Wantrouwen is moeilijk te ontwijken

Op haar blog van 11 februari publiceert Tinneke Beeckman een aantal beschouwingen over de kwaliteit van de journalistiek – ‘de’ journalistiek, dus in erg algemene zin opgevat.

Het feit alleen dat ze dit doet laat vermoeden dat deze problematiek haar toch enigszins zorgelijk maakt. Dat laatste komt mede omdat ze kennelijk de ervaring heeft van mensen die de journalistiek hebben gelaten voor wat ze is: ongeloofwaardig, het morele vingertje verheffend en partijdig en die daarom zijn afgehaakt of zijn overgegaan tot het produceren van hun eigen journalistieke blog.

Zelf wil ik die ongeloofwaardigheid alvast illustreren met twee voorbeelden, die zeer recent in de krant te vinden waren.

Het eerste gaat om een mededeling dat natuurkundigen het bestaan van zwaartekrachtgolven hebben kunnen bewijzen. Dat is geweldig nieuws, daar niet van. Maar de betrokken redacteur presteerde het ons mee te delen dat planeten cirkelvormige banen rondom hun ster beschrijven. Nu heeft de Alexandrijnse Hypathia, die in het begin van de vijfde eeuw door fundamentalistische christenen werd vermoord, toen al aangetoond dat het om ellipsvormige banen gaat. In 1609 publiceerde Kepler zijn boek, waarin hij als zijn eerste hoofdwet precies deze ‘ellipsvormigheid’ aannemelijk maakt. Toch deelt de redacteur ons mee dat planeten cirkelvormige banen beschrijven. Aangezien ik denk te mogen aannemen dat de journalist in kwestie niet uit kwaadaardigheid handelt, kan ik moeilijk anders dan onwetendheid veronderstellen. Kan men zich voorstellen dat mensen die zelf maar al te goed weten hoe de vork echt in steel zit, zich afvragen wat ze van de overige mededelingen van deze redacteur mogen geloven? Diezelfde week wist een andere redacteur ons te vertellen dat binnenkort de zestigste verjaardag van het verdrag van Rome wordt gevierd, het verdrag dat volgens hem de start van de Europese Unie is. Ik heb de tekst twee keer gelezen: het stond er echt zo. Het verdrag van Rome stichtte de EEG, de verre voorloper van de EU, die zelf in het verdrag van Lissabon, in 2009, werd ingesteld. Ik herhaal dan ook de vraag van hiervoor: wat mag ik nog geloven? Het doet denken aan de vraagstellingen van Immanuel Kant…

Een lezersbrief om te wijzen op de fout verscheen gewoon niet. Was de redacteur beschaamd? Ik ben niet geneigd dat te denken. Mijn eigen dochter, die nogal eurokritisch is, trachtte bij herhaling en in verschillende media een eurokritische lezersbrief gepubliceerd te krijgen. Het onderwerp ben ik inmiddels vergeten. Enigszins boos belde ze op den duur een van die redacteuren op en kreeg vervolgens prompt te horen dat men geen eurokritische lezersbrieven opneemt. Hoe geloofwaardig is het nieuws van onze kranten dan nog?

Ik heb in het verleden zelf, en bij herhaling, het soort feitelijke fouten waarvan ik hierboven twee voorbeelden gaf, via mails of lezersbrieven willen rechtzetten. Ik heb nooit het genoegen mogen proeven dat mijn inspanningen succes hadden. Dat geldt overigens ook voor manifeste taalfouten: “aan 200 km. per uur” of “ aan x euro per kilogram”.

Lezersbrieven, mails…maar er verandert niets.

Kan het dan iemand verbazen dat mensen afhaken? Dat ze zeggen: nou, die journalistiek van tegenwoordig: laat die maar zitten. Je kunt er toch niks van geloven.

