Wrok, jaloersheid en een ander socialisme.

Ik heb me ooit laten vertellen dat het socialisme zoals we dat kennen gestoeld is op wrok en jaloersheid. Het socialisme gaat uit van een tweedeling: de have-nots versus de haves. Je vindt die tweedeling terug in de fora die de politiek becommentariëren: de rijken tegenover de armen. En dus zijn het de rijken die altijd weer de armen uitbuiten. Die rijken graaien in de pot en halen daar uit wat voor de armen bestemd is.

Het probleem met een dergelijke zienswijze is dat ze geen oplossing toestaat. In de wereld zullen er altijd succesvollen zijn en lieden die maar niet van de grond geraken. Dat is altijd zo geweest en het valt te vrezen dat het altijd zo zal blijven.

Zo gaat het er in de dierenwereld overigens ook aan toe: de sterkeren overtroeven de zwakkeren, die tevreden moeten zijn met de kruimels die de sterkeren over hebben gelaten.

Het socialisme zegt dat het tegen deze natuurlijke tendentie in wil gaan en gelijkheid wil.

Dat oogt mooi – op het eerste gezicht.

Want het resultaat is een nooit eindigende sociale strijd. Die is nodig, want altijd opnieuw moeten er regels uitgevaardigd worden om de steeds dreigende vergroting van de kloof tussen arm en rijk, groot en klein, sterk en zwak onder controle te houden. De politieke en maatschappelijke energie die nodig is om die regels door te drukken, moet worden geput uit de wrok en de jaloersheid om al dan niet vermeende achterstelling.

Zo komen we terecht in een wereld die aan de ene kant gedreven wordt door hebzucht en neiging tot ‘apartheid’en aan de andere kant door wrok en jaloersheid, maar die uiteindelijk uitmondt in een diarree van regels en bepalingen. Immers: alleen met regels en verplichtingen kunnen de rijken ertoe gebracht worden solidariteit op te brengen voor de minder begoeden. Zo denkt men, kennelijk.

Een groot deel van die bepalingen vindt zijn oorsprong bij Europa. De onoverzienbare massa die Europa vormt levert immers zoveel ongelijkheid op, dat iemand als EU-commissaris Frans Timmermans het als zijn plicht ziet om binnen Europa de gelijkheid na te streven.

Het gevolg kan inderdaad niet anders zijn dan een stroom aan regels en verplichtingen.

Al die regels en verplichtingen verhogen uiteindelijk de levensduurte en maken het de minst bedeelden nog lastiger.

De fout die het socialisme hierbij maakt is te geloven dat het mogelijk is om in één klap in héél Europa de zaken ‘socialer’ te maken.

Het socialisme verliest uit het oog dat het niet van politieke structuren moet uitgaan, maar van de menselijke beleving. In plaats van van bovenaf te ageren, moet het socialisme naar de concrete mens toe gaan, en van onderen op werken aan samenhorigheid en menselijk meedogen. Het socialisme zou dus de ziekelijke regeldrift van Europa – dat ons Vlaams onderwijs nu ook al ‘te weinig inclusief’ noemt (en de lat ligt al zo laag!) – moeten aanpakken en Europa terug drijven naar de plaats waar Europa hoort: doen wat de volken niet alleen kunnen.

Dat vergt een diepe mentale aanpassing bij het socialistische kader. Het moet zich aan de ene kant afstand nemen van het oude zwart-witdenken en aan de andere kant terugkeren naar de plaats waar het ooit begon: bij de mensen die het allemaal moeten ondergaan.

Ik geloof dat zelfs het socialisme dan het bestaan van volkeren zal ontdekken.

 

 

Jaak Peeters

Maart 2018

Racisme als politieke vuilniszak: onzindelijk.

Alweer prijs.

 

Het was weer eens volop prijs, enige tijd geleden, toen een plaatselijke politieke partijbons van leer trok tegen het vermeende racisme in het politiekorps van Mechelen-Willebroek. Of er in dat korps wat aan de hand is weet ik niet, maar dat is ook niet wat me dwars zit. Overal waar mensen samenwerken zit er wel eens een haar in de boter en vaak wel meer dan één haar. Dat is bij de politie niet anders.

Wat me ergert is dat iemand die zichzelf meent te mogen catalogeren als Gutmensch weer eens uithaalt naar die anderen, die dus minder ‘Gut’ worden geacht. Enige zelftrots is niet verkeerd, maar je mag wel niet overdrijven.

De zaak zelf is inmiddels alweer opgegaan in de mist van de geschiedenis. De krant bericht vrijwel elke dag over dit soort dingen. Het is dagelijkse kost.

En toch slijt het niet.

 

Dé grote misdaad

 

Waarom slijt het niet?

Omdat racisme tegenwoordig zowat dé grootste misdaad schijnt, die een westerse, blanke mens kan begaan. Telkens weer klinkt de beschuldiging op en wie men in het verdomhoekje wil, associeert men met de term racisme. Guilty by association. Blanken zijn schuldig, punt uit. Omdat ze blank zijn: daarom zijn ze tenminste verdacht.

Het wordt een irriterend gezeur vanwege lieden die de indruk wekken van zeuren hun professie van te hebben gemaakt.

Let wel: ik schrijf de westerse blanke mens, omdat ik nooit iets verneem over racistische uitingen door bijvoorbeeld Aziaten. Of over de racistische politiek van het Zuid-Afrikaanse ANC. Of over de binnenlandse politiek van China – maar dat land is zo groot, dat we het in ons eigen belang ontzien, toch?

De vrouwelijke commentaarschrijfster, die in Gazet van Antwerpen wel eens haar soms ondoorgrondelijk diepzinnnige wijsheid mag etaleren, had het er onlangs ook weer over. Mensen die zich afvroegen of niet ook een “gewone Belg”- wat dat ook moge wezen – tot ’s lands mooiste kon gekroond worden, werden door de genoemde Gazet-commentatrice met pek en veren besmeurd: hoe kom je erbij, bij zulke racistische praat?

Het eerste wat ikzelf in zo’n geval denk is: wat zou er omgaan in het hoofd van iemand die zich zoiets afvraagt? Waaraan denkt hij of zij? Misschien moet ik het maar eens vragen, vooraleer een oordeel uit te spreken? Maar neen hoor: de geachte schrijvelaarster had de twitteraars al als racisten veroordeeld nog voor ze gehoord waren.

 

Ik hou niet van racisme. Dat zal verderop wel duidelijk worden, maar de zaak is echt niet zo simpel.

 

Soorten en rassen.

 

Het paard is een diersoort, daar twijfelt niemand aan. Niemand zal ontkennen dat er verschillende paardenrassen bestaan. Ze zijn allemaal onder elkaar vruchtbaar, maar ze verschillen uiterlijk behoorlijk veel. Niet alle rassen zijn geschikt voor elke taak. Ik denk niet dat het wijs is om een Arabische volbloed een ploeg door de zware Brabantse leemgrond te laten trekken of om een Shetlandpony in een springwedstrijd met een Lippizaner aan de lijn te brengen.

Toch is er niemand die eraan denkt om de gedrongen Shetlandpony te verachten om zijn kleine schofthoogte of de Arabische hengst te verdenken van hovaardigheid, omdat hij met gemak een trekpaard inhaalt.

De biologische natuur steekt in elkaar zoals ze is: met ordes, geslachten en soorten, ondersoorten en binnen de soorten rassen. De mens wordt ingedeeld bij de het geslacht homo en dat geslacht bestaat op dit ogenblik uit één soort. Dit geslacht maakt deel uit van de hominiden, waarvan voorts de Bongo, de Gorilla en Pan deel uit maken.

 

Valt de menselijke soort uiteen in rassen, zoals de paarden? Voor sommigen is het begrip ras verouderd. (Rogers, 2011) Er woeden nog steeds felle discussies over deze materie en de niet-bioloog houdt zich beter verre van deze discussies. ‘Zich verre houden van deze discussie’ betekent dat men geen enkel standpunt inneemt. Vele strijders tegen het racisme doen dat echter wél. Ze ontkennen namelijk bij hoog en bij laag dat er zoiets als mensenrassen bestaat. Dat is toch een heel duidelijk standpunt? Kennelijk weten zij wél wat biologen niet weten.

Zelf zie ik weinig verschil tussen een Zeeuws trekpaard en zijn Brabantse collega, maar specialisten beschouwen ze toch als twee verschillende rassen. Rassen zijn daarom in grote mate een product van menselijke classificatie. Er zit dus een stuk willekeur in de rasaanduiding en dat is ook wat men in de literatuur over dat onderwerp voortdurend tegenkomt.

Dat is het eerste punt.

 

Het rasbegrip als uiting van geloof in een hiërarchie.

 

Het tweede punt gaat uit van de vraag: als we het eigenlijk niet echt goed weten, waarom zeuren we er dan zo over?

Het antwoord luidt: omdat in het menselijke geval het begrip ras verbonden is geraakt met huidskleur, met slavernij en in de voorgaande eeuw met sociaal-darwinisme. “Geraakt”, want dat was lange tijd niet zo. Pirenne bijvoorbeeld sprak over het Germaanse en Romaanse ras die samen de “Belgische beschaving” vormden. De zwarte kameraad van Robin Hood kan met geen middel als de mindere van Robin Hood worden gezien.

Toch waren velen in de vorige paar eeuwen ervan overtuigd dat zwarten minder menselijk zijn dan blanken. In de Verenigde Staten werd een zwarte lange tijd voor een halve blanke gerekend.

Wie zo handelt neemt niet alleen voor vast aan dat mensenrassen bestaan, doch ook dat er een hiërarchie is onder deze rassen.

Hiermee stoten we op ons tweede punt. Er zouden hogere en lagere mensenrassen bestaan.

Hoe weten we dat het ene ras hoger staat dan een ander? Daartoe moeten we een criterium kiezen. Die keuze is een arbitraire zaak. Dat criterium hangt namelijk van de omstandigheden af.

Als ik mijn eigen leesvermogen vergelijk met dat van de modale bewoner van Zoeloeland, zal ik er waarschijnlijk met kop en schouders bovenuit steken. Maar wat heeft een mens aan leescapaciteit in een land waar het lezen van geen enkel nut is? Wij westerlingen geloven dat kunnen lezen heel erg belangrijk is, maar Zoeloes zouden daar wel eens heel anders over kunnen denken. Voor hen zal het vermoedelijk veel belangrijker zijn goed vee te kunnen hoeden. In de westerse stad is dat laatste dan weer niet erg zinvol.

Intelligentie misschien? Laten we voorzichtig wezen! Niemand onder ons weet zelfs maar of dieren bewustzijn hebben en hoe intelligent – op een àndere manier, wellicht – die zijn. Wie Frans de Waal leest wordt sowieso voorzichtiger. Hoe kan een criterium dat we zelf niet eens goed doorzien geschikt zijn om verplichtende ordeningen op te stellen?

 

De menselijke vooringenomenheid

 

De waarheid is dat de gemiddelde West-Europeaan in de negentiende en twintigste eeuw andere mensengroepen beoordeelde vanuit zijn eigen leef- en zijnswijze en vanuit zijn eigen machtspositie. Negers stonden lager in rang, want ze hadden geen cultuur zoals de westerlingen die zich voorstelden. Nog in de jaren vijftig van vorige eeuw gingen artsen en paters de negers in Congo “de beschaving” brengen.

