Open brief aan Marino Keulen

Mijnheer Keulen,

Via de krant vernemen we dat u het niet eens bent met de eis van minister Homans om lieden die een sociale woning toegeschoven krijgen, met aandrang te verzoeken Nederlands te leren.

Dat te eisen zou, volgens u, aanschurken tegen ongrondwettelijkheid.

Onder het voorbehoud van de juistheid van het krantenbericht – de betrouwbaarheid van de pers is de laatste jaren pijlsnel gedaald – en dus aangenomen dat u zoiets inderdaad gesteld hebt, rijst bij mij de vraag wat uw ware bedoelingen zijn.

Het schijnt u te ontgaan dat de ervaren voorrang, ook al is die laatste beperkt, die pas ingekomen vreemdelingen krijgen bij het verwerven van een sociale woning, bij de bestaande bevolking veel kwaad bloed zet.

Kom me niet vertellen dat die bestaande bevolking het mis heeft.

Ten eerste betekent democratie wat het betekent: de bevolking beslist over de grote lijnen die het politieke beleid moet volgen. Zulks weg te zeggen als ‘populisme’, zoals sommige windmakers inmiddels volgens de nieuwe mode gewoon zijn geworden te doen, is niet alleen beledigend. Het is ook fundamenteel in tegenspraak met de grondprincipes van een democratische samenleving.

Als bijgevolg velen wrange gevoelens hebben omdat hun eigen kinderen moeten opschuiven bij het verwerven van een sociale woning ten voordele van nieuwkomers uit het buitenland, dan hoort men die kritiek niet weg te lachen of met allerhande sofismen te lijf te gaan. Dan hoort men integendeel te onderzoeken of er toch niet wat aan de hand is. En of het eisen dat van lieden, die een soms stuitende voorkeursbehandeling krijgen, tenminste die minimale tegenprestatie mag verwacht worden – namelijk de landstaal te leren – niet bijzonder redelijk is.

Ten tweede, meneer Keulen,  zijn er onder die bestaande bevolking intussen vele, vele duizenden ingeburgerden. Dat zijn lieden die uit zichzelf wél de moeite namen om Nederlands te leren en die, als tegenprestatie vanwege de autochtonen, door deze laatsten nu als volwaardige medeburgers aanvaard werden.

Door nu botweg de taalkennisvereiste weg te willen strepen, geeft u al die ingeburgerden een heuse kaakslag. U geeft hen het idee dat ze zich nodeloos in het zweet hebben gewerkt en dat andere, nieuwe vreemdelingen, een gunstiger regime mogen verwachten dan zij zelf.

Hoe u zulks met het principe van de gelijkheid van de burgers kunt rijmen, is alvast mij een raadsel.

Dat u ‘ongrondwettelijkheid’ aanvoert, is derhalve hoogst vreemd.

Als die ongrondwettelijkheid inderdaad van toepassing zou zijn, zou zulks betekenen dat deze grondwet het een regering onmogelijk maakt om werk te maken van sociale cohesie en van maatschappelijke samenhang. Een dergelijke grondwet is contraproductief. Meer zelfs: ze is ronduit schadelijk en moet dus verdwijnen.

Uw houding is in ieder geval kwetsend zowel voor autochtonen als voor mensen, die de moeite namen om zich te integreren.

Een en ander, mijnheer Keulen, roept bij de vraag op wat u en uw partij in de Vlaamse regering komt uitrichten?

Uw partij is wiskundig overbodig. De twee andere regeringspartijen hebben samen een meerderheid. Waarom is uw partij dan in die regering ingebroken? Wat zijn de afspraken en vooral: welke drukkingsmiddelen – ik gebruik het woord ‘chantage’ met opzet voorlopig niet –  heeft uw partij gebruikt om deze inbraak te forceren?

Als ik nu zie dat u gedrag vertoont dat naar sabotage neigt, begin ik me steeds scherpere vragen te stellen. Eigenlijk moet ik zelfs gaan hopen dat de krant uw woorden verkeerd heeft weergegeven. Dat zou de last om uitleg te verschaffen bij de pers leggen.

Het is dus de hoogste tijd om duidelijkheid te verschaffen over de ware doelstellingen van VLD in de Vlaamse regering.

Het is niet minister Homans die wat uit te leggen heeft, maar wel degelijk uw eigen partij.


Hoogachtend,

Jaak Peeters

Publicist

 

N-VA boer: let op uw cultuur’ganzen’!

Zopas lanceerde de nieuwe lieveling van de media, de fotogenieke liberale minister van cultuur, Sven Gatz, zijn nieuwe quote: cultuur dient eigenlijk tot niets. Tenminste: zo luidde de titel van zijn interview in De Tijd.

Gatz, die zich kennelijk tot het liberalisme heeft laten bekeren maar wel een volksunieverleden heeft, moet aanvoelen dat deze uitspraak van hem voor heel wat kritiek vatbaar is.

Nu is Gatz niet van gisteren. Meesterlijk verzorgt hij zijn persoonlijke PR, meet zichzelf een eigen, no-nonsense, directe maar tegelijk soepele stijl aan, op zo’n manier bovendien dat je moeilijk op hem boos kunt worden.

Een sympathieke knul, zoals men dat zegt.

Ik weet dus echt niet of zijn uitspraak dat cultuur tot niets dient, naar de woorden moet worden genomen of nog eens, zoals wel vaker, een lapsus is met de bedoeling de aandacht te trekken.

Laat ons uitgaan van de onderstelling dat hij meende wat hij zei: “cultuur dient eigenlijk tot niets”.

Dan is de eerste vraag natuurlijk wat de nieuwe minister onder cultuur verstaat. Nu is die vraag niet moeilijk te beantwoorden. Cultuur is voor hem niets anders dat wat al zijn voorgangers daaronder ook al verstonden: kunsten, theater, muziek en dat soort toestanden. Van Hoge Cultuur tot, laat ik in het geval van Gatz maar aannemen, populaire cultuur. Van Bach en Stravinsky tot De Kreuners en de plaatselijke toneelbond De Kromme Sigaar.

Op die definitie van cultuur valt echter heel wat af te dingen. In de psychologie en de antropologie wordt het begrip cultuur namelijk veel ruimer omschreven. Vaak staat cultuur voor al die menselijke levensuitingen die niet natuurlijk zijn. Alles dus wat de mens vanuit zijn eigen levensbeleving aan de natuur toevoegt. In deze betekenis volgt men de oorspronkelijke betekenis van de woorden: cultuur is afkomstig van het Latijnse colere, dat “bebouwen” betekent. In die zin spreken landbouwingenieurs van een maïscultuur, antropologen van een veeteeltcultuur en historici van de trechterbekercultuur.

Nu valt er, mijn inziens, wel wat voor aan te voeren om het begrip cultuur ook in de politiek op deze ruimere manier op te vatten.

Cultuur zou dan slaan op de wijze waarop wij leven, hoe we bouwen, hoe we onze ruimte inrichten, hoe we ons geld besteden, hoe de verhouding tussen mannen en vrouwen zich in onze maatschappij ontwikkelt. Enzovoorts, enzovoorts.

Zou het niet wijs zijn om een minister te hebben die ervoor zorgt dat er in onze samenleving ten gronde wordt nagedacht over al die dingen die ik hiervoor heb opgesomd – en nog vele andere?

Niet dàt er niet nagedacht wordt: natuurlijk wel. Maar dat nadenken gebeurt te gefractioneerd, te gespreid, te weinig resultaatgericht. Er zit te weinig orde, structuur en doelgerichtheid in.

Of een minister van cultuur daar moet voor zorgen? Geloof nu niet dat ik plots bekeerd ben tot het geloof in de volstrekte maakbaarheid van de wereld. Dat is niet het geval, al was het maar omdat elke oplossing nieuwe vragen oproept, zodat het proces eigenlijk nooit af is. Doch aan de andere kant is duidelijk dat we leven in een wereld waarin techniek, economie en jacht naar welvaart centrale doelstellingen zijn geworden en ons leven zijn gaan beheersen, in plaats van omgekeerd. Ton Lemaire, de Rijksnederlandse filosoof die zich in de Dordogne heeft gevestigd tussen de natuur en de dieren, maakt er zijn levenswerk van kritiek uit te oefenen op onze westerse maakbaarheidsillusies en, vooral, de idee dat het westers samenlevingsmodel het enige zinvolle is.

Neen: er bestaan andere modellen.

Dat alles neemt evenwel niet weg dat er een beperkte maakbaarheid bestaat. En omdat deze bestaat, is het onze plicht om van die mogelijkheid gebruik te maken om de misstanden, de fouten, de scheve toestanden weg te werken. En omdat de samenleving eigenlijk onze hele menselijke habitus omvat, moet deze samenleving zelf en haar verschijning het voorwerp zijn van intense bevraging. We moeten alles wat we in huis hebben inzetten, opdat die samenleving zo goed mogelijk zou zijn.

 

Hiermee open ik vanzelfsprekend een nieuw hoofdstuk: wat is een goede samenleving?