Helaas gaat het niet alleen of feitelijke fouten. Soms is heel erg moeilijk geen onwil te veronderstellen. Als een man als Abou Jahjah zijn pleegsels in De Standaard mag laten verschijnen, dan vraag ik me af: kennen ze daar die man dan niet? Abou Jahjah is de man die me bij een debat eens in het gezicht smeet dat Vlamingen die voor de Vlaamse onafhankelijkheid strijden egoïsten zijn. Dus de Ieren, de Finnen, de Noren, de Denen – och: de lijst is zo lang, alleen al in Europa! -: dat zijn allemaal egoïsten? Ik zat perplex bij zoveel agressiviteit. Wie zijn De stad is van ons leest, ziet zich geconfronteerd met iemand die ik – om geen lelijke woorden te moeten gebruiken – integraallinks noem. Maar een ander wordt duidelijk als Tom Naegels verklaart dat hij een debat met de vlaamsnationale gemeenschap – wat dat ook moge zijn – wil aangaan, en dat hijzelf vindt dat de krant Vlaanderen best wel mag opvatten als een knolsel van afzonderlijke groepen en groepjes, belangengroepen en belangenverdedigers die dus kennelijk niets met elkaar te maken hebben, laat staat dat er zoiets als een algemeen Vlaams gemeenschapsbesef zou kunnen bestaan. Kennelijk ‘vergeet’ Naegels dat al Ferdinand Tonniës het onderscheid maakte tussen Gemeinschaft en Gesellschaft. Van een licentiaat in de Germaanse filologie mag je toch enige kennis van de Duitse literatuur verwachten?

Dat iemand als Abou Jahjah in De Standaard regelmatig naar Vlaanderen uithaalt zal bij de redactie van krant zeer zeker geweten zijn. Nou komt mijn vraag: waarom komt er op dat integraallinkse geschrijf geen integraalrechts antwoord? Als Naegels kennelijk onvrede aanvoelt in de ‘vlaamsnationale gemeenschap’, waarom laat hij die dan niet aan het woord? Oh ja: je moet niet aan Filip Dewinter denken. Maar iemand als Gerolf Annemans heeft wél inhoud. Maar neen hoor: die is extreemrechts. Waarom dan wel, als ik vragen mag?

Ikzelf heb in het verleden talrijke vrije tribunes in De Standaard geschreven. Iemand heeft me ooit eens voorgesteld om ze te bundelen, maar door mijn grenzeloze slordigheid ben ik een aantal van die teksten kwijt geraakt. Mijn laatste bijdrage behelsde de vraag hoe je een positie extreem kunt noemen, als je niet eerst het midden hebt gedefinieerd. Ik laat u savoereren van het antwoord: volgens mevrouw Anni Van Langendock verkocht ik cafétoogpraat.

Zo: die zit.

Niet dat dit een uitsluitend Vlaams probleem is. De Oostafrikaanse hoogleraar aan de unief van Oost-Londen, Seyoum Hameso, schreef in zijn boekje Ethnicity in Africa dat de journalistiek de pedalen volledig verliest als het onderwerp etniciteit aan de orde is en illustreerde dat met een paar voorbeelden uit The Economist – niet bepaald een boulevardblad.

Het wordt in deze omstandigheden wel heel erg lastig om de conclusie van onoprechte vooringenomenheid te ontwijken.

Nu komt het punt dat ik wil maken: als de feitelijke fouten zo manifest zijn en de partijdigheid kennelijk onmiskenbaar, dan wordt het heus moeilijk om het fijnzinnige onderscheid tussen gezonde scepsis en verwerpend wantrouwen dat Tinneke Beeckman wil verdedigen vol te houden.

Ik, alleszins, héb afgehaakt en onderhoud sindsdien mijn eigen Doorstroming.net.

 

Jaak Peeters

februari 2016

Allah Akbar!

Kan een columnist dezer dagen zich een beter onderwerp wensen dan de zogeheten vluchtelingencrisis?