Natuurlijk zien we hierin de vooringenomenheid van de blanke westerling. Doch ik zeg er meteen bij dat er geen mens bestaat, die niet vooringenomen is. Dat komt omdat mensen standpuntelijke wezens zijn en dàt is dan weer het gevolg van het feit dat we niet alles in één klap kunnen weten of waarnemen. Zwarten kunnen dus net zo vooringenomen zijn als blanken. Alleen wordt dat niet gezegd. Het is de blanke zich zich schuldig moet voelen. Zo zegt ook Alain Finkielkraut het.

 

Rasdenken komt algemeen voor

 

Er bestaat zachte, enigszins verhulde manier om met het fenomeen ras om te gaan. Medewerkers van het toenmalige Centrum voor Racismebestrijding deelden me mee dat zij het racisme van autochtonen naar allochtonen moesten bestrijden. Daaronder verborgen zit de mening dat er op hetzelfde grondgebied verschillende rassen leven en dat men moet ingrijpen in de onderlinge machtsverhoudingen, omdat anders allochtonen systematisch zouden benadeeld worden. Direct racisme – waarover zo dadelijk meer – is dat niet, maar het schurkt er wel tegenaan.

Enige tijd geleden zei een Turkse zelfstandige dat hij een getinte kandidaat voorrang zou geven op een blanke. Zoiets is bewuste discriminatie op rasgronden.

Maar er bestaan wel degelijk hardere vormen. Mensen uit het veld getuigen dat er in de Arabische wereld lieden genoeg zijn die vinden dat zij zelf tot een superieure categorie behoren, en dat het de blanken zijn die zich aan hén moeten aanpassen. Een andere concrete uitspraak luidt: “tot nog toe waren de blanken de baas, nu komt de tijd dat wij de lakens uitdelen.” Alweer zit hier hiërarchisch op rasdenken gebaseerd redeneren achter, ditmaal wel degelijk gekoppeld aan machtsstreven.

Rasdenken komt dus in alle groepen voor. Het toont echter dat rasdenken niet op een universeel, absoluut vast te stellen criterium steunt doch een relatieve waardebepaling is waaraan macht gekoppeld wordt.

 

Drie noodzakelijke elementen

 

Als we geen vast, absoluut criterium hebben om menselijke rassen in een rangorde te plaatsen, wordt het hanteren van het begrip ras zelf knap lastig. Dan weten we immers niet welk ras ‘bovenaan’ moet staan. Waar de macht zit: dat is het wat bovenaan komt.

Dat brengt ons meteen middenin punt drie: als er geen rangorde onder menselijke rassen aangewezen kan worden, weten we evenmin welk van die rassen het recht zou kunnen opeisen de andere rassen te domineren – in de veronderstelling dat uit het bestaan van zulke hiërarchie ook tegelijk een recht op heerschappij over de ander zou voortvloeien, hetgeen op zich al om meer uitleg vraagt.

 

De literatuur is dan ook duidelijk: om over racisme te kunnen spreken moeten er drie elementen aanwezig zijn. Ten eerste: je moet geloven in het bestaan van onderscheiden mensenrassen. Ten tweede: die rassen zijn opgenomen in een hiërarchie. En ten derde: dit klassement kent aan het hoogst geklasseerde ras het recht tot domineren toe. Racisme is dus altijd verbonden met machtsverhoudingen (Fenton,2010; Meer,2014; Gracia,2007)

 

Van racisme is slechts sprake als er sprake is van rangschikkende waardeoordelen en machtsverhoudingen onder erkende rassen. Als dat ontbreekt, is het gebruik van de term racisme onterecht.

 

Fenotype en genotype

 

Alles wat tot nog toe gezegd werd, gaat over het begrip ras als een vastliggend genetisch potentieel. Een dergelijk potentieel heet: genotype. Maar is er wel sprake van zulke vaste, afzonderlijke genotypische patronen? Dat betwisten, zoals gezegd, in ieder geval althans vele deskundigen. We zouden ons kunnen afvragen wat er tevoorschijn zou komen als, plots, door één af ander wonderlijk toedoen, zwarten, aziaten en blanken massaal met elkaar zouden kruisen. Zou er één mengras verschijnen of zou gebeuren wat Mendel bij de erwt constateerde: A en B geven één AA, één BB, één AB en één BA? We weten het niet eens!

Maar iets dergelijks kun je ook bedenken bij paarden. Toch zeggen we allemaal dat er paardenrassen bestaan.

Dat laatste is dan wat uiteindelijk telt. Het genotype kun je toch niet zien en het heeft dus geen invloed op de menselijke belevingswereld. Wat je wél ziet is het fenotype: de uiterlijke verschijningsvorm.

Omdat de wetenschap er kennelijk zelf niet uit is, is het begrip ras in de genetische betekenis lastig om hanteren. Doch dat ligt anders als we over fenotypen spreken. Je hebt vanzelfsprekend altijd hele risten tussenvormen, maar globaal genomen ziet iedereen dat je een zwarte, een aziaat of een blanke bent. Al moet er meteen bijgezegd worden dat Blake in 1796 sprak over het Europese, het zwarte en het Amerikaanse ras. Van de aziaten: geen spoor toen. Dus ook dat fenotypische denkmodel is veranderlijk en tijdsgebonden. Maar alles wat tot de menselijke belevingswereld behoort is veranderlijk en tijdsgebonden.

Een groot stuk van de discussie handelt dus over de belevingswereld van mensen onder elkaar. Dat is géén wetenschap en je moet het ook niet op die manier voorstellen.

 

Racisme en immigratie

 

Als je die verschillende, onderscheiden uiterlijke mensenvormen ziet, wat ben je daar dan mee? Zonder waardeoordeel blijft alles immers bij constateringen.

Je kunt bijvoorbeeld zeggen: “de Vlamingen zijn blanke mensen.” Idem dito voor Aziaten: China is een aziatisch land. Ja, en dan? Draagt dit bij tot de oplossing van bijvoorbeeld het onveiligheidsprobleem? Dat is niet duidelijk. Is het een racistische uitspraak? Op zich niet, want niemand zegt dat de blanken ‘hoger’ zouden staan en het recht hebben zwarten te overheersen.

Waarom nemen sommige mensen bijvoorbeeld aanstoot aan de stelling dat Vlaanderen een blank land is (Dalilla Hermans in Femma, november 2017)? Daar valt (heel) veel over te zeggen, maar heel vaak zijn de mensen die aan het ‘witte’ karakter van Vlaanderen aanstoot nemen van mening dat Vlaanderen ook voor zwarten (of Aziaten cq) toegankelijk moet zijn[i]. Dat is een bediscussieerbaar standpunt, maar op zich heeft dat allemaal niets met racisme in eigenlijke zin van doen. Dan moet je die term ook niet gebruiken. Als ik Vlaanderen niet mag reserveren voor blanken, dan zeg ik eigenlijk: reserveren voor autochtonen, die immers geacht worden van oudsher (sterk) overwegend blank te zijn. De ‘blankheid’ is dan het symbool van de autochtonie. Als het land reserveren niet mag, welk argument heb ik dan nog om überhaupt welke immigratiebeperkingen dan ook te hanteren of zelfs maar de integriteit van Vlaanderen te verdedigen? We herinneren ons toch dat het Front Démocratique, onzaliger gedachtenis, de Vlamingen van racisme beschuldigde, omdat ze de faciliteiten – horresco referens – niet wilden veralgemenen? Vlaanderen het recht te ontzeggen het land voor de eigen kinderen te reserveren omdat dit racistisch zou zijn, is een oneigenlijk gebruik van een onbepaalbare term om tegenstanders in een slecht daglicht te stellen. Als je iemand racisme kunt aansmeren is hij toch buitengewoon slecht en daar hoef je verder geen rekening meer mee te houden? Zoiets is echter puur machtsdenken.

Is de genoemde immigratiebeperking racisme zoals Hermans suggereert? Helemaal niet: het is een etnische denkwijze en mogelijk zelfs een vorm van goed ordelijk bestuur, dat laatste mede omdat het fysisch onmogelijk is alle Afrikanen die naar Europa willen komen te huisvesten. Ons eigen land zou onleefbaar worden. Het zou één grote stad zijn en elke natuur zou vernietigd zijn. Ik weet niet zo goed hoe ‘groenen’ zoiets verantwoorden…

Sommigen vinden dat de hele wereld van iedereen is en iedereen zich ‘dus’ mag vestigen waar hij wil: een mundiaal anarchisme dus. De vraag is of dit vol te houden valt en of zoiets niet onverbiddelijk voert tot het recht van de sterkste.

Maar dit moet duidelijk zijn: het willen beperken van immigratie (of emigratie!) is op zich geenszins racistisch.

 

 

Racisme en discriminatie

 

Dikwijls verwart men bovendien het begrip ‘discriminatie’ of zelfs gewoon maar ‘onderscheid’– in het voormelde geval ging het om een verschil in de huidskleur – met dat van racisme. Je kunt je afvragen of het gemaakte onderscheid in het bij de aanvang aangehaalde geval de fatsoensregels overtrad. Maar onfatsoen is nog altijd geen racisme.

 

Je land te willen reserveren voor je eigen kinderen en dus niet alle deuren open te willen gooien voor de instroom van de halve niet-westerse wereld, is zelfverdediging, zoals het zich bewapenen tegen een mogelijke inval door de voormalige Sovjet-Unie zelfverdediging was.

Het is mijn heilige recht te zeggen dat ik aziatische vrouwen in het algemeen mooier vind dan negerinnen: ik spreek dan alleen maar mijn mannelijke esthetische voorkeur uit. Wel moet ik aanvaarden dat er ook over mijzelf oordelen worden uitgesproken. Maar ook dat alles is nog steeds géén racisme.

 

Onderscheid maken is helemaal niet verkeerd. Selecteurs doen dat zelfs beroepshalve. Verschil maken op oneigenlijke gronden is dat wel, en dat noemen we dus discriminatie.

Het is discriminatie – in de ongewenste betekenis – om iemand met een andere huidskleur een functie te weigeren om diens huidskleur. Als deze discriminatie plaats vindt omdat men gelooft dat die anderen van een minderwaardig ras zijn, krijg je discriminatie om racistische redenen. Als de betrokkene te maken krijgt met een extra-strenge selectieprocedure, is dat niet noodzakelijk een uiting van racisme of discriminatie, want er kunnen heel objectieve redenen bestaan om, bijvoorbeeld, te twijfelen aan de waarde van een diploma uit een minder onderwikkeld land. Maar als je iemand uit een andere cultuur eerst toegestaan hebt zich in je land te vestigen en er op te groeien, moet je je niet langer op zelfverdediging beroepen en kun je je geen discriminatie of racisme veroorloven.

Dit moet dus even duidelijk zijn: discriminatie is echt niet hetzelfde als racisme, al gaan beide vaak samen.

Racisme is een ideëen- en gedragscomplex. Het verwijst naar machtsverhoudingen. De aanwezigheid van een emotionele houding is onvoldoende om over racisme te spreken.

Dat al deze dingen veel te vaak door elkaar worden gehaspeld, zelfs door officiële personen, moet dus met klem worden afgekeurd.

Laten we maar eens wat kariger omspringen met de beschulding van racisme.

