Omdat hierdoor Vlaamse kinderen in Vlaanderen met Vlaams geld nog altijd Belgische geschiedenis leren!

Als kleine dreumes leren ze over onze vorsten. Dat zijn niet de Oranjes, maar de Coburgers. Ze leren over de Oude Belgen, waarmee wij, moderne mensen, nauwelijks wat van doen hebben. Ze leren dus van kleins af goede Belgen te zijn.

Het gevolg is dat de Waal Charles Michel in Vlaanderen populairder is dan onze eigenste Vlaamse minister-president. Nu kun je zeggen dat Michel best wel aimabel is in de omgang en dat Geert Bourgeois oogt als een saaie, stijve hark – wat niet klopt met de realiteit voor wie hem nader kent -, maar dat volstaat niet als uitleg voor de feiten.

Ik denk dat de psychologie van de modale Vlaming aan vele top-N-VA – ers ontgaat. Mensen voelen altijd en overal weerstand tegen verandering. Elke bedrijfsverantwoordelijke weet zulks. Is het opheffen van een staat zoals België niet een héél grote verandering? Ja, dus. En bijgevolg moeten wij ook een navenant grote weerstand tegen het opheffen van België verwachten.

Tot op dat punt valt er weinig in de pap te roeren. De menselijke psychologie is wat ze is.

Maar als je wéét dat er zoveel sentimentele weerstand bestaat tegen het opheffen van het bestaande België, waarom begin je dan niet met het afbreken van die weerstand op het ogenblik dat je daartoe de kans hebt? Als Vlaamse kinderen niet langer over ‘onze vorsten’ en tutti quanti zouden moeten leren, maar van de aanvang af een veel correctere en minder nationalistische geschiedenis zoals de Geschiedenis van de Nederlanden zouden ingeprent krijgen, dan zou een sympathieke Waal Michel er nu niet toe kunnen komen de modale, rap contente Vlaming te doen uitroepen: “zie eens hoe goed Vlaams hij spreekt! Het is toch zo’n sympathieke jongen! Laten we België maar behouden!”

Het een heeft met het ander niks te maken – maar de logica is niet het leidende principe van het openbare leven.

Overigens geldt dezelfde gedachtegang voor élke vorm van modern staatburgerschap, zoals het besef dat een staatskas geen OCMW is voor wie weet hoe hij erin moet graaien.

Die psychologie, met als gevolg de dalende electorale aanhang van de N-VA, roept het vermoeden op dat de N-VA na de volgende verkiezingen niet zwaar genoeg zal wegen om een discussie over confederalisme af te dwingen. Nochtans was dat het plan.

Als dat niet lukt met deze historische cijfers, zal het dan ooit lukken? Misschien krijgt wijlen Hugo Schiltz gelijk, toen hij schreef: Vlaanderen wordt nooit onafhankelijk. Nooit.

Wordt het daarom geen tijd om na te denken over andere politieke toekomstscenario’s?

Nu de EU lijkt te desintegreren – ze loopt onvermijdelijk zware schade op door haar nogal vreemde vluchtelingenbeleid – is het misschien tijd om de Benelux te heractiveren. Die Benelux is niets anders dan de hedendaagse versie van zoiets als het koninkrijk van 1815. Het zou ons, bewoners van die Benelux, internationaal veel meer gewicht bezorgen dan we nu afzonderlijk als drie kleine landjes bezitten. Het zou bovendien voorkomen dat Frankrijk oprukt tot aan de poorten van Brussel, een situatie waar alvast ikzelf voor huiver.

Natuurlijk zullen er in deze herstelde Nederlanden ook Franstaligen leven – zoals altijd al het geval was. Ze zullen echter een minderheid van 15% vormen. Gaan we ons daardoor laten doen? Gaat die minieme minderheid onze staatkundige toekomst bepalen?

Sommigen zeggen dat de Walen het spel niet zullen willen meespelen. Goed, dat is dan hun keuze. Maar als zij absoluut om sentimentele redenen willen kiezen voor een Franstalig ministaatje in een Europa dat niet langer in staat is structuur te geven, dan kiezen ze zeker niet voor de verstandigste optie. Bovendien komen zij dan terecht in de situatie waarin de Vlamingen terecht zouden komen als die voor separatisme zouden kiezen: een tol te moeten betalen voor hun keuze. In het geval van een Waals njet: Waals-Brabant afstaan, bijvoorbeeld.

Niemand kan in de toekomst kijken.

Maar nu het er op lijkt dat de strategie van de N-VA-top wel eens zou kunnen mislukken, is het, zo komt het mij voor, tijd om na te denken over àndere scenario’s.

En, eerlijk gezegd: voor een koninkrijk als dat van 1815 wil ik best wel tekenen.