Alleen al de term vluchtelingencrisis – de zwaarste crisis in West-Europa sinds WO II – roept emotionele discussies op, ze splijt politieke partijen doormidden en zet regeringen onder hoogspanning. De nog eens bovenop komende berichten over soms massale aanrandingen van blanke vrouwen door islamitische jongeren, vaak afkomstig uit de middens van de zogeheten vluchtelingen, illustreren het iele en dikwijls loense, soms ronduit valse karakter van het politiek correcte verhaal dat ons oproept om toch vooral oog te hebben voor ‘de menselijkheid’: het zijn toch allemaal arme donders, stakkers op de vlucht voor die verschrikkelijke oorlog, waarom zij nooit vroegen. Is het niet? Wat een onmens ben je toch, als je dat verhaal niet kritiekloos aannemen wil! Waarom diezelfde arme donders zich dan vervolgens niettemin aan massale verkrachtingen te buiten gaan, of niet massaal op straat komen om de oorlog die hen op de vlucht dreef te veroordelen, horen we vanuit de politiek-correcte hoek nergens uitleggen. Extreemlinks vindt zelfs dat we nog best wat genereuzer mogen zijn en dat het aantal vluchtelingen rustig nog de hoogte in kan. Dixit Almaci, die door haar afwezigheid uitblonk toen in de Kamer de discussie over de Armeense genocide door de Turken werd gevoerd. Zoals vele extreemlinksen hebben de zichzelf groen noemende volksvertegenwoordigers vooral last van een selectief werkend geweten.

Gouverneur Decaluwé zal het geweten hebben toen hij mensen smeekte om vooral niets in het werk te stellen waardoor de illegalen uit de tentenkampen van Kales ( Zo heet die stad in onze taal, maar de journalistiek lijkt dit al lang vergeten te zijn) naar Brugge of Veurne zouden gelokt worden.

Decaluwé, van CD&V-strekking en, naar we aannemen, van christelijke gezindte, zal zeker best wel oog hebben voor die medemenselijkheid. Doch als gouverneur is het hem vooral te doen om het bewaren van de openbare orde en het voorkomen van molestering van de plaatselijke bevolking door illegalen. Da’s namelijk ook ijveren voor medemenselijkheid – in een democratie toch. Als gouverneur is Decaluwé een functionaris die de democratische rechtstaat moet helpen handhaven en daartoe moeten en mogen maatregelen worden genomen. Het hysterisch gekrijs dat vanuit linkse hoek opsteeg toen de oproep van Decaluwé bekend raakte was overigens buiten elke redelijke proportie: illegalen zijn per slot van rekening … illegaal – het woord zegt dat zelf. Wie illegaal is, heeft de wet overtreden. Zo iemand komt geen weke medemenselijkheid toe, maar hoort passend gestraft.

Het door extreemlinkse sympathieën ingegeven politiek correcte gekrijs is één ding.

De vaag die ik hier wil stellen is: heeft iemand uit de VRT, de Jong-socialisten, De Morgen, of de extreemlinkse strekkingen zoals Groen, De Wereld Morgen en tutti quanti al eens de moeite genomen om te kijken naar wat er in Syrië op het terrein gebeurt?

Dat is nochtans niet echt moeilijk: op You Tube zijn resems filmverslagen te vinden over veldslagen tussen de rivaliserende groepen in Syrië, en sinds de aanvang van de Russische bombardementen op doelwitten in dat land vermenigvuldigen de filmverslagen op You Tube over bombardementen zich evenredig.

Je ziet er dan de huiveringwekkende taferelen over hele huizenblokken die door raketten, afgevuurd door straaljagers of gevechtshelicopters, de lucht worden ingeblazen. Beelden van compleet verwoeste steden zijn legio. Dat mensen uit zo’n hel wegvluchten zal ieder redelijk mens begrijpen. Ik vermoed dat de Russen – en zij wellicht niet alleen – deze bombardementen ook gebruiken om hun nieuwste bommentypes uit te testen. Er vallen ontploffingen te zien die van ver op een nucleaire explosie lijken en die hele wijken in één klap wegblazen.