Als ik kort door de bocht ga zou ik kunnen beweren dat een goede samenleving deze is, waarin wie werkt rijk kan worden. Of nog: een samenleving is goed als ze de persoonlijke mogelijkheden van elk individu zodanige kansen biedt, dat wie de kansen grijpt, materieel goed zit.

Doch: dat is veel te simpel. Immers: waarom wil iemand veel geld bezitten? Ongetwijfeld bestaan er mensen die door een verzamelwoede gedreven worden. Ze putten hun genoegen, hun zelfvertrouwen, hun zelfwaardegevoel uit de omvang van hun financieel patrimonium.

De meeste mensen echter zullen deze doelstelling maar magertjes vinden. Geldbezit dient ook om veiligheid te garanderen, als levensverzekering voor de toekomst, als middel om onder de anderen een voornamere plaats in te nemen, enzovoorts. Sommigen worden door altruïsme bezield en gebruiken een deel van hun overvloedige middelen om goede werken te financieren. Geld dient vele heren.

Door zo te redeneren komen we erop uit dat een goede samenleving veel meer moet zijn dan een maatschappij waarin je rijk kunt worden.

Nationalisten moeten zich op dit punt aangesproken voelen. Nationalisme is immers, zoals ik eerder al schreef, veel meer dan het scheppen van een passende politieke structuur. Nationalisme is op de eerste plaats het scheppen van een warme, veilige thuis in deze grote, geglobaliseerde wereld. Zo kunnen mensen zich goed voelen. En dat goed voelen betekent op de eerste plaats orde op zaken in de wereld van de eigen psychologische en existentiële gevoelens en belevingen. Niet voor niets vroeg Geert Bourgeois, toen hij nog “gewoon” minister was, zich wanhopig af waarom er in Vlaanderen zoveel zelfmoorden voorkomen. Een echt nationalistische vraag!

Ik denk dus dat nationalisten tot taak hebben de definitie van wat een goede samenleving is voldoende open te trekken, opdat die existentiële en psychologische behoeften van mensen voldaan kunnen worden.

Ik nader nu het punt waarop een positie mogelijk wordt tegenover de stelling van Gatz, namelijk dat cultuur tot niets zou dienen.

Ik ga er namelijk, mét Ton Lemaire, van uit dat kunstenaars – ik heb het over échte kunstenaars, die waar je vaak niets over leest, niet de overtalrijke charlatans en windmakers – de taak hebben om de vanzelfsprekendheid waarin we ons dagelijks wentelen te doorbreken. Ze moeten ons laten zien dat je ànders naar de dingen kunt kijken, dat wellicht onze westerse doenwijze zelfs niet eens de beste is. Door aan de samenleving nieuwe, onverwachte gezichten aan te bieden, kan de kunst ons helpen een juister, evenwichtiger beeld te krijgen over onze samenleving als geheel en oplossingen te vinden voor wat verkeerd gaat. Ze kan ons dus bijstaan in onze opdracht om dat beetje maakbaarheid dat we in onze greep hebben, op de best mogelijke manier te bemeesteren. In dat geval is cultuur dus wel nuttig: zij dient wel degelijk tot iets – maar meestal wel niet op de korte termijn.

En dan verschijnt de rol van een ministerie van cultuur.

Dat ministerie moet niet alleen bestaan, het moet ook niet botweg bezuinigen, zoals in Nederland het kabinet-Rutte doet. Dat laatste is een liberale aanpak. Maar zo bezuinigen, dat cultuur toch bijdraagt aan de verbetering van ons bestaan als gemeenschap, dàt past in de nationalistische houding.

NVA moet goed toekijken dat de cultuurpolitiek niet ongemerkt in liberale richting doorschuift.

 

 

Jaak Peeters

Augustus 2014

Individualisering schaadt het collectief niet. (Sylvain Ephimenco)

Ik heb het zinnetje, dat de titel van deze bijdrage vormt, twee keer moeten lezen. Het stond bovenaan een stuk van de bekende Rijksnederlandse columnist Sylvain Ephimenco, dat te lezen stond in Trouw van 27 juli 2014.

Ephimenco, die op het ogenblik van de nationale rouw in zijn land naar aanleiding van de ramp met de Boeing in Oekraïne in Italië zijn vakantie doorbracht, zegt aangenaam verrast te zijn door de waardige manier waarop Nederland de slachtoffers van de raketinslag geëerd heeft.

Dat was in ieder geval beter dan wat in België is gebeurd, waar Philippe Cobourg het niet eens nodig vond zijn bezoek aan Tomorrowland (of zoiets) af te gelasten – hoewel er ook ‘Belgische’ slachtoffers zijn gevallen. En zelfs als dat laatste niet het geval zou zijn geweest, dan zou het een daad van goed nabuurschap zijn geweest om alvast voorlopig niet te opzichtig te feesten.

Het commentaar van Ephimenco heeft mij in ieder geval doen denken. Hoewel hij zelf enkele dagen voordien zijn begrijpelijke boosheid niet had kunnen verbergen, blijken enkele dagen afstandelijke rust en het toekijken op de manier waarop zijn gemeenschap met de rouw en het verdriet om is gegaan, hem tot rustiger en wijzer gedachten te hebben gebracht.

Dat is op zich een verademing midden al het oorlogszuchtige gekrijs en wraakzuchtige getier van leiders die al meteen Poetin tegen de muur spijkerden en hem met sancties overlaadden, lang voor enig onderzoek zelfs maar een idee van de ware of volledige toedracht had kunnen brengen, en nog minder een duidelijke schuldige had kunnen aanwijzen – tenzij hulp verlenen aan volks- of bondgenoten fout is, maar dan zijn vele landen schuldig. Waarom overigens doet me dit onwillekeurig aan Irak denken, waar tot op de huidige dag nog steeds geen massavernietigingswapens werden gevonden? Nochtans was deze beschuldiging de aanleiding op het land binnen te vallen – een inval door een land dat zelf zowat de grootste massa ter wereld aan vernietigingswapens in zijn arsenalen opgestapeld heeft.

Mezelf staat de cynische manier waarop politieke machthebbers misbruik hebben gemaakt van de dood van bijna 300 mensen om te interveniëren in een conflict waar ze kennelijk niets van begrijpen me erg tegen.

Dat in een oorlog vliegtuigen worden neergehaald is van alle tijden – tenminste zolang er vliegtuigen bestaan. Dat het neerhalen van een burgervliegtuig onverdedigbaar is, betwist niemand. Dat het zonder meer roekeloos is om burgertoestellen een oorlogsgebied te laten overvliegen is evident. Dat het hier om ontoelaatbare roekeloosheid gaat is zelfs stuitend evident, omdat we weten dat verschillende vliegtuigmaatschappijen eerder al hun vluchten uit dat gebied hadden verlegd en er al eerder vliegtuigen waren neergeschoten.

In plaats echter van meteen te slingeren met onbewezen beschuldigingen en de vinger naar het Oosten te richten, ware het wijzer geweest om éérst en vooral naar de originele feiten zelf te kijken, om dan wellicht te constateren dat er zonder de hogergenoemde roekeloosheid nooit wat zou zijn gebeurd.

Ik wil Poetin niet verdedigen: dat moet hij maar zelf doen. Maar hij is niet slechter of niet beter dan die andere leiders, als die zich zo voortvarend beschuldigend uiten en daarmee een spanning scheppen die aan oorlogsstokerij doet denken, met name ook vanuit een EU die duidelijk op expansie uit is. Natuurlijk dat Rusland ongerust wordt met een NAVO aan de voordeur! Het is allemaal een beetje ontmoedigend dit te moeten zeggen, net nu we de honderdste verjaardag ‘vieren’ van de Eerste Wereldoorlog.

Velen gaan overigens voorbij aan het feit dat inmiddels zo’n 100 000 Russen uit Oost-Oekraïne naar Rusland zijn vertrokken. Die mensen doen dat niet voor hun plezier. Het is daar echt oorlog en bovendien: in een oorlog gebeuren altijd vreselijke dingen – bij àlle partijen, zoals we inmiddels wel weten. Wat nog meer is: ook de Russen in Oost-Oekraïne hebben hun nationale rechten.

Neen: met wat simpele slogans komen we er echt niet. Den volke wat wijsmaken om het eigen onvermogen om op een evenwichtige manier met de dingen om te gaan te verdoezelen en daarbij bewust sommige aspecten buiten beschouwing te laten: dat noem ik cynisme.

 

Het wordt dan ook tijd dat de balans wat meer in evenwicht raakt en wat minder onderhevig aan propagandistische manipulatie.

Een dergelijke oproep kun je evenwel elk jaar enkele keren herhalen.

Is een dergelijke evenwichtige houding menselijkerwijze wel mogelijk? Worden we niet altijd weer in het emotionele gewoel opgenomen, zodat we zelf telkens weer de greep op onszelf kwijt spelen?

