vunzige politieke mediaspelletjes

 

We maken dezer dagen een van de smerigste, gemeenste en boosaardigste mediacampagnes mee die sinds de tweede wereldoorlog werden gevoerd.

Een al bij al kleine meute – halen ze de duizend bewuste leden? – is bezig op een systematische manier, dag in , dag uit, in te beuken op de winnaar van de laatste verkiezingen, en vooral op de persoon van zijn voorzitter.

Hun strategie bestaat eruit de man te jennen, te plagen, te pesten totdat hij zijn geduld verliest en verbale fouten maakt, waarop de verzamelde meute dan vervolgens met volle geweld inhakt op de alweer-bewezen-ultrarechtse positie van Dewever. Op een systematische manier wordt N-VA onafgebroken met de rug tegen de muur geplakt zodat er telkens een schijnreden tot kritiek verschijnt. Op die manier wordt een sfeer van negativiteit opgewekt die geassocieerd raakt met N-VA, waarna vervolgens, over een paar jaren, het alternatief van de “regerende serieuze partijen die tenminste verantwoordelijkheid wilden nemen” aan de misleide of tenminste groggy-geslagen kiezer zal worden gepresenteerd.

Het volstaat dan dat Dewever en zijn partij enkele procenten verliezen, om een gejuich aan te heffen op de “duidelijk aangevangen zwanenzang” van de door de kliek gehate ‘rechtse” en “extreem-nationalistische” partij.

Zichzelf presenteren ze als links.

Ze zijn dat van geen kanten, omdat links noodzakelijk verwijst naar emancipatie ( Prof. Abicht). Een halve emancipatie is bijgevolg geen emancipatie. Wie dus, zoals het hoger genoemde clubje, wél de emancipatie van vreemdelingen op het oog heeft en met wellust constateert (Humo II, ex-Knack, 5 dec. ’12) dat jonge Marokkanen zichzelf Kielenaar, Antwerpenaar maar niet Vlaming noemen en zodoende de emancipatie van de gemeenschap van de Vlamingen dwarsboomt, kan zichzelf links noemen doch is het niet.

Met een gemeenschap kan je geen glas bier gaan drinken; daarvoor heb je concrete mensen nodig. Maar die concrete mensen leven in een concrete gemeenschap. Concrete mensen verinnerlijken betekenissen uit die gemeenschap. Wie dus die gemeenschap niet wil emanciperen, wil dus sommige stukken van de betekenissenwereld van die concrete mensen niet aanvaarden/emanciperen en dwarsboomt derhalve de ontvoogding van de mens.

Het is een simpele gedachtengang, maar nochtans blijkt elke dag weer dat de dames en heren in de media daar lustig aan voorbij gaan. Èn doorgaan met het inbeuken. In datzelfde nummer van HUMO II ( het blad lijkt trouwens fysisch op HUMO I) verschenen niet minder dan drie artikels die als anti – N-VA kunnen geïnterpreteerd worden.

Maar: dat blad noemt zich wél “onafhankelijk”!

In de Standaard verscheen op 6 december een vrij stuk van C. Bonheure – alweer een journaliste  uit het ons-kent-onsclubje of even niet? – om zogenaamd het duidelijk louter als provocatie bedoelde voorstel van Thomas Lanoye te counteren en te pleiten voor het behoud van de naam “Pieter de Coninckplein” in Antwerpen. Een non-issue dat door het heen en weer spelen van de bal tot buitensporige proporties wordt opgeblazen. Hoe leidt ze haar stuk in? “ Niet omdat Dewever dat zo hard wil”. Begrijpt dat mens niet dat ze hiermee tienduizenden mensen tegen de haren instrijkt? Of was dat de prijs om haar stuk in dat eertijds hoogstaande blad te krijgen?

Want, verdomd nog aan toe: het is wél omdat Dewever dat zo hard wil! Langs de mond van Dewever spreekt namelijk 38 procent van de Antwerpenaren. Mogen die ook even gehoord worden, ja?

Een proteststuk van schrijver dezes verscheen in deze zogeheten kwaliteitskrant niet. Wel dus het stuk van Bonheure. Om te kunnen zeggen dat men een middenpositie ingenomen heeft?

Denken de dames en heren redacteurs dat de modale Vlaming van vandaag een dwaas is en hun vunzige politieke spelletjes niet doorziet? Denken ze echt dat hun smerige techniekjes buiten het daglicht blijven?

 

“Open brief van een N-VA-stemmer.

Een komedie is een theaterstuk dat bedoeld is om de toeschouwer aan het lachen te brengen. Het drijft de spot met allerhande toestanden, waarvan het de lachwekkende kant laat zien en daardoor de relativiteit der dingen in het licht stelt. Komedieën zijn bedoeld om de spanning uit de samenleving weg te laten glijden, op een vergelijkbare wijze als Girards zondebokmechanisme.

Maar in Vlaanderen is er geen plaats voor komediën. In Vlaanderen is alles ernst. Wrokkige, hatelijke, afwijzende ernst, jazelfs Freudiaanse doodsdrift. Alles dus wat nou net vermeden moet worden via het opvoeren van komediën.

Deze destructiedrang vindt met niet zozeer bij het gewone volk – waar we vrijwel allemaal toe behoren – bovendien. Dit walging opwekkende complex vindt men precies bij hen, die uitgerekend voor de werking van die uitlaatkleppen zouden moeten zorgen: de zogeheten culturo’s, de professionele zichzelf intellectueel noemende kunstenaars – of wat daarvoor vaak moet doorgaan.

Aanleiding van het nieuwste mediacircus is de provocatieve uitspraak van de genaamde Thomas Lanoye om het Pieter de Coninckplein in Antwerpen te herdopen tot Herman De Coninckplein, naar de overleden linkse schrijver. Een voorstel dat vanzelfsprekend meteen door diens echtgenote, de al even linkse Kristien Hemmerechts – Karel Hemmerechts draait zich om in zijn graf – in het openbaar gesteund werd.

Wie Antwerpen een beetje kent, weet dat een dergelijk voorstel vooral nonsens is. Er is geen hond in Antwerpen die zelf met een dergelijk voorstel voor de dag zou komen. De Antwerpenaar heeft overigens wel heel andere zorgen. De leefbaarheid van zijn stad bijvoorbeeld, onder meer vanwege het overtal aan vreemdelingen, dat hem het onbehaaglijke gevoel geeft een vreemde te zijn in zijn eigen stad en hem doet gaan slapen en weer opstaan met een gevoel van onveiligheid.

Jaja, meneer Lanoye en co: die intellectuele houding waar jullie zich zo breedsprakerig op beroepen, die houding dus, die jullie zou moeten doen inzien wat de Antwerpenaar echt bezig houdt, daar is wat mee. Uw ogen blijken namelijk dicht, selectief volkomen gesloten, want jullie zijn immers multicultureel. Maar weet goed: als Antwerpenaren zich niet langer thuis voelen in hun geboortestad omdat er zovele vreemdelingen rondlopen, dat heeft dat te maken…jawel: met hun identiteitsbeleving. Maar die identiteit, die van simpele mensen uit het gewone plebs, dààrvoor halen jullie de neus op.

Uw eigen identiteitsbeleving daarentegen, Thomas Lanoye en Co, die is wel belangrijk, nietwaar? Die hoeft vooraan op de voorpagina’s van de kranten. Want die wordt bedreigd door de opgang van de partij waarvoor ikzelf heb gestemd.

De spraakmakende Vlaamse culturo’s – gesubsidieerd door diegenen waarop ze minachtend neerkijken – zitten Dewever en N-VA al langer op het vel. Want, oh hemel: N-VA en de ondernemers: is dat niet één potje nat – zo lees ik het toch? En dàt is zowat het ergste wat denkbaar is: niet bloedrood, zelfs niet eens gewoon maar rood, doch alleen maar, hier en daar, heel schaars en biezonder spaarzaam een spatje rozerood. Kan niet volstaan. En dus bijten ze nog liever in de hand die hen voedt, daarmee hun moed en zelfopofferingsgeest etalerend. Droevig en bespottelijk tegelijk.

Neen: ze belagen niet de traditionelen, al zou men van het kunstgilde nou net verwachten dat een naar vernieuwing zoekende troep deze tradi’s zou aanpakken; zo is dat altijd al geweest.

In Vlaanderen is dat dus anders. Waarmee bewezen wordt dat Vlaanderen bestààt.

In Vlaanderen worden diegenen aangevallen die een puur democratische constructie –Vlaanderen is een democratische constructie, waaraan de voorgangers in de artistieke professie een groot part en deel hebben gehad – tot volle ontwikkeling wil brengen. De democratie doen bloeien dus. Of vruchten doen dragen.

Maar nee hoor! Ze laten zich hun identiteit niet voorschrijven, dixit Thomas Lanoye. “Ik ben Vlaming, Belg, Waaslander en wat almeer!”

Wat een dommiteit! Is er één flamingant, geachte heer Lanoye, die dit ontkent? Is er één Vlaamsnationalist die van u eist dat u zich exclusief Vlaming noemt? Schrijver dezes is Olenaar, Kempenaar, Vlaming, tegen wil en dank en dik tegen zijn zin Belg, Nederlander, zelfs wereldburger, vader, grootvader, gepensioneerde, ex-kaderlid, blogger, lid van een aantal verenigingen, schrijver – u bent niet de enige die een pen kan vasthouden -,  amateur-wijnbouwer, tuinier, buurman, minnaar – al valt dat laatste met het klimmen van de jaren niet zo geweldig meer in de prijzen. Lieve hemel! Is niet iedereen een wereld van betekenissen, een wolk van zingeving en dus van meervoudige identiteit ? U leest wel heel selectief, geachte heer Lanoye, want anders had U het bovenstaande geweten en dan had u niet hoeven uit te halen naar die volgens U achterlijke flaminganten.

