Eindeloos torent een afzichtelijke gigantische macht hoog boven ons uit…

Ik zie dan voor me een ontelbare massa van in alle opzichten gelijke mensen, die heel egocentrisch bezig zijn met het rusteloos najagen van de onbeduidende, burgerlijke genoegens waarop zij hun hart hebben gezet. Ieder op zichzelf genomen vormt een eigen wereldje waarbuiten het lot van de anderen zich voltrekt. Zijn gezin en zijn kennissen betekenen voor hem de mensheid, want ofschoon hij zich beweegt onder zijn medemensen, neemt hij ze nauwelijks waar. Hij is met hen in voortdurende aanraking zonder dat zij hoegenaamd iets voor hem betekenen.(…) Boven al deze egocentrische individuen torent een enorm bevoogdend machtsapparaat als enige instantie die hun welzijn garandeert en hen van de wieg tot het graf begeleidt. Het is allesomvattend, voorziet en regelt alles tot in details en wel met fluwelen handschoenen.

En elders:

De overheid zal een net spannen van ingewikkelde, gedetailleerde en eenvormige verordeningen waardoor zelfs de meest originele en wilskrachtige geesten zullen worden gelijkgeschakeld.

Deze citaten komen uit Alexis De Tocqueville (1805 -1859) in zijn Democratie in Amerika.

Ieder zou deze citaten uit het hoofd moeten leren, want anders dan De Tocqueville meende, vinden we dit bevoogdend machtsapparaat niet zozeer in Amerika, doch vooral in ons eigenste Europa, dat zelfs zijn laarzen aan de VN-resoluties veegt, zoals in de Catalaanse kwestie is gebleken.

Wie opgegroeid is en gevormd als bewust mens die tracht zelfstandig te denken en die zichzelf onafgebroken bijschoolt door lezing en zelfstudie, voelt als vanzelf het verzet in zich opborrelen. Onrecht en onoprechtheid, bedrieglijke listigheid en allerlei valsheid schreeuwen om verzet.

Jong en zonder ervaring werpt men zich in het gewoel, vastbesloten om het verzet vol te houden tot de tijden keren. Wie jong is koestert zich immers in de illusie dat er na slechte betere tijden komen, omdat men wil blijven geloven in de goede krachten in de mens.

Niet zozeer materiële toestanden roepen verzet op, al is op dit punt voorzeker niet alles in orde.

Veel erger, veel ingrijpender, veel snijdender zijn de aanslagen op de eerbaarheid en de integriteit van mensen, welke vorm deze aanslagen ook mogen aannemen. Daarbij vergeleken zijn materiële misstanden weliswaar erg, doch minder stekend – tenzij ze precies de uiting zijn van misprijzen voor de waardigheid van de mens.

Zoals Multatuli gelezen wilden worden, zo wil de in een democratische geest gevormde mens gehoord worden. Hij schruwelt als hij dingen leest zoals: interessant, doch niet relevant. Dixit niettemin H. van Rompuy, door sommigen nog steeds met een waas van onaantastbare heiligheid omgeven. Was Lucifer ooit niet ook een engel?

Om die relevantie: daar gaat het om.

Doch ouder geworden en in besef dat de krachteloosheid uiteindelijk onvermijdelijk is, dringt heel scherp zich onverbiddelijk het besef op dat het verzet dat men zolang heeft geboden vrijwel vruchteloos blijkt te zijn geweest. De strijd die men zovele jaren lang met vuur heeft gestreden lijkt op niets uit te lopen. Het lijkt allemaal zinloos. Of men vraagt zich verwoed af of men z’n hele leven lang niet de verkeerde tegenstander heeft bestreden en het werkelijk gevaarlijke beest ongemoeid heeft gelaten.

Gaandeweg, naarmate men ouder wordt, ervaart men dat het net zich steeds verder sluit. Heel deskundig worden alle gaten dichtgeplamuurd. De pers, die plaats bij uitstek waar het verzet vorm zou kunnen krijgen, komt in de handen van dezelfden die mee de touwen van het net aantrekken. Waar de kranten voorheen vrije stukken opnamen, wordt dit voorrecht thans alleen nog toegemeten aan een kleine schare gelukkigen, waarvan nochtans verwacht wordt dat ze uiteindelijk binnen de lijntjes blijven kleuren, zodat het systeem zelf geen gevaar loopt. Waar tot voor kort mensen hun hart konden luchten in lezersrubrieken, zijn deze nu afgeschaft. Omdat het modereren ervan te duur is, omdat er teveel onzin in staat of er teveel gescheld in voorkomt of nog: omdat het altijd weer dezelfden zijn. Niet relevant.

Vervolgens worden we verondersteld aan verkiezingen deel te nemen. Dat lijkt dan de laatste uitwijkplaats voor een mens die, doortrokken van de geest van de democratie, tenminste de hoop koestert enige invloed te kunnen doen gelden opdat de wereld waarvoor hij zijn hart vasthoudt alvast nog een tijdlang buitengaats zou kunnen worden gehouden.

Maar ook hier weer geldt de afschuwelijke uitspraak van van Rompuy: interessant, doch niet relevant.  De staatsregeringen waarvan wij zoveel verwachtten zijn niet langer relevant. De laatste wijkplaats waar de democraat zich kon op terugtrekken, werd hem ontnomen.

Blijft alleen nog een  afzichtelijke gigantische macht die eindeloos hoog boven de bewuste modale mens uittorent. De wereld van George Orwell, diens Big Brother, neemt nu onweerstaanbaar plaats in onze wereld en weldra stellig ook in onze geesten. Een machtig conglomeraat van een zich eindeloos ver verheven wanende politieke elite en een duister kluwen van economische machten, waarvan de kracht ieders verbeelding ontglipt: ziedaar waartegen het verzet moet gericht worden.

Verzet is nooit zinloos. Albert Camus putte er de zin van het leven uit in een wereld die voorts veeleer absurd is en zijn positie verdient wel meer dan gewone aandacht. In het verzet toont zich namelijk de bewuste, democratisch handelende de burger, de burger die door Hannah Arendt zo lyrisch werd beschreven.

Dit is de geest waarin ik recent een kort werkje heb geschreven onder de titel: De valse belofte. De ondertitel luidt: Waarom de burger de EU niet vertrouwt.

Maar net zo goed had ik kunnen schrijven: waarom de EU de burger niet vertrouwt, want die EU blijkt gebouwd op het wantrouwen tegenover die burger en tegenover de positieve krachten in die burger. Zodoende werkt de EU driftig mee aan het dichtpappen van alle uitwegen die de democraat mogelijks zouden kunnen resten om zijn verzet vorm te geven.

Het boekje (77 blz.) kan verkregen worden bij Uitgeverij Polemos en kost 12,5 eur. Ofwel bij de auteur, dit laatste door storting van 14 eur. (portkosten inbegrepen) op rekening BE97 4132 0628 9149, met vermelding van naam en adres.

De Valse Belofte (Jaak Peeters)

Jaak Peeters

Okt. 2017

Advertenties

Een aaneenrijging van trauma’s

De westerling beseft niet hoezeer hij opgenomen is in een geschiedenis die je kunt omschrijven als een aaneenrijging van traumatische ervaringen.

Ongewoon is zulks in het menselijk leven niet. Opgroeien is op zich een aaneenrijging van kleine trauma’s, die je vervolgens te boven leert komen. Freuds – wetenschappelijk betwistbaar – Oedipoescomplex illustreert dit evenzeer.

Ook een collectiviteit moet met zijn historische trauma’s leren omgaan en ze te boven komen. Zoiets als de Hegeliaanse Aufhebung. Zoniet verziekelijkt de samenleving.