 

Ephimenco heeft het rouwgebeuren aangegrepen om dieper naar de ziel van de mens in Nederland te tasten. Op die manier levert hij zijn eigen bijdrage tot het scheppen van wat meer evenwicht.

Hij doet een opmerkelijke constatering: ondanks het fel toegenomen individualisme – zelf schuwt hij het woord cynisch niet – blijkt Nederland één en ondeelbaar te zijn als een groot onheil toeslaat.

Het is een gedachte die veel verder reikt dan de grenzen van het kleine Rijksnederland. Het heeft van doen met de mentale en psychologische gesteldheid van de hedendaagse westerse mens in het algemeen.

Wanneer we over individualisme spreken, dan krijgen we heel vaak een wat wrange bijsmaak in de mond. Individualisme roept de gedachte aan egoïsme op. En niet zomaar egoïsme, maar een egoïsme van cynische aard.

Men kent het verhaal van de Griekse cynici, met Diogenes op kop. Nadat hij twintig jaar lang in de betere milieus van Athene had rondgehangen nam hij afstand van dat leven en koos voor een leven in simpele goedheid – het woord is van Bertrand Russell. Hij predikte een terugkeer naar de natuur, verwierp persoonlijk eigendom, verwierp instituties als een regering en ging een eenvoudig leven leiden, ‘als van een hond’ – vandaar de naam ‘hondachtige’ of ‘cynicus’.

In onze dagen roept het begrip ‘cynisme’ het idee op van oneerlijkheid en volstrekte onbetrouwbaarheid, ja zelfs van leugenachtigheid. Ja: ik denk hier onder andere aan de Irakkwestie. Cynisch is ook iemand die volgevreten constateert dat zijn buurman honger lijdt en dan vervolgens verklaart dat men in het leven nou eenmaal geluk moet hebben, om dan ongestoord zijn weg te vervolgen. Cynisme achten we verwerpelijk, onmenselijk en hard en niemand houdt ervan cynisch genoemd te worden.

En zo zou de Nederlander, verklaart Ephimenco retorisch, een cynisch mens zijn geworden: egoïstisch, individualistisch en gericht op persoonlijk eigenbelang.

Als dat juist zou zijn, hoe is het dan mogelijk dat Nederland kennelijk diep oprecht één minuut lang gewoon helemaal stilvalt uit respect voor de 300 doden van het neergeschoten vliegtuig?

Inderdaad welt onweerstaanbaar de titel van Ephimenco’s stuk zo op.

 

Maar misschien is dat allemaal toch niet zo verwonderlijk als het lijkt.

Een paar jaar geleden reeds heb ik in deze reeks een stuk geschreven over het historische proces van individualisering. Mijn stelling luidde dat de menselijke bestaanshabitus – althans in West-Europa – doorheen de eeuwen steeds individualistischer is geworden.

In de Middeleeuwen lag dat helemaal anders. Mensen waren toen een deel van een als natuurlijk ervaren orde, door God gegeven en daarom ongenaakbaar. Maar geleidelijk aan, tegelijk met het langzaam doorkomen van de Moderne Tijden – dus zo vanaf de vijftiende eeuw, ongeveer – is stilaan het individu op het toneel verschenen. Op het einde van de achttiende eeuw vierde dat individu zijn grote bevrijding: de Franse Revolutie is de triomf van de individualistische mens.

Vandaag is het individualistische principe niet meer weg te denken. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, opgenomen in de preambules van de Verenigde Naties, legt daar krachtig getuigenis van af.

Maar zo krijgen we tegelijk twee verschillende betekenissen van het begrip ‘individualisme’ voor ons.

De eerste betekenis is de negatieve, haast synoniem met egoïsme en verwijzend naar een totaal gebrek aan belangstelling voor de anderen.

De tweede, naar mijn mening originele betekenis beklemtoont het loskomen van de individuele persoonlijkheid uit de greep van de collectiviteit.

Deze tweede betekenis is het die Ephimenco voor ogen staat, als hij schrijft dat individualisme en collectief besef best samen kunnen gaan.

Ik denk dat de schrijver een punt heeft.

 

Wat betekent immers: loskomen uit de greep van de collectiviteit? Het betekent niets anders dan dat de moderne, hedendaagse mens in staat is om verschillende rollen te spelen – of moet ik zeggen: ‘zijn’? Individualisering zou dan gelijk staan met het vermogen resp. de vrijheid verschillende, van elkaar onderscheiden rollen op te nemen. Een individu speelt doorheen het leven en beurtelings verschillende rollen: die van echtgenoot, vader, moeder, kerkganger, bijzitter in een kiesbureau, werknemer, kantoorhoofd, amateur-tuinier, lid van een duivenbond, lid van de gemeenteraad, lid van een staatsgemeenschap, lid van een volksgemeenschap en ga zo maar door.

Het verschil met de Middeleeuwen zit dan in het feit dat het heen-en-weer springen van de ene rol naar de andere in die tijden veel moeilijker was of zelfs onmogelijk. Individualisering is dus tegelijk losser komen, meer vrijheid maar ook meer verantwoordelijkheid krijgen.

Welnu: Ephimenco heeft gelijk dat dit losser komen staan tegenover de verschillende onderscheiden rollen die een mens doorheen het leven opneemt zijn solidariteit met zijn landgenoten niet hoeft te ondermijnen. De mens neemt immers telkens andere rollen op. Meteen wordt ook solidariteit over de grenzen heen mogelijk, zonder zichzelf op te geven. Vrijheid en verantwoordelijkheid gaan samen.

Die evenwichtige balans, vrij van propagandistische manipulatie, waarover ik het hierboven had, komt hier weer voor de dag. Immers: het is niet het één of het ander, maar het één én het ander, beurtelings, afhankelijk van de omstandigheden van het ogenblik. Zo kan de balans weer in evenwicht. Zonder propaganda.

Van rol verwisselen vergt afstandelijkheid en die is pas mogelijk vanaf een zekere graad van vrij individualisme en vereist, tegelijk en niet minder, het vermogen om binnen elke rol verantwoord te denken en te handelen. Alweer kunnen we propaganda als kiespijn missen. Afstand nemen van de propaganda lijkt dan erg veel op het loskomen van de mens uit zijn Middeleeuwse knellende banden. Dit soort individualisme en vrij en zelfstandig handelen gaan hand in hand.

 

Door dit alles zo te stellen nemen we tegelijk afstand van de maatschappelijke strekkingen die elke vorm van nationale samenhorigheid verwerpen, omdat die een wereldwijde solidariteit in de weg zou staan. Wie dat beweert geeft te kennen geen of alleszins veel te weinig vertrouwen te hebben in de goede krachten in de menselijke natuur en in het vermogen van de normale, modale mens om zowel het één als het ander hoog te achten, dit wil zeggen zich in verschillende rollen correct te gedragen. Deze gedachtegang brengt ons ook terug bij de manier waarop de leiders van oost en west omgaan met de gebeurtenissen in Oost-Oekraïne: de ander valt van geen kanten te vertrouwen en moet daarom onder de knoet gehouden worden.

Dat is echter een oorlogslogica, de logica waarin vele westerse leiders verzeild zijn geraakt. Wie daarin verstrikt geraakt riskeert in een dodelijke spiraal terecht te komen, omdat men aan zijn eigen consequentie verplicht is het goede in de andere te verdonkeremanen en zijn hele gedrag op de gepercipieerde slechtheid van die ander af te stemmen. Als de ander per definitie slecht van inborst is, dan zijn tegenmaatregelen immers absoluut noodzakelijk. Niet praten, overleggen, luisteren naar elkaar – àlle partijen vrijuit hun rol te laten spelen – is dan de boodschap, maar de harde hand, waarbij de ander moet ‘boeten’ – een primitief mechanisme dat door René Girard met zoveel verve bloot werd gelegd. Het is een terugkeer naar de prangende banden van de Middeleeuwen, omdat er een verbod wordt uitgevaardigd om vrijuit verschillende rollen te vervullen: deze van onderzoeker, waarnemer, ethisch denkende mens, bezorgde westerling maar ook even bezorgde aardbewoner.

 

Op een indrukwekkende manier heeft de modale Rijksnederlander ons getoond dat de en-endenken nochtans mogelijk is: je kunt diep meeleven met slachtoffers en toch nationaal denken. Een balans in evenwicht is dus mogelijk. Mensen zijn bij machte om zowel het één als het ander in ogenschouw te nemen en diverse rollen naar behoren spelen. Ze kunnen zowel het individu als de collectiviteit hoog achten, zowel het eigen belang nastreven als oog hebben voor de belangen van anderen en, in het Oekraïense geval, zowel het neerschieten van burgervliegtuigen ten gronde veroordelen en als aandacht te schenken aan de nationale beweegredenen van de Russen in Oost-Oekraïne, zonder te vervallen in primitieve wraakredeneringen – op voorwaarde natuurlijk dat ‘men’ niet knoeit met de informatie, hetgeen het democratisch gehalte van Europa helemààl onder het vriespunt zou brengen. Nederland toont dat we terecht mogen geloven in de goede vermogens in de mens, dat evenwicht mogelijk is en primitieve oorlogslogica niet hoeft.