 

Een vervelend kantje

 

Er zit nog een vervelend kantje aan al dat antiracistisch gedoe.

Steunend op de resultaten van een half miljoen (!) respondenten rapporteerden Bernadette Gray-Little en Adam Hafdahl in 2000 dat zwarte Amerikaanse kinderen, volwassenen en adolescenten een systematisch positiever zelfbeeld hadden dan blanke Amerikanen. De hogere zelfwaardering van Afro-Amerikanen werd nadien nog bevestigd[ii]

Wat gebeurt er nu als men blijft doorzwetsen over al dan niet vermeend anti-zwart racisme? Dat er verschuivingen optreden in het zelfbeeld van respectievelijk zwarten en blanken, uiteraard. Daarbij kan het superioriteitsgevoel bij zwarten toenemen en het schuld- en schaamtecomplex van blanke Amerikanen dermate aanzwellen, dat een explosie volgt. Het onnadenkend in het rond slingeren van beschuldigingen van blank racisme zou dus tot gevolg kunnen hebben dat de amplitude van de sociale spanningen onbeheersbaar groot wordt.

 

Inhoudsloos en schadelijk

 

Het racismeprobleem is voornamelijk van Amerikaanse oorsprong. Wij, West-Europeanen, hebben (gelukkig) niet dat Amerikaanse slavernijverleden. We moeten dat Amerikaans probleem – waaruit we moeten leren – dan ook niet blind en kritiekloos overplanten naar onze streken en onterecht gaan implementeren als mensen vragen stellen bij de massale instroom van personen uit andere, onder meer midden-oostelijke culturen- die doorgaans overigens als blanken geklasseerd worden!-, of zich ergeren aan onaangepast gedrag. Maar als het over immigratie gaat slaan bij sommigen alle stoppen door en dan wordt de inmiddels lachwekkend geworden strijd tegen het fascisme vervangen door deze tegen het racisme. De maatschappij moet immers van alle kwaad gezuiverd worden, zonodig met alle geweld. Ze vinden daar nog nuttige helpers voor ook. René Girard zou hier de handen wrijven.

Ik acht uitspraken zoals die van de genoemde partijbons, het te pas en te onpas uiten van de beschuldiging van racisme, zonder meer schadelijk. Dat schept verwarring, het maakt van een gevoelige doch belangrijke term een inhoudsloos en dus intellectueel onbruikbaar en zelfs verwarrend containerbegrip, vergroot een grotendeels geïmporteerd probleem uit en het verhoogt de spanning binnen de samenleving.

 

Maar misschien is het sommigen precies daar om te doen…

 

 

Jaak Peeters

maart 2018

 

 

[i] In het geval van Hermans ligt de zaak nog anders: zij is een zwarte, die als kind geadopteerd werd. Toch wordt ook zij gegrepen door het raciale machtsdenken.

[ii] Sharon S. Brehm et al. Sociale Psychologie, Academica Press, Gent, 2006, blz. 72.

Brugpensioen versus vacatures: een complex vraagstuk.

Bilzenaar Wouter Raskin (N-VA) wil dat de kloof tussen het grote aantal niet-ingevulde vacatures en het grote aantal mensen in de werkloosheid – vaak verhullend brugpensioen genoemd – zoveel mogelijk wordt gedicht. Zijn verlangen is redelijk en heel terecht en een grondige ingreep dringt zich inderdaad op.

Toch moeten daar enkele kanttekeningen bij worden gemaakt en die tonen dat het probleem geenszins alleen maar vanuit een cijfermatige denkwijze mag benaderd worden.

Ten eerste: de genoemde kloof moet verruimd worden tot ook andere categorieën van werklozen. Daarmee is niet zozeer de groep van werkonwilligen bedoeld, doch ook een heel grote groep ‘onaangepasten’. Dat laatste moet je nogal ruim opvatten. Veel mensen met een beperking kunnen en willen zich best nog wel nuttig maken, maar het sociaal en fiscaal stelsel maakt het hen niet altijd gemakkelijk.

Ten tweede: vele werkgevers werven liever jonge, flexibele, hooggeschoolde medewerkers aan en hebben het niet altijd begrepen hebben op mensen die niet in deze categorie vallen. Er moet dus ook een mentaliteitsverandering komen, en daar zal mystery calling niet toe bijdragen. Die mentaliteitsverandering is ruimer dan op het eerste gezicht gedacht wordt. Wij moeten anders gaan denken over jeugd en ouderdom. Je ziet in de reclamewereld altijd weer dezelfde bijgewerkte, opgeteuterde poppemietjes of, als men dan toch ouderen opvoert, het beeld van lachende, kennelijk kerngezonde en vitale ‘jonge ouderen’. Zo wordt ons een schijnwereld voorgehouden en die werpt zijn licht vooruit op de wensen van de werkvloer.

Ten derde: over ouderen wordt vaak terecht gezegd dat ze minder plooibaar zijn en moeilijker mee te krijgen in een of ander nieuwsoortig bedrijfsverhaal. Maar hoe komt dat? De reden is simpel: wie ouder wordt doorziet de dingen veel beter. Ouderen kun je niet zo makkelijk meer manipuleren of iets wijsmaken. Veel bedrijfsleiders geloven dat ze aan goed beleid doen als ze voor de dag komen met mooi-ogende statistieken en dito grafieken en bijpassende mooiklinkende doch doorzichtige verhalen, maar ze verliezen teveel uit het oog dat werken ook samen-werken betekent en dat het dus om een bezigheid gaat die zich onder mensen afspeelt. Mensen laten zich niet in statistiekjes persen en beantwoorden vrijwel nooit aan het ideaaltype van theoretici.

Ten vierde: “verandering is de enige constante” – dat is niet alleen niet waar, doch het is vooral de afschaduwing van de economische doelstellingen van investeerders en directies. Die zijn bovendien veelal van buitenlandse origine en slechts heel matig geïnteresseerd in de mentale toestand van hun buitenlandse werknemers. Deze laatsten interesseren hen slechts voor zover ze winst genereren. In dit klimaat, dat mede het gevolg is van de globalisering, is er gewoon geen plaats voor het soort mensen dat op dit ogenblik al te vaak in de werkloosheid terecht komt. De vraag rijst dus ook of we niet moeten gaan kiezen voor een politiek die bedrijven van eigen bodem meer kansen biedt.

Ten vijfde – en dat is een cultureel en zelfs een moreel probleem-: de huidige organisatie van de economie heeft tot gevolg dat de directieven uit de kantoortorens van Tokio of New York in feite de levenswijze bepalen van de gewone man in Mechelen of Hulst. Anders gezegd: economie is al sedert de dagen van Marx – die in dit opzicht gelijk had – geen louter economische aangelegenheid meer. Economie gaat naar hart van onze samenleving, en niet alleen omdat we vanuit die economie met vaak waardeloze hebbedingetjes overspoeld worden. De Franse schrijver Bernard Stiegler spreekt dan ook over de vernietiging van het savoir-vivre. Onze leefwereld wordt gekoloniseerd door economische directieven. Het wordt dus tijd om de economische, sociale en culturele politiek met elkaar tenminste in verband te brengen. Economie moet cultureel bijgestuurd worden en kan niet op zichzelf staan zoals de liberalistische opvattingen van de EU ons voorhouden. Concreet betekent dit dat ministeries van cultuur met méér moeten bezig zijn dan met kunsten en theaters. Nog concreter: de structuur van de Belgische staat voldoet niet aan deze eis, want economie is voornamelijk federaal en cultuur – terecht – Vlaams. Het Waalse Parlement heeft in zijn kritische houding tegenover het handelsakkoord met Canada de weg gewezen: menselijkheid moet voorrang krijgen op economie. Excuseer, meneer De Gucht: U was het, die fout zat!

Er is nog een zesde element. Vaak hoort men dat het vroegtijdig verwijderen van werknemers uit het economisch proces een enorm verlies aan ervaring betekent. Dat is zeker juist, doch het is slechts één kant van het verhaal. Die mensen komen, na hun uitzetting uit het economische leven, immers terecht in een levenssituatie vol zinloosheid. Ze zijn niet langer nuttig – zelfs niet in het bestuur van bijvoorbeeld een gemeente, waar ze nuttig én goedkoop werk zouden kunnen verrichten en jongere, flexibeler krachten vrijmaken voor economische functies. Die mensen rest dan niets anders dan hun tijd te doden met fietsen, kaarten en spelletjes spelen. Wat daar voor menselijk aan is, is me een raadsel. Een maatschappelijk systeem dat tot zoiets leidt, is dringend aan herschikking toe.

De conclusie die zich opdringt luidt dat het probleem dat Raskin terecht aanhaalt slechts de aanzet kan zijn van een diepgaand maatschappelijk debat. Dat moet handelen over de manier waarop wij willen leven.

Het gaat ook niet aan het probleem naar Europa door te schuiven om er dan vanaf te zijn. Als vrije, verlichte en democratische mensen moeten wij zelf bepalen hoe we willen leven. Dat daarbij botsingen met buitenlandse kapitalistische, Engels brabbelende directies mogelijk zijn, zal wel. Misschien ligt hier de kans dat het socialisme dan eindelijk weer eens een ernstige rol kan gaan spelen en nationalisten zullen voor een dergelijk her-doordacht socialisme aandacht moeten hebben. Ook nationalisme zelf moet geherformuleerd worden: het gaat al lang niet alleen meer over staatkunde – onafhankelijkheid is immers niets anders dan het zelfstandig maken van de eigen rekening -, maar over cultuur in zijn diepe maatschappelijke en humane betekenis, die ook Pico Della Mirandolla al in de vijftiende eeuw voor ogen stond.

 

 

Jaak Peeters

Januari 2018

Hernieuwbare energie – Een overzicht

In www.dwarsliggers.eu verscheen een wetenschappelijk onderbouwd kritisch stuk dat van groot belang lijkt in het debat over onze energiebevoorrading. Nu het comité van energieministers tegen 2025 de kernenergie uit ons land wil en minister Tommelein stelt dat tegen 2050 onze energie hernieuwbaar moet zijn, rijst de vraag hoe dit alles moet.

In deze bijdrage, die wij graag overnemen, bieden wij aan de lezers van Doorstroming doordachte stof aan, bij wijze van afsluiting van het werkjaar 2017.

Jaak Peeters

December 2017

 

Met uitzondering van kernenergie en aardwarmte – deze laatste wordt waarschijnlijk ook door nucleaire processen gegenereerd – komt eigenlijk al onze energie van de zon. Die energie is dus in theorie hernieuwbaar. Ook fossiele brandstoffen zijn ontstaan uit planten die ooit door fotosynthese groeiden. Fotosynthese vereist zonlicht. Het proces om die planten tot fossiele brandstoffen om te vormen neemt echter miljoenen jaren in beslag. Dat is weliswaar voor de aarde niet zo heel lang, maar voor ons, eendagsvliegen, is het de eeuwigheid. Daarom zijn fossiele brandstoffen, vanuit menselijk standpunt gezien, helemaal niet hernieuwbaar.  

  
Hierboven ziet U de aandelen van de verschillende bronnen in het wereldwijd energieverbruik in 2015 en de overeenkomstige data voor België in 2013. Het opvallendste verschil is het hoge aandeel kernenergie. In de toekomst willen we geen fossiele brandstoffen meer gebruiken, en kernreactoren ook niet. We willen uitsluitend hernieuwbare energie. Dat geeft een plastisch beeld van de transitie die we zullen moeten doormaken.