In mijn boek De worsteling met de moderniteit heb ik beschreven hoe de trauma’s van de godsdienstoorlogen de geschiedenis van het denken over mens en maatschappij in Europa grondig hebben ge- of misvormd.

Elke generatie die getuige is van afschuwelijke gebeurtenissen wil nadien maar één ding: alles in het werk stellen opdat zulke gruwelen zich nooit meer zouden herhalen.

In het boek van Dirk Rochtus, van Reich tot Republik, beschrijft de auteur hoe de vernietiging van de oude Pruisische geest zowat het hoofdoogmerk was van de zegevierende geallieerden in 1945. De toenmalige DDR deed er nog een schepje bovenop door zoveel mogelijk alle tekenen van het oude, “valse” bewustzijn uit te wissen. Zo sloopte het communistisch regime van de DDR de oude Garnisonskirche, een architectonisch waardevol bouwwerk. De monumentale toren van bijna 90 meter beheerste het stadsbeeld. Dat was niet naar de zin van de communisten, want hij riep constant de herinnering op aan de tijden dat de religie de geesten van de mensen beheerste.

Later wilde een Stichting die oude Garnizonskirche heropbouwen. Onmiddellijk kwamen actiegroepen tegen dit plan in verzet. Die bedoelde kerk was namelijk exact de plaats waar de nieuwe rijkskanselier Adolf Hitler met geveinsde eerbied het hoofd boog voor de grijze rijkspresident en Pruisische topofficier Hindenburg.

De Kirche mocht dan een architecturaal meesterwerk zijn: ze herinnerde volgens actiegroepen te veel aan het nationaalsocialisme. Omdat die geschiedenis daarvan zo snel mogelijk moest worden uitgewist en vergeten, was het heropbouwen van die kerk dus geen optie. Dat ze daarmee precies hetzelfde deden als de communistische DDR ontging hen kennelijk.

Maar ook hier weer wordt duidelijk hoezeer de trauma’s uit het verleden de geesten van latere generaties in bezit blijven houden. Dat kerkgebouw draagt immers geen enkele schuld: ze is slechts een stenen massa zonder geheugen. Maar de mensen geven er een betekenis en een belang aan. En belangrijk is wat in het verleden tot traumatische ervaringen heeft geleid.

Onlangs stond in een Vlaamse krant een vraaggesprek te lezen met Frans Timmermans, de EU-bons die door sommige kwatongen als Baas Ganzendonck betiteld wordt. De EU is voor hem nodig om twee redenen.

Ten eerste om de economieën van Europa dichter bij elkaar te brengen. Deze gelijkschakelingsmythologie kan hier even onbesproken blijven, behalve deze opmerking: rechtvaardigheid ook moet betekenen dat wie hard werkt, de vruchten mag plukken.

Maar zijn tweede reden is weer eens heel verhelderend. Voor Timmermans rijst tegenwoordig alweer het grote gevaar van het nationalisme op. Hoewel hij dat, naar algemene gewoonte, niet nader definieert, is het duidelijk dat hij het nationalisme bedoelt dat hij in de periode 1933 -1945 meent te hebben gezien.

Alweer dus bepalen historische frustraties en trauma’s de agenda van de mensen van vandaag.

Zoals ik in mijn De Valse Belofte *heb geconstateerd, is hier sprake van een negatieve motivatie. Een Europa dat gemaakt wordt om sommige toestanden uit het verleden – hoe erg op zich ook – in de toekomst te voorkomen, is fundamenteel een negatief project. Zulke negatieve projecten zijn nooit een lang leven beschoren. Ze blijven maar gemotiveerd zolang de herinnering aan de gruwelen voldoende levendig is. Nadien verliezen ze hun motivatie of slaan zelfs om in hun tegendeel. En ze komen het verleden nooit écht te boven.

Alleen positieve projecten, die iets nieuws tot stand willen brengen, kunnen generaties lang doorwerken.

Een dergelijk fenomeen doet zich in het Verre Oosten voor: daar zit men ongeduldig op de toekomst te wachten. In West-Europa vecht men nog steeds tegen de demonen uit het verleden.

De Chinezen worden voortgetrokken door de toekomst. West-Europa wordt voortgeduwd door het verleden.

Jaak Peeters

11 oktober 2017

* De valse belofte verschijnt op 15 oktober ’17 bij  Uitgeverij Polemos.

Hallo, Vlaanderen?

Enkele jaren geleden wist Catherine Moerkerke ons op VTM te vertellen dat de zoveelste IJzerwake had plaatsgevonden. Ze vertelde erbij dat die IJzerwake een radicale afscheuring was van de IJzerbedevaart, bewerkstelligd door mensen van extreemrechtse signatuur.

Of ze die uitleg overeenstemde met haar eigen overtuiging, dan wel of ze die tekst gewoon voorlas, weet ik niet.

Ik weet in ieder geval dat het vanaf de jaren negentig van vorige eeuw op de IJzervlakte serieus rommelde. Er waren, naar verluidt, mensen in het IJzerbedevaartcomité die de jaarlijkse IJzerbedevaart wilden ‘moderniseren’. De Stem van Suid-Afrika moest verdwijnen, wegens de vermeende verwijzing naar de apartheid – een vroege oprisping van politiek correct denken – en het Wilhelmus hoorde eigenlijk ook niet langer. Ook de erg geladen woorden Nooit meer oorlog, godsvrede en zelfbestuur moesten er voor de nieuwlichters aan geloven.

Daar stonden mensen tegenover die vonden dat je de handen moet afhouden van erfenissen waaraan niet alleen veel symboliek kleeft, maar ook veel bloed, zweet en tranen – in het geval van de IJzerbedevaart letterlijk.

Waarom die modernisering er moest komen is ons nooit goed uitgelegd, tenzij de melding dat de IJzerbedevaarten minder volk begonnen te trekken. Nieuwlichters dachten dat door het aanpassen en vooral verzachten van de boodschap de jaarlijkse bedevaarten weer meer aanwezigen zouden lokken.

Zelf zou ik geneigd zijn eerder het omgekeerde te denken.

De discussies tussen beide kampen liepen uit op een scheuring, die uitmondde in het ontstaan van de IJzerwake. Die bestaat inmiddels al 16 jaar, terwijl de Bedevaart zelf ter ziele is gegaan.

Omdat ik niet houd van ruzies onder mensen die samen voor één ideaal zouden moeten staan, heb ik, zoals zovele anderen, verschillende jaren Diksmuide gelaten voor wat het is. Ik beken dat ik bij de aanvang zelfs enige boosheid voelde tegenover de initiatiefnemers van de Wake.

Doch het bloed kruipt waar het niet gaan kan en dit jaar ben ik, voor de eerste keer, naar de IJzerwake gegaan.

Mijn conclusie? Die is samen te vatten in één simpele vraag: “waar zitten die andere Vlamingen?”

Want voor zover ik kan oordelen is de IJzerwake niets anders dan de voortzetting van de traditie van de IJzerbedevaarten uit de tijd dat er nog geen openlijke ruzie was. Het monument van de Van Raemdonckgebroeders is bescheiden, vergeleken met de wat trotserige 80-meter hoge IJzertoren. En de plechtigheid zelve vindt weliswaar plaats op het grondgebied van de gemeente Diksmuide, maar dan wel tussen de weiden en velden, ver van het centrum van Diksmuide. D’ er valt daar niks te beleven. Dat is zowat het énige verschil met de IJzerbedevaarten van vroeger: je kunt na afloop geen glas bier gaan drinken in één van de cafés aan de oever van de IJzer.