En vertel me eens: waarom valt u de door uzelf waargenomen maar voorts onbestaande exclusiviteitsclaim van nota bene de Vlaamse identiteit met name aan? Waarom niet de Belgische, als je weet – of zou moeten weten – dat onze hummeltjes in de kleuterklas nog altijd moeten leren over “onze vorsten” – waarmee niet Willem-Alexander is bedoeld, maar die franskiljonse kliek van Laken?

En waarom interesseert de bezorgdheid van de Antwerpenaar  die zijn identiteit bedreigd weet u kennelijk niet, vermits wij er van u niets over vernemen?

En als uw culturele voorgangers die door u verguisde Vlaamse identiteit hebben opgeroepen, waar blijft dan uw solidariteit met het artistieke broederschap, nu u diezelfde identiteit kennelijk onder de mat wil vegen ten gunste van… nou ja, wat dan wel?

Ik raad u aan mijn De Gekwetste Mens te lezen. Het is uitgegeven in bevrijd Nederland, in Budel. Ik zeg niks over de inhoud, die u niet kent, want u waant zichzelf de dragers van onze taal – wat u maar héél, héél gedeeltelijk bent en zelfs niet eens in beslissende mate.

Maar het zou leerzaam zijn.

En dan die media. Dames en heren, waar zijn jullie mee bezig? Als Thomas Lanoye een provocatief voorstel doet, moet dat dan al het echt belangrijke nieuws uit de hele wereld – waar elke dag mensen van honger omkomen, bijvoorbeeld – wegdringen om de lucratieve, uiterst persoonlijke zieleroerselen van een middelmatig schrijver, gelauwerd door het ons – kent  – ons (natuurlijk weten we dat!), op buitenissige mate te etaleren of tot in het extreme op te kloppen, zodat het een eigen, zij het wansmakelijk leven gaat leiden?

Valt er niets belangrijkers te melden?

En als ik even als ex-bedrijfsman mag spreken: denken jullie op die manier de dalende trend van uw oplagecijfers te keren?

Want het schijnt u te ontgaan, dat uw getormenteerd geschrijf steeds meer normale mensen de keel uithangt  – die kunnen namelijk denken weet u?. Denken! – en daarom zoeken ze andere nieuwsoorden op, waar ze niet elke dag opnieuw tegen heug en meug  getrakteerd worden op een dosis schijnlinkse ideologie.

Media, ‘kunstenaars’ en Belgique: één vreemd en volstrekt tegennatuurlijk conglomeraat. Zo overgewaaid uit de negentiende eeuw.

Neen. Ik moet ze niet, die Vlaemsche bende.

Ik ben één van die zowat 35% N-VA-stemmers. En ik ben het beu. Beu elke dag opnieuw met het belerende vingertje terechtgewezen te worden omdat ik mijn eigen intellectuele en politieke weg ga. Beu uitgescholden te worden voor anti-intellectueel, toegeschreven te worden wat ik helemaal niet denk, beledigd om wat mij dierbaar is: mijn zelfopgebouwd, door-en-door democratisch Vlaanderen, uitgelachen omdat ik, naast van zovele andere dingen, ook hou van mijn Zuidelijke Nederlanden.

Ik ben het hartsgrondig beu.”

 

Voor wie weten wil wat ik ter publicatie aan de “toonaangevende krant” aanbood, laat ik hieronder de tekst ervan volgen.

Jaak Peeters

Dec. 2012

 

De ogen wijd open!

Terwijl meerderheid en oppositie op elkaar inhakken om het bricolagewerk dat door de regering van de staat Belgique als “begroting” wordt voorgesteld resp. te verdedigen of neer te sabelen, ontstaat voor mensen die geneigd zijn wat verder na te denken meteen de tijd en de ruimte om andere, minder besproken vraagstukken van naderbij te bekijken.

Zo verscheen in de Groene Amsterdammer van 18 oktober een artikel van de hand van Rinnie van Est.

Van Est is werkzaam in het Rathenau Instituut, dat zich bezighoudt met het maken van vooruitzichten voor onze samenleving en zodoende de overheid moet adviseren.

Haar artikel is hallucinant, om niet te zeggen: beangstigend.

Ze schetst de ontwikkeling van techniek en wetenschap en maakt ons vervolgens, in het spoor van Martin Heidegger, duidelijk dat de maakbaarheidsgedachte zich van beide vormen van menselijk bezigzijn heeft meester gemaakt.

Vooral sinds de tweede wereldoorlog, met de opkomst van de bio – en informaticatechnologie, wordt de kloof tussen mens en machine steeds kleiner. Biologie wordt steeds meer technologie en techniek steeds meer biologie. Gentechnologie, klonering, prestatie-verbeterende stoffen, elektrostimulatie van de hersenen, zelfs bionische lichaamsdelen komen steeds dichter bij of zijn al werkelijkheid. Het is overigens bekend dat het Amerikaanse leger met dit laatste experimenteert. Zodoende zullen levende systemen, zoals het menselijk lichaam en de hersenen, steeds meer als een bouwdoos worden gezien: we kunnen in lichamen ingrijpen, zoals technici aan mechanische voorwerpen sleutelen. Aan de andere kant ligt het levensechter worden van apparaten in de lijn van de verwachtingen: ze zullen organische eigenschappen verwerven zoals herstelvermogen, emotie, intelligentie en misschien zelfs voortplantingsvermogen.

Zo komen we uit op wat bij nader toezien steeds meer op een nachtmerrie begint te lijken: wijzelf – ons lichaam, onze genen, onze hersenen, zelfs onze aandacht, onze interesses en dus ook onze hele sociale wereld – blijken voorwerp van maakbaarheid en technisch ingrijpen te worden. Daarmee worden we herleid tot bruikbare voorwerpen.

 

Dat roept vanzelfsprekend de levensgrote vraag op naar de integriteit van levende systemen, mensen op de eerste plaats. Het benauwende is dat we nog steeds geen goed antwoord hebben verzonnen op deze letterlijk levensgrote uitdaging.

 

Griezelig is voorts dat de ontwikkeling zélf van wetenschap en techniek steeds meer buiten de menselijke controle vallen en onafhankelijk van de wil van de mens hun richting uitgaan. Men spreekt hierbij over het zogeheten Collingridge-dilemma: in een vroeg stadium van technologieontwikkeling zijn de effecten nog niet te voorspellen wegens te vaag en te onbepaald. Tegen de tijd dat het wel kan, valt er niks meer te sturen, omdat er dan al allerlei ontwikkelingen op het getouw zijn gezet die niet meer terug te draaien vallen.

Dat is een op zijn minst zorgelijke kwestie.

Maar er is meer. Informatica en biologie – of biologische techniek –  zijn hard bezig met de heuse industrialisatie van ons menselijk systeem. Dan is bedoeld: zowel het lichamelijke als het geestelijke en als bijproduct van dit laatste ook ons maatschappelijke systeem.

Want wees maar zeker dat er met biologische technieken schatten te verdienen vallen. Wie zal gewiekste, gewetenloze poenscheppers verhinderen hun uiteindelijk mensvernietigende werk te doen?

Rinnie van Est zegt dat ons mens-zijn te belangrijk is om over te laten aan de krachten van de techniek en de economie, maar heel veel reden tot optimisme geeft ze ons toch niet. We moeten volgens haar afstappen van de maakbaarheidsidee, want die is een illusie. Gelijk heeft ze daarmee, zoals het Collingridge-dilemma ons leert: de dingen ontsnappen aan onze greep en ze creëren ons een werkelijkheid die we nooit hadden voorzien en misschien ook nooit zouden hebben gewild – doch die er inmiddels toch maar is.

Maar hoe doe je dat dan: afstappen van de maakbaarheidsgedachte – in een wereld die nota bene precies diegenen die zulks willen doen te kijk stelt als laakbare ‘rechtse’ figuren?

 

Mensen die denken dat hier wat wazige filosofische principes worden opgevoerd, moeten zich eens afvragen wat dat betekent: een overheid die – bijvoorbeeld –  gericht gebruik maakt van bepaalde producten in de voeding. Bijvoorbeeld om de agressie tegen te gaan – een schijnbaar positieve doelstelling, want wie kan er nu bezwaar aantekenen tegen de afname van agressief gedrag?

Een overheid die door de nieuwe biotechnieken bij machte is om laakbaar gedrag te beteugelen, kan echter ook sociaal en politiek onwenselijk gedrag met dit soort middelen bestrijden. Hoelang nog is de dag verwijderd dat het mogelijk zal zijn om mensen zodanig te “behandelen” dat ze extremistische opvattingen laten varen?

Laten we er ons goed van bewust zijn dat ook met dit soort manipulaties veel geld gemoeid kan zijn en bovendien enorme politieke belangen.

Wat is extremistisch gedrag?

Salafisme? Vallen daar anarchistische experimenten onder? Valt daar misschien ook polygamie onder?

Of nadert de dag dat de Belgische regering, hierbij  aangemoedigd door de Europese commissie, het Vlaamse nationalisme als extremisme bestempelt?

Het minste wat we kunnen doen is de ogen wijd open houden.

 

 

Jaak Peeters

Nov. 2012

 

“De democratische logica van het nationalisme”

 

Onder deze voor sommigen ongetwijfeld uitdagende titel schreef de Amerikaanse hoogleraar uit Wisconsin, David Rowley, een artikel in het januarinummer van het prestigieuze blad Nations and Nationalism, dat wordt uitgegeven door wat wellicht het wereldcentrum van de studie van nationalisme en etniciteit is: de London School of Economics.

De auteur behandelt daarin de opvattingen van de te onzent  volkomen onbekende Italiaanse nationalist Giuseppe Mazzini (1805 – 1872). Samen met Cavour en Garibaldi was hij één van de hoofdfiguren van de Italiaanse Risorgimento, zeg maar: de Italiaanse nationale renaissance, die de talrijke kleine staatjes op het Italiaanse territorium tot één nationale staat verenigde.