Hernieuwbaar noemen wij die energievormen die door de zon worden geproduceerd en op korte termijn bruikbaar zijn. Er zijn er nogal wat. In 2015 leverden ze wereldwijd samen 13,6% van het totale energieverbruik. Hieronder ziet U hoe die 13,6% onderverdeeld zijn. Waterstof komt in de statistiek niet voor omdat het geen primaire energievorm is: het wordt gemaakt met behulp van hernieuwbare of ook niet hernieuwbare energie. Het biedt enkel een mogelijkheid voor opslag en transport van energie. Maar zelfs als het anders lag zouden we het desondanks niet merken: het aandeel van waterstof is daarvoor veel te klein.

De politiek geeft de doelstellingen aan. “Vlaams minister van Energie Bart Tommelein (Open VLD) wil 100 procent hernieuwbare energie, uiterlijk in 2050” schrijft Knack. Dat betekent concreet dat we, alvast in ons land, de hernieuwbare bronnen van de huidige 13,6% naar 100 moeten expanderen. Ik stel voor dat we ze een voor een afgaan om te kijken hoe ver we er mee kunnen geraken.

  

Biobrandstof.

Het grootste deel van die bronnen (71%) is biobrandstof en afval. Afval is slechts een gering deel daarvan en kan ook nooit een echt belangrijke rol gaan spelen. De rest komt van planten. Er zijn twee grote brokken: ethanol (dat wat wij in ons dagelijks spraakgebruik ‘alcohol’ noemen) en biomassa.

Ethanol kan uit suikers of zetmeel gewonnen worden en is mits geringe technische aanpassingen in automotoren inzetbaar. Dat gebeurt al vele jaren op grote schaal in Brazilië. Doordat ethanol maar ongeveer 65% van de verbrandingswarmte van benzine of diesel heeft, wordt de afstand die een voertuig met één tankvulling kan afleggen (de zogenaamde autonomie) drastisch verkleind.

Het is ook mogelijk ethanol met normale benzine te mengen. Tot 10% gaat dat zonder dat er met de motor enig probleem optreedt. In de Verenigde Staten wordt dat ook effectief in de praktijk omgezet. Daar wordt per jaar 60 miljard liter ethanol op die manier verbruikt. Door dat gebruik van ethanol in brandstof voor de mobiliteit komt biobrandstof aan dat vrij aanzienlijk deel van de wereldwijde energiebevoorrading.

Een tweede belangrijke pijler is de zogenaamde biomassa en die werkt hoofdzakelijk met houtpellets. Men kan houtafval industrieel tot houtcilindertjes van enkele millimeter diameter en ongeveer een centimeter lengte verwerken. Die zijn dan vrij eenvoudig pneumatisch verplaatsbaar. Dat kan als brandstof gebruikt worden, zowel in privéhuishoudens als in elektrische centrales. De technologie is ongeveer dezelfde die we bij het behandelen, stockeren en verbranden van steenkool gebruiken. De gevaren (stofexplosie) zijn dat ook.

Natuurlijk is er nooit voldoende houtafval om een energieproductie mogelijk te maken die de statistiek zelfs maar haalt. Daarom worden de meeste houtpellets die verbrand worden direct van bomen gemaakt die bij voorbeeld in Canada groeien. Zo gebeurt het ook hier bij ons. Die pellets worden dan geïmporteerd. Dat is uiteraard een duur proces dat onmogelijk met fossiele brandstoffen kan concurreren, en het kan dus zonder aanzienlijke subsidies niet overleven.

Geen enkele vorm van biobrandstof is ethisch verdedigbaar.

Even recapituleren. Bomen worden met behulp van aanzienlijke openbare financiële steun ‘gehakseld’ en verbrand om elektriciteit te genereren, en dat onder daverend applaus van de ecologisten? Inderdaad, en wie daar op een gereduceerde manier tegenaan kijkt vindt dat zelfs nog rationeel ook. Bij het verbranden ontstaat weliswaar CO2 – en zelfs niet minder dan bij de verbranding van steenkool – maar dat is precies dezelfde hoeveelheid CO2 die de planten nodig hadden om te groeien. Indien men dus zijn denken over de wereld tot een CO2 -vraagstuk reduceert is alles best in orde. Maar voor de plantages waar het hout voor die pellets groeit, of de mais of het suikerriet waaruit ethanol gemaakt wordt, is natuurlijk landbouwgrond nodig. En dat in een wereld waar miljoenen mensen niet voldoende te eten hebben en er niet genoeg landbouwgrond is om ze te voeden. Biobrandstoffen staan dus in directe concurrentie met voedsel. Eigenlijk komt het erop neer dat ik met een gerust geweten – want ik ben CO2-neutraal –  met mijn auto kan rijden als daarvoor een paar mensen verhongeren. Ik erger me regelmatig aan het nogal lichtvaardig gebruik van grote woorden in het klimaat- en energiedebat. Tegensprekers worden iets te gemakkelijk ‘immoreel’ genoemd wanneer ‘niet akkoord’ of ‘sceptisch’ betere omschrijvingen zouden zijn. Maar voor biobrandstoffen vind ik het woord ‘crimineel’ zonder meer passend. Ik wil dat niet, en indien U het wel wil moet U ook bereid zijn dat luid en duidelijk te zeggen. Dan weten we minstens waar we staan.

Het is kenschetsend, zowel voor het energiedebat als voor onze maatschappij in het algemeen, dat men vandaag zoiets aan het publiek verkocht krijgt zonder dat iemand er dieper over nadenkt.

Waterkracht

Met 18% van het totaal is waterkracht de volgende grote brok, maar voor ons in België van vrijwel geen betekenis. Om waterkracht te kunnen gebruiken moet het landschap meewerken. Er zijn rivieren met een hoog debiet en een zeer sterk verval in diepe dalen nodig, en die hebben we hier niet.

Waterkracht komt op een vrij directe manier van de zon. Zonne-energie verdampt water uit de oceanen en – eveneens door zonnewarmte veroorzaakte – winden voeren de wolken dan omhoog en ook landinwaarts. Waterdamp condenseert en valt als regen. Als dat water op een landschap valt dat op een aanzienlijke hoogte boven de zeespiegel ligt bevat het potentiële energie die in turbines en generatoren in stroom omgezet kan worden. Op een figuur die veel verder onder in de tekst staat (omdat we ze daar meer nodig hebben dan hier) kunt U zien hoe het werkt.

Deze technologie is uiteraard 100% hernieuwbaar, maar ze blijkt ook niet onomstreden omdat er aanzienlijke oppervlakten voor onder water gezet moeten worden. Bovendien is ze niet zo onschuldig en ongevaarlijk als men op het eerste zicht zou denken. Alleen al de dambreuk bij Fréjus in 1959 heeft 423 mensenlevens geëist, veel meer dan alle ongelukken met kerncentrales tot hiertoe samen. Zoals overigens ook kernenergie valt deze technologie wel veilig te beheersen op voorwaarde dat er niemand ergens korte bochtjes neemt. Dat was, bij voorbeeld, in Fréjus het geval. Daar werd door geldgebrek het geologisch onderzoek onvoldoende uitgevoerd.

Ik besteed aan dit thema enige aandacht omdat ook wij geen ernstig alternatief voor deze technologie hebben als we energie in grote hoeveelheden willen opstaan, zelfs al wil ons landschap niet echt mee. We zullen nog zien dat aan dat laatste geen weg voorbij voert Daarom is het belangrijk dat we het hier met een rijpe, gevestigde technologie te doen hebben. Ik heb in Kamloops (British Columbia, Canada) een centrale gezien met twee turbines van ieder één gigawatt (dat is dus 109 watt!). Maar daar hebben ze natuurlijk wel het landschap mee…

Geothermische energie

Hiervoor moet de ondergrond meewerken: de geologie. Bij ons doet ze dat niet en er zijn niet zo heel veel plaatsen in de wereld waar ze het wel doet. Dat geothermische energie desondanks het lijstje haalt en nog voor wind en zon uitkomt, ligt aan IJsland waar deze mogelijkheid overvloedig gegeven is en ook sterk benut wordt. Niemand weet echter wat het geforceerd afkoelen van de ondergrond uiteindelijk voor akelige gevolgen kan hebben. We weten überhaupt heel weinig, buiten het feit dat ons leven een fragiele aangelegenheid op een gevaarlijke plek is. De IJslanders, gewend aan vulkanen en aardbevingen, zijn ondanks hun poëtische literatuur nuchtere mensen en zien dat nogal gelaten: ze laten zich niet zo gemakkelijk de boom injagen. Dat kan er ook een beetje aan liggen dat er op heel IJsland geen ernstig te nemen boom aan te treffen is. Hier is dat helemaal anders, maar het probleem is er bij ons gelukkig niet.

Getijdenenergie

Theoretisch kunnen de getijden zeer aanzienlijke hoeveelheden energie leveren. De hoogte van de getijden is over de globe zeer divers. Hier bij ons ligt ze om en bij de vier meter. Dat opent al mogelijkheden want daar zijn enorme energiehoeveelheden mee gemoeid. Die energie ‘oogsten’ is echter niet zo eenvoudig want dan moet de geografie nog meewerken. Als men een heel grote baai heeft met een nauwe ingang die men kan afdammen is het mogelijk twee keer per etmaal enkele uren stroom te genereren. Die paar uren gaan slechts af en toe toevallig met de momenten van ons piekverbruik samenvallen. Dus moeten we de energie die we hiermee opwekken kunnen opslaan. Het zal slechts zeer uitzonderlijk gebeuren dat de situatie toelaat dat de hoge investeringen zich renderen. En alvast aan onze kust is dat nergens het geval.

Blijven dus nog wind en zon. Daar gaan we het mee moeten doen.

Wind en zon

Energiewinning uit wind en zon zijn technologisch totaal verschillend en hebben zo ieder hun eigen problemen waarop we in volgende afleveringen in meer detail zullen ingaan. Toch behandelen we ze hier samen, omdat het grootste probleem er een is dat ze beide delen.

Om dat probleem te zien kijken we best naar Duitsland. Daar zijn ze met hun ‘Energiewende’ tien jaar na ons begonnen en ze hebben nu vier jaar voorsprong (dit is jammer genoeg geen flauw grapje). Hieronder zien we de Duitse energiemix zoals verbruikt in 2016:

Ze hebben blijkbaar in dat jaar 4% van hun behoeften met wind- en zonne-energie gedekt. Dat lijkt zeer weinig, hoewel ze grote inspanningen gedaan hebben: hun geïnstalleerde capaciteit ligt iets boven de 40%. Van waar dat enorm verschil? De variabele kosten van wind- en zonne-energie zijn bijna verwaarloosbaar. Dus laat men die molens altijd zo hard mogelijk draaien.

Tegenwoordig is het in onze door en voor een urbane minderheid gevormde cultuur blijkbaar nodig het nog eens in herinnering te brengen: de zon schijnt niet altijd, en soms is er ook geen wind. Dat wist iedere landbouwer uit het neoliticum al. Dat is niet het enige zwaarwegend element dat in dit debat af en toe al eens ‘vergeten’ wordt. Waar dat toe leidt kunnen we duidelijk zien als we de historiek van de maand januari 2017 in Duitsland eens onder de loep nemen. Zie figuur hieronder.