Voor het overige: dezelfde kraampjes, dezelfde colportage, dezelfde eucharistieviering, dezelfde spreekbeurten, hetzelfde stramien, dezelfde schreeuw om vrede en dezelfde uithaal naar de dwaasheid van de oorlog. En dezelfde oproep voor Vlaanderens vrijheid. Alles onder dezelfde oude slagwoorden: nooit meer oorlog, godsvrede, zelfbestuur. En ook, ja hoor: een bede aan de politiek om de identiteit van Vlaanderen in stand te houden en de dringende vraag om onze politieke zelfstandigheid niet helemaal door de Europese Unie te laten opvreten.

Wat daar extreemrechts aan is, is mij een volstrekt raadsel. Als de IJzerwake opgezet is door mensen die door de tegenpartij extreemrechts worden genoemd, dan hebben ze zich die dag in alle geval niet extreemrechts gedragen.

Daarom is mijn vraag: waar zit dat goedmenend Vlaanderen? Waarom blijft het afwezig op een plechtigheid die slechts in naam van de geroemde IJzerbedevaarten verschilt?

Als de IJzerwake volgens sommigen extreemrechts is, dan ligt dat voor alles aan de afwezigheid van Vlamingen die niet extreemrechts genoemd willen worden.

Niet aan de initiatiefnemers van de IJzerwake.

Jaak Peeters

Open brief aan Marino Keulen

Mijnheer Keulen,

Via de krant vernemen we dat u het niet eens bent met de eis van minister Homans om lieden die een sociale woning toegeschoven krijgen, met aandrang te verzoeken Nederlands te leren.

Dat te eisen zou, volgens u, aanschurken tegen ongrondwettelijkheid.

Onder het voorbehoud van de juistheid van het krantenbericht – de betrouwbaarheid van de pers is de laatste jaren pijlsnel gedaald – en dus aangenomen dat u zoiets inderdaad gesteld hebt, rijst bij mij de vraag wat uw ware bedoelingen zijn.

Het schijnt u te ontgaan dat de ervaren voorrang, ook al is die laatste beperkt, die pas ingekomen vreemdelingen krijgen bij het verwerven van een sociale woning, bij de bestaande bevolking veel kwaad bloed zet.

Kom me niet vertellen dat die bestaande bevolking het mis heeft.

Ten eerste betekent democratie wat het betekent: de bevolking beslist over de grote lijnen die het politieke beleid moet volgen. Zulks weg te zeggen als ‘populisme’, zoals sommige windmakers inmiddels volgens de nieuwe mode gewoon zijn geworden te doen, is niet alleen beledigend. Het is ook fundamenteel in tegenspraak met de grondprincipes van een democratische samenleving.

Als bijgevolg velen wrange gevoelens hebben omdat hun eigen kinderen moeten opschuiven bij het verwerven van een sociale woning ten voordele van nieuwkomers uit het buitenland, dan hoort men die kritiek niet weg te lachen of met allerhande sofismen te lijf te gaan. Dan hoort men integendeel te onderzoeken of er toch niet wat aan de hand is. En of het eisen dat van lieden, die een soms stuitende voorkeursbehandeling krijgen, tenminste die minimale tegenprestatie mag verwacht worden – namelijk de landstaal te leren – niet bijzonder redelijk is.

Ten tweede, meneer Keulen,  zijn er onder die bestaande bevolking intussen vele, vele duizenden ingeburgerden. Dat zijn lieden die uit zichzelf wél de moeite namen om Nederlands te leren en die, als tegenprestatie vanwege de autochtonen, door deze laatsten nu als volwaardige medeburgers aanvaard werden.

Door nu botweg de taalkennisvereiste weg te willen strepen, geeft u al die ingeburgerden een heuse kaakslag. U geeft hen het idee dat ze zich nodeloos in het zweet hebben gewerkt en dat andere, nieuwe vreemdelingen, een gunstiger regime mogen verwachten dan zij zelf.

Hoe u zulks met het principe van de gelijkheid van de burgers kunt rijmen, is alvast mij een raadsel.

Dat u ‘ongrondwettelijkheid’ aanvoert, is derhalve hoogst vreemd.

Als die ongrondwettelijkheid inderdaad van toepassing zou zijn, zou zulks betekenen dat deze grondwet het een regering onmogelijk maakt om werk te maken van sociale cohesie en van maatschappelijke samenhang. Een dergelijke grondwet is contraproductief. Meer zelfs: ze is ronduit schadelijk en moet dus verdwijnen.

Uw houding is in ieder geval kwetsend zowel voor autochtonen als voor mensen, die de moeite namen om zich te integreren.

Een en ander, mijnheer Keulen, roept bij de vraag op wat u en uw partij in de Vlaamse regering komt uitrichten?

Uw partij is wiskundig overbodig. De twee andere regeringspartijen hebben samen een meerderheid. Waarom is uw partij dan in die regering ingebroken? Wat zijn de afspraken en vooral: welke drukkingsmiddelen – ik gebruik het woord ‘chantage’ met opzet voorlopig niet –  heeft uw partij gebruikt om deze inbraak te forceren?

Als ik nu zie dat u gedrag vertoont dat naar sabotage neigt, begin ik me steeds scherpere vragen te stellen. Eigenlijk moet ik zelfs gaan hopen dat de krant uw woorden verkeerd heeft weergegeven. Dat zou de last om uitleg te verschaffen bij de pers leggen.

Het is dus de hoogste tijd om duidelijkheid te verschaffen over de ware doelstellingen van VLD in de Vlaamse regering.

Het is niet minister Homans die wat uit te leggen heeft, maar wel degelijk uw eigen partij.


Hoogachtend,

Jaak Peeters

Publicist

 

N-VA boer: let op uw cultuur’ganzen’!

Zopas lanceerde de nieuwe lieveling van de media, de fotogenieke liberale minister van cultuur, Sven Gatz, zijn nieuwe quote: cultuur dient eigenlijk tot niets. Tenminste: zo luidde de titel van zijn interview in De Tijd.

Gatz, die zich kennelijk tot het liberalisme heeft laten bekeren maar wel een volksunieverleden heeft, moet aanvoelen dat deze uitspraak van hem voor heel wat kritiek vatbaar is.

Nu is Gatz niet van gisteren. Meesterlijk verzorgt hij zijn persoonlijke PR, meet zichzelf een eigen, no-nonsense, directe maar tegelijk soepele stijl aan, op zo’n manier bovendien dat je moeilijk op hem boos kunt worden.

Een sympathieke knul, zoals men dat zegt.

Ik weet dus echt niet of zijn uitspraak dat cultuur tot niets dient, naar de woorden moet worden genomen of nog eens, zoals wel vaker, een lapsus is met de bedoeling de aandacht te trekken.

Laat ons uitgaan van de onderstelling dat hij meende wat hij zei: “cultuur dient eigenlijk tot niets”.

Dan is de eerste vraag natuurlijk wat de nieuwe minister onder cultuur verstaat. Nu is die vraag niet moeilijk te beantwoorden. Cultuur is voor hem niets anders dat wat al zijn voorgangers daaronder ook al verstonden: kunsten, theater, muziek en dat soort toestanden. Van Hoge Cultuur tot, laat ik in het geval van Gatz maar aannemen, populaire cultuur. Van Bach en Stravinsky tot De Kreuners en de plaatselijke toneelbond De Kromme Sigaar.

Op die definitie van cultuur valt echter heel wat af te dingen. In de psychologie en de antropologie wordt het begrip cultuur namelijk veel ruimer omschreven. Vaak staat cultuur voor al die menselijke levensuitingen die niet natuurlijk zijn. Alles dus wat de mens vanuit zijn eigen levensbeleving aan de natuur toevoegt. In deze betekenis volgt men de oorspronkelijke betekenis van de woorden: cultuur is afkomstig van het Latijnse colere, dat “bebouwen” betekent. In die zin spreken landbouwingenieurs van een maïscultuur, antropologen van een veeteeltcultuur en historici van de trechterbekercultuur.