Rowley beschrijft Mazzini als een “modernist” – of tenminste: “in hoofdzaak” als een modernist.

De modernistische strekking in de theorievorming over het nationalisme zegt in wezen dat nationalisme een recent verschijnsel is. Het treedt op in de periode dat de oude naties zich transformeerden tot de huidige gemoderniseerde naties, zeg maar: vanaf de 18 e eeuw. Voordien bestond er volgens deze opvatting geen nationalisme. Vele nationalisten zijn het hiermee totaal oneens. Bekende vertegenwoordigers van deze opvatting zijn onder anderen: Gellner, Hobshawn, Anderson en Breuilly. Hun punt is dat het nationalisme  zoals we dat vandaag kennen maar kon ontstaan omdat daartoe eerst de noodzakelijke sociale, politieke en technische voorwaarden moesten worden vervuld. Van deze technische voorwaarden is algemene scholing een voorbeeld. Een voorbeeld van de sociale condities die tot het ontstaan van een nationale beweging kunnen leiden is de sociale ongelijkheid. Voorbeeld van deze strekking is Gramsci, die in de overleden Antoon Roossens een overtuigd aanhanger vond.

Volgens sommige auteurs hoort Mazzini eveneens in dit rijtje thuis.

Mazzini was van oordeel dat een natie een menselijke constructie is, en niet iets dat overgeërfd wordt van illo tempore. Mazzini was van mening dat de Italiaanse staat moest ontstaan om de macht in Italië onder controle van het volk te brengen. Mazzini was zodoende dus ook een sociaal ijveraar, die zich verzette tegen een wereld waarin mensen en volkeren door hoge heren over hun hoofden heen bestuurd werden. Er moest dus een Italiaanse staat komen, een heuse republiek die alle Italiaanssprekenden in één staat zou verenigen, en dit met verwijzing naar de oude Italiaanse geschiedenis en de culturele vormen van de bevolking.

Echter: die staat moest er niet komen omdat die staat op zichzelf een doel was. Mazzini was van voordeel dat die staat van, door en voor het volk – zoals hij dat in lezingen altijd zei – nodig was voor het bereiken van verder gelegen doeleinden: democratie, rechtvaardigheid en internationale vrede.

“Wat kun je als enkeling uitrichten voor de morele verheffing van de menselijke soort en de vooruitgang van de menselijkheid? Als enkeling loop je verloren tussen andere talen, rassen, gewoonten, vermogens en politieke krachten. Je hebt een georganiseerde staat nodig, om voor je eigen volk en voor de mensheid in haar geheel iets waardevols te realiseren.” Daarom zei hij op een ander ogenblik: “ de tijd van het individualisme is voorbij. Het is nu zaak de tijd van de samenwerking een aanvang te laten nemen.  De doctrine van de liberale vrijheid is onmachtig om de problemen van onze planeet op te lossen. Voor liberalen is er, brutaal gezegd, geen gemeenschap, alleen een losse verzameling individuen die de minimaalste inzet van de staat vragen met uiteindelijk als enige bedoeling het eigen voordeel zoveel mogelijk te bevorderen.”

Sommige ideologen doen het ook vandaag nog voorkomen als zou het liberalisme een progressieve leer zijn die de vrijheidsdoelstellingen van de Franse Revolutie wil waarmaken. Karel De Gucht is zo iemand. Maar Mazzini had al in de negentiende eeuw in de gaten hoe de liberale vork echt aan de steel zit.

Hij wist dat vrijheid niet betekent: vrij spel hebben. Vrijheid vereist integendeel het actieve deelgenootschap aan een goed georganiseerde nationale staat, want die is nu juist nodig om de democratie tenvolle in de praktijk te brengen. “Een staat van, door en voor het volk”. Mazzini was een fervent voorstander van algemeen stemrecht, een sterk parlement en een bevolking die via staatsburgerlijke opvoeding tot goede patriotten wordt opgeleid. En is dat laatste niet…nationalisme?

Omdat Mazzini een beroep deed op de historische grootheid van Italië ( het Romeinse rijk), de gemeenschappelijkheid van gewoonten voor alle Italianen en hun gezamenlijk gehanteerde Italiaanse taal ( waarmee hij in de voetsporen van Dante trad), was hij in de strikte zin geen modernist, maar was zijn leer een synthese van civiel-nationale en etnisch-nationale opvattingen.

Deze (te) korte samenvatting van Rowleys artikel brengt ons meteen tot enkele duidelijke, maar niet altijd onderschreven inzichten.

Ten eerste: er is geen tegenspraak tussen een etnisch en een civiel nationalisme. Het laatste is veeleer een gemoderniseerde vorm van etnisch nationalisme. Zelfs de meest civiele democratieën zoals Frankrijk – het prototype van de civiel-nationale staat – zijn gebouwd op etnische grondslagen ( het uitgewaaierde dialect van Ile de France als draagster van het nationale genie, het beroep op Vercingetorix, de afstammingsmythes van de Franken enz.)

Ten tweede: nationalisme en democratie gaan perfect samen. Mazzini had gelijk: je kunt een democratie niet realiseren, tenzij in een georganiseerde staat. Zonder zo’n staat geldt alleen het recht van de sterkste. Zodoende ligt nationalisme inderdaad in de lijn van de democratische logica.

Ten derde, en mede als gevolg van het voorgaande: de nog steeds geldende opvatting van het liberalisme als zou de staat zoveel mogelijk moeten worden teruggedrongen moet op de schop. Mazzini was duidelijk: “waarom profiteren zo weinigen van de alom geprezen vrijheid?”

Ten vierde: niemand kan er omheen: Mazzini was een democraat, een sociaal bewogen ijveraar, maar hij was ook een nationalist – tenzij men het ijveren voor het ontstaan van de Nationale Italiaanse staat niet langer als “nationalisme” wenst te kwalificeren, maar dan zijn we, denk ik maar, zowat uitgepraat.

Nationalisme is niet louter doel op zich. Voor Mazzini was nationalisme een middel om de democratische staat te verwezenlijken. Nationalisme is dus geen verwerpelijke leer, al kan het, zoals elke ideologie, misbruikt worden.

 

Dezer dagen verscheen een geschrift van een zeker Ilco Maly.  Die zegt woordelijk: “ De effecten van dat ideologisch nationalisme (van N-VA, jp) blijven daarbij niet beperkt, ze hebben ook grote consequenties voor de rechten van de mensen en de twee kernwaarden van de verlichting: gelijkheid en vrijheid.(…) De natie primeert, de mens is ondergeschikt.”

Laten we die beschuldiging pareren met volgende gedachtengang: Mazzini, democraat, sociaal strijder en nationalist streefde naar de zelfstandige Italiaanse staat om een democratisch bestuur mogelijk te maken. N-VA streeft naar de zelfstandige Vlaamse staat om een goed bestuur mogelijk te maken – waartoe behoort: een democratische ordening waarin de wensen van de modale Vlamingen doorwegen en niet langer gecounterd worden door de wensen van een àndere democratie.

Zijn de paralellen niet echt opvallend?

 

Jaak Peeters

Nov. 2012

 

 

De klemmen van getormenteerde mensen

De zoveelste “top” in Brussel van de leiders van de Europese Unie, op 19 oktober 2012, leverde een weinig inspirerend beeld op van een stel leiders die erin waren geslaagd te beslissen dat ze binnenkort zouden gaan beslissen. Natuurlijk ging het over de euro en de problemen met de Zuid – Europese landen, Griekenland voorop. Of de instelling van een bankenunie een goede of een slechte oplossing is of iets daar tussenin, mag hier even terzijde blijven.

De vraag luidt wat er met dit continent echt aan de hand is.

Toevallig verscheen er in vertaling een lang essay van Timothy Garton Ash van de universiteit van Oxford in de Groene Amsterdammer van 11 oktober 2012. Het stuk is veel te lang om er hier een samenvatting van te geven.

Maar wel is het zinvol alvast één van de onderliggende ‘rode draden’ van Ash’ essay te belichten.

Toen Mitterand en Kohl de Duitse hereniging van 1990 met elkaar bespraken, sprak Kohl tegenover Ash deze historische zin uit: “Besef je wel dat je hier tegenover de directe opvolger van Adolf Hitler zit?”

De persoonlijke ervaringen van de staatslui die de huidige Europese Unie hebben geschapen,  vormen in grote mate hun drijfveer. Daarin verschillen ze natuurlijk van geen enkel ander staatsman en zelfs van geen enkel ander mens: onze beslissingen worden altijd mede ingegeven door onze ervaringen uit het verleden.

Meer echter dan welke andere natie ook voelden de Duitsers de drang om zichzelf als Europese natie te rehabiliteren. Ze wilden bewijzen dat ze goede Europeanen waren en dat niemand nog enige reden mocht hebben om te vrezen dat de ramp van 1940 zich door Duits toedoen zou kunnen herhalen. De poging van de Duitsers om zich schoon te wassen door hun eigen nationale munt, de Mark, op te geven en zich daardoor als het ware bloot aan de rest van Europa over te leveren, moge wel edel lijken: ze is gestoeld op getormenteerde belevenissen en daarom verkeerd. Middenin een sfeer waarin de Duitsers dag in dag uit verwijten te verwerken kregen voor wat ze hadden uitgericht – alsof zelfs de Nazi’s niet ook kinderen van hun tijd waren, en zonder een bepaalde politieke, morele en sociale sfeer in héél Europa nooit hun noodlottige slag had kunnen slaan – zou geen enkele daad van zelfopoffering de garantie hebben geboden dat de verwijten voortaan zouden stilvallen. Zelfs als Duitsland zich als natie zou hebben opgeheven zouden velen zich gedwongen hebben gevoeld in te hakken op het Duitse verleden.