Het aandeel van wind en zon in de totale energieproductie lag tussen 41,3% op 4 januari en 2,5% (dat is dus vrijwel verwaarloosbaar) op 24 januari. Op 4 januari scheen de zon én er waaide een stevige wind. Er zijn zo van die dagen, maar niet zo heel veel. Op 24 januari was er noemenswaardige zon noch wind. Dat komt in onze streken duidelijk vaker voor. In feite viel voor heel de periode tussen 16 en 25 januari zon en wind als energieleverancier gewoon weg. Als we daarvoor geen voorzorgen nemen zal de industrie stilvallen en ook onze privéhuishoudens kunnen we zoiets niet aandoen. Een industriestaat werkt enkel als de elektriciteit altijd beschikbaar is – einde debat.

Voorzorgen

Als we dus volledig op wind- en zonne-energie willen omschakelen moeten we voor dergelijke gevallen voorzorgen nemen. Hoe lang is de periode die we dan moeten kunnen overbruggen? Om dat met enige zekerheid te zeggen zouden we historische weerdata kunnen bestuderen. Dat is zeker mogelijk, maar ik heb het niet gedaan. Ik geloof echter dat we niet erg verkeerd zitten als ik voor de volgende overwegingen uit ga van twee weken.

De lichtjes zijn toen in Duitsland niet uitgegaan, hoewel het elektriciteitsnet in zijn voegen kraakte. De Duitsers hadden nog voldoende conventionele- en kerncentrales lopen waar ze nog iets meer konden uit halen. Bovendien hebben ze een aantal gasgestookte centrales en ook gasturbines in reserve staan. Die kunnen ze allemaal op korte termijn starten – de turbines praktisch met een vingerknip. En alles liep dus goed af.

Deze mogelijkheid – het is de enig werkbare – staat voor ons niet ter beschikking, want de heer Tommelein heeft gezegd “100 procent hernieuwbaar”. Nu is de heer Tommelein niet de eerste de beste zwetser. Hij is de Vlaamse minister verantwoordelijk voor energie. We kunnen –  neen moeten – dus aannemen dat hij weet wat hij zegt en het ook ernstig meent als hij zijn mond opendoet. Wat nu? Dat moeten we eventjes in cijfertjes bekijken. Ik beleef er geen genoegen aan U daarmee te kwellen, maar als we het domein van het vrijblijvend gezwets willen verlaten voor steviger grond gaat het niet anders.

Eerst de randvoorwaarden:

Ik calculeer geen elektrische auto’s in. Indien ik dat zou doen wordt het helemaal troosteloos. Er zijn trouwens nog veel indicatoren die me zeggen dat elektromobiliteit (gelukkig) niet voor morgen is. Die komen in toekomstige bijdragen in detail aan bod.

De Belgische centrales hebben in 2015 ongeveer 80 TWh (terrawattuur: 1012 wattuur of 109 kWh) geproduceerd. Dat komt overeen met een gemiddelde capaciteit van 9,13 GW.

Als we dus een voorraad voor twee weken willen aanleggen hebben we

9,13 ● 14 ● 24 = 3.086 GWh opslagcapaciteit nodig. Hoe gaan we dat aanpakken?

Batterijen

Simpel toch? Even Elon Musk bellen! Die heeft toch net Zuid-Australië in een dergelijke situatie gedepanneerd! Zozo, laten we dat eens kwantitatief bekijken: dat helpt bij hallucinaties meestal vrij goed. Hier zien we een foto van het systeem. Indrukwekkend, niet?

Die batterij heeft een capaciteit van 130 MWh.

Wij hebben 3.086 GWh of 3.086.000 MWh nodig.

Dus is dat speeltje van mijnheer Musk precies 23.604 keer te klein.

We mogen niet weten wat het gekost heeft, maar 21 miljoen $ is een goede, betrouwbare schatting. Bij schaalvergroting stijgen de kosten ongeveer lineair.

De batterij die wij nodig gaan hebben zal dus ongeveer 495 miljard $ kosten. Dat is maar net iets minder dan ons bruto binnenlands product van een jaar. De Belgen (niet de Belgische staat) zijn rijk, heel rijk. Maar zoveel hebben we dan ook weer niet op ons spaarboekje staan.

Bovendien gaat die batterij maar twee, hoogstens drie jaar mee. Dus moeten we minimum 165 miljard per jaar afschrijven. Dat geld gaan ze op de een of andere manier, uiteraard zo ondoorzichtig mogelijk, uit uw zakken moeten troggelen, jaar in jaar uit. Daarvoor bestaat wel geen alternatief. Ik neem aan dat mijnheer Tommelein voor dat zakkenrollen al een methode bedacht heeft: anders zou hij toch zijn voorstel niet doen!

Over het immens energieverbruik dat voor de productie van die batterij nodig is willen we nog niet eens hebben. Het vermoeden dat we, summa summarum, op die manier helemaal geen energiespaareffect meer hebben (zoals trouwens ook voor Tesla auto’s geldt) ligt wel voor de hand.

Ik geloof dat ook de meest milieubewuste klimaatactivist op dit punt zal inzien dat dit geen bijzonder beloftevolle piste is. Wat nu?

Er zullen zeker de nodige fantasten zijn die met oplossingen komen opdraven. Zoals bij voorbeeld een gigantische elektrische condensator of een al even onwerkbaar vliegwiel, of persluchtketels of misschien zelfs gewichten, zoals bij grootmoeders klok. Hier komt mijn kleinmenselijke zwakheid weer boven. Ik weiger ieder van die ideeën in detail ad absurdum te voeren, omdat ik weet dat het toch nooit ophoudt. Het perpetuum mobile laat de mensheid nooit echt los. Maar, waarde medeburgers, laat ons liever van dat soort spelletjes afstand nemen. Dit is bloedige ernst. De vraag is niet minder dan of we een toekomst hebben of niet.

Uiteraard bestaat er wel een elegante en beproefde methode, en slechts één, om op grote schaal overschot elektriciteit op te slaan. We kunnen water naar hoger gelegen bekkens pompen, en als we de energie nodig hebben dat water doorheen turbines in een lagergelegen bekken laten stromen. Daarbij kunnen we met een vrij hoog rendement elektriciteit maken. Dit is de technologie die we bij hydro-elektrische centrales gebruiken. Ze is een eeuw oud, commercieel beschikbaar en betrouwbaar. Op de figuur hieronder kunt U zien hoe het werkt.

Deze techniek wordt ook voor het opslaan van overtollige elektriciteit vandaag al courant gebruikt, zij het op een vrij kleine schaal, in het Groothertogdom Luxemburg en in Wales. Klinkt toch beloftevol, of niet?

Even kijken wat het betekent als we deze techniek gebruiken om onze broodnodige reserve te vormen. Ik probeer de redenering zo te maken dat iedereen ze kan begrijpen en controleren. Gelieve me dus voor enige langdradigheid te verontschuldigen, vooral indien U zich uw natuurkundeonderricht uit het middelbaar onderwijs nog herinnert. Dan is het volgende bijna beledigend triviaal. Voor alle anderen: indien U de moeite doet om hier met mij door te wandelen gaat U verbaasd zijn hoe eenvoudig het eigenlijk is!

De potentiële energie van het water in het bovenste bassin tegenover het onderste is:

EH = m ● g ● H (1) waarbij

  • EH :potentiële energie in joule
  • m :massa van de hoeveelheid water in kg
  • g :versnelling van het zwaartekrachtveld dus 9,81 m/sec2
  • H :het hoogteverschil tussen de twee wateroppervlakken in meter

Ik stel voor de we voor H 50 meter aannemen. Dat geeft ons 5 bar druk op de turbine, en daarmee kunnen we voor het turbine-generatoraggregaat van een rendement (ῃ) van 85% uitgaan. We kunnen die hoogte uiteraard een beetje variëren.

Ik stel ook voor dat we in m3 (of ton) water rekenen. Dat is iets handiger.

Voor één ton dus is (zie 1)

E50 = 1.000 ● 9,81 ● 50 = 492.103 joule (of ook watt.sec)

Rekenen in wattuur is iets comfortabeler. Laten we dat maar doen. Delen door 3600 (seconden in een uur) volstaat.

E50 = 136 wattuur

Van ons batterijenavontuur herinneren we ons nog welke energiehoeveelheid we in reserve moeten hebben: 3.086 GWh (gigawattuur)

Enodig = 3,086.1012 wattuur en dus is nu heel gemakkelijk te berekenen hoeveel ton (of kubieke meter) water we nodig hebben:

V =  = 22,56.109 m3   

Als we aannemen dat we 10 meter waterspiegelschommeling hebben om mee te werken, dus tussen 45 en 55 meter hoogteverschil, geeft dat de oppervlakte van ons stuwmeer (volume gedeeld door hoogte):

S = 2,256.109 m2 of 2.256 km2.

Helemaal correct is dat nog niet. We zouden ook nog het rendement van de operatie (~ 0,85) in rekening moeten brengen, waardoor de oppervlakte nog iets vergroot. Maar ik denk dat het welletjes is.

We kunnen het uitgewerkte water uiteraard niet gewoon naar de zee laten lopen: zoveel water hebben we hier niet. We moeten het verzamelen om het later, als we elektriciteit in overschot hebben, terug omhoog te pompen. Daarvoor is dus nog eens een bekken van dezelfde grootte nodig. Maakt samen 4.500 km2. Ter vergelijking: de oppervlakte van Belgie is ongeveer 30.000 km2. Het is dus wel immens veel, maar misschien niet overkomelijk. We moeten ook mee inrekenen dat die enorme meren een grote recreatieve waarde zullen hebben.

Doenbaar is dat – theoretisch – in ieder geval. De techniek is perfect gekend. We kunnen al de nodige spullen gewoon kopen of bouwen: daarvoor is geen spatje onderzoek meer nodig. De ecologisten zullen wel opwerpen dat een zeldzame soort groenblauwe ondergrondse mestkever hierdoor met uitroeiing bedreigd wordt, maar de zorgen die me ik maak zijn van een andere soort.

Die 55 meter zijn namelijk een probleem. De enige manier om dit te realiseren is alle diepe dalen van de Ardennen af te dammen en onder water te zetten. Jammer genoeg wonen daar nu net de mensen. Radicale Vlamingen zullen dat misschien als oplossing voor het Belgisch probleem zien. Zou dat de uiteindelijke bedoeling van minister Tommelein kunnen zijn? Foei! Ik ben het daar helemaal niet mee eens: ik heb daar vrienden wonen. Als het nu nog eens Brussel was…

Conclusie

Sorry, vrienden milieubewuste klimaatactivisten: jullie menen het zeker goed, en jullie ideeën zijn aantrekkelijk genoeg, maar ze kunnen niet werken. Dit land kan met alleen hernieuwbare energie niet leven, zelfs niet als we de auto’s verder op benzine en diesel laten rijden. Ooit gaan jullie dat zelf begrijpen, heel zeker. Maar dat zal dan vele jaren en nog meer miljarden verder zijn. Jammer, want die tijd en dat geld zouden we heel goed voor het ontwikkelen van echte oplossingen kunnen gebruiken, maar de tijdsgeest staat dat niet toe.