Niemand blijft in zulk inferno rondhangen. Neen, toch?

Dat dacht u maar!

Natuurlijk zijn er de verslaggevers. Anders was er op You Tube ook niets te zien. Maar zij zijn niet alleen: overal zie je gewapende kerels rondlopen. Vaak dragen ze zelfs antitankraketten met zich. Ik vraag me dan altijd af: waar halen die kerels dat spul? Wie betaalt dat alles?

Wat me nog meer verbaast is het gedrag van die militieleden zelf. Middenin de bommenregen, terwijl de kogels hen om de oren fluiten en ze moeten schuilen voor de neervallende brokstukken van door raketten kapotgeschoten huizen, klinkt telkens dezelfde kreet op, keer op keer: Allah Akbar! Allah Akbar! Het klinkt als Aloeha hakbar.

Ik vermoedde al eerder dat deze kreet wel iets heel bijzonders moet betekenen. Anders zou hij in dergelijke levensgevaarlijke omstandigheden niet voortdurend worden geroepen.

En ja hoor: iemand die Arabisch kent heeft me de vertaling bezorgd: “God is groter”.

Ziezo: terwijl Magere Hein rondom hen wild met zijn zeis zwaait, hun eigen soortgenoten in vreselijke ontploffingen in de meest letterlijke zin aan stukken worden gereten, hun kinderen, ouders, broers, zussen, familieleden bij bosjes worden gedood als ze niet op de vlucht zijn geslagen, roepen deze kerels tot hun godheid en schreeuwen ze zijn ‘macht’ uit. Die macht is weliswaar niet voldoende om de bommen te beletten te ontploffen, maar dat maakt kennelijk niets uit: hun god is altijd groter.

Nu zou je, al redelijk denkend mens, verwachten dat te midden van deze volledige verwoesting en de totale exodus die erdoor wordt veroorzaakt, de strijdende partijen besluiten om toch maar de onderlinge ruzies bij te leggen, hun gezond verstand aan te spreken en het algemeen belang van zovele machtelozen en dat van hun hele land centraal te stellen. Als rondom alles vernietigd wordt, het aantal doden niet langer te tellen valt, als het aanroepen van de godheid niet één straaljager al heeft belet om zijn dodelijke raketten af te vuren, dan zou je toch verwachten dat mensen zouden zeggen: “kom jongens, hier is geen kruid tegen gewassen, laten we er mee ophouden!” Maar neen hoor! Koppig en blijkbaar door verwrongen haat compleet verblind blijven ze doorvechten, onderwijl hun godheid almaar aanroepend en daarbij zichzelf wijsmakend dat diezelfde godheid het vandaag of morgen beu wordt en de ongelovige vijand vernietigt.

Allah Akbar!

Je hoort het telkens weer, zelfs door het ontploffen van de zware bommen heen.

Allah Akbar!

Als ik die gasten bezig hoor en zie, en vol ongeloof naar het ijzige, bloederige spektakel zit te kijken, dan denk ik: stop er nou toch eens mee! Zien jullie nu zelf niet wat jullie door uw eigen koppigheid aanrichten? Smijt die geweren weg, wees verstandig en ga praten! Maar die kerels vechten koppig door, ze weten van geen ophouden, een bende kortzichtige steenezels die vechten tot het ultieme niets. Soms vraag ik me af: wéten die nog wel waarvoor ze vechten?