Veel belangijker nog is dat niemand met welke zelfvernietigende vorm van onbaatzuchtige opoffering dan ook de zekerheid kan scheppen dat het politieke gedrag van de toekomstige generaties binnen de lijnen van de menselijke ordentelijkheid zal blijven. Ook de beslissingen van toekomstige generaties zullen immers ingegeven worden door de persoonlijke levenservaringen van die toekomstige generaties. Ook voor de toekomstigen is het leven niet altijd stuurbaar en zullen sommige dingen hen overkomen.

Zoiets moeten Kohl en de zijnen ook geweten hebben en daarom kan de haast waarmee Kohl en zijn medestanders de Euro in het leven hebben geroepen, alleen maar verklaard worden vanuit hun persoonlijk verlangen om vooral zichzelf in de ogen van de geschiedenis van alle zonden te zuiveren.

Zulks is natuurlijk geen goede basis om constructies op te zetten waarvan men kan hopen dat ze vele decennia zullen meegaan.

De staatslieden van die jaren konden rekenen op een passieve consensus onder de volkeren van Europa, voor wie de gruwelen van de oorlog nog vers in het geheugen lagen. Maar 1990 is alweer 22 jaar voorbij en de mensen die de hoger genoemde gruwelen hebben meegemaakt zijn niet meer of zijn waarlijk oude mensen geworden, voor wie jongeren eventueel met liefde zorgen, maar waarvan de woorden tegelijk deze van oude mensen zijn geworden en veel te zwak en zonder overtuigingskracht klinken.

Mensen die vandaag op de leeftijd zijn waarop ze beslissingen nemen, kennen de oorlog nog alleen uit verhalen, films of eventueel de beelden van conflicten in verre landen. In extreme gevallen deinzen sommigen onder hen er zelfs niet voor terug om het idee van de oorlog weer op te pakken, zoals het “geval Verhofstadt” laat zien: het beste bewijs dat de toekomst nooit onder controle is. Niemand uit de nieuwe generatie heeft de oorlog zelf beleefd, er de spanningen en de emoties van doorleefd. Ze zijn, anders gezegd, door de oorlog niet langer getormenteerd.

Als zij het zouden zijn geweest die de beslissingen over de eventuele invoering van een Euro hadden moeten nemen, zou waarschijnlijk het commentaar van Martin Wolf het hebben gewonnen: “Bedenk eens hoeveel beter af Europa zou zijn geweest als dat wisselkoersysteem nog had bestaan, met ruime marges”.  Wolf spreekt hier over de fameuze slang, opgedoekt toen de Euro werd ingevoerd.

Als die slang nog had bestaan, zou Griekenland zelf monetaire maatregelen kunnen nemen en op die manier aan draconische besparingen ontsnappen, zodat de sociale onrust zou wegebben en een ronduit valse premier Di Rupo nooit de kans zou krijgen om een Vlaamsnationale verkiezingsoverwinning in het Europese gremium te gaan voorstellen als “populisme”,  aldus hopend dat Europa zich tegen de Vlaamse ontvoogding zal keren en dus de transfers van Vlaanderen naar Wallonië zal helpen in stand houden.

Het ziet ernaar uit dat een volledige opheffing van de Euro een enorme economische ravage zou aanrichten. Maar de vraag rijst toch maar of een terugkeer naar de slang niet tegelijk neerkomt op het kiezen voor een meer normale, rationele basis waarop beslissingen zouden moeten worden gebaseerd.  Al was het maar omdat men zich zo doende voorneemt zich niet langer door tormenten uit het verleden te laten drijven.

In die zin heeft het hele gedoe met de Euro veel meer te maken met het onvermogen van de leidende klassen om zich los te maken van die tormenten uit het verleden en zelf, op eigen gelegenheid en uitgaande van de eigen levenservaringen beslissingen te nemen.

Omdat de generaties die de wreedheden niet hebben meegemaakt er menselijk en psychisch niet door misvormd zijn, zijn ze in staat veel evenwichtiger te oordelen. De eeuwige vlucht vooruit zou dan niet hoeven, want ieder redelijk mens weet dat daardoor de nationale gevoelens nodeloos worden gefrustreerd. Die frustraties bouwen op hun beurt een gevaarlijke tijdbom in het hele Europese systeem in. Thomas von der Dunk zal op die manier snel gelijk krijgen.

Om het in eerbaar-linkse termen te zeggen: het wordt de hoogste tijd dat de hedendaagse Europese elites zich emanciperen en loskomen van de geestelijke klemmen die hun voorgangers hun hebben omgord.

Als dat niet gebeurt, is de hele Europese constructie geen lang leven meer beschoren.

 

Jaak Peeters

Okt 2012

De spinsels van een zelfverklaarde visionair

 

“ De tijd van de natiestaat is voorbij, net zoals die van de stadstaten ooit voorbij ging. De toekomst is aan de grote gehelen, die multicultureel en veeltalig zullen zijn. Het nationalisme dat het principe van één staat = één volk huldigt is voorbij én gevaarlijk, omdat het de noodzakelijke evolutie naar nieuwe tijd hindert.”

Ziedaar de samenvatting van Verhofstadts opvattingen over nationalisme, zoals hij die verwoordde in de ‘toonaangevende’ krant van Vlaanderen – niet toevallig gepubliceerd enkele dagen voor de verkiezingen van 14 oktober 2012.

Verhofstadts ideeën zitten fout en dit op historische, conceptuele én politieke gronden.

Eerst het conceptuele. Voor Verhofstadt is de natiestaat een staatstype, onderscheiden van de stadstaat en dat wat hij “grotere gehelen” noemt, doch die niets anders zijn dan imperia.

Net zoals een bedrijf gedragen wordt door een leidinggevend kader dat de belichaming van de ziel van dat bedrijf is, moet elke staat berusten op het bestaan van een “natie”, dit is: een verzameling mensen – naties zijn op de eerste plaats verzamelingen van mensen – die zich in die mate verenigd voelen dat zij een gemeenschappelijke lotsbestemming politiek vorm willen geven. Zonder een dergelijke dominante natie ontstaat er strijd om de ultieme macht. Dat leidt of tot het vestigen van een soort dictatuur of tot het uiteenvallen van de staat, zoals in het geval van Tsjecho-Slowakije.

Daarom is een staat altijd een natiestaat – maar niet altijd de goede.

Een natiestaat kan een volksstaat zijn, wanneer het beginsel van één staat = één volk dicht benaderd wordt. In de literatuur spreekt men dan over een verticale structuur: de dominantie wordt gevoerd door leden van de eigen etnie. Dat schept de grootste democratische kansen. Het kan ook een imperium zijn, waarbij één groep de dominantie voert en de bestaande staat belichaamt.  Dat is het laterale geval. Een imperium is een laterale staat waar één, veelal territoriaal af te bakenen groep dominant is over nog andere etnische groepen. Dat is het Belgische geval en was ook het geval in voormalig Joegoslavië. In het Belgische geval waren de Franstaligen en die Vlamingen die zich daarmee associeerden de dominante groep. In het Joegoslavische geval werd die rol door de Serven vervuld. Bij de Ottomanen waren het Islamitische Turken.

Een stadstaat is een natiestaat, alleen is die van beperkte territoriale omvang.

China, een voorbeeld van zo’n “grotere structuur” dat Verhofstadt aanhaalt, is een natiestaat, die voor 92% uit Han-Chinezen bestaat. Vlaanderen zal nooit homogener zijn.

Bovendien leven vele mensen die nochtans één natie zouden kunnen vormen toch in verschillende natiestaten: zo is het in Afrika.

Verhofstadts begrippenapparaat is hopeloos slordig en bovendien veel te strak hiërarchisch. Zo ontgaat het hem dat de Vlamingen een natiestaat kunnen vormen – dus gedragen door een in Vlaanderen dominante groep mensen die zich prioritair Vlaming noemen – maar toch steun kunnen geven aan een Europese natiestaat, die gedragen wordt door àndere mensen, die zich prioritair Europeaan noemen. Alles hangt af van de wederzijdse verhoudingen, waarvoor we het moeilijke woord “subsidiariteit” gebruiken. Voor hem sluiten stadstaten, natiestaten en datgene waarvan hij de ware aard verzwijgt, droogweg elkaar uit en staan ze in een lineair opgaande reeks, waarbij het laatste, de zogeheten “grotere structuren” de hoogst ontwikkelde vorm zou zijn. De complexiteit van de werkelijkheid ontgaat hem helemaal.

Het onderscheid moet zijn: de volksstaat versus het imperium, dat zo mild kan zijn dat weinigen het herkennen, oftewel volksnationalisme versus staatsnationalisme. De stadstaat is slechts een territoriaal beperkte versie van één van beide.

Hier priemt gelijk ook de klassieke utopische eindtijdgedachte en de illusie dat alles in de wereld altijd “vooruitgang” zou zijn. Als die theorie juist zou zijn, dan is de EU in ieder geval geen lang leven beschoren, wat dan volgt nà de “grotere gehelen” het planetaire stadium.

Dat brengt ons bij het historische.

Hier slaat Verhofstadt de plank zo mogelijk nog meer mis.

Niet alleen bestaat de stadstaat ook vandaag nog (Singapore), maar de antieke Griekse stadsstaten leefden niet op zichzelf: getuige is de Attische Bond. Meer nog: de imperiale staat, die voor Verhofstadt kennelijk de eindfase van de politieke ontwikkeling is, bestond ook in de antieke tijden, onder vorm van het Perzische Rijk.  We vergeten dan voor het gemak de Rijk van de Inca’s, de Azteken, de Tolteken, om over de Babyloniërs en de Assyriërs maar te zwijgen.

