Een moderne leer en veel werk.

Sinds het verschijnen van Ernest Gellners naties en nationalisme wordt deze auteur in nationalistisch denkende milieus nogal eens ingedeeld bij de tegenstanders van het nationalisme. Zelf heb ik dat ook zo altijd aangevoeld. Misschien is zijn naties en nationalisme wat militanter geschreven, want in zijn Culture, Identity and Politics, dat enkele jaren later verscheen en waarvan voor zover bekend geen Nederlandse vertaling voorhanden is, klinkt hetzelfde verhaal veel neutraler en aanvaardbaarder.

Ik zal trachten zijn verhaal hierna kort samen te vatten.

Daarna zal ik trachten wat kritische noten aan te brengen.

Het geheel brengt ons tot enkele enigszins verrassende conclusies.

 

Dat wat men nationalisme noemt, is het pure gevolg van de moderniseringsprocessen sinds de ontplooiing van de technische beschaving, dus: sinds zowat de achttiende eeuw. Gellner, die kennelijk nogal taalkundig gericht is, licht deze stelling toe door het verhaal van de dialecten te vertellen. In een wereld, waarin mensen opgesloten zitten in een vast traditioneel maatschappelijk patroon, kunnen dialecten zich handhaven. Zodra echter een wereldbeeld postvat waarin economische en wetenschappelijke groei centrale waarden zijn, wordt vernieuwing en innovatie een belangrijk principe. Vervolgens komt daaruit dan weer voort dat mobiliteit – in zowat alle betekenissen – sterk toeneemt, en die mobiliteit veegt de kansen van de dialecten van tafel. Standaardisatie wordt immers noodzakelijk, temeer daar een dergelijke cultuur algemene scholing vereist en omgevormd wordt tot een literaire cultuur. Tegelijk worden de oude, traditionele banden verbroken, ook weer als gevolg van de mobiliteit. Op die manier wordt de cultuur, die voorheen als vanzelfsprekend en daarom voor het zicht van de mensen verduisterd was, nu een punt van bijzondere aandacht. Wie in de vigerende, gestandaardiseerde cultuur goed mee is, verhoogt zijn kansen. Cultuur wordt dus een waarde op zich. Nationalisme is geboren, stelt Gellner.

Alles wel beschouwd brengt de modernisering dus een scherpe selectie onder de plaatselijke idiomen. Er zijn er immers veel te veel. Welnu, zegt Gellner: slechts enkele idiomen overleven, maar worden vervolgens goed gedefinieerd en afgelijnd. Heel vaak wordt het winnende idioom door hun aanhangers gekozen.

Zodoende, zegt Gellner, heeft Renan gelijk: er bestaat een soort onafgebroken plebisciet, vermits het volk beslist welk idioom zal vigeren.

Omgekeerd is er ook een soort geheugenverlies werkzaam: de herinnering aan de oude dialecten en bijhorende tradities slijt en gaat verloren.

Gellner verklaart dat een cultuur zichzelf in het leven kan roepen zonder de steun van een dynastie of een staat – en iedereen herkent hier het Vlaamse geval. Maar elke cultuur, hoe die ook is ontstaan, zal ernaar streven de noodzakelijke politieke instituties te scheppen opdat de culturele infrastructuur, die een moderne cultuur nodig heeft om te bestaan, zou kunnen worden ontwikkeld.

 

Er zitten verschillende vragen en kritische opmerkingen verborgen in deze nogal brutale samenvatting van Gellners leer over het nationalisme.

Hierna worden er enkele gegeven, zonder volledigheid na te streven.

Ten eerste: Gellner maakt weinig onderscheid tussen twee ontstaansbronnen van de moderne nationale staat. De eerste is welke door Gellner wordt beschreven en die door nationalisten nogal eens volksnationalisme wordt genoemd. Een cultuur gaat vooraf aan de staat, die nadien vorm krijgt op basis van de eisen die de centrale cultuur stelt. De tweede bron is die waar een centrale, al bestaande staatsmacht haar cultuur oplegt aan andere, perifere culturen. Nationalisten spreken dan van staatsnationalisme. Dit laatste is het Belgische geval in 1830, waar een  Franstalige natie haar cultuur aan de Vlamingen wou opleggen en de Vlaamse cultuur uitroeien.

Maar is daarmee alles gezegd?

Neem het Franse geval. Frankrijk wordt vaak het voorbeeld van een staatsnatie geheten. Weber heeft echter aangetoond dat deze visie verre van vanzelfsprekend is. De Franse staatsnatie is namelijk een imperialistische uitbreiding van een reeds bestaande proto-natie in Ile-de-France. Omstreeks 1850 sprak niet eens de helft van de Franse staatsburgers Frans! Dus is die fameuze Franse staatsnatie in haar oorsprong eigenlijk een… volksnationale staat, die zich te buiten gegaan is aan imperialisme.

In het Belgische geval is er een evolutie van één staatsnatie naar twee staatsnaties, die beide berusten op één centrale cultuur, en die elk wars zijn van een perifere positie.