Nederland spot zodoende met de kortzichtigheid van politieke leiders.

Immers: solidariteit met het collectief kan samengaan met een grotere mate van individualiteit. En waarom zou het collectief te allen tijde tot de eigen natie beperkt moeten blijven? Waarom zou solidariteit niet met àlle gekwetste groepen mogelijk zijn?

Dit is onze hoop voor de vrede: we leveren onszelf, onze identiteit, ons gezin, onze natie niet uit en we vragen evenmin dat iemand anders dat doet. Het enige wat we vragen is de vrijheid en de mogelijkheid achtereenvolgens de rollen op ons te nemen, die bij de omstandigheden passen en almeteen dus te geloven in de positieve krachten in de mens.

 

 

Jaak Peeters

Juli 2014

“Wij zien niet het individu”. Herwaardering van het etnische.

Wij zien niet het individu, niet de staat, maar de gemeenschap als belangrijkste gegeven. Wij zijn niet alleen voor onszelf geboren.

Dit zijn de woorden van Bart De Wever die de redactie van De Morgen op de eerste bladzijde van zijn katern plaatste, de dag van zijn interview met die krant.

Het is, naar mijn aanvoelen, de interessantste uitspraak in deze hatelijke en smerige, maar voor het overige compleet voorspelbare verkiezingscampagne.

Niemand moet De Wever en zijn partij verdedigen: Ze zijn daartoe zelf wel in staat en het is bovendien niet de opdracht van deze artikelenreeks om een partij te verdedigen.

Dat onderwerp kan hier dus achterwege blijven.

De draagwijdte van De Wevers woorden gaat de waan van onmiddellijkheid van een verkiezingscampagne verre te boven.

Ze zijn een programma op zich, maar meer nog vormen ze een visie, of tenminste de uiting daarvan.

 

Het is bekend dat de Verlichting het individu en zijn rechten voorop stelde. De rechten van de burgeres van Olympe De Gouges, de rechten van de mens van Paine – weliswaar geen Fransman, maar wel van dezelfde geest doordrongen: het gaat telkens over individuele rechten. Aan dat menselijke individu komen niet alleen alle rechten toe: datzelfde individu is ook het centrale ijkpunt voor elke vorm van beleid en het centrale doel van dat beleid. Alles, maar dan ook letterlijk alles moest en moet wijken opdat dit centrale doel bereikt zou kunnen worden. Alles wat de mens onderneemt heeft bijgevolg maar één enkel doel: het belang van het menselijk individu.

 

De gaten en ogen in deze opvatting werden al vroeg opgemerkt. Joseph de Maistre – al wel eens een reactionair genoemd, al vind ik die term onrecht aandoen – had wel wat redenen om de Franse Revolutie satanisch te noemen. In de Nederlandse vertaling van diens Considérations sur la France staat de volgende korte passage te lezen: Maar wij, zwakke en blinde mensen, wie zijn wij? En wat is dat flakkerende lichtje dat wij ‘rede’ noemen? Zelfs al hebben wij alle kansen berekend, de geschiedenis aandachtig bestudeerd, en alle twijfels en belangen bediscussieerd, dan nog vermogen wij, in plaats van de waarheid, slechts een bedrieglijke nevel te ontwaren. (blz. 139)

Hier spreekt de wijze mens die tot bescheidenheid oproept. Hij matigt de aanspraken van de revolutionair, die in zijn blinde overmoed met het onkruid tegelijk de goede planten verbrandt en daarmee verder van huis uitkomt dan toen hij aan zijn onderneming begon.

De Maistre vraagt bedachtzaamheid, net zoals Burke, door wie hij erg werd geïnspireerd.

Deze mensen kwamen tot hun inzichten mede door wat zij rondom zich zagen gebeuren: de terreur van het linkse regime in Parijs, de inval en later annexatie van Savooien in 1792, het bloedig neerslaan van de contrarevolutionairen, die eerder de linksen op een bloedige manier uit de macht hadden verdreven. Extremisme roept extremisme van tegengestelde natuur op, zo leerde de Maistre, en de geschiedenis heeft hem nadien helaas vaak gelijk gegeven.

 

Hoe komt het toch dat een land met een zo hoge, oude cultuur plots in de grootste wandaden vervalt die, alles wel beschouwd, zelfs als een voorbeeld voor de latere Nazipraktijken zouden kunnen gezien worden? Er vallen ongetwijfeld historische redenen aan te wijzen waarom terreur en repressie en nadien onbegrensd imperialisme met name in Frankrijk tot voordien ongekende hoogten werden opgezweept.

Doch wellicht is verstandig om veeleer de aandacht te richten op de denkbeelden die onderhuids tot stand waren gekomen in een Frankrijk, dat niet alleen Voltaire en Diderot, maar ook Descartes had voortgebracht, die door velen als de vader van het subjectivisme wordt beschouwd. Zijn verwerking van de dertigjarige oorlog had ertoe bijgedragen dat hij het individuele bewustzijn als uitgangspunt van denken en handelen zag. Het Je pense, donc je suis is niets anders dan het samentrekken van het hele mentale universum in dat éne subjectieve, individuele punt. Een soort geestelijke singulariteit. Alles wat buiten dat individuele bewustzijn valt, wordt dan object. Het is interessant de etymologie van dat laatste woordje even in herinnering te brengen: het komt van het Latijnse obicere, dat ‘voor-werpen’ betekent. Een object ligt daar, voor ons op de grond geworpen, machteloos afwachtend tot wij het oprapen of, zoals in de Franse Revolutie, brutaal vertrappelen.

 

Laten we nu even terugkeren naar de woorden van De Wever. Ik ken hem en zijn gedachtewereld al langer, maar wie hem van op afstand volgt beseft dat hij iemand is met veel meer inhoud dan sommige van zijn critici wel denken.

“Wij zijn niet alleen voor onszelf geboren”. Dat is wellicht het belangrijkste zinnetje uit het citaat. Het is een stelling die regelrecht ingaat tegen het individualisme dat door Descartes werd voorbereid, in de Revolutie werd gepraktiseerd en heden ten dage algemeen verspreid is. Ten gronde zegt De Wever dat niet het individuele subjectieve bewustzijn het ultieme referentiepunt is en zelfs dat dit individuele referentiepunt niet eens echt individueel is. Anders gezegd: dat zogenaamd individuele subject is niet denkbaar zonder tegelijk en onmiddellijk – dus zonder bemiddeling van wat dan ook – daar de omgeving bij te betrekken. Dat individuele subject bestààt dus niet. Wat bestaat is een ervaring van een er-zijn–in-een-omgeving door één centrale, ervarende instantie, die wij het individu noemen.

 

Dat lijken cryptische woorden, maar dat zijn ze helemaal niet.

 

We ervaren ons bestaan niet, zoals de individualisten – revolutionairen en liberalen – dachten en denken, als “het ik tegenover de wereld”. Dat dit zo zou zijn, is interpretatie achteraf, of beter nog: ideologie achteraf. We vermalen de ervaring van ons er-zijn zodanig, dat wij het begrijpen als een contrapositie van een ik tegenover een daartegenover en daarbuiten staande wereld.

Maar dat is, zoals ik zei, interpretatie achteraf.

Je hoort de mensen al eens zeggen tegen iemand die erg ziek is geweest: “je bent er nog!”. Daarmee zeggen ze eigenlijk: je leeft nog. Maar eigenlijk zeggen ze iets meer: je bent nog onder ons. Je bent nog op de wereld. Mensen beleven het “er zijn” als een samen met anderen in de wereld zijn. De allereerste ervaring is dus deze van “in de ons bekende omgeving vertoeven”. Nadien sluipt een element van mogelijke vijandigheid in onze geest binnen. We koppelen aan de ervaring dat we in een bekende omgeving vertoeven het gevoel van een mogelijke dreiging vanuit die omgeving of delen daarvan. We doen dat veelal vanuit de ervaring van het verleden, omdat we geleerd hebben dat uit sommige hoeken inderdaad gevaren kunnen opduiken.

Maar dat is een vertroebeling van de oorspronkelijke ervaring.

 

Psychologen zullen zeggen dat deze emotionele lading meteen al met de ervaring verschijnt, maar dat is niet wat mij hier bezighoudt: het gaat erom in te zien dat de ervaring van het er-zijn en de emotionele lading van sommige elementen uit de omgeving die dit er-zijn kleurt, twee verschillende dingen zijn.

Dat onderscheid is nodig voor een zuivere manier van denken.

Als we namelijk toestaan dat de emotionele verkleuring van ons er-zijn ons enige uitgangspunt is, kunnen we alleen nog maar uitkomen op ideologie en dus op politieke keuzen.