Daarmee maken we dus tegelijk komaf met dat utopische denken van Verhofstadt: het geloof aan een heerlijke toekomst. Frank van Dun heeft enkele jaren geleden het gevaar daarvan laten zien. Er bestaat geen politieke eindtijd.

Imperia hebben altijd bestaan. Altijd opnieuw werden ze belichaamd door een machtsgroep die zich met die imperiale staat vereenzelvigde: het Engelse koloniale rijk, het Ottomaanse imperium, Joegoslavië. Overal gingen die imperia weer ten onder, waarbij ze vaak volgens etnische grenzen uiteen vielen. Sommige imperia waren zelfs volgens etnische grenzen georganiseerd. Een recent voorbeeld was de Sovjet-Unie. Waar de etnische principes niet werden gerespecteerd was het hommeles: vraag het maar aan de Koerden!

Het idee dat de EU iets nieuws zou zijn, slaat dus nergens op en evenmin is het waar dat het iets visionairs zou zijn: het is de heruitgave van een oud refrein. Dat refrein luidt dat wie macht heeft, die altijd wil vergroten. Daarom proberen rijken zich altijd uit te breiden en willen rijker altijd rijker worden. Het is een middel om zich te onderscheiden en dus zich beter te voelen, hetgeen wijst op de existentiële aspecten ervan.

Maar Verhofstadt is ook een gevaarlijk man.

Ten eerste om Vlaamse redenen.

Vlaanderen heeft gestreden voor het Nederlandse karakter van Vlaanderen en het scheppen van legitieme en relevante structuren om het leven volgens eigen vormen mogelijk te maken. Door het homogeniteitsprincipe naar de scheurmand te verwijzen, haalt hij een vette streep doorheen de hele culturele en politieke emancipatiebeweging van de laatste tweehonderd jaar.

Ten tweede voert zijn denken naar de 19 eeuw. De veeltaligheid waarover Verhofstadt spreekt houdt geen rekening met de realiteit van het leven. Als verschillende talen door elkaar op één gebied worden gesproken, zal één ervan snel dominant worden. Men vrage het maar aan de Afrikaanssprekenden. Daarmee wordt de mogelijke dominantie van één klasse heringevoerd en grijpt men terug naar de maatschappelijke ordeningsprincipes van voor de sociale revoluties. Het wordt een wereld van rijke, dominante vreemdetaalsprekers die heersen over het gewone, autochtone volk. Verhofstadt is duidelijk een uitdetijdse retrofiguur met veel te veel invloed. Zijn “visie” veegt zowaar de hele emancipatie van de kaart.

De visionair, waarvoor Verhofstadt zich kennelijk houdt, blijkt bij nader toezien een gevaarlijke reactionair te wezen, die, zoals hij al heeft meegedeeld, niet zou aarzelen om “zijn” EU op verre slagvelden oorlog te laten voeren.

Daar is niks visionairs aan.

Dat heeft niks met verandering te maken.

Het is een verwerpelijk jazelfs: macaber staatsimperialisme van het ergste soort.

 

Jaak Peeters

Okt 2012

 

 

De spinsels van een zelfverklaarde visionair

“ De tijd van de natiestaat is voorbij, net zoals die van de stadstaten ooit voorbij ging. De toekomst is aan de grote gehelen, die multicultureel en veeltalig zullen zijn. Het nationalisme dat het principe van één staat = één volk huldigt is voorbij én gevaarlijk, omdat het de noodzakelijke evolutie naar nieuwe tijd hindert.”

Ziedaar de samenvatting van Verhofstadts opvattingen over nationalisme, zoals hij die verwoordde in de ‘toonaangevende’ krant van Vlaanderen – niet toevallig gepubliceerd enkele dagen voor de verkiezingen van 14 oktober 2012.

Verhofstadts ideeën zitten fout en dit op historische, conceptuele én politieke gronden.

Eerst het conceptuele. Voor Verhofstadt is de natiestaat een staatstype, onderscheiden van de stadstaat en dat wat hij “grotere gehelen” noemt, doch die niets anders zijn dan imperia.

Net zoals een bedrijf gedragen wordt door een leidinggevend kader dat de belichaming van de ziel van dat bedrijf is, moet elke staat berusten op het bestaan van een “natie”, dit is: een verzameling mensen – naties zijn op de eerste plaats verzamelingen van mensen – die zich in die mate verenigd voelen dat zij een gemeenschappelijke lotsbestemming politiek vorm willen geven. Zonder een dergelijke dominante natie ontstaat er strijd om de ultieme macht. Dat leidt of tot het vestigen van een soort dictatuur of tot het uiteenvallen van de staat, zoals in het geval van Tsjecho-Slowakije.

Daarom is een staat altijd een natiestaat – maar niet altijd de goede.

Een natiestaat kan een volksstaat zijn, wanneer het beginsel van één staat = één volk dicht benaderd wordt. In de literatuur spreekt men dan over een verticale structuur: de dominantie wordt gevoerd door leden van de eigen etnie. Dat schept de grootste democratische kansen. Het kan ook een imperium zijn, waarbij één groep de dominantie voert en de bestaande staat belichaamt.  Dat is het laterale geval. Een imperium is een laterale staat waar één, veelal territoriaal af te bakenen groep dominant is over nog andere etnische groepen. Dat is het Belgische geval en was ook het geval in voormalig Joegoslavië. In het Belgische geval waren de Franstaligen en die Vlamingen die zich daarmee associeerden de dominante groep. In het Joegoslavische geval werd die rol door de Serven vervuld. Bij de Ottomanen waren het Islamitische Turken.

Een stadstaat is een natiestaat, alleen is die van beperkte territoriale omvang.

China, een voorbeeld van zo’n “grotere structuur” dat Verhofstadt aanhaalt, is een natiestaat, die voor 92% uit Han-Chinezen bestaat. Vlaanderen zal nooit homogener zijn.

Bovendien leven vele mensen die nochtans één natie zouden kunnen vormen toch in verschillende natiestaten: zo is het in Afrika.

Verhofstadts begrippenapparaat is hopeloos slordig en bovendien veel te strak hiërarchisch. Zo ontgaat het hem dat de Vlamingen een natiestaat kunnen vormen – dus gedragen door een in Vlaanderen dominante groep mensen die zich prioritair Vlaming noemen – maar toch steun kunnen geven aan een Europese natiestaat, die gedragen wordt door àndere mensen, die zich prioritair Europeaan noemen. Alles hangt af van de wederzijdse verhoudingen, waarvoor we het moeilijke woord “subsidiariteit” gebruiken. Voor hem sluiten stadstaten, natiestaten en datgene waarvan hij de ware aard verzwijgt, droogweg elkaar uit en staan ze in een lineair opgaande reeks, waarbij het laatste, de zogeheten “grotere structuren” de hoogst ontwikkelde vorm zou zijn. De complexiteit van de werkelijkheid ontgaat hem helemaal.

Het onderscheid moet zijn: de volksstaat versus het imperium, dat zo mild kan zijn dat weinigen het herkennen, oftewel volksnationalisme versus staatsnationalisme. De stadstaat is slechts een territoriaal beperkte versie van één van beide.

Hier priemt gelijk ook de klassieke utopische eindtijdgedachte en de illusie dat alles in de wereld altijd “vooruitgang” zou zijn. Als die theorie juist zou zijn, dan is de EU in ieder geval geen lang leven beschoren, wat dan volgt nà de “grotere gehelen” het planetaire stadium.

Dat brengt ons bij het historische.

Hier slaat Verhofstadt de plank zo mogelijk nog meer mis.

Niet alleen bestaat de stadstaat ook vandaag nog (Singapore), maar de antieke Griekse stadsstaten leefden niet op zichzelf: getuige is de Attische Bond. Meer nog: de imperiale staat, die voor Verhofstadt kennelijk de eindfase van de politieke ontwikkeling is, bestond ook in de antieke tijden, onder vorm van het Perzische Rijk.  We vergeten dan voor het gemak de Rijk van de Inca’s, de Azteken, de Tolteken, om over de Babyloniërs en de Assyriërs maar te zwijgen.

Daarmee maken we dus tegelijk komaf met dat utopische denken van Verhofstadt: het geloof aan een heerlijke toekomst. Frank van Dun heeft enkele jaren geleden het gevaar daarvan laten zien. Er bestaat geen politieke eindtijd.

Imperia hebben altijd bestaan. Altijd opnieuw werden ze belichaamd door een machtsgroep die zich met die imperiale staat vereenzelvigde: het Engelse koloniale rijk, het Ottomaanse imperium, Joegoslavië. Overal gingen die imperia weer ten onder, waarbij ze vaak volgens etnische grenzen uiteen vielen. Sommige imperia waren zelfs volgens etnische grenzen georganiseerd. Een recent voorbeeld was de Sovjet-Unie. Waar de etnische principes niet werden gerespecteerd was het hommeles: vraag het maar aan de Koerden!

Het idee dat de EU iets nieuws zou zijn, slaat dus nergens op en evenmin is het waar dat het iets visionairs zou zijn: het is de heruitgave van een oud refrein. Dat refrein luidt dat wie macht heeft, die altijd wil vergroten. Daarom proberen rijken zich altijd uit te breiden en willen rijker altijd rijker worden. Het is een middel om zich te onderscheiden en dus zich beter te voelen, hetgeen wijst op de existentiële aspecten ervan.

Maar Verhofstadt is ook een gevaarlijk man.

Ten eerste om Vlaamse redenen.

Vlaanderen heeft gestreden voor het Nederlandse karakter van Vlaanderen en het scheppen van legitieme en relevante structuren om het leven volgens eigen vormen mogelijk te maken. Door het homogeniteitsprincipe naar de scheurmand te verwijzen, haalt hij een vette streep doorheen de hele culturele en politieke emancipatiebeweging van de laatste tweehonderd jaar.