 

 

Jaak Peeters

Maart 2016

 

“Veel te hoog ingezet’

Ik verslikte me haast, toen ik onder het verorberen van mijn zondagse croissantjes deze uitspraak van de fractieleider van “Groen” in het Vlaams Parlement las. ‘N-VA heeft veel te hoog ingezet’

Hoezo? Te hoog ingezet?

De partij van Dewever had beloofd om de begroting van de Belgische staat tegen het einde van haar legislatuur, dus na vijf jaar, in evenwicht te brengen – of alleszins binnen de normen van Europa te laten uitkomen.

Voor “Groen” is dat dus veel te hoog inzetten. Als mijn bankrekening op het einde van de maand systematisch rood kleurt, dan moet ik maatregelen treffen. Het gaat er dan niet om of ik te hoog of te laag inzet: de rode kleur op het einde van de maand moet verdwijnen.

Wat had deze regering dan moeten doen? Beloven dat ze ‘inspanningen’ zou doen, zonder naar een echt begrotingsevenwicht te streven? Wedden dat “Groen” dan zou gekrijst hebben over te lage ambities? Maar nu ze beloofd heeft om op nul uit te komen, heeft ze te hoog ingezet?

Door zo te laveren, drijft ‘Groen’ het hele begrotingsverhaal in een moeras, waarin ze altijd wel iemand kan laten verdrinken. Als er teveel wordt bespaard om de norm te halen, is de regering te hardvochtig. Als ze te ver van het doel verwijderd blijft, heeft ze niet doeltreffend gehandeld. Maar het resultaat is altijd hetzelfde: de regering faalt. Wat is dan het door “Groen” beloofde alternatief? Want die partij beweert toch altijd dat het anders kan? Waar zit het alternatief dat “Groen” zogenaamd aan experts heeft voorgelegd – terwijl ze intussen Muyters kwalijk neemt dat hij niet méér geld uittrekt voor de opname van vluchtelingen? Nog meer geld dus, nog meer uitgaven…voor de lievelingen van “Groen”, welteverstaan. Dàn mag het wel. Ook al vindt 95% van de bevolking dat het nu welletjes is geweest.

Zulke politieke zwierebollerij zet heus geen zoden aan de dijk. Het is ook geen goede oppositie – iets wat ik overigens helemààl mis in deze legislatuur. Het is geniepig met het vaatje rondsluipen om op elke slak wat zout te strooien, zodat je in de verkiezingscampagne, die er zit aan te komen, altijd mee kunt praten. Maar beleidsgerichte oppositie is dat niet. Het is slinkse hoorndragerij.

Heeft Dewever dan niet te hoog ingezet?

Ja en neen.

Neen, omdat hij volkomen gelijk had een begrotingsevenwicht te willen.

Ja, omdat hij duidelijk de taaiheid van de Belgische graaipotcultuur onderschat heeft. Decennialang was de staatskas voor zowat iedereen in dit land de onuitputtelijke bron van bijkomende middelen. Voor de vakbonden, voor de werkgevers, voor de ziekenfondsen, voor de organisaties voor thuisverzorging, voor de ziekenhuizen, voor de politieke partijen, voor de kranten. Het rijtje is haast eindeloos.

Mettertijd is de bevolking deze graaipotfunctie normaal gaan vinden. Nu – toegegeven – Di Rupo in de vorige regering al her en der manifeste verspillingen heeft weggesnoeid, moet het echte besparingswerk gaan beginnen: het doen ophouden van de graaipotfunctie van de staat. En daar is het, dat N-VA vastloopt. Niet omdat haar bedoeling fout zit. Een staat ombouwen tot een efficiënte machine die de belangen van haar bevolking dienstbaar is, is niet alleen nobel, doch in deze tijd van open grenzen pure noodzaak. De bevolking zelf is evenwel niet mee. Ze zit nog in de graaipotmodus. Daarbij wordt ze trouwens opgestookt door groepen die belang hebben bij het voortduren van deze graaipotcultuur. Iedereen kent ze en ze werden hierboven al deels opgenoemd.

Anders gezegd: de verandering die N-VA beoogt is alleen mogelijk als de neus van de bevolking in een andere richting wijst dan vandaag het geval is. Als de bevolking ervan overtuigd raakt dat de staatskas géén graaipot is, maar dat het staatsgeld nodig is om een efficiënte staat te laten functioneren – dit in ieders belang.

Om die neuzen te richten moeten we naar de basis grijpen: naar de opvoeding, naar het onderwijs, naar de media – deze laatsten zelf mede debet én belanghebbende partij en daarom niet geneigd tot positieve medewerking. Precies op dit punt kan een ware oppositie een heilzame rol vervullen.

Ik ben bang dat men ter linkerzijde – SPA en Groen – te veel vastzit in dromerige ideologieën en te weinig oog heeft voor een realistische staatspolitiek.

In ieder geval zal sluw doch dubbelzinnig spel geen baat brengen. Ook niet als het van “Groen” komt.

 

Jaak Peeters

Maart 2016