Zo wordt ons gezicht op ons wezenlijke er-zijn echter verduisterd. En zo dreigen allerhande ‘extremistische’ ontsporingen, want er is dan niet langer de wijze correctie die zegt: “je bent er nog!”, wat betekent: “dit is het essentiële: dat je nog op de wereld bent, onder ons.” Precies daar ligt, naar mijn aanvoelen, de grondslag van de waarschuwingen van Burke en de Maistre. Triviaal gezegd: mensen vallen niet te vertrouwen omdat ze overal en altijd hun belang najagen, maar we horen nooit het menselijke samenzijn zelf uit het oog te verliezen.

 

Waarom ik dat allemaal zo zeg?

 

Ik had onlangs een gesprek met mijn moeder. Het mens is hoogbejaard maar nog goed ter tale, zeker als het over de dingen uit haar jeugd gaat.

In dat gesprek sprak zij een zin uit, die me goed is bijgebleven. Telkens ik aan de Ganzenstraat denk, dat zie ik die huizen in die straat, en de mensen die daar woonden. Ik zie Jan van Dictus en An van den Dikke en Door van Jef van ’t Speen. Ik zie de straat, een zandstraat vol stof in de zomer en slijk in de winter en ik zie de weide voor onze deur, met daarin onze Pol, onze pony, waarop ik soms, in de wei en als ik dacht dat niemand het zag, al eens ritje reed.

De Ganzenstraat is de straat waar ze geboren is en haar jeugd heeft doorgebracht.

 

Wat is de ervaring van mijn moeder, zoals ze die hier beschrijft? Zij geeft hier haar ervaring van haar er-zijn weer, in de omgeving zoals die in haar jeugdjaren op haar netvlies gebrand stond. Die ervaring omvat niet een individueel ik, geïsoleerd en los van de rest van de wereld, maar een centraal ervarend ik, dat direct in haar wereld – omgeving – ingeplant staat. Omgeving en ik zijn tegelijk gegeven en kunnen niet van elkaar worden gescheiden. Ik kan me niets voorstellen bij mijn moeder die daar “staat te zijn”, zonder dat tegelijk ook de huizen van An van den Dikke, die wei en de Pol gegeven zijn.

Mijn moeder zou aan die wereld dus niets kunnen veranderen, zonder ook die omgeving te veranderen. Het is allemaal tegelijk, of helemaal niets.

 

En dat brengt ons bij de voorzichtigheid die De Maistre bepleit. Je kunt je gewoon niet opstellen alsof wij los van de wereld rondom ons staan om die wereld dan vervolgens vrijelijk naar onze hand te zetten. Dat gaat helemaal niet als we inzien dat we al te gemakkelijk voorbijgaan aan wat die eerste, originele ervaring van het er-zijn is: namelijk het in-onze-omgeving-staan, “onder ons zijn”, en gelijk toestaan dat emotionele betekenissen die ervaring al meteen beginnen te kleuren. Ons optreden achteraf, dat hierop is gebaseerd, is dan ook gekleurd.

Op zich is deze verkleuring geen ramp en menselijk zelfs onvermijdelijk, maar je moet die verkleuring wel in de gaten houden.

Als dat niet gebeurt voert de combinatie van een subject dat gelooft ongestoord zijn omgeving te kunnen veranderen met de gekleurde ervaring van het er-zijn tot satanische toestanden.

 

Welnu: Wat De Wever in zijn interview uitspreekt is, alles wel beschouwd, een pleidooi om onze eigenlijke ervaring van ons er-zijn-in-onze-omgeving niet te laten ondersneeuwen en politiek te laten doorkinken.

 

Maar er is iets anders, en daar wijst De Wever niet op – wellicht omdat het hem niet gevraagd werd.

 

Mensen als Anthony Smith en Christine Stallaert wijzen er in hun studies over nationalisme en etniciteit op, dat de ervaring van een eigen homeland, een thuisland, een centraal en kenmerkend deel van het etnisch beleven is. Dat homeland is weinig anders dan de wereld, de omgeving waarin men zichzelf geplaatst ziet, op dezelfde manier als mijn moeder haar jeugdherinneringen aanbrengt – het weinige dat verschillend is, is dat de gedachte van een homeland voor een hele gemeenschap wordt toegepast.

Zoals het verhaal van mijn eigen moeder duidelijk maakt leven wij allemaal in ons eigen, kleine homeland. Zoals mijn moeder zichzelf ervaart midden in haar omgeving, vol met huizen, mensen, weiden en paarden, zo ervaart ieder van ons zijn er-zijn als een geworpen zijn in een omgeving, die we helemaal niet zelf hebben gemaakt, maar waar we wel onverbrekelijk mee verbonden zijn. Zoals hoger gezegd is het zelfs niet denkbaar dat we ons daaruit mentaal zouden kunnen isoleren. We zouden niets zijn, als we dat zouden kunnen, we zouden “leeg” en inhoudsloos zijn en dus geen identiteit hebben. Als we aan onszelf denken, denken we onmiddellijk ook aan de omgeving waarin we verkeren. We zijn heus niet voor onszelf alleen geboren. We worden geboren in een wereld waarin we ingroeien en waarmee we vergroeien.

 

Laat dat homeland nu de kern van het etnisch ervaren zijn. Mensen ervaren de omgeving waarin ze geboren zijn en opgegroeid als intrinsiek met henzelf verbonden. Ze horen in die omgeving thuis en het andere zal altijd enigszins vreemd blijven – een onoplosbaar probleem voor dromers van een kosmopolitische wereld.

 

Trek de ervaring van mijn moeder – iedereen kan zo’n ervaring voor zichzelf wel oprakelen – eens door?

Door van Jef van ’t Speen was getrouwd met een zus van Fons Bens, wiens eerste vrouw, bij wie hij twee kinderen had, vroeg overleden is. Fons hertrouwde met Anna Aerts, dochter van een buurman, en met haar had hij nog vier kinderen. Zijn oudste is dan getrouwd met iemand van over de vaart en is bij haar huwelijk bij haar schoonouders gaan inwonen, waar ze meehielp in de boerderij, terwijl haar echtgenoot naar de fabriek ging werken.

Je ziet op deze manier zo een hele gemeenschap verschijnen, als een groot spinnenweb aan elkaar hangend, bestaande uit individuele mensen, die in hun ervaring van hun er-zijn hun kleine eigen omgeving onmiddellijk mee ervaren en samen delen.

 

Dit is mijn aanvoelen: er loopt een strakke lijn van de erkenning van de wezenlijk diepe sociale aard van mensen naar de erkenning van een etnische beleving in het bestaan in een gemeenschap.

En ik zie rondom mij dat diegenen die het individualisme onder al zijn vormen prediken, van revolutionairen tot liberalen, tegelijk de oorlog aan de etniciteit hebben verklaard.

Het wordt duidelijk waarom deze verbanden zo liggen.

 

Op deze ideeën bouw ik mijn standpunt dat het verketteren van de etnische gedachte, zoals men die tegenwoordig overal pleegt uit te voeren, verwerpelijk is en bestreden moet worden.

Hetgeen nog niet zeggen wil dat we er niet alles aan moeten doen om vele, vele dingen te verbeteren. En die dingen: dat betreft meteen de hele gemeenschap, het hele spinnenweb van hierboven. Ook de sukkelaars, want die maken deel uit van het spinnenweb. En ook het open oog voor voortijdige verkleuring van de werkelijkheidservaring waar Burke en de Maistre voor waarschuwden.

 

Ik geef het toe: het is puur toeval. Maar in de Groene Amsterdammer van 24 april 2014 stond te lezen dat de talentenjacht die nu overal ter wereld gaande is onder grote bedrijven, deze laatste vaak niet verder helpt. Het blijkt dat niet de individuele talenten een organisatie sterk maken, maar veeleer het omgekeerde: precies in een goed functionerende organisatie ontwikkelen talenten zich het best. He individu komt dus niet eerst. De ongemakkelijke waarheid is dat die analyse ook wel eens kan gelden voor landen, dixit De Groene.

Dat betekent dat landen die volgens het gemeenschapsprincipe zijn georganiseerd het niet alleen beter kunnen doen, maar ook voor het individuele lot beter uitpakken. Opnieuw wordt het alomtegenwoordige individualisme door de mangel gehaald.

Socialisten zouden naar mijn smaak in déze gedachtewereld nieuwe inspiratie moeten puren.

Dat zou hen in plaats van tegenstanders net de grootste voorstanders van gemeenschapsdenken maken – zeg maar van nationalisme en etniciteit. Overigens zijn vele nationalismen in de wereld links.

Als ze hun vooroordelen en oude, inmiddels versleten taboes achterwege laten en de oude ideeën op de schop leggen, is een ander, hedendaags socialisme mogelijk.

Noem dat nu een conservatief socialisme.

Een interessante combinatie toch?

 

Jaak Peeters

Mei 2014

 

 

Grenzeloos cynisme

Dezer dagen zijn we getuige van een heuse orgie van machtsdenken. Wie de gebeurtenissen in Kiev heeft gevolgd, kan moeilijk anders dan walgen van het volkje dat Europa van zijn burgers en volken heeft overgenomen. Oekraïne bevindt zich ongetwijfeld in een moeilijk periode van zijn geschiedenis. Bovendien moet het land zich nog altijd losmaken uit de oude Russische overheersing. Zulks loopt niet over een leien dakje en het gaat met schokken gepaard.