Uit onze eigen geschiedenis kennen we verhalen van strijders die bleven doorvechten, zelfs als elke hoop op overwinnen of zelfs overleven vervlogen was. Vele Boerenkrijgers hebben zich op die manier doodgevochten. Maar die mensen hadden gewoon geen keuze: het waren conscrits, opgeroepenen voor de militaire dienst in het leger van de bezetter. Wie dat weigerde tekende zijn eigen doodvonnis. Hij was immers deserteur. Die mannen hadden de keuze tussen vechten of sterven. Tja: dan koos ik waarschijnlijk ook voor de eer. Dat is niet veel, maar als mens dan toch iets…

Maar in Syrië hebben ze wél een redelijke keuze: ze kunnen er gewoon mee ophouden. Ze kunnen rondom zich kijken en zien welke verschrikkelijke ravage ze aanrichten.

Soms moéten mensen de wapens opnemen om onrechtvaardige toestanden te doen ophouden. Maar met Von Clausewitz meen ik dat geweld en resultaat in verhouding moeten staan. Als datgene wat door opstandelingen als rechtvaardigheid wordt gepercipieerd slechts door totale vernietiging bereikt kan worden, dan kan ik niet anders dan een bikkelhard bewijs te eisen dat het eindresultaat zulke volledige vernietiging wel verantwoordt. En oorlog voeren bij wijze van vrijetijdsbesteding of een strijd leveren die men nu eenmaal niet kàn winnen: de redelijkheid eist dat men in dat geval met de operaties stopt.

Ik zie in het Syrische conflict nergens enig bewijs dat zulke massale verwoesting verantwoord kan zijn. Het zou dus van moed getuigenis afleggen – en vooral van grootmoedigheid – als ze de wapens zouden neerleggen en met elkaar en met Assad zouden gaan praten. Alsof deze laatste, onder druk als hij staat van buitenlandse machten, veel anders zou kunnen doen dan het gesprek te aanvaarden!

Maar neen hoor: ze blijven doorvechten, tegen elke redelijkheid in.

Ik noem dat egoïsme. Het heeft niets met grootmoedigheid te maken, wel alles met koppige onwil om buiten zichzelf te treden.

En intussen worden de West-Europese welvaartstaten overspoeld door lui die voor het geweld op de vlucht zijn of waarvan de meesten onder hen van de gelegenheid misbruik maken om mee door de mazen van het net te glippen en een beroep te doen op de barmhartigheid van onze weekgemaakte zielen: zie eens wat een sukkelaars wij toch zijn! Als ze dan hun eerste hulp effectief te pakken hebben, bepotelen ze onze vrouwen en meisjes, want volgens hun cultuur lopen die halfnaakt rond en zijn ze derhalve als loslopend wild. Vreemd toch dat het politiek-correcte gekrijs dan plots oorverdovend stil is…

Kijk eens goed: dit gaat er bij mij niet langer in.

Ik heb geen enkel respect voor egoïstische ambrasmakers die voor hun eigen heilige gelijk nog liever hun hele land om zeep helpen. Als zulke bandieten – een ander woord bestaat daar toch niet voor? – een massale uittocht veroorzaken, moeten wij hen dan in de feiten helpen en in hun plannen meegaan door die uittocht nog tot een succes te maken ook?

Misschien is mijn eigen moreel besef misvormd. Misschien heb ik dat wel niet eens. Maar ik meen dat wij geen hand- en spandiensten kunnen verlenen aan de schoeljes die de exodus op gang hebben helpen brengen. Zeker niet als die hand- en spandiensten eruit bestaan de vluchtelingen te helpen op zo’n manier, dat die erover kunnen gaan dromen in onze welvaartstaten te kunnen blijven.

Iedereen, ook de koppige strijders in Syrië, moeten beseffen dat ze eens de gevolgen zullen dragen voor hun wangedrag en dat ze zelf hun land zullen moeten heropbouwen. Ook de (schijn)vluchtelingen moeten dat beseffen: ze moeten terug naar hun land, omdat elke andere ‘oplossing’ neerkomt op het feitelijk meegaan met de egoïstische koppige onwil tot redelijk denken.

Er is meer.