 

Uw Dwarsliggers

Dit volk pleegt zelfmoord

In het begin van de twintigste eeuw moedigden de socialisten en de vakbonden de Vlamingen in Brussel aan Frans te leren. De kennis van die taal zou hun sociaaleconomische positie verbeteren en zou hen het respect van de Franstaligen opbrengen. Wat er echt gebeurd is weten we inmiddels allemaal: het Frans werd de voertaal in Brussel, de Nederlandstaligen werden een volstrekte minderheid en van respect voor deze laatsten is nog altijd even weinig sprake als in het begin van de vorige eeuw.

Integendeel: de zogeheten Brusselse olievlek breidt zich uit over heel Vlaams-Brabant. Ze loopt nu tot in Grimbergen en stoort zich niet langer aan de grens van de randgemeenten. In de meeste van die randgemeenten is het Nederlands een minderheidstaal geworden en is de feitelijke voertaal Frans. In hun gemeentehuizen hoor je nauwelijks nog Nederlands. Als van overheidswege geëist wordt dat de taalregeling gevolgd wordt, trekken de Franstaligen naar een of ander Europees hof en halen daar veel te vaak hun gram.

En onze pers? Die vermeldt gewoon. Als fait divers. Even belangrijk als het afvriezen van de druiven in het voorjaar van 2017. In de postmoderniteit is immers niets van wezenlijk belang.

Nu hebben onderwijskoepels het in hun hoofd gehaald om de volledige voorrang van het Nederlands in héél Vlaanderen onderuit te halen. Leerlingen van allochtone komaf mogen nu hun moedertaal spreken, zelfs in de klas. Hoe zoiets pedagogisch in zijn werk moet gaan is een raadsel.

De trend is duidelijk: nadat Brussel verfranst werd door de schuld van voornamelijk Vlaamse ‘leiders’, na de Vlaamse randgemeenten die nu verfranst worden – eveneens door de schuldige nalatigheid van de Vlaamse zelfbenoemde elite-, wordt nu heel Vlaanderen verbeulemanst. Alweer door een zelfbenoemde Vlaamse elite.

Het idee om de moedertaal toe te laten en de volstrekte voorrang van het Nederlands is compleet fout.

Ten eerste is de vergelijking met de Vlaamse kinderen die destijds gestraft werden omdat ze “Vlaams” praatten, verkeerd. Die Vlaamse kinderen waren namelijk autochtonen, natuurlijke bewoners van hun eigen land.

Ten tweede: mensen met kennis van zaken, zoals Eugeen Roosens, zijn formeel: autochtone minderheidsgroepen moeten gerespecteerd worden in hun eigenheid, dus ook in hun taal. Doch wie bewust van buitenaf immigreert kan geen beroep doen op de rechten van autochtone minderheden, vermits hij of zij niet autochtoon is. Voor zo iemand geldt wat Aboutaleb, burgemeester van Rotterdam, ooit zei: Nederlands leren of ophoepelen!

Sommigen verwijzen naar wetenschappelijke onderzoeken. Sta me toe daarmee eens spottend mee te lachen. In dit soort materie kun je vaak zowat alles bewijzen. Wetenschappelijke bewijsvoering is veel moeilijker dan velen denken. Neem nu de opwarming van de aarde. Statistieken zouden een plotse verwarming laten zien vanaf het begin van de industriële revolutie. Echter: coïncidentie is nog steeds geen bewijs. Een echte bewijsvoering vereist een tegenproef. Wat zou er gebeuren als de industriële revolutie niet had plaatsgehad? In het onderhavige geval kan men proberen de parameters van het onderzoek in overeenstemming te brengen met een toestand zonder industriële revolutie. Maar in menselijke zaken is zulke bewijsvoering veel lastiger. Je kunt de bestaande mensen niet weghalen of de parameters aanpassen, want elke situatie wordt door mensen altijd opnieuw ervaren en geïnterpreteerd. Het enige wat mogelijk is zijn controlegroepen, doch ook dat is zelden sluitend. Iedere onderzoeker weet dat.

Ten vierde: als we het Nederlands degraderen tot één van de talen in Vlaanderen, halen we ook haar status weg. Voor vele allochtonen is de taal van de Koran sowieso al het hoogst geklasseerde taal. Die staat dus per definitie in ongelijke concurrentie met het Nederlands, dat bij vele allochtonen ook al niet niet de status van bijvoorbeeld het Frans heeft. Veel Maghrebijnen zijn opgegroeid met de gedachte dat België een Franstalig land is.

Kortom: deze voorstellen vormen een aanslag op de culturele eigenheid van Vlaanderen.

Net als in het begin van de twintigste eeuw zijn de socialisten er als de kippen bij om “meertaligheid” aan te prijzen als een middel tot sociale mobiliteit. Ik begrijp maar niet hoe het Berbers, het Arabisch, het Turks, het Koerdisch of welke taal dan ook een middel tot sociale promotie kan zijn.

Ik begrijp evenmin waarom àndere elites –de christendemocratische, bijvoorbeeld- zo zwijgzaam toezien. Ooit kwamen zij op voor de ontvoogding van Vlaanderen. Ik weet nog de tijd dat christelijke organisaties uit het middenveld – om het ACW niet te noemen – busreizen organiseerden naar de IJzerbedevaart. Ik ben zelf ooit met zo’n bus meegereisd.

Tegenwoordig is voor die mensen kennelijk niets nog van belang. Ook hun eigen christelijke natuur niet, vermits notoire islamieten op hun lijsten prijken. Het postmodernisme slaat werkelijk overal toe.

Wie dit alles plaatst op de achtergrond van een dramatisch dalende demografie kan niet anders concluderen dan dat dit volk ‘ooit zo machtig en trots’ bezig is zelfmoord te plegen.

Ik had gehoopt dat ik in de aanloop van kerst 2017 iets positiefs had kunnen schrijven.

Helaas.

Jaak Peeters

December 2017

Eindeloos torent een afzichtelijke gigantische macht hoog boven ons uit…

Ik zie dan voor me een ontelbare massa van in alle opzichten gelijke mensen, die heel egocentrisch bezig zijn met het rusteloos najagen van de onbeduidende, burgerlijke genoegens waarop zij hun hart hebben gezet. Ieder op zichzelf genomen vormt een eigen wereldje waarbuiten het lot van de anderen zich voltrekt. Zijn gezin en zijn kennissen betekenen voor hem de mensheid, want ofschoon hij zich beweegt onder zijn medemensen, neemt hij ze nauwelijks waar. Hij is met hen in voortdurende aanraking zonder dat zij hoegenaamd iets voor hem betekenen.(…) Boven al deze egocentrische individuen torent een enorm bevoogdend machtsapparaat als enige instantie die hun welzijn garandeert en hen van de wieg tot het graf begeleidt. Het is allesomvattend, voorziet en regelt alles tot in details en wel met fluwelen handschoenen.

En elders:

De overheid zal een net spannen van ingewikkelde, gedetailleerde en eenvormige verordeningen waardoor zelfs de meest originele en wilskrachtige geesten zullen worden gelijkgeschakeld.

Deze citaten komen uit Alexis De Tocqueville (1805 -1859) in zijn Democratie in Amerika.

Ieder zou deze citaten uit het hoofd moeten leren, want anders dan De Tocqueville meende, vinden we dit bevoogdend machtsapparaat niet zozeer in Amerika, doch vooral in ons eigenste Europa, dat zelfs zijn laarzen aan de VN-resoluties veegt, zoals in de Catalaanse kwestie is gebleken.

Wie opgegroeid is en gevormd als bewust mens die tracht zelfstandig te denken en die zichzelf onafgebroken bijschoolt door lezing en zelfstudie, voelt als vanzelf het verzet in zich opborrelen. Onrecht en onoprechtheid, bedrieglijke listigheid en allerlei valsheid schreeuwen om verzet.

Jong en zonder ervaring werpt men zich in het gewoel, vastbesloten om het verzet vol te houden tot de tijden keren. Wie jong is koestert zich immers in de illusie dat er na slechte betere tijden komen, omdat men wil blijven geloven in de goede krachten in de mens.

Niet zozeer materiële toestanden roepen verzet op, al is op dit punt voorzeker niet alles in orde.

Veel erger, veel ingrijpender, veel snijdender zijn de aanslagen op de eerbaarheid en de integriteit van mensen, welke vorm deze aanslagen ook mogen aannemen. Daarbij vergeleken zijn materiële misstanden weliswaar erg, doch minder stekend – tenzij ze precies de uiting zijn van misprijzen voor de waardigheid van de mens.

Zoals Multatuli gelezen wilden worden, zo wil de in een democratische geest gevormde mens gehoord worden. Hij schruwelt als hij dingen leest zoals: interessant, doch niet relevant. Dixit niettemin H. van Rompuy, door sommigen nog steeds met een waas van onaantastbare heiligheid omgeven. Was Lucifer ooit niet ook een engel?

Om die relevantie: daar gaat het om.

Doch ouder geworden en in besef dat de krachteloosheid uiteindelijk onvermijdelijk is, dringt heel scherp zich onverbiddelijk het besef op dat het verzet dat men zolang heeft geboden vrijwel vruchteloos blijkt te zijn geweest. De strijd die men zovele jaren lang met vuur heeft gestreden lijkt op niets uit te lopen. Het lijkt allemaal zinloos. Of men vraagt zich verwoed af of men z’n hele leven lang niet de verkeerde tegenstander heeft bestreden en het werkelijk gevaarlijke beest ongemoeid heeft gelaten.

Gaandeweg, naarmate men ouder wordt, ervaart men dat het net zich steeds verder sluit. Heel deskundig worden alle gaten dichtgeplamuurd. De pers, die plaats bij uitstek waar het verzet vorm zou kunnen krijgen, komt in de handen van dezelfden die mee de touwen van het net aantrekken. Waar de kranten voorheen vrije stukken opnamen, wordt dit voorrecht thans alleen nog toegemeten aan een kleine schare gelukkigen, waarvan nochtans verwacht wordt dat ze uiteindelijk binnen de lijntjes blijven kleuren, zodat het systeem zelf geen gevaar loopt. Waar tot voor kort mensen hun hart konden luchten in lezersrubrieken, zijn deze nu afgeschaft. Omdat het modereren ervan te duur is, omdat er teveel onzin in staat of er teveel gescheld in voorkomt of nog: omdat het altijd weer dezelfden zijn. Niet relevant.

Vervolgens worden we verondersteld aan verkiezingen deel te nemen. Dat lijkt dan de laatste uitwijkplaats voor een mens die, doortrokken van de geest van de democratie, tenminste de hoop koestert enige invloed te kunnen doen gelden opdat de wereld waarvoor hij zijn hart vasthoudt alvast nog een tijdlang buitengaats zou kunnen worden gehouden.

Maar ook hier weer geldt de afschuwelijke uitspraak van van Rompuy: interessant, doch niet relevant.  De staatsregeringen waarvan wij zoveel verwachtten zijn niet langer relevant. De laatste wijkplaats waar de democraat zich kon op terugtrekken, werd hem ontnomen.

Blijft alleen nog een  afzichtelijke gigantische macht die eindeloos hoog boven de bewuste modale mens uittorent. De wereld van George Orwell, diens Big Brother, neemt nu onweerstaanbaar plaats in onze wereld en weldra stellig ook in onze geesten. Een machtig conglomeraat van een zich eindeloos ver verheven wanende politieke elite en een duister kluwen van economische machten, waarvan de kracht ieders verbeelding ontglipt: ziedaar waartegen het verzet moet gericht worden.