Ten tweede voert zijn denken naar de 19 eeuw. De veeltaligheid waarover Verhofstadt spreekt houdt geen rekening met de realiteit van het leven. Als verschillende talen door elkaar op één gebied worden gesproken, zal één ervan snel dominant worden. Men vrage het maar aan de Afrikaanssprekenden. Daarmee wordt de mogelijke dominantie van één klasse heringevoerd en grijpt men terug naar de maatschappelijke ordeningsprincipes van voor de sociale revoluties. Het wordt een wereld van rijke, dominante vreemdetaalsprekers die heersen over het gewone, autochtone volk. Verhofstadt is duidelijk een uitdetijdse retrofiguur met veel te veel invloed. Zijn “visie” veegt zowaar de hele emancipatie van de kaart.

De visionair, waarvoor Verhofstadt zich kennelijk houdt, blijkt bij nader toezien een gevaarlijke reactionair te wezen, die, zoals hij al heeft meegedeeld, niet zou aarzelen om “zijn” EU op verre slagvelden oorlog te laten voeren.

Daar is niks visionairs aan.

Dat heeft niks met verandering te maken.

Het is een verwerpelijk jazelfs: macaber staatsimperialisme van het ergste soort.

 

Jaak Peeters

Okt 2012

 

ontaard socialisme

Je zal het maar beleven: een socialist die in een socialistische krant als de overtuiging van de redactie verkondigt dat een Vlaamse maatregel om de verfransing te stoppen in naam van de vrijheid moet worden opgeheven.

Nochtans is het dat wat de genaamde Steven Samijn – zelf wellicht geen Randbewoner – in zijn commentaarstuk van vrijdag 5 oktober 2012 neerschrijft.

Eerst valt Samijn de manier aan waarop het decreet tot stand is gekomen: als een “koehandel”. Dat is natuurlijk mogelijk, maar Samijn zet daarmee meteen een bepaald toontje bij het begin van zijn stuk, dat er vervolgens op is gericht dat decreet de grond in te boren. Het stuk vangt aan met een venijnige stemmingmakerij. Dat is toch wat socialisten telkens weer aan NVA en Vlaams Belang verwijten? Kennelijk zijn de rode broeders zelf niet vies van de streken die ze anderen aanwrijven.

Maar dat terzijde: je kunt het bezien als partijpolitieke retoriek met het zicht op de naderende verkiezingen.

De manier waarop een decreet tot stand is gekomen doet echter niets af van de waarde ervan. Met andere woorden: het gekraai over koehandel van Samijn had al beter niet in zijn stuk gestaan. Dat zou de kwaliteit van zijn pleegsel zeer ten goede zijn gekomen.

Een andere kwestie is zijn constatering dat het decreet weinig heeft opgelost. Hij noemt het een “symbooldossier”. Ook hier weer: een curieuze vorm van redeneren. Het decreet moge dan niet het verhoopte effect hebben gesorteerd: dat maakt het nog niet tot een symbooldossier.

Onder “symbooldossier” wordt meestal verstaan: een dossier van grote emotionele waarde zonder veel inhoud.

Dat is het dus duidelijk niet. Het is echt geen symbooldossier en dat dergelijke smalende opmerkingen vloeien uit de pen van iemand die geacht wordt het socialisme te verdedigen, doet levensgrote vragen rijzen.

Samijn moet toch weten dat er in en rond Brussel een massaal proces van sociale verdringing gaande is? Het moet hem, als socialist, toch allemaal heel bekend voorkomen: een jong koppel hoopt in de eigen gemeente een lapje grond te kopen om er op te bouwen, maar constateert dat de prijzen zo hoog liggen, dat hen niets anders overblijft dan twintig kilometer verderop een betaalbaar lapje te gaan zoeken. Die realiteit doet zich elke dag voor. Het jonge paar wordt daardoor een leven lang benadeeld. Het wordt namelijk veroordeeld tot grotere en langduriger woon-werkverplaatsingen. Bovenop komt de dure kinderopvang, waarvan de kosten natuurlijk oplopen naarmate de opvang langer duurt. Met de files overal kan dat behoorlijk wat worden.

Waarom werden de prijzen in de eigen gemeenten zo hoog?

Liberalen antwoorden met hun eeuwige slagwoord: “ de werking van de markt”. Die “markt”  is echter een van de gemeenste verhullende uitdrukkingen van de laatste eeuw. Wat is dat, “de markt”?

Die zogeheten markt is niets anders dan een niet op die manier benoemde verzameling van lieden die bereid zijn en vooral in de mogelijkheid verkeren voor een lapje grond meer geld neer te tellen dat ons hoger vernoemd koppeltje of in het algemeen de modale mens. De “markt” is dus geen naamloos en blind werkend “mechanisme” zoals liberalen beweren, maar niets anders dan de uiting van de financiële overmacht van een bepaalde groep.

Laat die groep nou toevallig voornamelijk uit Franstaligen en Eurocraten bestaan. Lieden die er geen been in vinden om hun eigen taal op te dringen bij de bakker en de slager en zich geen moer aantrekken van de hooggestemde principes in de taalwetten – die nochtans mee door Franstaligen werden opgesteld en ondertekend en in Zwitserland al eeuwen voor vrede zorgen.

Deze dames en heren beroepen zich op de vrijheid – recentelijk dus op de vrijheid van vestiging volgens het nieuwsoortige “recht” van de Europese unie. Iedereen is vrij om te gaan wonen waar hij wil toch?

Niet alleen is dat principieel niet waar, doch er is hier geen sprake van “vrijheid”. Het jonge koppel is helemààl niet “vrij” om zich waar dan ook te vestigen. Het wordt integendeel zelfs in de onmogelijkheid gesteld om die vrijheid uit te oefenen, doordat anderen gronden wegkapen tegen een prijs waar werkende mensen niet aan kunnen. De Europese “advocaat-generaal” die zich op het vrije vestigingsrecht beroept, maakt hier dus met de ene vrijheid die van anderen ongedaan.

Omdat de ene vrijheid die van anderen opheft, werden in het verleden de sociale wetten ingevoerd. Immers, uit naam van dezelfde vrijheid als die waar Franstaligen en de betreffende advocaat-generaal  zich vandaag op beroepen, werden vrouwen en kinderen tegen de “marktprijzen” tewerk gesteld. Ook hier weer gold dat de term “markt” een rauwe, onmenselijke werkelijkheid verhulde en wegstopte onder het door iedereen onderschreven principe van de vrijheid.

Alleen gold die vrijheid slechts voor wie geld had.

Welnu: precies hetzelfde doet zich thans voor ten aanzien van de vestiging van autochtonen in hun eigen gemeente. Het is de decreetgever te doen geweest een halt toe te roepen aan deze sociale verdringing.

Dat een hoofdredacteur van een zichzelf links noemend blad als Samijn helemaal meegaat in de kapitalistische liberale logica van de vrije markt en daarmee het liberaal-kapitalisme van de EU kritiekloos ondersteunt, toont hoever het socialisme is weggedreven van zijn ontstaansbasis.

Als Samijn kan staven dat het decreet een slag in het water is moet hij dat doen, zodat de decreetgever betere instrumenten kan uitwerken. Zodoende zou Samijn binnen de logica blijven die voor een socialist aantrekkelijk is.

Wat hij nu predikt is vanuit een socialistisch standpunt pure ontaarding.

 

Jaak Peeters

Oktober 2012

 

 

 

Journaille 2

Verschillende lezers van Doorstroming hebben erop gewezen dat de term journaille een uitvinding is van Jozef Goebbels.

Dat is interessant, want die man had verstand van demagogie. Alleen al daarom is het de moeite om op dit onderwerp nog even door te gaan.

In september van dit jaar betoogden zowat anderhalf miljoen Catalanen voor onafhankelijkheid. Herinnert iemand zich een artikel daarover in onze pers? Die lieden die zeggen Europees te denken, vinden het kennelijk niet nodig om een massamanifestatie die gericht is op de staatkundige grondstructuren van Europa te vermelden. De analyses van de kranten hadden er dagenlang bol van moeten staan. Veel belangrijker dan het gedaas van een mislopen Gentse ex-premier! Zo dringt zich de vraag op wat zij met Europa dan bedoelen en waarom zij zich Europeesgezind voorstellen, als dat soort fundamentele kwesties hen niet eens interesseert?

Onlangs gaf de opperbevelhebber van het Portugese leger een verklaring uit waarin hij onomwonden stelling nam in het debat omtrent de door Europa en het IMF opgelegde besparingen en verklaarde dat het leger achter de belangen van het Portugese volk staat.

Dat is zoveel als dreigen met een “volksstaatsgreep”. Iets over gelezen? Iets in de commentaren, misschien?

In IJsland heeft de zowat hele bevolking de regering tot ontslag gedwongen en haar opvolgers verplicht om de condities voor de terugbetaling van de leningen aan banken te herdefiniëren. De democratie echt aan het werk. Commentaren over gelezen?

Waarom staat de perswereld niet op haar kop, nu Leterme, inmiddels topambtenaar en dus geacht zich neutraal op te stellen, in West-Vlaanderen massaal voorakkoorden blijkt te helpen sluiten om zijn partij overal mee aan de macht te houden? Dit soort dingen is, zou men toch zeggen, voor de gezondheid van het democratisch proces oneindig belangrijker dan de weigering van Dewever om een tweederangsjournalist een interview toe te staan – wat trouwens Dewevers goede recht is.

En waarom brengt de onverantwoord interessante krant van Europees niveau uit Groot-Bijgaarden – vroeger met het AVV-VVK getooid – niets over de publicaties van de in Groot-Brittannië erg bekende Frank Furedi? Deze socioloog legt zich toe op het onderzoek van de vooroordelen van de Britse intellectuele en politieke klasse ten aanzien van de “gewone man”. Dat is, zou men zeggen, toch een “linkse” opstelling?