Het komt me voor dat over deze kwestie het laatste woord verre van gezegd is. Nationalisten zouden, hier aangeland, nu aan de slag moeten en deze materie verder uitspitten.

Ten tweede: Wat is de betekenis van het zogeheten selectieproces waarover Gellner spreekt? Als de Vlamingen besloten hebben om naast hun dialect tenminste een standaardtaal te leren, gaat het hier dan om een selectie pur sang? Of moeten we eerder spreken over iets dat als een deken bovenop het bestaande wordt gelegd? Zodoende gaat er minder verloren dan Gellner suggereert. Daarbij zouden we dan oog in oog komen te staan met een zuiver democratisch proces – een bewuste beslissing. Met andere woorden: welk is de rol van de grotendeels onbewuste processen die Gellner schijnt te veronderstellen? En wat betekent het dat een winnend idioom wordt gekozen? Wat is de rol van machtsprocessen? Brengt de aandacht die het culturele zelf krijgt in de periode van de modernisering niet uit zichzelf mee dat de rol van onbewuste processen afneemt? Is dat specifiek voor wat als nationaal geldt? Als dat zo is, in het zaak te weten hoe de beslissingprocessen zelf verlopen en hoe de uiteindelijke beslissing tot stand is gekomen. Alweer een taak voor nationalistische theoretici.

Ten derde: Gellner beweert terecht dat een cultuur zichzelf in het leven kan roepen zonder de hulp van officiële machtsstructuren. Hoe gaat dat precies in zijn werk? Maar vooral rijst dan de vraag of nationalisten dan niet het gelijk fundamenteel aan hun kant hebben, als ze beweren dat een natie uit de verre nevelen van de oudheid opdoemt.

Als het begrip ‘natuurlijk’ namelijk iets betekent, bijvoorbeeld zoiets als: “ wat zonder bewuste ingreep van mensen tot stand kwam”, dan steekt er een natuurlijk element in élke vorm van nationalisme – ook in het staatsnationalisme, zoals het voorbeeld van Ile-de-France laat zien. De vraag is dan: wat betekent het als we zeggen dat België een kunstmatige staat is en Vlaanderen iets natuurlijks? Het antwoord lijkt iets te moeten zijn zoals: België is een kunstmatige staat voor de Vlamingen, omdat hij niet het politieke uitvloeisel van hun eigen cultuur is. België is echter een natuurlijke staat voor de Franstaligen.

Als dit juist is, is hiermee het doodvonnis van de staat België getekend.

Bovendien zit er toch nog een andere ‘knoop’ in Gellners verhaal. Dat suggereert namelijk een breuk met het verleden bij het ontstaan van een nieuwe cultuur. Oude, gegroeide banden verdwijnen als gevolg van de toegenomen mobiliteit. Maar niettemin slagen sommige culturen erin zichzelf te vestigen als een moderne, volwaardige cultuur. Hoe moeten we dit allemaal verstaan?

 

De op zichzelf interessante analyse van Ernest Gellner roept dus tal van nieuwe vragen op. Vele van deze vragen hebben een reële betekenis voor het concrete politieke leven. Daarom dringt zich de conclusie op dat de afwezigheid van nationalistische denkers en auteurs in het debat over deze kwesties niet mag blijven voortduren.

Er is nog een tweede, hoogst verrassende conclusie.

Als Gellner gelijk heeft met het verband dat hij legt tussen de modernisering en de opkomst van de nationale gedachte, dan is het nationalisme niet een relict uit het verleden, zoals sommige schrijvers beweren, maar dan is het nationalisme een hoogst moderne leer.

Ten derde rijst de vraag hoe de toekomst er zou kunnen uitzien, als de planetarisatie die we vandaag meemaken verder doorgaat. Zal er een soort wereldcultuur ontstaan, zoals Toulmin beweert? Of zal de wereldmassa van 7 miljard mensen veel te groot zijn om ook maar enigszins overzichtelijk te zijn, zodat die wereldcultuur zich beperkt tot coördinatie en de gevolgen van de commercie, doch voor het overige uiteenvalt in verschillende …jawel: nationale culturen?

Nationalisten hebben, me dunkt, nog veel werk voor de boeg.

 

 

Jaak Peeters

Dec 11

van 25 naar 20.000

Het weze me voor één gegund een ontboezeming te brengen over mijn persoonlijke politieke ‘carrière’. Nou ja, het woord ‘carrière’ is niet meteen de juiste term, maar kom. Nu ik mijn politiek pensioen heb opgenomen is het mogelijk wat afstandelijker te kijken naar een project waaraan ik zelf zoveel tijd heb besteed.

Toen  de partij die nu de grootste van Vlaanderen heet te zijn boven de doopvont werd gehouden onder de vorm van een ‘project’, namelijk het ‘Project Vlaams-nationaal’ van Geert Bourgeois, leenden 25 personen hun handtekening om de start van wat later een partij is geworden mogelijk te maken.

Van ‘leden’ in de strikte zin van het woord was toen niet echt sprake. De 25 bedoelde personen waren de officiële indieners van het genoemde Project. De vergelijking van deze 25 met het huidige aantal van zo’n 20.000 leden voor de betrokken partij klopt dus niet helemaal.