Men zou nu denken dat een EU, die in haar ‘verdrag’ toch de democratische principes heeft ingeschreven en zegt bezorgd te zijn om de mensenrechten, haar invloed zou aanwenden om de Oekraïners rond te tafel te brengen en hen ertoe zou aanzetten om samen en onder elkaar voor hun problemen een oplossing te zoeken.

In werkelijkheid zien we echter een brutale inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van een soevereine buitenlandse staat. Maandenlang heeft de EU, dixit De Morgen op 24/2/2014, de Oekraïense oppositie “aangemoedigd”. Als men weet dat diezelfde Oekraïense oppositie in belangrijke mate eurofiel is en er belangrijke stromingen zijn die aansturen op een aansluiting bij de EU, dan wordt het plaatje meteen duidelijk. De EU stookt in Oekraïne, draagt er bewust, wetens en willens, toe bij om het land nog meer overhoop te zetten, in de hoop dat land in zijn eigen machtsimperium in te lijven. Waarom zouden we niet mogen zeggen dat sommigen van die toch wel curieus uitgeruste ‘betogers’ die we op TV aan het werk zagen in werkelijkheid agenten van de EU zijn?

Franse agenten hebben de Belgische revolutie van 1830 in elkaar gestoken en gestuurd. Amerikaanse agenten zijn in het buitenland zo vaak ‘tussengekomen’ om regimes die hen niet welgevallig waren ten val te brengen.

De EU is dus niets anders. Het is een cenakel waarin de oude machtspolitiek wordt bedreven. Machtspolitiek zoals die al duizenden jaren door alle heersers en potentaten wordt bedreven.

Naar buiten uit uitbreiding van hun territorium. Naar binnenuit consolidatie van hun macht.

Hoe anders is uit te leggen dat op korte tijd zowel de Schotten als de Catalanen en de Vlamingen de boodschap hebben gekregen dat ze er niet op moeten rekenen lid van de EU te worden, als ze zichzelf onafhankelijk verklaren?

Kan iemand het verschil van deze EU-houding met die van de oude grote mogendheden aanwijzen?

Er is veel erger.

De EU draait er haar hand niet voor om hele volken in de miserie te duwen, zoals de Grieken ondervonden hebben. Als de Grieken de euro hadden kunnen opgeven, zouden ze kunnen hebben devalueren en intussen tijd winnen om in eigen huis orde op zaken te stellen. Ook dat is oude praktijk.

Maar zelfs die tijd wordt hen niet gegund. De Grieken moesten op de knieën. Ze moesten herstructureren, hier en nu, ongeacht de sociale gevolgen daarvan. Ziedaar het sociale beleid van de EU. Geen mens begrijpt wat de socialisten in die EU gezien hebben….

En nog is het niet gedaan.

De EU-bonzen weten best dat er in België zoiets als een taalgrens bestaat. Die taalgrens raakt hun kouwe kleren echter niet: ze vegen er lustig hun laarzen aan. Ik zou wel een willen weten hoeveel eurocraten in de winkels in Grimbergen hun brood in het Nederlands bestellen. Heel bewust dus helpt Europa de Vlaamse randgemeenten verfransen.

En als dat alles was!

Van Rompuy, die zichzelf ‘president’ van Europa laat noemen – hoewel hij nooit gekozen werd – verklaarde nog onlangs, bij de viering van de val van de muur in Berlijn, dat de mobiliteit in de EU niet groot genoeg is. Slechts twee tot drie procent van de burgers in een lidstaat zijn tegelijk burger van een andere lidstaat. Volgens Van Rompuy, die econoom is en dus best weet dat sociale dumping het gevolg is van die EU-mobiliteit, moeten er dus in Vlaanderen nog meer Roemenen en Bulgaren in het straatbeeld verschijnen. De EU wil de volken door elkaar mengen om hun nationaal volksbesef te vervagen en opening te kunnen maken voor een Europees nationaal besef.

Tegelijk fulmineren die EU-bonzen tegen ‘het nationalisme’, waarmee natuurlijk het nationalisme zoals dat van de Vlamingen wordt bedoeld. Zij waarschuwen niet alleen voor de ‘gevolgen van nationalisme’, maar ook voor vreemdelingenhaat en racisme.

Je moet niet slim zien om dat gestook van de EU-bonzen te doorzien. Wie een beetje de geschiedenis kent ziet een perfecte herhaling ervan. Naar buitenuit altijd maar expansie, met alle daartoe ter beschikking staande middelen. Naar binnen datgene wat sommigen nation building noemen: homogenisering en opstuwen van een Europees nationaal gevoel.

Imperialisme van het zuiverste water.

Met een cynisme dat werkelijk onvergelijkelijk is, gieten ze over hun imperialisme nog een vals moreel sausje heen.

De volken van Europa worden op de meest cynische wijze door eurocratië bedrogen.

De partijen die op 25 mei een eurofiele positie innemen hebben ons heel wat uit te leggen.

Jaak Peeters

Feb 2014

Verkiezingsstunt?

Econoom Paul De Grauwe publiceerde zopas een boek, waarin hij volgens de kranten denkt te kunnen bewijzen dat Vlaanderen niet beter werd van de opeenvolgende staatshervormingen.

“Beter” blijkt voor hem “rijker”, hetgeen erg betwistbaar is, want economische groei kan in de politiek echt niet de enige doelstelling zijn. Er zijn mensen die goede gronden denken te hebben om de economische groei aan milieubehoud op te offeren.

Misschien begrijp ik er allemaal geen barst van, maar een hoop vragen rijzen toch op.

De groei nam in Vlaanderen dus niet merkbaar toe tijdens al die staatshervormingen. Kan het aan de internationale conjunctuur hebben gelegen, die de enigszins gespecialiseerde Vlaamse economie sterker trof?

Soms groeide Wallonië zelfs meer dan Vlaanderen. Wallonië zou volgens hem bij die staatshervormingen dus meer voordeel hebben gehad dan Vlaanderen. Mooi toch? Als de Walen voordeel hebben bij staatshervormingen, waar wachten we dan op? Als het voor ons niet schaadt en het de Walen baat, waarom zouden we het die mensen dan niet gunnen en meteen doorstoten tot het eindpunt?

Dat Vlaanderen in de periode dat de staatshervormingen plaats vonden niet méér groeide dan Wallonië bewijst op zich evenwel niets. Zonder die staatshervormingen was Vlaanderen misschien zelfs achteruit gegaan.

De echte vraag zou moeten luiden: is Vlaanderen in die periode van staatshervormingen beter vooruitgegaan dan de landen in onze omgeving die in een vergelijkbare situatie en conjunctuur zitten? En àls dat het geval is, ligt dat dan aan die staatshervormingen, of is dat het gevolg van nog andere factoren? Want hoe bewijs je de samenhang van staatshervormingen en economische groei?

Er is dus maar één methode om enig bewijs aan te voeren dat staatshervormingen er economisch toe doen: nl. door te vergelijken met een ander land zoals België, maar waar die hervormingen niet plaats vinden. Dat land moet zich in een vergelijkbare situatie bevinden. Als staatshervormingen er toe doen, moet de groei in Vlaanderen hoger zijn dan in de deelgebieden van dat andere land.

Die vergelijking kan De Grauwe niet maken, want zo’n tweede België bestaat er niet.

Zodoende kan De Grauwe dan dus ook niet bewijzen dat de staatshervormingen schade aanrichtten. Want dàt zou pas een argument tegen de staatshervormingen kunnen zijn.

Het enige wat De Grauwe ons weet te vertellen is dus dat hij geen wiskundig verband ziet tussen de staatshervormingen en de economische groei. Al vraagt een mens zich af hoe die twee te vergelijken vallen, aangezien staatshervormingen in belangrijke mate ook àndere doelen dan economische nastreven.

Maar misschien doen staatshervormingen er gewoon nooit toe en is de structuur van een staat onbelangrijk voor de economie. Er is vermoedelijk niemand die dat gelooft, waarschijnlijk ook De Grauwe zelf niet.

Maar onderstel dus dat een staatsstructuur er economisch niet zou toe doen, bijvoorbeeld omdat de economie te internationaal zou zijn, wat belet ons dan om er voluit mee door te gaan? Waarom zouden we België dan niet gewoon afschaffen? Er zijn immers nog steeds de transfers van Vlaanderen naar Wallonië. De cijfers verschillen naargelang de bron. Waalse studies spraken enkele jaren geleden over 6,7 miljard per jaar. Sommige Vlaamse bronnen hebben het over 12 miljard. Laat ons het houden op een compromis: 9 miljard.

Als België verdwijnt, komen dus op termijn 9 miljard ter beschikking. Wat zouden we daar al niet mee kunnen doen!

Bovendien besparen we gelijk een hoop geld en misschien – wie weet – kunnen we met Rijksnederland een hoop dingen samen en dus goedkoper doen.