Neen, hoor! Want Furedi laat zien hoezeer de heersende klasse in zijn land misprijzen opbrengt voor wat zij “de gewone man” noemt. Die gewone man – waaronder honderdduizenden hooggeschoolden nota bene!-  wordt bekrompen en achterlijk genoemd. Furedi heeft kritiek op de allesoverheersende betekenis van de dada’s van de heersende groep: de multiculturele maatschappij, het onbelang van de eigen natie, het onbelang van familie en gezin, het onbelang van wat duizenden jaren lang als “normaal” werd beschouwd. Wat meer is: volgens Furedi ménen deze hoogverheven dames en heren ook echt dat het gewone publiek hopeloos bekrompen en achterlijk is en daarom niets beters verdient dan simpelweg overheerst te worden.

Uit de analyses van Furedi leren we ook dat het journaille niet alléén opereert: het maakt deel uit van een complex netwerk waartoe docenten en maatschappelijke activisten behoren plus een stel politici.

Dat netwerk acht zichzelf dus kennelijk verheven boven de massa van het volk, ook al bevat die massa veel meer intelligentie dan hun hele netwerk in het kwadraat.

Ze vinden er dan ook geen been in om die massa monddood te maken – integendeel zelfs: het hoort zo. Nieuwsgaring, medialeven, intellectueel debat: dat is hun speelveld.

En zodoende vinden ze het heel normaal dat recent nog zowel VTM als Knack een linkse hoofdredacteur kregen, nadat zulks eerder al was gebeurd met de staatszender, de kranten van de vroegere VUM en de Concentra-kranten. Het komt hén toch allemaal toe?

En evenmin vinden ze er een been in om rond een hele politieke strekking een cordon te leggen. ZIJ hebben immers gelijk. Het komt hén toen te bepalen wat anderen moeten denken.

Orwell tot leven gewekt.

Brengt hun gedoe dan kwaliteit?

Was dat maar zo!

Als een relschopper als Tom Lanoy een wind laat, levert dat grote artikels in hun bladen op. Maar zoals uit de voorbeelden hierboven blijkt, ontgaat hen het belang van gebeurtenissen die wel eens diepe impact zouden kunnen hebben.

Ze noemen zich links, maar vergeten dat links op de eerste plaats betekent: emancipatie. En ze schijnen maar niet in de gaten te hebben dat die emancipatie onvolledig is, zolang die niet ook politiek is, zodat bijvoorbeeld ook het Vlaamse volk geëmancipeerd hoort te zijn. Wie echter dààrvoor uitkomt, wordt uitgescholden voor extreemrechts of dat soort fraais. Koen de Bauw weigert de rol van Bart Dewever te spelen en een andere arrogantie weigert een prijs aan te nemen uit de handen van de voorzitter van een nochtans democratisch verkozen parlement.

Ziedaar hun ruimdenkendheid.

Ze noemen zich links, maar het ontgaat hen dat de EU steeds meer ingenomen wordt door de leiders van grote bedrijven. Nog zeer onlangs zei de CEO van DSM dat àlle verschillen in reglementen binnen Europa moeten verdwijnen. Weg staten. Weg volkeren. Weg regionale autonomie. Totale voorrang aan de winstmaximalisatie. Kranten zouden hierover in het lang en het breed moeten uitweiden, want emancipatie is ook vrijheid ten aanzien van de betrokken kapitalistische bedrijfsleidingen.

Wie dergelijke nochtans wezenlijke dingen te weten wil komen, moet op zoek in de rand van het nieuws.

Zelfs hun taalgebruik verdient het predicaat “kwaliteit” niet. In het onverantwoord interessante kwaliteitsblad uit Groot-Bijgaarden staat te lezen dat een landbouwer ernstig gekwetst werd toen hij in een put viel.

Sommige mensen denken bij dit alles meteen aan een complot.

Zover hoeft men het niet te zoeken. Het gaat om wat men in de psychologie cognitieve dissonantie noemt. Leon Festinger wist er alles van. Wie erbij wil zijn en van collega’s schouderklopjes wil krijgen, moet zien dat hij zijn opvattingen, ideeën, gevoelens en attitudes aanpast aan de heersende strekking. Anders wordt de spanning te groot of wordt men eruit geduwd. Van buitenaf bekeken lijkt zulks op een complot, maar het is gewone psychologie, zoals marketeers zeer goed weten.

Het toont hoe irrationeel de mens is en hoe gevaarlijk hij wordt als macht en hebzucht elkaar vinden, ook al is die macht ‘slechts’ ideologische macht en de hebzucht slechts het verlangen naar streling.

De conclusie is duidelijk.

Onze democratie staat voor een enorme uitdaging: het opzij schuiven van het journaille, zodat het ware volksleven weer terug in onze media weerspiegeld wordt. Mislukt dat, dan rest ons alleen nog de Orwelliaanse nachtmerrie waarin zelfs de sterke levenskracht van de laatste wilde op de lange duur verstikt raakt.

 

Jaak Peeters

Oktober 2012

Journaille

Of het woord effectief bestaat in het Frans, weet ik niet. Ik vind het in ieder geval niet meteen in het woordenboek. Maar het is voor iedereen duidelijk wat ermee wordt bedoeld: het is de verzamelterm voor een stel zichzelf journalist noemende figuren, die het bij de uitoefening van hun professie met de deontologische regels niet zo nauw nemen. Er spreekt een zekere afkeuring en zelfs enig misprijzen uit de term.

De vraag is dan natuurlijk: welke zijn die deontologische regels dan wel?

Het is duidelijk dat er tenminste twee types van journalisten bestaan en dus ook twee verschillende stellen van deontologische regels.

Om te beginnen heb je de reporter. Hij is de man resp. vrouw die verslag doet over een of ander feit dat als “nieuws” kan worden aangemerkt. Er vallen hier nogal wat overwegingen te maken. Bijvoorbeeld: kan de journalist selectief zijn in het doen van verslag, of hoort hij te trachten zo volledig mogelijk te zijn of alles wat hem onder ogen komt tot nieuws te promoveren? Het antwoord erop zal genuanceerd zijn, maar niemand twijfelt eraan dat er wél spelregels in acht moeten worden genomen. Zo is het niet erg deontologisch dat een kermiskoers in Achterhoven-kerk op de voorpagina terechtkomt en het nieuws over de begroting van de Vlaamse regering op de zevende bladzijde. Het is evenmin verantwoord om stukken uit een geheel te selecteren en andere te verzwijgen, om zodoende bij de lezer een indruk op te roepen die niet overeenstemt met de geest van wat zich feitelijk heeft voorgedaan. Voorts mag men van een reporter verwachten dat hij zich onthoudt van beoordelende opmerkingen bij zijn verslag.

Dat zijn nogal hoge eisen en het is menselijk gesproken erg moeilijk om er telkens weer aan de voldoen. Bijgevolg is de reportersstiel niet voor iedereen weggelegd.

Er is ook politiek gekleurde journalistiek. Columnschrijverij, zeg maar.

Dit soort journalistiek is zinvol, waar ook in dit geval weer zijn een aantal opmerkingen op hun plaats.

Ten eerste kan de columnschrijverij niet altijd dezelfde ideologische kleur hebben, want dàn klopt er kennelijk iets niet.

Ten tweede moet de schrijver duidelijk maken dat hij niet aan verslaggeving doet, maar dat hij zijn eigen, gekleurde mening neerschrijft.

Ten derde verlaat de journalist die zich aan dit soort journalistiek begeeft de rangen van de plechtstatige, officiële journalistiek en vervoegt hij de bent van de columnschrijvers in den lande. Dat betekent dat hij geen enkel recht kan puren uit zijn status van journalist en dus ook niet mag verwachten dat zijn schriftuur hoger wordt aangeslagen dan de pleegsels van andere columnschrijvers.

Het spreekt vanzelf dat media tussen beide vormen van journalistiek een scherp onderscheid moeten maken.

Welnu: op verschillende manieren wordt er tegenwoordig tegen deze simpele, door een even simpele leek neergepende regels gezondigd. Of dat vandoen heeft met het wegvallen van het sacrament van biecht weet ik niet, maar het lijkt erop dat dit soort zonden hand over hand toeneemt.

Neem nu een persoonlijk experiment.

Op verschillende manieren werden er op verschillende fora van een bepaald, zichzelf kwaliteitskrant noemend blad bijdragen geplaatst, echter telkens onder dezelfde naam. Vreemd genoeg mocht geen enkele bijdrage het licht zien. Aan de andere kant prijken de bijdragen van een aantal andere figuren telkens weer, voor verschillende onderwerpen en  met telkens dezelfde namen.

Dat wekt de indruk dat de redacteur in kwestie er een persoonlijke vriendenkring op na houdt, al dan niet met de bedoeling zijn eigen ideologische overtuiging extra te doen onderstrepen. Het bedoelde experiment werd niet één keer, maar verschillende keren uitgevoerd. Welke rol speelt de redacteur in dit geval? Die van reporter – het verslag (laten) doen van wat er leeft, of die van politiek gekleurd activist?

Het is vreemd hoe in een ander zichzelf kwaliteitskrant noemend blad commentaarschrijvers altijd weer de figuur van Bart Dewever of zijn partij onder vuur nemen, maar haast nooit vragen stellen bij de opstelling van bijvoorbeeld Groen. Een ruwe telling  levert een ratio op van zowat 30 tegen 1. Dat is geen toeval, maar bewuste keuze. Natuurlijk kàn dat, maar wààr ergens komt dat blad ervoor uit dat het zich op die manier opstelt?