Als mensen door natuurgeweld worden overvallen, overstromingen, vulkaanuitbarstingen, tsunami’s…, dan is elke discussie overbodig: dit is volkomen buiten elke menselijke wil en dan rest ons alleen de universele plicht om mensen in nood te helpen.

Maar in Syrië hebben mensen de dingen wél in de hand. En ik zie niet in waarom wij, in West-Europa, zouden moeten opdraaien voor de gevolgen van de ezelachtige koppigheid van een kleine troep onverzoenlijken.

Met het Allah Akbar hebben wij niets te maken. We hebben integendeel alles te maken met het stichten van een wereld waarin eenieder zijn verantwoordelijkheid neemt en de gevolgen van zijn eigen gedrag draagt. En waarin de gevolgen van wangedrag niet op de schouders komen van mensen en volkeren die daar niets mee te maken hebben.

Die wereld van verantwoordelijke mensen stichten we niet door weekhartigheid of door een vage, onbestemde medemenselijkheid die, alles wel beschouwd, neerkomt op een belediging voor diezelfde menselijkheid.

Want wie een mens wil respecteren, moet niet alleen respect hebben voor alleen maar diens leven. Hij moet respect hebben voor de hele habitus van de mens: voor die mens van vlees en bloed, vol emotie weliswaar, maar toch ook in staat tot redelijk oordelen. Men moet dus ook zijn vermogen tot redelijk oordelen respecteren. Hetgeen vereist dat we dit vermogen als aanwezig beschouwen en ons gedrag afstemmen op dit geloof. Als we dat ‘redelijk oordelen’ tussen haakjes plaatsen, en onze medemenselijkheid beperken tot het in leven houden van mensen, dan doen we weinig anders dan neushoorns beschermen tegen stropers: hun leven veilig stellen. Dan herleiden we die mensen inderdaad tot zwerfkatten…

Maar een mens is veel meer dan een brokje levend weefsel. Een mens is een min of meer redelijk wezen. En op die redelijkheid moet ook de politiek het aanleggen.

Een politiek die alleen maar op het ocharmige, jangelende helpen van al dan niet echte sukkelaars is gericht, lijkt bovenop verdacht veel op de presentatie van een verdoken superioriteitsgedrag, de verhouding tussen het bleirende kind en de strenge, maar algoede vader die gul geven kan.

Het roept in me het gevoel van misprijzende spot op, een houding ingegeven door een neerziende houding van westerlingen die zich nog eens kunnen wentelen in bun kolonialistische geestelijke superioriteit. Het lijkt erop dat sommigen die miserie nodig hebben om aan zichzelf te bewijzen hoe ver ze daar zelf allemaal boven staan en hoe medemenselijk zijzelf toch wel zijn.

De emocultuur die ons te allen kante omspoelt heeft niets met diepe medemenselijkheid te maken, maar alles met spot en misprijzen voor de ware menselijke aard van wie men beweert te helpen.

 

Epiloog

 

Als onze politiek-correcte roepers dan toch hun morele superioriteit willen demonstreren, dan zouden ze kunnen overwegen om troepen te sturen om IS te verslaan, de milities te ontwapenen en de strijdende partijen te dwingen rond te tafel te gaan zitten om een modus vivendi uit te werken.

Maar in hun oneindige menselijkheid hebben zij jarenlang elke investering in militaire capaciteit onmogelijk gemaakt. Zogenaamd om de vrede. Diezelfde vrede die nu zo grondig om zeep is, zodat we machteloos moeten toezien hoe onze samenleving overhoop wordt gehaald.

Maar intussen heeft West-Europa niet het vermogen om de 2000 tanks bijeen te brengen die nodig zijn om de uitzichtloze strijd in Syrië te doen ophouden.

Als ik tot dat politiek-correct clubje zou behoren – quod non – dan zou ik nu in de grond zinken van pure schaamte.

 

 

Jaak Peeters

Februari 2016