Nu valt er, mijn inziens, wel wat voor aan te voeren om het begrip cultuur ook in de politiek op deze ruimere manier op te vatten.

Cultuur zou dan slaan op de wijze waarop wij leven, hoe we bouwen, hoe we onze ruimte inrichten, hoe we ons geld besteden, hoe de verhouding tussen mannen en vrouwen zich in onze maatschappij ontwikkelt. Enzovoorts, enzovoorts.

Zou het niet wijs zijn om een minister te hebben die ervoor zorgt dat er in onze samenleving ten gronde wordt nagedacht over al die dingen die ik hiervoor heb opgesomd – en nog vele andere?

Niet dàt er niet nagedacht wordt: natuurlijk wel. Maar dat nadenken gebeurt te gefractioneerd, te gespreid, te weinig resultaatgericht. Er zit te weinig orde, structuur en doelgerichtheid in.

Of een minister van cultuur daar moet voor zorgen? Geloof nu niet dat ik plots bekeerd ben tot het geloof in de volstrekte maakbaarheid van de wereld. Dat is niet het geval, al was het maar omdat elke oplossing nieuwe vragen oproept, zodat het proces eigenlijk nooit af is. Doch aan de andere kant is duidelijk dat we leven in een wereld waarin techniek, economie en jacht naar welvaart centrale doelstellingen zijn geworden en ons leven zijn gaan beheersen, in plaats van omgekeerd. Ton Lemaire, de Rijksnederlandse filosoof die zich in de Dordogne heeft gevestigd tussen de natuur en de dieren, maakt er zijn levenswerk van kritiek uit te oefenen op onze westerse maakbaarheidsillusies en, vooral, de idee dat het westers samenlevingsmodel het enige zinvolle is.

Neen: er bestaan andere modellen.

Dat alles neemt evenwel niet weg dat er een beperkte maakbaarheid bestaat. En omdat deze bestaat, is het onze plicht om van die mogelijkheid gebruik te maken om de misstanden, de fouten, de scheve toestanden weg te werken. En omdat de samenleving eigenlijk onze hele menselijke habitus omvat, moet deze samenleving zelf en haar verschijning het voorwerp zijn van intense bevraging. We moeten alles wat we in huis hebben inzetten, opdat die samenleving zo goed mogelijk zou zijn.

 

Hiermee open ik vanzelfsprekend een nieuw hoofdstuk: wat is een goede samenleving?

Als ik kort door de bocht ga zou ik kunnen beweren dat een goede samenleving deze is, waarin wie werkt rijk kan worden. Of nog: een samenleving is goed als ze de persoonlijke mogelijkheden van elk individu zodanige kansen biedt, dat wie de kansen grijpt, materieel goed zit.

Doch: dat is veel te simpel. Immers: waarom wil iemand veel geld bezitten? Ongetwijfeld bestaan er mensen die door een verzamelwoede gedreven worden. Ze putten hun genoegen, hun zelfvertrouwen, hun zelfwaardegevoel uit de omvang van hun financieel patrimonium.

De meeste mensen echter zullen deze doelstelling maar magertjes vinden. Geldbezit dient ook om veiligheid te garanderen, als levensverzekering voor de toekomst, als middel om onder de anderen een voornamere plaats in te nemen, enzovoorts. Sommigen worden door altruïsme bezield en gebruiken een deel van hun overvloedige middelen om goede werken te financieren. Geld dient vele heren.

Door zo te redeneren komen we erop uit dat een goede samenleving veel meer moet zijn dan een maatschappij waarin je rijk kunt worden.

Nationalisten moeten zich op dit punt aangesproken voelen. Nationalisme is immers, zoals ik eerder al schreef, veel meer dan het scheppen van een passende politieke structuur. Nationalisme is op de eerste plaats het scheppen van een warme, veilige thuis in deze grote, geglobaliseerde wereld. Zo kunnen mensen zich goed voelen. En dat goed voelen betekent op de eerste plaats orde op zaken in de wereld van de eigen psychologische en existentiële gevoelens en belevingen. Niet voor niets vroeg Geert Bourgeois, toen hij nog “gewoon” minister was, zich wanhopig af waarom er in Vlaanderen zoveel zelfmoorden voorkomen. Een echt nationalistische vraag!

Ik denk dus dat nationalisten tot taak hebben de definitie van wat een goede samenleving is voldoende open te trekken, opdat die existentiële en psychologische behoeften van mensen voldaan kunnen worden.

Ik nader nu het punt waarop een positie mogelijk wordt tegenover de stelling van Gatz, namelijk dat cultuur tot niets zou dienen.

Ik ga er namelijk, mét Ton Lemaire, van uit dat kunstenaars – ik heb het over échte kunstenaars, die waar je vaak niets over leest, niet de overtalrijke charlatans en windmakers – de taak hebben om de vanzelfsprekendheid waarin we ons dagelijks wentelen te doorbreken. Ze moeten ons laten zien dat je ànders naar de dingen kunt kijken, dat wellicht onze westerse doenwijze zelfs niet eens de beste is. Door aan de samenleving nieuwe, onverwachte gezichten aan te bieden, kan de kunst ons helpen een juister, evenwichtiger beeld te krijgen over onze samenleving als geheel en oplossingen te vinden voor wat verkeerd gaat. Ze kan ons dus bijstaan in onze opdracht om dat beetje maakbaarheid dat we in onze greep hebben, op de best mogelijke manier te bemeesteren. In dat geval is cultuur dus wel nuttig: zij dient wel degelijk tot iets – maar meestal wel niet op de korte termijn.

En dan verschijnt de rol van een ministerie van cultuur.

Dat ministerie moet niet alleen bestaan, het moet ook niet botweg bezuinigen, zoals in Nederland het kabinet-Rutte doet. Dat laatste is een liberale aanpak. Maar zo bezuinigen, dat cultuur toch bijdraagt aan de verbetering van ons bestaan als gemeenschap, dàt past in de nationalistische houding.

NVA moet goed toekijken dat de cultuurpolitiek niet ongemerkt in liberale richting doorschuift.

 

 

Jaak Peeters

Augustus 2014

Individualisering schaadt het collectief niet. (Sylvain Ephimenco)

Ik heb het zinnetje, dat de titel van deze bijdrage vormt, twee keer moeten lezen. Het stond bovenaan een stuk van de bekende Rijksnederlandse columnist Sylvain Ephimenco, dat te lezen stond in Trouw van 27 juli 2014.

Ephimenco, die op het ogenblik van de nationale rouw in zijn land naar aanleiding van de ramp met de Boeing in Oekraïne in Italië zijn vakantie doorbracht, zegt aangenaam verrast te zijn door de waardige manier waarop Nederland de slachtoffers van de raketinslag geëerd heeft.

Dat was in ieder geval beter dan wat in België is gebeurd, waar Philippe Cobourg het niet eens nodig vond zijn bezoek aan Tomorrowland (of zoiets) af te gelasten – hoewel er ook ‘Belgische’ slachtoffers zijn gevallen. En zelfs als dat laatste niet het geval zou zijn geweest, dan zou het een daad van goed nabuurschap zijn geweest om alvast voorlopig niet te opzichtig te feesten.

Het commentaar van Ephimenco heeft mij in ieder geval doen denken. Hoewel hij zelf enkele dagen voordien zijn begrijpelijke boosheid niet had kunnen verbergen, blijken enkele dagen afstandelijke rust en het toekijken op de manier waarop zijn gemeenschap met de rouw en het verdriet om is gegaan, hem tot rustiger en wijzer gedachten te hebben gebracht.