De Grauwes boek kan dus net zo goed bezien worden als een pleidooi tégen het voortbestaan van België.

De transfers kosten de modale Vlaamse belastingbetaler zowat 2200 eur per jaar. De Grauwe beweert nu dat Vlaanderen helemaal niet door Wallonië afgeremd wordt. Wil hij nu zeggen dat een systematisch verlies van 2200 eur per belastingbetaler en per jaar er niet toe doet? Dan verwacht ik toch wel wat meer uitleg, want 2200 is meer dan wat een gemiddeld werknemer per maand netto incasseert. En àls Vlaanderen dan toch niet door Wallonië wordt afgeremd, volgt daar dan uit dat wij ons zelfbeschikkingsrecht moeten opgeven?

Dan is er een volgend punt: staatshervormingen moeten degelijk zijn. Dat zijn ze in België niet. Van de 5 resoluties van het Vlaams parlement is er één verwezenlijkt. Die mensen die deze resoluties hebben opgesteld wisten best wat ze deden: die 5 resoluties hangen samen. Afzonderlijk betekenen ze niets. Voorbeeld: als Vlaanderen fiscale bevoegdheden heeft, moet het ook de controle daarop kunnen uitoefenen en behoeft het dus een eigen Hoog Gerechtshof, want ergens moet er een ultieme uitspraak mogelijk zijn. Dat Vlaanderen dus bij die Belgische staatshervormingen niet meteen een zichtbaar voordeel heeft in vergelijking met Wallonië zou dus wel eens in de lijn van de verwachtingen kunnen liggen, al moet ook dat onderzocht worden.

Johan van Overtvelt zei dat de staatshervormingen veel te gebrekkig zijn om economisch effect te kunnen hebben. Om economisch effect te hebben, moet je bijv. de loonlasten kunnen beïnvloeden. Maar die bevoegdheid blijft onverkort Belgisch! De Grauwes boek ondersteunt dus de positie van N-VA, waarvoor die partij best wel dank zal zeggen.

Voorts is er de vraag of de Vlaamse regeringen wel doeltreffend gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheden die de staatshervormingen boden. Misschien heeft men in Wallonië de hand beter aan de ploeg geslagen. Met als opmerking dat dit laatste wel erg gemakkelijk is, als je vanuit het buitenland elk jaar een smak geld toegeworpen krijgt…

Tenslotte nog dit: als Vlaanderen noch Wallonië voordeel doen met de opeenvolgende staatshervormingen, bewijst zulks dan ook de meerwaarde van de staat België?

Het is mogelijk dat de kranten die het bericht brachten, de plank volkomen misslaan en de boodschap van de Grauwe totaal mismaakt aan hun publiek voorschotelen.

Maar als we niet kwaadaardig doen dreigt dit boek, dat heel toevallig net voor het congres van NVA verschijnt, bezien te moeten worden als een verkiezingsstunt…

De Grauwe is te verstandig om niet in te zien dat hij een berg vragen moet beantwoorden, omdat zijn argumentatie anders aan alle kanten rammelt en hij moet weten dat hij sommige vragen zelfs niet eens kàn beantwoorden. Het is mogelijk dat zijn boek op sommige vragen een antwoord geeft en dat is dat op zich nog maar eens een sneer in de richting van onze media. Die hebben er dan voor de zoveelste keer nog maar eens een potje van gemaakt. Of ze gebruiken De Grauwe in het kader van hun eigen verkiezingsengagement. Het zou niemand verbazen.

Jammer zou het namelijk zijn dat een man van dat kaliber zich voor de kar van reactionaire krachten zou laten spannen. En dus zou bereid zijn de suggereren dat al dat gehervorm de schop op moet en we terug moeten naar het oude unitaire België.

Jaak Peeters

Januari 14

Op zoek naar zichzelf

Dezer dagen congresseert de SPA, de socialistische partij van Vlaanderen. Het is meteen al het tweede congres van deze partij op één jaar tijd. Dat is opmerkelijk, want een partij die het nodig heeft om binnen één jaar twee keer te congresseren, kan niet langer ontkennen dat ze een levensgroot existentieel probleem heeft.

En ondanks dit gecongresseer lijkt het er nog steeds niet op dat de Vlaamse socialisten zichzelf hebben teruggevonden. Het is zelfs de vraag of deze zoektocht niet hopeloos te laat komt.

In een zichzelf hoogachtend weekblad, waarvan ik hier om fatsoensredenen de naam niet vermeld, verklaarde de grote ideoloog van de SPA, Carl Devos, dat deze partij de morele plicht heeft weer bij het gewone volk aansluiting te vinden.

Volgens de geleerde politoloog uit Gent is de SPA teveel een bestuurderspartij geworden, die haar eigen ideologische “fond” is kwijt geraakt. Ze is vervreemd van haar eigen achterban, zeg maar, en , meer nog: van haar eigen bestaansreden. Daarom pleit Devos ervoor om out of the box te gaan denken.

Ik moet zeggen dat bij dergelijk gegoochel met Engelse termen mijn wantrouwen tot op de grootste hoogten wordt opgevoerd. Wie immers stelt dat er “out of the box” moet worden gedacht, geeft meteen te kennen dat het van geen kanten goed zit met zijn gekoesterd object.

Het is niet de eerste keer dat Devos zin partijgenoten oproept om eens écht en diep na te denken. Enkele maanden geleden pleitte hij er zelfs voor om de naam te laten vallen: “ de SPA moet op de schop”, liet hij optekenen. Toen verklaarde deze geleerde heer dat de SPA naar zijn smaak veel te defensief optreedt en het hele gebied van de solidariteit en gelijkheid met veel meer durf en enthousiasme voor zichzelf moet verdedigen. De linkerzijde, verklaart Devos, is te veel versnipperd over een SPA, PVDA en Groen. Voor de enen te links, voor de anderen te rechts, lijkt de SPA wel geplet te worden en meteen naar de tweede linie gespeeld door partijen als CD&V en N-VA.

Tja: zo’n analyse is geen kattenpis.

Ze komt neer op het neersabelen van het partijbeleid tijdens het laatste decennium.

Ze is de erkenning dat de SPA gewoonweg met de verkeerde dingen bezig is geweest.

Oh ja: de SPA werd geplaagd – zo zegt men dat – door een wel héél lange rij schandalen. Iemand heeft zich eens geamuseerd met het oplijsten van deze schandalen. Wie de man of vrouw die deze oefening deed concreet is, weet ik niet, maar hij of zij kwam aan het ronde getal van 150 schandalen en schandaaltjes sinds 1973.

Persoonlijk vind ik een aantal items uit deze lijst nogal wat bij de haren getrokken: het lijkt erop dat de auteur alles uit de kast heeft gehaald om het ronde getal van 150 te bereiken. 150 klinkt immers veel indrukwekkender dan 50 of 70. Sommige van deze schandalen hebben niets met het socialistische karakter van de deugnieten te maken. Onterecht onkosten inbrengen komt overal voor, en niet alleen in politieke partijen. Medewerkers in het zwart betalen is inderdaad asociaal, maar niet specifiek socialistisch. Een kabinet verbouwen voor een te hoge prijs is onfatsoenlijk, maar gebeurt helaas wel vaker en niet alleen in de openbare sector.

Maar er zijn wel een aantal dingen gebeurd die echt niet hadden mogen geschieden. De Agusta-affaire was er zo een. De fraudereeks in Charleroi is een ander. Guy Mathots parcours was niet altijd even kosjer. De benoeming door Onckelinx van bepaalde allochtone figuren tegen het dringende advies van de Staatsveiligheid in, kàn niet, evenmin als het exclusief toewijzen van allerlei juridische overheidsopdrachten aan een “verwante” van een socialistisch minister. En dan is er het lege Zilverfonds – al is die zaak voorzeker niet uitsluitend voor rekening van de SPA. En de gedragswijze van “de Keizer van Oostende” geeft ook al kwalijke geuren af.

Die lijst is natuurlijk te lang.

Op dezelfde manier als het onafgebroken onderling vechten van kopstukken van het Vlaams Blok deze partij onnoemelijk veel stemmen heeft gekost, heeft de veel te lange rij schandalen vele sociaaldenkende mensen ertoe gebracht de SPA de rug toe te keren.

Ik weet echt niet of “out of the box”- denken zal volstaan om deze mensen terug te winnen.

Naar mijn oordeel zit het probleem van de SPA overigens veel dieper.

De partij wordt verweten alles en nog wat door staat en overheid te willen regelen. Daartoe is eindeloze controle nodig. Een deel van de linkerzijde heeft het kennelijk moeilijk met het aanvaarden van het feit dat de meeste mensen wel degelijk positieve impulsen tonen. Het lijkt er sterk op dat dit deel van de linkerzijde de modale mens niet vertrouwt en zich daarom verplicht ziet om de samenleving met hele resems controlemechanismen te overladen.