Maar voor wie, zoals schrijver dezes, zijn handtekening in het lijstje van de originele 25 weet prijken, is het moeilijk om deze twee cijfers niet met elkaar in verband te brengen.

Wat dreef ons, die 25? Achteraf bekeken blijkt dat niet zo makkelijk om zeggen. Zonder in de naam van anderen te willen spreken: er was sprake van een mengeling van boosheid en een hardnekkige wil tot doorzetten. Het grondthema was de ontvoogding van dit deel van het volk van de Nederlanden, het bewaren van de integriteit van zijn gebied en de geestelijke en culturele verheffing van de bevolking. De Volksunie was in handen van lieden geraakt die geen echt eigen project meer hadden. Daarom ontbrak ook de noodzakelijke basis waarop de samenhang van een partij steunt. Met enige overdrijving: ieder deed zo maar wat aan. De Volksunie was haar droom kwijt geraakt.

Dat laatste was de oorzaak van de boosheid die zich gaandeweg steeds meer meester had gemaakt van velen onder ons. We begrepen maar niet dat een partij, wier bestaansreden nu net het wel en wee van deze gemeenschap had moeten zijn, wegdreef van haar oorspronkelijke doelen en deed alsof voor Vlaanderen alles al in orde was. Zoals we vandaag allemaal wel weten was dat op verre na niet het geval.

Als ik daaraan nu terugdenk, komt in me het gevoel op dat onze boosheid wel degelijk terecht was. Nieuwlichters hadden zich genesteld in de rangen en hadden de Volksunie van binnenuit vleugellam gemaakt, terwijl buiten enorme uitdagingen lagen te wachten. Hoe kunnen mensen zo zwaar verstek laten gaan?

Zodoende werd onze hardnekkigheid om met nog meer volharding terug te keren naar de kern van wat wij als onze maatschappelijke opdracht aanvoelden nog aangevuurd: wij voelden ons de bewaarders van een erfgoed. En het verhuizen naar andere oorden van wat ik hier dus nieuwlichters noem, voelde veeleer deugddoend aan. Eindelijk terug aan het werk!

Men noemde ons in de pers hardliners. Weerom: zoals iedereen nu wel merkt hadden we gelijk.

Als ik nu kijk naar wat de partij die uit ons Project Vlaams-nationaal is voortgekomen, dan is het niet zozeer het enorm gestegen aantal leden dat imponeert. Het is vanzelfsprekend een mooie prestatie om twintigduizend mensen te verzamelen rondom een programma dat nog steeds niet wegstopt dat Vlaanderen net zoveel rechten heeft als elke andere natie en dus het recht heeft om op eigen gelegenheid aan het wereldconcert van de volkeren deel te nemen.

Wat het meest van al indruk maakt en blijft verbazen is het feit dat de wil om grondig in te grijpen in het bestel van dit als een historisch accident ontstane land tot op vandaag ongeschonden is. Het valt de betrokken waarnemer telkens weer op hoe ‘De Twintigduizend’ nog steeds behept lijken met iets wat lijkt op de vastbeslotenheid die de originele 25 heeft bezield.

Dat die onverzettelijkheid en hardnekkigheid nog steeds goed voelbaar is, heeft vanzelfsprekend van doen met de recente electorale successen van de partij: men voelt dat men met z’n twintigduizend eigenlijk een soort voorhoede is en uitspreekt wat heel velen denken. Zoiets sterkt een mens en verschaft de wilskracht om voort te werken en men hoopt vruchten te plukken.

Op dit punt aangekomen rijst bij de ‘originele’ Vlaamsnationalist enige onrust. De 25 van weeleer waren niet alleen hardnekkig en vastbesloten. Ze wisten zeer goed waarom ze zo beslist optraden. Ze waren – en zijn nog steeds – doordrongen van een bezorgdheid om het lot van dit deel van onze oude Nederlanden Maar de vraag die oprijst is: hebben die vele duizenden, die zich de laatste jaren hebben aangemeld, op dezelfde manier hetzelfde doel voor ogen?

Het verdere lot, dunkt me, van N-VA hangt niet zozeer af van haar electorale succes, want de partij heeft voorlopig wel stevig de onderstroom van de Vlaamse maatschappij te pakken en elke partij moet wel eens electorale tegenslagen verwerken. Realisme is dus de boodschap. De vraag is echter of die partij, waarin de originele 25 naar het getal intussen hopeloos verdrinken, bij machte is om die onderstroom te blijven vasthouden én te blijven verbinden met de droom van de 25.

 

Jaak Peeters

Juli 2011

Waar staat Doorstroming voor?

Doorstroming is een webstek van en voor kritische, Nederlandsbewuste intellectuele dwarsliggers. Geen politiek correct denken kan ons bekoren. Het is onze overtuiging dat de democratie – de grote verovering van de Westerse werkende mens!- geen censuur van welke aard ook verdraagt. Daarom stromen we door, altijd maar verder voortgaande op onze eigen weg: die van het respect voor mens, volk en natie.

 

actuaidentiteit democratie solidariteit