Dat is op zich een verademing midden al het oorlogszuchtige gekrijs en wraakzuchtige getier van leiders die al meteen Poetin tegen de muur spijkerden en hem met sancties overlaadden, lang voor enig onderzoek zelfs maar een idee van de ware of volledige toedracht had kunnen brengen, en nog minder een duidelijke schuldige had kunnen aanwijzen – tenzij hulp verlenen aan volks- of bondgenoten fout is, maar dan zijn vele landen schuldig. Waarom overigens doet me dit onwillekeurig aan Irak denken, waar tot op de huidige dag nog steeds geen massavernietigingswapens werden gevonden? Nochtans was deze beschuldiging de aanleiding op het land binnen te vallen – een inval door een land dat zelf zowat de grootste massa ter wereld aan vernietigingswapens in zijn arsenalen opgestapeld heeft.

Mezelf staat de cynische manier waarop politieke machthebbers misbruik hebben gemaakt van de dood van bijna 300 mensen om te interveniëren in een conflict waar ze kennelijk niets van begrijpen me erg tegen.

Dat in een oorlog vliegtuigen worden neergehaald is van alle tijden – tenminste zolang er vliegtuigen bestaan. Dat het neerhalen van een burgervliegtuig onverdedigbaar is, betwist niemand. Dat het zonder meer roekeloos is om burgertoestellen een oorlogsgebied te laten overvliegen is evident. Dat het hier om ontoelaatbare roekeloosheid gaat is zelfs stuitend evident, omdat we weten dat verschillende vliegtuigmaatschappijen eerder al hun vluchten uit dat gebied hadden verlegd en er al eerder vliegtuigen waren neergeschoten.

In plaats echter van meteen te slingeren met onbewezen beschuldigingen en de vinger naar het Oosten te richten, ware het wijzer geweest om éérst en vooral naar de originele feiten zelf te kijken, om dan wellicht te constateren dat er zonder de hogergenoemde roekeloosheid nooit wat zou zijn gebeurd.

Ik wil Poetin niet verdedigen: dat moet hij maar zelf doen. Maar hij is niet slechter of niet beter dan die andere leiders, als die zich zo voortvarend beschuldigend uiten en daarmee een spanning scheppen die aan oorlogsstokerij doet denken, met name ook vanuit een EU die duidelijk op expansie uit is. Natuurlijk dat Rusland ongerust wordt met een NAVO aan de voordeur! Het is allemaal een beetje ontmoedigend dit te moeten zeggen, net nu we de honderdste verjaardag ‘vieren’ van de Eerste Wereldoorlog.

Velen gaan overigens voorbij aan het feit dat inmiddels zo’n 100 000 Russen uit Oost-Oekraïne naar Rusland zijn vertrokken. Die mensen doen dat niet voor hun plezier. Het is daar echt oorlog en bovendien: in een oorlog gebeuren altijd vreselijke dingen – bij àlle partijen, zoals we inmiddels wel weten. Wat nog meer is: ook de Russen in Oost-Oekraïne hebben hun nationale rechten.

Neen: met wat simpele slogans komen we er echt niet. Den volke wat wijsmaken om het eigen onvermogen om op een evenwichtige manier met de dingen om te gaan te verdoezelen en daarbij bewust sommige aspecten buiten beschouwing te laten: dat noem ik cynisme.

 

Het wordt dan ook tijd dat de balans wat meer in evenwicht raakt en wat minder onderhevig aan propagandistische manipulatie.

Een dergelijke oproep kun je evenwel elk jaar enkele keren herhalen.

Is een dergelijke evenwichtige houding menselijkerwijze wel mogelijk? Worden we niet altijd weer in het emotionele gewoel opgenomen, zodat we zelf telkens weer de greep op onszelf kwijt spelen?

 

Ephimenco heeft het rouwgebeuren aangegrepen om dieper naar de ziel van de mens in Nederland te tasten. Op die manier levert hij zijn eigen bijdrage tot het scheppen van wat meer evenwicht.

Hij doet een opmerkelijke constatering: ondanks het fel toegenomen individualisme – zelf schuwt hij het woord cynisch niet – blijkt Nederland één en ondeelbaar te zijn als een groot onheil toeslaat.

Het is een gedachte die veel verder reikt dan de grenzen van het kleine Rijksnederland. Het heeft van doen met de mentale en psychologische gesteldheid van de hedendaagse westerse mens in het algemeen.

Wanneer we over individualisme spreken, dan krijgen we heel vaak een wat wrange bijsmaak in de mond. Individualisme roept de gedachte aan egoïsme op. En niet zomaar egoïsme, maar een egoïsme van cynische aard.

Men kent het verhaal van de Griekse cynici, met Diogenes op kop. Nadat hij twintig jaar lang in de betere milieus van Athene had rondgehangen nam hij afstand van dat leven en koos voor een leven in simpele goedheid – het woord is van Bertrand Russell. Hij predikte een terugkeer naar de natuur, verwierp persoonlijk eigendom, verwierp instituties als een regering en ging een eenvoudig leven leiden, ‘als van een hond’ – vandaar de naam ‘hondachtige’ of ‘cynicus’.

In onze dagen roept het begrip ‘cynisme’ het idee op van oneerlijkheid en volstrekte onbetrouwbaarheid, ja zelfs van leugenachtigheid. Ja: ik denk hier onder andere aan de Irakkwestie. Cynisch is ook iemand die volgevreten constateert dat zijn buurman honger lijdt en dan vervolgens verklaart dat men in het leven nou eenmaal geluk moet hebben, om dan ongestoord zijn weg te vervolgen. Cynisme achten we verwerpelijk, onmenselijk en hard en niemand houdt ervan cynisch genoemd te worden.

En zo zou de Nederlander, verklaart Ephimenco retorisch, een cynisch mens zijn geworden: egoïstisch, individualistisch en gericht op persoonlijk eigenbelang.

Als dat juist zou zijn, hoe is het dan mogelijk dat Nederland kennelijk diep oprecht één minuut lang gewoon helemaal stilvalt uit respect voor de 300 doden van het neergeschoten vliegtuig?

Inderdaad welt onweerstaanbaar de titel van Ephimenco’s stuk zo op.

 

Maar misschien is dat allemaal toch niet zo verwonderlijk als het lijkt.

Een paar jaar geleden reeds heb ik in deze reeks een stuk geschreven over het historische proces van individualisering. Mijn stelling luidde dat de menselijke bestaanshabitus – althans in West-Europa – doorheen de eeuwen steeds individualistischer is geworden.

In de Middeleeuwen lag dat helemaal anders. Mensen waren toen een deel van een als natuurlijk ervaren orde, door God gegeven en daarom ongenaakbaar. Maar geleidelijk aan, tegelijk met het langzaam doorkomen van de Moderne Tijden – dus zo vanaf de vijftiende eeuw, ongeveer – is stilaan het individu op het toneel verschenen. Op het einde van de achttiende eeuw vierde dat individu zijn grote bevrijding: de Franse Revolutie is de triomf van de individualistische mens.

Vandaag is het individualistische principe niet meer weg te denken. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, opgenomen in de preambules van de Verenigde Naties, legt daar krachtig getuigenis van af.

Maar zo krijgen we tegelijk twee verschillende betekenissen van het begrip ‘individualisme’ voor ons.

De eerste betekenis is de negatieve, haast synoniem met egoïsme en verwijzend naar een totaal gebrek aan belangstelling voor de anderen.

De tweede, naar mijn mening originele betekenis beklemtoont het loskomen van de individuele persoonlijkheid uit de greep van de collectiviteit.