Ik begrijp niet zo goed dat een verstandig man als Carl Devos op dit punt niet door wil boren. Immers: wie de samenleving bombardeert met controlesystemen, bouwt op een structurele manier het wantrouwen in. Achterdocht wordt een centrale drijfveer van het politiek beleid en een onuitwisbare kleur van het onderlinge menselijke verkeer. In die omstandigheden pleiten voor solidariteit en voor warmte in de samenleving, lijkt op z’n zachtst contradictorisch.

Niettemin is er voor links wel degelijk een groot werkterrein weggelegd.

Vooraf moet het begrip “links” dan goed worden gedefinieerd. Ik volg hier de definitie van Ludo Abicht: links wil emancipatie.

Zoals bekend komt dit laatste begrip voort uit de Romeinse praktijk, waar het betekende dat de familievader zijn zoon officieel “ontvoogde”, waarna vader en zoon voortaan dus op dezelfde maatschappelijke hoogte stonden.

De gelijkheid waarover Devos spreekt moet dus niet zijn gericht op de nivellering, de gelijkschakeling naar onderen, zoals de socialistische praktijk al te veel is, maar op het optrekken naar het hoogst mogelijke niveau van iedereen die daar rijp voor is. Bij de Romeinen werd niet iedere zoon op dezelfde leeftijd ontvoogd: de familievader oordeelde of zijn zoon daartoe rijp was geworden. Gelijkheid kan namelijk ook worden gevonden in het optrekken van iedereen tot op het hoogste niveau, ongeacht zijn afkomst.

Een tweede element in de term emancipatie dat beklemtoning verdient, heeft te maken met het afleggen van de uitsluitend materiële dimensie van emancipatie. Kortweg: wie niet op elk terrein van het menselijk er-zijn ontvoogd is, is niet ontvoogd. Socialisten zijn al te lang opgesloten geweest in de zorgelijkheden om de materiële kansen van hun publiek. Emancipatie stond gelijk met politiek burgerschap en vervolgens met sociaal-economische positie.

Doch dat is maar een klein deel van het verhaal.

Mensen zijn namelijk existentiële wezens. Ze leven voornamelijk in een wereld van geestelijke betekenissen. Mensen strijden voor ideeën net zo goed als voor materieel voordeel. Een typisch – en meteen pijnlijk – voorbeeld zijn de godsdienstoorlogen, zoals er thans een woedt in Syrië. Miljoenen zijn gevallen voor de illusies die hen door hun geestelijke leiders werden voorgespiegeld.

Een ander voorbeeld is de hedendaagse golf van zelfmoorden. Hoeveel procent van de zelfmoorden zou het gevolg zijn van financiële problemen? Iedereen kent het antwoord, weliswaar niet cijfermatig: de overgrote meerderheid van de zelfmoorden vindt plaats omdat men “het niet meer ziet zitten”: vanwege de zinloosheid van het bestaan. Enkele jaren geleden verscheen van Edwin Ysebaert een boekje, dat naar mijn gevoel veel te weinig aandacht kreeg: “Wij, Vlamingen zijn eenzame mensen”. Als er één zaak duidelijk is na het lezen van dit boekje, is het wel dat zelfmoorden veelal nauwelijks wat met geldzaken vandoen hebben.

De zorgen van de hedendaagse mens liggen dus helemaal niet op het materiële vlak. De menselijke emancipatie moet zich dus voortaan in een andere richting bewegen.

Het socialisme heeft op dit punt de boot gemist.

Nationalisten weten dit maar al te goed, want groot is het verlangen bij vele nationalisten om sociaal denkende mensen in hun rangen te verwelkomen. Eidoch: die komen niet. Die zitten opgesloten in hun materialistisch verhaal. Alsof culturele en nationale ontvoogding niet ook emancipatie zijn.

In zekere zin zijn nationalisten daarom betere socialisten dan de SPA zelf.

Nochtans is er, alweer, stof genoeg.

Ik heb in deze reeks eerder al uitgehaald naar het economistische denken in de zorgsector. Sedert de privatisering verspreidt deze ziekte zich sneller dan ooit. Verpleegkundigen en zorgverstrekkers worden beschouwd als “kosten”. Op hen moet bespaard worden, want anders versmalt de winstmarge van het ziekenhuisbedrijf te zeer. Een ziekenhuis is een bedrijf geworden, dat, zoals onlangs met rusthuizen is gebeurd, door buitenlandse groepen kan worden opgekocht.

Niemand schijnt het perverse karakter van dergelijke manipulaties in de gaten te hebben. Ziekenhuizen worden namelijk door de Sociale Zekerheid betaald, dit is: door de belastingbetaler. Door ziekenhuizen te privatiseren en daarmee in handen van buitenlandse kapitaalgroepen te spelen, scheppen we de mogelijkheid dat diezelfde buitenlandse kapitaalgroepen zichzelf verrijken met ons zuurverdiende belastingsgeld. Kan iemand hiervoor een aanvaardbare argumentatie bedenken?

De hele golf van privatisering is er mede op aanstoken van de EU gekomen, die zelf beheerst wordt door liberaal-kapitalistische principes.

Omdat ze uitgaan van het belang van de hele volksgemeenschap is voor nationalisten de zaak duidelijk: een maatschappij moet opkomen en zorg dragen voor haar kinderen, zieken, ouden van dagen. Als ze dat niet doet, is ze ziek. Zwaar ziek. Ze moet dus tenminste het beheer over zorginstellingen voor zich houden.

Nu kan ik over dat liberalisme kort zijn.

Het liberalisme is bedrieglijk en verdraait de feiten.

Liberaal-kapitalisten halen altijd weer Adam Smith van de stal. Diens “onzichtbare hand” zou, bij terugtreding van de overheid, ervoor zorgen dat de dingen in de samenleving uiteindelijk in hun beste plooi vallen.

Dat is niet alleen niet waar, zoals de negentiende eeuw ten onzent en de schrijnende sociale misstanden in landen als Bangladesh vandaag laten zien. Het is ook maar één kant van het verhaal. Smith hééft inderdaad zijn fameuze “Wealth of Nations” geschreven. Maar hij heeft ook nog àndere boeken geschreven, waarin hij met name en met grote klem pleit voor een streng optreden met het oog op sociale rechtvaardigheid. Ik zie liberalen nooit naar deze laatste geschriften verwijzen.

Een andere figuur is John Locke, die verklaarde dat zoveel land als iemand bewerkt en bewint door hem als zijn eigendom mag worden beschouwd.

Vissers weten wat hier bedoeld wordt: wie aan de waterkant een visplaats bouwt, heeft het recht om die plaats ook nadien te gebruiken. Juristen hebben daar een term voor. Maar dat betekent helemaal niet dat de visser in kwestie deze plek ook “bezit”, zoals Locke beweert. Meer nog: de gronden waarover Locke spreekt waren niets anders dan de weidegronden voor de buffels van de Noord-Amerikaanse Indianen. Het ging er dus niet om deze gronden “te bewerken en te bewinnen”, want ze waren al in gebruik. Ze werden aan de Indianen met gebruik van valse methoden ontnomen.

Het hedendaagse liberaal-kapitalisme heeft zich nooit aan deze oneerlijke grondslagen kunnen onttrekken. Het blijft daarom doordesemend van onoprechtheid in het najagen van persoonlijk gewin.

Heel terecht is hiertegen het socialisme opgestaan, slechts schoorvoetend – en dan nog veel later – hierin door het katholicisme bijgetreden.

Socialisten zouden dus trots moeten zijn – het tegendeel dus van de huidige onzekerheid en onrust over de eigen bestaansreden waarvan Devos gewag maakt.

Het is een historisch gelukkige ontwikkeling dat de proletarische massa waarover Engels en Marx het hadden verdwenen is. Ze heeft plaats gemaakt voor een min of meer gegoede burgerij. Maar ook die burgerij is het slachtoffer van de malversaties van het moderne liberaal-kapitalisme, dat zelf ontspruit aan de eeuwige menselijke drang naar macht en bezit en dus nooit definitief verslagen zal zijn.

Als de heer Devos dus verklaart dat de SPA aansluiting moet zoeken bij het gewone volk, dan gaat het om deze middenklasse, die inmiddels gevormd wordt door artsen, advocaten, leraren, kleine ondernemers, goed betaalde arbeiders, vertegenwoordigers, bedienden en leidinggevenden in bedrijven.

Wat voor de SPA het ergst van al is, is dat dit terrein thans al stevig bezet is, en wel door N-VA en CD&V, die met elkaar strijden om de suprematie op precies dit terrein van deze middenklasse die Devos dus voor zijn SPA wil reserveren.

Dat de SPA op zoek is naar zichzelf is duidelijk.

Als ze deze zoektocht met succes wil afronden, zal ze nog heel vaak moeten congresseren. Want, voor zover ik kan zien, strijden de nationalisten voor de allereerste keer voluit en met gelijke wapens op het sociaal-economisch terrein, waar niemand tot voor kort voor hen een plaats had toebedacht.

Voor de SPA zou het dus wel eens definitief te laat kunnen wezen.

Jaak Peeters

December 2013