Verzet is nooit zinloos. Albert Camus putte er de zin van het leven uit in een wereld die voorts veeleer absurd is en zijn positie verdient wel meer dan gewone aandacht. In het verzet toont zich namelijk de bewuste, democratisch handelende de burger, de burger die door Hannah Arendt zo lyrisch werd beschreven.

Dit is de geest waarin ik recent een kort werkje heb geschreven onder de titel: De valse belofte. De ondertitel luidt: Waarom de burger de EU niet vertrouwt.

Maar net zo goed had ik kunnen schrijven: waarom de EU de burger niet vertrouwt, want die EU blijkt gebouwd op het wantrouwen tegenover die burger en tegenover de positieve krachten in die burger. Zodoende werkt de EU driftig mee aan het dichtpappen van alle uitwegen die de democraat mogelijks zouden kunnen resten om zijn verzet vorm te geven.

Het boekje (77 blz.) kan verkregen worden bij Uitgeverij Polemos en kost 12,5 eur. Ofwel bij de auteur, dit laatste door storting van 14 eur. (portkosten inbegrepen) op rekening BE97 4132 0628 9149, met vermelding van naam en adres.

De Valse Belofte (Jaak Peeters)

Jaak Peeters

Okt. 2017

Een aaneenrijging van trauma’s

De westerling beseft niet hoezeer hij opgenomen is in een geschiedenis die je kunt omschrijven als een aaneenrijging van traumatische ervaringen.

Ongewoon is zulks in het menselijk leven niet. Opgroeien is op zich een aaneenrijging van kleine trauma’s, die je vervolgens te boven leert komen. Freuds – wetenschappelijk betwistbaar – Oedipoescomplex illustreert dit evenzeer.

Ook een collectiviteit moet met zijn historische trauma’s leren omgaan en ze te boven komen. Zoiets als de Hegeliaanse Aufhebung. Zoniet verziekelijkt de samenleving.

In mijn boek De worsteling met de moderniteit heb ik beschreven hoe de trauma’s van de godsdienstoorlogen de geschiedenis van het denken over mens en maatschappij in Europa grondig hebben ge- of misvormd.

Elke generatie die getuige is van afschuwelijke gebeurtenissen wil nadien maar één ding: alles in het werk stellen opdat zulke gruwelen zich nooit meer zouden herhalen.

In het boek van Dirk Rochtus, van Reich tot Republik, beschrijft de auteur hoe de vernietiging van de oude Pruisische geest zowat het hoofdoogmerk was van de zegevierende geallieerden in 1945. De toenmalige DDR deed er nog een schepje bovenop door zoveel mogelijk alle tekenen van het oude, “valse” bewustzijn uit te wissen. Zo sloopte het communistisch regime van de DDR de oude Garnisonskirche, een architectonisch waardevol bouwwerk. De monumentale toren van bijna 90 meter beheerste het stadsbeeld. Dat was niet naar de zin van de communisten, want hij riep constant de herinnering op aan de tijden dat de religie de geesten van de mensen beheerste.

Later wilde een Stichting die oude Garnizonskirche heropbouwen. Onmiddellijk kwamen actiegroepen tegen dit plan in verzet. Die bedoelde kerk was namelijk exact de plaats waar de nieuwe rijkskanselier Adolf Hitler met geveinsde eerbied het hoofd boog voor de grijze rijkspresident en Pruisische topofficier Hindenburg.

De Kirche mocht dan een architecturaal meesterwerk zijn: ze herinnerde volgens actiegroepen te veel aan het nationaalsocialisme. Omdat die geschiedenis daarvan zo snel mogelijk moest worden uitgewist en vergeten, was het heropbouwen van die kerk dus geen optie. Dat ze daarmee precies hetzelfde deden als de communistische DDR ontging hen kennelijk.

Maar ook hier weer wordt duidelijk hoezeer de trauma’s uit het verleden de geesten van latere generaties in bezit blijven houden. Dat kerkgebouw draagt immers geen enkele schuld: ze is slechts een stenen massa zonder geheugen. Maar de mensen geven er een betekenis en een belang aan. En belangrijk is wat in het verleden tot traumatische ervaringen heeft geleid.

Onlangs stond in een Vlaamse krant een vraaggesprek te lezen met Frans Timmermans, de EU-bons die door sommige kwatongen als Baas Ganzendonck betiteld wordt. De EU is voor hem nodig om twee redenen.

Ten eerste om de economieën van Europa dichter bij elkaar te brengen. Deze gelijkschakelingsmythologie kan hier even onbesproken blijven, behalve deze opmerking: rechtvaardigheid ook moet betekenen dat wie hard werkt, de vruchten mag plukken.

Maar zijn tweede reden is weer eens heel verhelderend. Voor Timmermans rijst tegenwoordig alweer het grote gevaar van het nationalisme op. Hoewel hij dat, naar algemene gewoonte, niet nader definieert, is het duidelijk dat hij het nationalisme bedoelt dat hij in de periode 1933 -1945 meent te hebben gezien.

Alweer dus bepalen historische frustraties en trauma’s de agenda van de mensen van vandaag.

Zoals ik in mijn De Valse Belofte *heb geconstateerd, is hier sprake van een negatieve motivatie. Een Europa dat gemaakt wordt om sommige toestanden uit het verleden – hoe erg op zich ook – in de toekomst te voorkomen, is fundamenteel een negatief project. Zulke negatieve projecten zijn nooit een lang leven beschoren. Ze blijven maar gemotiveerd zolang de herinnering aan de gruwelen voldoende levendig is. Nadien verliezen ze hun motivatie of slaan zelfs om in hun tegendeel. En ze komen het verleden nooit écht te boven.

Alleen positieve projecten, die iets nieuws tot stand willen brengen, kunnen generaties lang doorwerken.

Een dergelijk fenomeen doet zich in het Verre Oosten voor: daar zit men ongeduldig op de toekomst te wachten. In West-Europa vecht men nog steeds tegen de demonen uit het verleden.

De Chinezen worden voortgetrokken door de toekomst. West-Europa wordt voortgeduwd door het verleden.

Jaak Peeters

11 oktober 2017

* De valse belofte verschijnt op 15 oktober ’17 bij  Uitgeverij Polemos.

Wenkt de DDR?

Waar de CD&V met haar hoofd is gebleven, is mij een volstrekt raadsel. Eén van haar grote boegbeelden, Kris Peeters, heeft namelijk besloten de discriminatie op de arbeidsmarkt aan te pakken.

Het is het gevolg van een slechte staatshervorming dat een dergelijk probleem – als het er al een is – door een federale minister ter hand wordt genomen, en niet door een nationale, dit is: een Vlaamse resp. Waalse. Discriminatie, zo dacht ik toch, heeft rechtstreeks van doen met cohesie en inburgering in de samenleving.

De wegen van de Belgische politiek zijn echter ondoorgrondelijk.

 

Het zal je als werkgever maar overkomen.

Stel: je hebt een vacature voor elektrotechnisch reparateur. Je mikt op een hoger secundair diploma elektriciteit, met enkele jaren ervaring in een gelijkaardige functie.

Belt daar plots een kandidaat. Je neemt de hoorn op en de kandidaat stelt zich voor als Abdel El Jafoufi. De naam is verzonnen.

Kris Peeters gaat er nu van uit dat de werkgever al meteen geneigd zal zijn iets te verzinnen om El Jafoufi niet te hoeven aanwerven, precies omdat hij El Jafoufi heet.

Enkele uren later staat er een inspecteur van de sociale inspectie aan de deur. Het blijkt de man te zijn die zich aan de telefoon als El Jafoufi voorstelde.

Zie nu wat de toestand is: de werkgever bevindt zich meteen in de positie van verdachte. Hij moet aantonen dat hij El Jafoufi niet wil aanwerven omdat hij discrimineert, maar omdat hij bedrijfskundige redenen heeft. Dit lijkt mij de wereld op z’n kop: een willekeurig iemand moet aantonen dat hij onschuldig is. En ik die dacht dat de schuld moest bewezen worden. De redeneringen van CD&V zijn waarlijk ondoorgrondelijk .

Bovendien moet de werkgever aan die inspecteur uitleggen wat zijn bedrijfsbeleid dan wel is, zodat hij ertoe kon komen El Jafoufi niet aan te werven. Willen we maar meteen alle bedrijven nationaliseren?

Voorts is het op z’n zachtst vreemd dat een ambtenaar in dienst zowaar het recht krijgt om zich met een valse identiteit te bemoeien met een aanwervingsproces. Dat lijkt me bedrog en past wellicht bij spionage, doch niet in een normale maatschappelijke verhouding.

Misschien wil die werkgever inderdaad geen El Jafoufi aanwerven, omdat hij er al verschillende van die aard in dienst heeft en daar moeilijkheden mee heeft ondervonden. Ik ken dergelijke gevallen: chefs die zeggen dat ze alleen nog “Belgen” aanwerven, nadat ze in hun ploeg zoveel allochtonen hadden dat die onder elkaar in een vreemde taal begonnen te converseren, zodat de meestergast de greep op zijn proces dreigde te verliezen.

Een werkgever kan dus perfect heel redelijke overwegingen hebben om geen allochtonen aan te werven. Een werkgever is verantwoordelijk voor het resultaat van zijn onderneming en ondernemen is veel meer dan wat regeltjes correct toepassen, zoals Kris Peeters schijnt te denken. De CD&V schijnt vooral deskundig in het spinnen van een web van regeltjes en verboden, van toepassing – vanzelfsprekend – vooral op autochtone ondernemers. Wat is dat toch voor een wereldbeeld vol achterdocht? Succesvol ondernemen vereist het scheppen van een goede samenwerking onder het personeel, dat bereid moet zijn elkaar bij te springen. Het is aan de werkgever om die goede samenwerking te organiseren. Als hij daar niet in slaagt, lijdt hij schade. Mag de werkgever zijn werk nog doen, ja?

 

Met zijn mystery calling gaat Kris Peeters, en met hem de CD&V, de weg van de oude DDR op: een cultuur van algemeen wederzijds wantrouwen waarin iedereen verdacht is, ambtenaren die onder valse voorwendsels mensen bespioneren en zelfs in de plaats van de ondernemende burger treden en waarin elk geloof in de goede krachten van de mens ontbreekt.

Hoe de CD&V dat met haar “samen”-slogans verzoent, is mij een raadsel.

 

 

Jaak Peeters

Juli 2017

Bedenkingen bij de Britse verkiezingen

Theresa May ‘verloor’ dus de verkiezingen. Volgens Trouw won noch verloor ze en volgens Het Laatste Nieuws boekte ze “een Pyrrhusoverwinning”. De Standaard had het over “een zware nederlaag”, maar die laatste quotering zal niemand verbazen. Een verlies van 3,9% is tamelijk veel, maar De Wever zal in 2019 tevreden kunnen zijn als zijn partij haar verlies tot 3,9% kan beperken. Voor een regeringspartij is een dergelijk verlies niet ongewoon.