Deze tweede betekenis is het die Ephimenco voor ogen staat, als hij schrijft dat individualisme en collectief besef best samen kunnen gaan.

Ik denk dat de schrijver een punt heeft.

 

Wat betekent immers: loskomen uit de greep van de collectiviteit? Het betekent niets anders dan dat de moderne, hedendaagse mens in staat is om verschillende rollen te spelen – of moet ik zeggen: ‘zijn’? Individualisering zou dan gelijk staan met het vermogen resp. de vrijheid verschillende, van elkaar onderscheiden rollen op te nemen. Een individu speelt doorheen het leven en beurtelings verschillende rollen: die van echtgenoot, vader, moeder, kerkganger, bijzitter in een kiesbureau, werknemer, kantoorhoofd, amateur-tuinier, lid van een duivenbond, lid van de gemeenteraad, lid van een staatsgemeenschap, lid van een volksgemeenschap en ga zo maar door.

Het verschil met de Middeleeuwen zit dan in het feit dat het heen-en-weer springen van de ene rol naar de andere in die tijden veel moeilijker was of zelfs onmogelijk. Individualisering is dus tegelijk losser komen, meer vrijheid maar ook meer verantwoordelijkheid krijgen.

Welnu: Ephimenco heeft gelijk dat dit losser komen staan tegenover de verschillende onderscheiden rollen die een mens doorheen het leven opneemt zijn solidariteit met zijn landgenoten niet hoeft te ondermijnen. De mens neemt immers telkens andere rollen op. Meteen wordt ook solidariteit over de grenzen heen mogelijk, zonder zichzelf op te geven. Vrijheid en verantwoordelijkheid gaan samen.

Die evenwichtige balans, vrij van propagandistische manipulatie, waarover ik het hierboven had, komt hier weer voor de dag. Immers: het is niet het één of het ander, maar het één én het ander, beurtelings, afhankelijk van de omstandigheden van het ogenblik. Zo kan de balans weer in evenwicht. Zonder propaganda.

Van rol verwisselen vergt afstandelijkheid en die is pas mogelijk vanaf een zekere graad van vrij individualisme en vereist, tegelijk en niet minder, het vermogen om binnen elke rol verantwoord te denken en te handelen. Alweer kunnen we propaganda als kiespijn missen. Afstand nemen van de propaganda lijkt dan erg veel op het loskomen van de mens uit zijn Middeleeuwse knellende banden. Dit soort individualisme en vrij en zelfstandig handelen gaan hand in hand.

 

Door dit alles zo te stellen nemen we tegelijk afstand van de maatschappelijke strekkingen die elke vorm van nationale samenhorigheid verwerpen, omdat die een wereldwijde solidariteit in de weg zou staan. Wie dat beweert geeft te kennen geen of alleszins veel te weinig vertrouwen te hebben in de goede krachten in de menselijke natuur en in het vermogen van de normale, modale mens om zowel het één als het ander hoog te achten, dit wil zeggen zich in verschillende rollen correct te gedragen. Deze gedachtegang brengt ons ook terug bij de manier waarop de leiders van oost en west omgaan met de gebeurtenissen in Oost-Oekraïne: de ander valt van geen kanten te vertrouwen en moet daarom onder de knoet gehouden worden.

Dat is echter een oorlogslogica, de logica waarin vele westerse leiders verzeild zijn geraakt. Wie daarin verstrikt geraakt riskeert in een dodelijke spiraal terecht te komen, omdat men aan zijn eigen consequentie verplicht is het goede in de andere te verdonkeremanen en zijn hele gedrag op de gepercipieerde slechtheid van die ander af te stemmen. Als de ander per definitie slecht van inborst is, dan zijn tegenmaatregelen immers absoluut noodzakelijk. Niet praten, overleggen, luisteren naar elkaar – àlle partijen vrijuit hun rol te laten spelen – is dan de boodschap, maar de harde hand, waarbij de ander moet ‘boeten’ – een primitief mechanisme dat door René Girard met zoveel verve bloot werd gelegd. Het is een terugkeer naar de prangende banden van de Middeleeuwen, omdat er een verbod wordt uitgevaardigd om vrijuit verschillende rollen te vervullen: deze van onderzoeker, waarnemer, ethisch denkende mens, bezorgde westerling maar ook even bezorgde aardbewoner.

 

Op een indrukwekkende manier heeft de modale Rijksnederlander ons getoond dat de en-endenken nochtans mogelijk is: je kunt diep meeleven met slachtoffers en toch nationaal denken. Een balans in evenwicht is dus mogelijk. Mensen zijn bij machte om zowel het één als het ander in ogenschouw te nemen en diverse rollen naar behoren spelen. Ze kunnen zowel het individu als de collectiviteit hoog achten, zowel het eigen belang nastreven als oog hebben voor de belangen van anderen en, in het Oekraïense geval, zowel het neerschieten van burgervliegtuigen ten gronde veroordelen en als aandacht te schenken aan de nationale beweegredenen van de Russen in Oost-Oekraïne, zonder te vervallen in primitieve wraakredeneringen – op voorwaarde natuurlijk dat ‘men’ niet knoeit met de informatie, hetgeen het democratisch gehalte van Europa helemààl onder het vriespunt zou brengen. Nederland toont dat we terecht mogen geloven in de goede vermogens in de mens, dat evenwicht mogelijk is en primitieve oorlogslogica niet hoeft.

Nederland spot zodoende met de kortzichtigheid van politieke leiders.

Immers: solidariteit met het collectief kan samengaan met een grotere mate van individualiteit. En waarom zou het collectief te allen tijde tot de eigen natie beperkt moeten blijven? Waarom zou solidariteit niet met àlle gekwetste groepen mogelijk zijn?

Dit is onze hoop voor de vrede: we leveren onszelf, onze identiteit, ons gezin, onze natie niet uit en we vragen evenmin dat iemand anders dat doet. Het enige wat we vragen is de vrijheid en de mogelijkheid achtereenvolgens de rollen op ons te nemen, die bij de omstandigheden passen en almeteen dus te geloven in de positieve krachten in de mens.

 

 

Jaak Peeters

Juli 2014

“Wij zien niet het individu”. Herwaardering van het etnische.

Wij zien niet het individu, niet de staat, maar de gemeenschap als belangrijkste gegeven. Wij zijn niet alleen voor onszelf geboren.

Dit zijn de woorden van Bart De Wever die de redactie van De Morgen op de eerste bladzijde van zijn katern plaatste, de dag van zijn interview met die krant.

Het is, naar mijn aanvoelen, de interessantste uitspraak in deze hatelijke en smerige, maar voor het overige compleet voorspelbare verkiezingscampagne.

Niemand moet De Wever en zijn partij verdedigen: Ze zijn daartoe zelf wel in staat en het is bovendien niet de opdracht van deze artikelenreeks om een partij te verdedigen.

Dat onderwerp kan hier dus achterwege blijven.

De draagwijdte van De Wevers woorden gaat de waan van onmiddellijkheid van een verkiezingscampagne verre te boven.

Ze zijn een programma op zich, maar meer nog vormen ze een visie, of tenminste de uiting daarvan.

 

Het is bekend dat de Verlichting het individu en zijn rechten voorop stelde. De rechten van de burgeres van Olympe De Gouges, de rechten van de mens van Paine – weliswaar geen Fransman, maar wel van dezelfde geest doordrongen: het gaat telkens over individuele rechten. Aan dat menselijke individu komen niet alleen alle rechten toe: datzelfde individu is ook het centrale ijkpunt voor elke vorm van beleid en het centrale doel van dat beleid. Alles, maar dan ook letterlijk alles moest en moet wijken opdat dit centrale doel bereikt zou kunnen worden. Alles wat de mens onderneemt heeft bijgevolg maar één enkel doel: het belang van het menselijk individu.