Redacties slingeren nogal eens met de opinie van hooggeleerde dames en heren uit de academische wereld. Maar ook hier weer is de selectiviteit opvallend. Niet alleen gaat het om telkens weer dezelfde geleerde figuren, maar àls er dan eens een illustere onbekende door de mazen glibbert , blijkt die een eentalig Engels curriculum te voeren, nota bene voor filosofie, waarmee hij toont géén filos sofia te wezen, maar een publicatiejager, die effe is vergeten dat hij ook plichten heeft tegenover de gemeenschap die hem de kans gaf een ‘Ph. D.’ te halen. Frans de Waal – om maar een voorbeeld te noemen – laat wat anders optekenen. Nochtans wordt zo iemand opgevoerd, vanzelfsprekend weer om de kiezer vooral te behoeden voor een foute stem die kennelijk vooral niet Vlaamsbewust mag wezen. Een andere interpretatie laten sommige schrijfsels echt niet toe.

Wat is dat voor een journalistiek waarin in dezelfde krant dezelfde persoon nu eens het verslaggeverspetje op staan heeft en op de volgende bladzijde als een geëngageerd columnschrijver uit de hoek komt? Begrijpen die mensen dan niet dat er zodoende een probleem van geloofwaardigheid ontstaat?

En waarom verschijnt er niets, maar dan ook niets over de verzuchtingen van een partij waarvoor men het misschien niet heeft, maar die toch honderdduizenden kiezers vertegenwoordigt? Waar zit hier de verslaggeving?

En dezer dagen maken we mee dat een journalist vragen stelt in de zin van “Waarom stigmatiseert U een hele volksgroep?” en dan verbaasd staat als de bevraagde het vertikt daarop de antwoorden. Die journalist schijnt wel te denken dat hij de Inquisitie moet herinstellen. Wat hier immers gebeurt is iemand betichten van stigmatisering en hem vervolgens vragen naar zijn motieven. Dat is het werk van de rechtbank. Niet van een tweederangsjournalist. En neen: de journalist heeft niet in alle omstandigheden het recht om gelijk welke vraag te stellen. Dat hangt namelijk af van de rol die hij wil spelen. Afhankelijk van die rol staat het de andere partij vrij om in te spelen of er het zwijgen toe te doen.

Dit zijn voorbeelden van het door elkaar halen van twee types van journalistiek of het niet naleven van de regels ervan. Het roept het beeld op van een journalistenbent dat kennelijk zijn eigen deontologie niet meer kent of er bewust een loopje mee neemt.

Zoiets noemt men inderdaad journaille.

 

Jaak Peeters

Sept 2012

 

Het onduidelijke verhaal van de CD&V

De heer Beke heeft het podium beklommen en vervolgens verkondigd dat de partij die hij voorzit “geen duidelijk verhaal” heeft. Rik Torfs, zoals wel vaker van geen straf woord vervaard, doet daar nog een schep bovenop door te verklaren dat de politieke christendemocratie in Italië inmiddels al verdwenen is en in Nederland tussen hangen en wurgen zit. Als er geen duidelijk verhaal komt, dan stapt hij op.

Terloops wist de heer Torfs op te merken dat je er toch niet omheen kunt dat de heer Di Rupo de premier van een vreemd land is.

Wie dat alles leest, gelooft zijn eigen ogen niet.

De heren Beke en Torfs zijn beide hoogintelligente lieden, beiden overigens werkzaam aan de eertijds katholieke universiteit van Leuven. Desondanks komen ze wel erg laat tot een constatering die verschillende figuren uit de door Verhofstadt voor extreemrechts uitgekreten N-VA al veel eerder al maakten. N-VA begreep het en schiep zelf een duidelijk verhaal. Toegegeven: de oppositierol helpt in dergelijke dingen altijd wel een beetje. Maar niettemin: een partij die al twee jaar op rij in zowat elke opiniepeiling de hoogste ogen gooit en daarbij systematisch altijd weer haar  zelfde verhaal vertelt, die geeft toch, zou je zeggen, het voorbeeld?

Waarom moet het dan twee jaar duren vooraleer de christendemocratische concurrentie ontdekt dat ze geen duidelijk verhaal kan brengen?

Niemand buiten die partij zal het antwoord op die vraag met zekerheid kunnen geven, maar de mogelijkheid bestaat dat een partij, die uit vele groepen en strekkingen is opgebouwd, het altijd moeilijk heeft om een algemeen aanvaard, sluitend en tegelijk wervend verhaal op te bouwen. Zowat elke strekking tracht immers het laken naar haar kant te halen, waarop andere strekkingen vervolgens vinden dat ze ondervertegenwoordigd zijn en meer macht eisen of eisen dat hun eigen verhaal beter in de verf komt.

Een partij die bijna de helft van de Vlaamse kiezers vertegenwoordigt heeft parlementsleden genoeg om elke strekking tevreden te stellen. Maar als de partij wordt aangevreten en terugvalt op minder dan de helft van haar vroeger aantal parlementsleden, is de vertegenwoordiging van elke strekking binnen die partij niet langer gegarandeerd.

Dat schept ongenoegen, lokt discussies en zelfs conflicten uit en leidt daardoor de aandacht af van wat de tegenstrever aan het doen is.

Men vraagt zich af waarom een partij, waarin zovele hooggeleerde dames en heren zitting voeren, die analyse niet veel eerder heeft gemaakt, temeer daar ze niet eens origineel is.

 

De CD&V hàd een duidelijk verhaal. Het heette: christelijk, democratisch en Vlaams.

Maar het christelijke is als bindmiddel in een seculariserende maatschappij niet langer stevig genoeg om verschillende tegenstrijdige belangen binnen een partij te overkoepelen.

Als gevolg daarvan tasten de daardoor ontstane machtsgevechten ook de democratie aan. Wat erger is: het kritiekloze eurofiele verhaal van een aantal CD&V-figuren bulkt niet bepaald van democratische ijver. Europa is geen democratisch project: dat weet zowat iedereen.

En het Vlaamse element?

De CD&V zelf zal moeten toegeven dat dit gedeelte van het centrale verhaal in haar rangen zeer zwak is geworden. Dat komt mede doordat ongebonden figuren destijds de Vlaamse vlag konden dragen en zo de CD&V tenminste een Vlaams imago verschaffen. Maar het aantal ongebonden figuren is zeer klein of onbestaande geworden: de partij heeft zo weinig parlementsleden dat ze moeite heeft om al haar strekkingen tevreden te stellen. Er is geen ruimte meer voor “ongebondenen”. En dus wordt de Vlaamse vlag niet langer gedragen.

Haast cynisch-verhelderend is het recente BHV-akkoord. Dat werd door de Vlaamse Beweging met gegronde argumenten afgeschoten, waarop de partij de zwakke Verherstraeten in het veld stuurt om te komen verklaren dat die kritiek onjuist is. Zonder verdere argumentatie. Op datzelfde ogenblik verbieden de Franstaligen de start van de Gordel, die al dertig jaar op dezelfde plaats van start gaat. Als teken van succes kan dat inderdaad tellen, doch helaas niet voor de CD&V-onderhandelaars.

Wouter Beke is een socioloog. Het is verbazend dat hij er kennelijk niet in slaagt om de hier geschetste problemen uiteen te leggen, althans: niet voor zover buitenaf bekend is.

Natuurlijk heeft een partij een verhaal nodig. Dat verhaal is niets anders dan de volkse formulering van haar kernmissie: “ wat is de rol van deze partij in het Vlaanderen van vandaag?” Zonder een duidelijk antwoord op deze vraag weten de kiezers niet langer waarom ze voor die partij zouden stemmen en lopen ze weg, naar partijen toe die wel een duidelijke kernmissie weten te formuleren.

 

Hoe zijn de kansen voor een partij als de CD&V dan?

Beke moet toch inzien dat godsdienst zoals gezegd niet langer een bindmiddel kan zijn om een partij zoals de zijne bijeen te houden? Zelfs de KU van Leuven heeft het christelijke in haar benaming tussen haakjes geplaatst. Iedereen noemt zich democratisch, dus dat is ook al niet onderscheidend. En natuurlijk heeft Torfs gelijk als hij constateert dat Di Rupo premier van een vreemd land is. Alleen: dat werd hem al vaak vanuit Vlaamsnationale hoek voorgezegd. Men ziet niet in hoe een hertaalde Christendemocratische partij de Vlaamsnationalen in hun core kan voorbijsteken.

Derhalve ziet het er niet goed uit voor de CD&V.

Er blijft namelijk niets meer over dat onderscheidend is.

 

De waarheid is, dunkt ons, dat onze westerse maatschappijen ten gronde veranderd zijn. De breuklijnen zijn anders gaan lopen, hoewel er sommige ook gebleven zijn. Misschien is er gewoon geen behoefte meer aan confessionele partijen. Dat zou verklaren waarom die partijen overal in Europa verdwijnen. Misschien hebben we eerder behoefte aan zoiets als een travaillistische partij die opbokst tegen een democratisch-liberaal-nationale partij.

Bovendien is Vlaanderen zelf veranderd. Het is een eigen, aparte democratie geworden, hoezeer sommige reactionaire figuren in bepaalde zichzelf kwaliteitskrant noemende bladen en in de staatszender hun best doen om de Belgische democratie te promoten.

Een nieuw overkoepelend bindmiddel is de nationale idee. Niet de verkrampte, strijdende versie die in het Vlaams Belang de overhand heeft, maar de strekking die uitgaat van het bestaan van Vlaanderen als een gegeven feit en zich resoluut aan de uitbouw van haar land wil zetten. Alle hedendaagse problemen die mensen bezighouden, worden daarbij opgevoerd en zodoende wordt zo’n partij per definitie de nieuwe volkspartij.

Alleen zal ze moeten opletten dat ze zich niet laat vangen aan een vorm van goedkope eurofilie, omdat het volk Europa steeds meer als een tegenstander ziet.

Maar dat is een ander verhaal.

 

 

Jaak Peeters

Sept 2012