 

De gaten en ogen in deze opvatting werden al vroeg opgemerkt. Joseph de Maistre – al wel eens een reactionair genoemd, al vind ik die term onrecht aandoen – had wel wat redenen om de Franse Revolutie satanisch te noemen. In de Nederlandse vertaling van diens Considérations sur la France staat de volgende korte passage te lezen: Maar wij, zwakke en blinde mensen, wie zijn wij? En wat is dat flakkerende lichtje dat wij ‘rede’ noemen? Zelfs al hebben wij alle kansen berekend, de geschiedenis aandachtig bestudeerd, en alle twijfels en belangen bediscussieerd, dan nog vermogen wij, in plaats van de waarheid, slechts een bedrieglijke nevel te ontwaren. (blz. 139)

Hier spreekt de wijze mens die tot bescheidenheid oproept. Hij matigt de aanspraken van de revolutionair, die in zijn blinde overmoed met het onkruid tegelijk de goede planten verbrandt en daarmee verder van huis uitkomt dan toen hij aan zijn onderneming begon.

De Maistre vraagt bedachtzaamheid, net zoals Burke, door wie hij erg werd geïnspireerd.

Deze mensen kwamen tot hun inzichten mede door wat zij rondom zich zagen gebeuren: de terreur van het linkse regime in Parijs, de inval en later annexatie van Savooien in 1792, het bloedig neerslaan van de contrarevolutionairen, die eerder de linksen op een bloedige manier uit de macht hadden verdreven. Extremisme roept extremisme van tegengestelde natuur op, zo leerde de Maistre, en de geschiedenis heeft hem nadien helaas vaak gelijk gegeven.

 

Hoe komt het toch dat een land met een zo hoge, oude cultuur plots in de grootste wandaden vervalt die, alles wel beschouwd, zelfs als een voorbeeld voor de latere Nazipraktijken zouden kunnen gezien worden? Er vallen ongetwijfeld historische redenen aan te wijzen waarom terreur en repressie en nadien onbegrensd imperialisme met name in Frankrijk tot voordien ongekende hoogten werden opgezweept.

Doch wellicht is verstandig om veeleer de aandacht te richten op de denkbeelden die onderhuids tot stand waren gekomen in een Frankrijk, dat niet alleen Voltaire en Diderot, maar ook Descartes had voortgebracht, die door velen als de vader van het subjectivisme wordt beschouwd. Zijn verwerking van de dertigjarige oorlog had ertoe bijgedragen dat hij het individuele bewustzijn als uitgangspunt van denken en handelen zag. Het Je pense, donc je suis is niets anders dan het samentrekken van het hele mentale universum in dat éne subjectieve, individuele punt. Een soort geestelijke singulariteit. Alles wat buiten dat individuele bewustzijn valt, wordt dan object. Het is interessant de etymologie van dat laatste woordje even in herinnering te brengen: het komt van het Latijnse obicere, dat ‘voor-werpen’ betekent. Een object ligt daar, voor ons op de grond geworpen, machteloos afwachtend tot wij het oprapen of, zoals in de Franse Revolutie, brutaal vertrappelen.

 

Laten we nu even terugkeren naar de woorden van De Wever. Ik ken hem en zijn gedachtewereld al langer, maar wie hem van op afstand volgt beseft dat hij iemand is met veel meer inhoud dan sommige van zijn critici wel denken.

“Wij zijn niet alleen voor onszelf geboren”. Dat is wellicht het belangrijkste zinnetje uit het citaat. Het is een stelling die regelrecht ingaat tegen het individualisme dat door Descartes werd voorbereid, in de Revolutie werd gepraktiseerd en heden ten dage algemeen verspreid is. Ten gronde zegt De Wever dat niet het individuele subjectieve bewustzijn het ultieme referentiepunt is en zelfs dat dit individuele referentiepunt niet eens echt individueel is. Anders gezegd: dat zogenaamd individuele subject is niet denkbaar zonder tegelijk en onmiddellijk – dus zonder bemiddeling van wat dan ook – daar de omgeving bij te betrekken. Dat individuele subject bestààt dus niet. Wat bestaat is een ervaring van een er-zijn–in-een-omgeving door één centrale, ervarende instantie, die wij het individu noemen.

 

Dat lijken cryptische woorden, maar dat zijn ze helemaal niet.

 

We ervaren ons bestaan niet, zoals de individualisten – revolutionairen en liberalen – dachten en denken, als “het ik tegenover de wereld”. Dat dit zo zou zijn, is interpretatie achteraf, of beter nog: ideologie achteraf. We vermalen de ervaring van ons er-zijn zodanig, dat wij het begrijpen als een contrapositie van een ik tegenover een daartegenover en daarbuiten staande wereld.

Maar dat is, zoals ik zei, interpretatie achteraf.

Je hoort de mensen al eens zeggen tegen iemand die erg ziek is geweest: “je bent er nog!”. Daarmee zeggen ze eigenlijk: je leeft nog. Maar eigenlijk zeggen ze iets meer: je bent nog onder ons. Je bent nog op de wereld. Mensen beleven het “er zijn” als een samen met anderen in de wereld zijn. De allereerste ervaring is dus deze van “in de ons bekende omgeving vertoeven”. Nadien sluipt een element van mogelijke vijandigheid in onze geest binnen. We koppelen aan de ervaring dat we in een bekende omgeving vertoeven het gevoel van een mogelijke dreiging vanuit die omgeving of delen daarvan. We doen dat veelal vanuit de ervaring van het verleden, omdat we geleerd hebben dat uit sommige hoeken inderdaad gevaren kunnen opduiken.

Maar dat is een vertroebeling van de oorspronkelijke ervaring.

 

Psychologen zullen zeggen dat deze emotionele lading meteen al met de ervaring verschijnt, maar dat is niet wat mij hier bezighoudt: het gaat erom in te zien dat de ervaring van het er-zijn en de emotionele lading van sommige elementen uit de omgeving die dit er-zijn kleurt, twee verschillende dingen zijn.

Dat onderscheid is nodig voor een zuivere manier van denken.

Als we namelijk toestaan dat de emotionele verkleuring van ons er-zijn ons enige uitgangspunt is, kunnen we alleen nog maar uitkomen op ideologie en dus op politieke keuzen.

Zo wordt ons gezicht op ons wezenlijke er-zijn echter verduisterd. En zo dreigen allerhande ‘extremistische’ ontsporingen, want er is dan niet langer de wijze correctie die zegt: “je bent er nog!”, wat betekent: “dit is het essentiële: dat je nog op de wereld bent, onder ons.” Precies daar ligt, naar mijn aanvoelen, de grondslag van de waarschuwingen van Burke en de Maistre. Triviaal gezegd: mensen vallen niet te vertrouwen omdat ze overal en altijd hun belang najagen, maar we horen nooit het menselijke samenzijn zelf uit het oog te verliezen.

 

Waarom ik dat allemaal zo zeg?

 

Ik had onlangs een gesprek met mijn moeder. Het mens is hoogbejaard maar nog goed ter tale, zeker als het over de dingen uit haar jeugd gaat.

In dat gesprek sprak zij een zin uit, die me goed is bijgebleven. Telkens ik aan de Ganzenstraat denk, dat zie ik die huizen in die straat, en de mensen die daar woonden. Ik zie Jan van Dictus en An van den Dikke en Door van Jef van ’t Speen. Ik zie de straat, een zandstraat vol stof in de zomer en slijk in de winter en ik zie de weide voor onze deur, met daarin onze Pol, onze pony, waarop ik soms, in de wei en als ik dacht dat niemand het zag, al eens ritje reed.

De Ganzenstraat is de straat waar ze geboren is en haar jeugd heeft doorgebracht.

 

Wat is de ervaring van mijn moeder, zoals ze die hier beschrijft? Zij geeft hier haar ervaring van haar er-zijn weer, in de omgeving zoals die in haar jeugdjaren op haar netvlies gebrand stond. Die ervaring omvat niet een individueel ik, geïsoleerd en los van de rest van de wereld, maar een centraal ervarend ik, dat direct in haar wereld – omgeving – ingeplant staat. Omgeving en ik zijn tegelijk gegeven en kunnen niet van elkaar worden gescheiden. Ik kan me niets voorstellen bij mijn moeder die daar “staat te zijn”, zonder dat tegelijk ook de huizen van An van den Dikke, die wei en de Pol gegeven zijn.

Mijn moeder zou aan die wereld dus niets kunnen veranderen, zonder ook die omgeving te veranderen. Het is allemaal tegelijk, of helemaal niets.

 

En dat brengt ons bij de voorzichtigheid die De Maistre bepleit. Je kunt je gewoon niet opstellen alsof wij los van de wereld rondom ons staan om die wereld dan vervolgens vrijelijk naar onze hand te zetten. Dat gaat helemaal niet als we inzien dat we al te gemakkelijk voorbijgaan aan wat die eerste, originele ervaring van het er-zijn is: namelijk het in-onze-omgeving-staan, “onder ons zijn”, en gelijk toestaan dat emotionele betekenissen die ervaring al meteen beginnen te kleuren. Ons optreden achteraf, dat hierop is gebaseerd, is dan ook gekleurd.

Op zich is deze verkleuring geen ramp en menselijk zelfs onvermijdelijk, maar je moet die verkleuring wel in de gaten houden.

Als dat niet gebeurt voert de combinatie van een subject dat gelooft ongestoord zijn omgeving te kunnen veranderen met de gekleurde ervaring van het er-zijn tot satanische toestanden.

 

Welnu: Wat De Wever in zijn interview uitspreekt is, alles wel beschouwd, een pleidooi om onze eigenlijke ervaring van ons er-zijn-in-onze-omgeving niet te laten ondersneeuwen en politiek te laten doorkinken.

 

Maar er is iets anders, en daar wijst De Wever niet op – wellicht omdat het hem niet gevraagd werd.

 

Mensen als Anthony Smith en Christine Stallaert wijzen er in hun studies over nationalisme en etniciteit op, dat de ervaring van een eigen homeland, een thuisland, een centraal en kenmerkend deel van het etnisch beleven is. Dat homeland is weinig anders dan de wereld, de omgeving waarin men zichzelf geplaatst ziet, op dezelfde manier als mijn moeder haar jeugdherinneringen aanbrengt – het weinige dat verschillend is, is dat de gedachte van een homeland voor een hele gemeenschap wordt toegepast.

Zoals het verhaal van mijn eigen moeder duidelijk maakt leven wij allemaal in ons eigen, kleine homeland. Zoals mijn moeder zichzelf ervaart midden in haar omgeving, vol met huizen, mensen, weiden en paarden, zo ervaart ieder van ons zijn er-zijn als een geworpen zijn in een omgeving, die we helemaal niet zelf hebben gemaakt, maar waar we wel onverbrekelijk mee verbonden zijn. Zoals hoger gezegd is het zelfs niet denkbaar dat we ons daaruit mentaal zouden kunnen isoleren. We zouden niets zijn, als we dat zouden kunnen, we zouden “leeg” en inhoudsloos zijn en dus geen identiteit hebben. Als we aan onszelf denken, denken we onmiddellijk ook aan de omgeving waarin we verkeren. We zijn heus niet voor onszelf alleen geboren. We worden geboren in een wereld waarin we ingroeien en waarmee we vergroeien.

 

Laat dat homeland nu de kern van het etnisch ervaren zijn. Mensen ervaren de omgeving waarin ze geboren zijn en opgegroeid als intrinsiek met henzelf verbonden. Ze horen in die omgeving thuis en het andere zal altijd enigszins vreemd blijven – een onoplosbaar probleem voor dromers van een kosmopolitische wereld.

 

Trek de ervaring van mijn moeder – iedereen kan zo’n ervaring voor zichzelf wel oprakelen – eens door?

Door van Jef van ’t Speen was getrouwd met een zus van Fons Bens, wiens eerste vrouw, bij wie hij twee kinderen had, vroeg overleden is. Fons hertrouwde met Anna Aerts, dochter van een buurman, en met haar had hij nog vier kinderen. Zijn oudste is dan getrouwd met iemand van over de vaart en is bij haar huwelijk bij haar schoonouders gaan inwonen, waar ze meehielp in de boerderij, terwijl haar echtgenoot naar de fabriek ging werken.

Je ziet op deze manier zo een hele gemeenschap verschijnen, als een groot spinnenweb aan elkaar hangend, bestaande uit individuele mensen, die in hun ervaring van hun er-zijn hun kleine eigen omgeving onmiddellijk mee ervaren en samen delen.

 

Dit is mijn aanvoelen: er loopt een strakke lijn van de erkenning van de wezenlijk diepe sociale aard van mensen naar de erkenning van een etnische beleving in het bestaan in een gemeenschap.

En ik zie rondom mij dat diegenen die het individualisme onder al zijn vormen prediken, van revolutionairen tot liberalen, tegelijk de oorlog aan de etniciteit hebben verklaard.

Het wordt duidelijk waarom deze verbanden zo liggen.

 

Op deze ideeën bouw ik mijn standpunt dat het verketteren van de etnische gedachte, zoals men die tegenwoordig overal pleegt uit te voeren, verwerpelijk is en bestreden moet worden.

Hetgeen nog niet zeggen wil dat we er niet alles aan moeten doen om vele, vele dingen te verbeteren. En die dingen: dat betreft meteen de hele gemeenschap, het hele spinnenweb van hierboven. Ook de sukkelaars, want die maken deel uit van het spinnenweb. En ook het open oog voor voortijdige verkleuring van de werkelijkheidservaring waar Burke en de Maistre voor waarschuwden.

 

Ik geef het toe: het is puur toeval. Maar in de Groene Amsterdammer van 24 april 2014 stond te lezen dat de talentenjacht die nu overal ter wereld gaande is onder grote bedrijven, deze laatste vaak niet verder helpt. Het blijkt dat niet de individuele talenten een organisatie sterk maken, maar veeleer het omgekeerde: precies in een goed functionerende organisatie ontwikkelen talenten zich het best. He individu komt dus niet eerst. De ongemakkelijke waarheid is dat die analyse ook wel eens kan gelden voor landen, dixit De Groene.

Dat betekent dat landen die volgens het gemeenschapsprincipe zijn georganiseerd het niet alleen beter kunnen doen, maar ook voor het individuele lot beter uitpakken. Opnieuw wordt het alomtegenwoordige individualisme door de mangel gehaald.

Socialisten zouden naar mijn smaak in déze gedachtewereld nieuwe inspiratie moeten puren.

Dat zou hen in plaats van tegenstanders net de grootste voorstanders van gemeenschapsdenken maken – zeg maar van nationalisme en etniciteit. Overigens zijn vele nationalismen in de wereld links.

Als ze hun vooroordelen en oude, inmiddels versleten taboes achterwege laten en de oude ideeën op de schop leggen, is een ander, hedendaags socialisme mogelijk.

Noem dat nu een conservatief socialisme.

Een interessante combinatie toch?

 

Jaak Peeters

Mei 2014