May heeft ongetwijfeld goed nagedacht en zich goed laten adviseren toen ze de vervroegde verkiezingen uitschreef. De peilingen waren toen ongetwijfeld gunstig voor haar en de politieke vooruitzichten daarom rooskleurig, vooral met het oog op de onderhandelingen over de Brexit.

Commentaren buitelen nu over elkaar. Over wat te gebeuren staat en wat de positie van May zal zijn en welke haar regering zijn zal. Voor eurofielen zoals Caroline de Gruyter zal een verzwakking van de positie van May tegelijk een versterking van die van de EU betekenen. Voor handelaren zal de daling van de waarde van het pond uitvoerkansen scheppen. Iedere commentator zal ons zijn of haar wijsheid meedelen.

Heerementijd! Wat de uiteindelijke consequenties van deze verkiezingsuitslag zullen zijn, zullen we pas over enkele jaren kunnen beoordelen. We laten ons dus niet leiden door de waan van de dag.

 

Als de uitslag helemaal anders is dan May en haar medestanders met kennelijk grote zekerheid hadden verwacht, dan kun je verschillende redenen bedenken waarom haar prognose niet uitkwam.

 

Eén reden kan zijn dat haar eigen campagne te zwak was en die van haar tegenstander merkelijk sterker.

Een ander stuk van de verklaring kan zijn dat nu mensen zijn gaan stemmen, die het bij de Brexit niet hebben gedaan: het kiespubliek is gedeeltelijk veranderd.

Een derde reden kan te vinden zijn in de rol van de media. Daar zitten nogal wat eurofielen tussen. Die hebben de lessen getrokken uit de Brexit-campagne en hebben hun eigen framing aangepast. De pers doet zoiets voortdurend. Zo bracht Gazet van Antwerpen een groot artikel over een terminale vrouw die door de VDAB verplicht werd te solliciteren, op straffe van schorsing van haar uitkeringen. Schrijnend, inderdaad. Maar tegenover dat geval staan er waarschijnlijk vele honderden waar het wél goed loopt. Daar zwijgt de pers over. Zo doet men aan sfeerschepping en de media zijn daar bedreven in. Ze kunnen dat nu ook zij deze verkiezingen hebben gedaan.

 

Er is echter nog een vierde element, dat je nooit aan bod ziet komen.

Voldoet de structuur van de westerse samenlevingen nog wel aan de voorwaarden om die door middel van verkiezingen te besturen? Zijn verkiezingen nog wel een goed politiek middel?

Deze vraagstelling komt voort uit de constatering dat onze samenlevingen buitengewoon ‘divers’ zijn geworden. Ter linkerzijde predikt met het alleszaligmakend karakter van die diversiteit, die sedert Vertovec superdiversiteit is geworden: er is in een samenleving geen eigenlijke meerderheid meer. De samenleving is een samen-leven geworden van diverse onderscheiden groepen, die ieder in hun eigen schoot hun eigen regels en zelfs hun eigen wetten volgen. Zo geldt in sommige delen van Londen de sharia. Overheid en politie weten dit, doch de betrokken groepen zijn zo machtig dat de politie niet langer de naleving van de wet kan verzekeren. Zij kan zich alleen toeleggen op de excessen: moorden, bijvoorbeeld.

Te onzent wordt deze zogeheten superdiversiteit bejubeld door de marxist Blommaert, met in zijn spoor en in een wat afgezwakte vorm DS-redacteur Tom Naegels. Vooral de zichzelf Groen noemende politici sloven zich uit om de diversiteit aan de man te brengen. Nu loopt er zelfs een ‘studie’ over de Vlaams nieuwkomers in het superdiverse Berchem. U leest het goed: Vlamingen zijn nieuwkomers in hun eigen stad. Zo ver gaat het geknoei met de begrippen. Extreemlinks deinst voor niets terug.

Het vreemde is dat niemand zich zorgen schijnt te maken om de kosten én de gevaren die dergelijke diversiteit met zich brengt. In zijn boek onder de titel superdiversiteit zingt het groene ex-gemeenteraadslid Dirk Geldof weliswaar de lof van die superdiversiteit, maar nergens in de 213 bladzijden van zijn boek vinden we iets over de kosten of de gevaren van zijn droomwereld. Wie naar de webstek van Groen gaat en vervolgens in de zoekfunctie kosten diversiteit of heterogeniteitskosten of iets dergelijks intikt, krijgt geen antwoord. Hebben zij zelf zich dan nooit afgevraagd of heterogeniteit wel eens veel duurder en lastiger zou kunnen zijn dan homogeniteit? Dat ze ontregelend en vervreemdend werkt, in plaats van ze te bejubelen omdat ze de traditionele samenleving kapot maakt? Wat dat laatste is het ware doel van de linkse hemelbestormers.

 

Maar concreet verwijzend naar de Britse situatie luidt de vraag of een land dat uiteenvalt in de hoger genoemde grote, van elkaar sterk onderscheiden groepen, nog wel met de klassieke democratische methoden te besturen valt. De waarheid is dat een dergelijk land eigenlijk bestaat uit verschillende landen, waarvan de morele, culturele, politieke en zelfs financiële belangen elkaar vaker dan gewenst in de weg zitten. Anders gezegd: Groot-Brittannië, in het bijzonder de grote steden, is een land dat uit verschillende landen bestaat, en daarom zoiets als België in het groot is. Een dergelijk land kan alleen bestuurd worden via een diplomatieke conferentie van permanente aard. Maar dat inzicht is niet doorgebroken en May en de anderen willen nog steeds handelen alsof Groot-Brittannië een land met een aantal minderheden zou zijn, doch wel met één Leitcultuur.

De situatie wordt verergerd doordat de Britse jeugd – bij ons is het niet beter – onder invloed van het postmodernisme en het modieuze Europanationalisme en dito kosmopolitisme elke richting kwijt is. Leerden de Britse jongemannen en –vrouwen destijds nog hoe een bewust Brits volk eruit zou moeten zien, dan is deze homogeniteit scheppende beeldvorming verdwenen.

Doch een volk dat het nationale burgerschap in deze onzekere en verwarrende tijden niet geleerd heeft, wordt willoos voorwerp van al dan niet buitenlandse groepen en van de hoger genoemde framing in de media.

Anders gezegd: het ontbreken van een homogeen nationaal zelfbeeld kan ertoe leiden dat nochtans goed bedachte overwegingen uiteindelijk op hun tegendeel uitdraaien. Dat kan ook nu gebeurd zijn.

In het voorbijgaan weze erop gewezen dat dit gebrek aan homogeniteit ook eigen is aan de EU-staat. Die is immers zoals La Belgique, maar dan honderdvoudig. In plaats van samen te brengen, zou de EU-staat, net als Groot-Brittannië, wel eens op een verzameling van op zichzelf functionerende sub-landen kunnen worden.

Geen wonder dat die EU-staat niet bepaald een voorwerp van democratische bestuur is.

 

Technocratie

 

Hoe moeten dergelijke hyperdiverse landen dan bestuurd worden, als het op een democratische manier kennelijk heel moeilijk is?

De oplossing ligt voor de hand en het voorbeeld voor het grijpen: het bestuur wordt in de werkelijkheid waargenomen door een technocratische elite. Die laat haar optreden legitimeren door iets wat zich een parlement wil noemen. Veel van de dossiers zijn echter zo ingewikkeld, dat geen enkel parlementslid bij machte is om het algemeen overzicht te behouden. De grote meerderheid van de parlementsleden stemt dus zoals ‘de partij’ dat voorschrijft. Daarmee is de democratie verdwenen. Immers: als al de parlementsleden, die voltijds met de politiek bezig zijn, de ontwikkelingen niet bij kunnen houden, hoe kunnen we dan verwachten dat de onopgeleide gewone kiezer dat kan? Geen wonder dat die afhaakt of protesteert en stemt voor wat de elite en de media ‘populistische’ partijen noemen.

 

Een andere homogeniteit?

 

Een andere mogelijkheid is dat één van de groepen waaruit de zogeheten diverse maatschappij van tegenwoordig bestaat de macht in handen krijgt, zichzelf tot de nieuwe, intern homogene feitelijke meerderheid verheft, en vanuit die positie de spelregels gaat bepalen.

Dan doen zich het scenario voor dat Michel Houellebecq in zijn Soumission beschrijft: de nieuwe homogene meerderheid – niet in getal, maar in feitelijke machtsuitoefening – is onaantastbaar, laat haar positie niet onderuit halen en de anderen, de autochtone bevolking inbegrepen, rest alleen zich zwijgzaam te schikken naar de orders van de nieuwe meesters.

Ter linkerzijde predikt men de autonomie en vrijheid van de groepen die de bezongen superdiverse samenleving vormen. Via een samenwerking van deze groepen zouden we tot een nieuwsoortige confederale bestuursvorm komen. Die zou dat als confederatie nog democratische kenmerken dragen.

Het probleem is dat iedereen dat spel eerlijk moet meespelen. Dat wil zeggen dat elke groep bereid moet zijn zich aan een stel algemene gedragregels te onderwerpen. De meeste ‘gewone’ mensen zullen dat doen: ze gaan, zoals iedereen, uit werken, doen hun boodschappen met of zonder hoofddoek en maken zich boos als één van de kinderen kwajongensstreken heeft uitgehaald. Maar hun elites: dat is andere peper. En als van deze elites één groep vals speelt en de eerste beste kans grijpt om zichzelf in de macht hijsen is het hek van de dam.

De kans is dus groot dat dit alles uitloopt tot één groot, onoverzichtelijk kluwen van elkaar bestrijdende of zelfs naar het leven staande groepen. We zien in Syrië wat dat betekent. Als er géén macht zich daarboven kan stellen kan deze situatie immers alleen op conflicten uitdraaien.

Dan zal heel luid en krachtig de roep om een Grote Leider opklinken.

Die zal er dan gekomen zijn, mede dank zij de diversiteitspleidooien van onze ‘groene’ vrienden.

En mét die superdiversiteit wordt dan niet alleen onze van oudsher homogene samenleving begraven, doch eveneens onze democratie. Zo verschijnen nu drie mogelijkheden: een technocratie, een nieuwe homogene leidende doch niet-autochtone groep of een Grote Leider. Geen van de drie lijkt me aantrekkelijk.

 

 

Jaak Peeters

Juni 2017

 

Wat baten kaars en bril als de uil niet zien en wil…

Tine Soens, volksvertegenwoordiger voor SPA, is wellicht een menslievende dame, maar ze moet toch haar dossiers eens wat grondiger bekijken.

Ze trekt namelijk aan de alarmbel.

Wat er gebeurt?

Stel je voor: kinderen met studiebeurs slagen maar voor 38% in het hoger of universitair onderwijs. Kinderen zonder studiebeurs halen 52% slaagpercentage.

Soens is verontwaardigd: het kan toch niet dat het slaagpercentage van studenten afhangt van het inkomen van de ouders?

Die zit, nietwaar?

 

Zo’n zestig jaar geleden al – minstens – maakte Professor Jozef Nuttin een studie over de intelligentie van kinderen van binnenschippers. Wat hij constateerde? Dat deze kinderen gemiddeld een lager intelligentiepeil hadden dan kinderen uit de populatie aan de wal.

Hoe dat komt?

Dat komt omdat mensen die gemiddeld intelligenter zijn dan schippers niet gaan varen maar ander werk opzoeken. En omdat intelligentie in belangrijke mate erfelijk is en intelligente mensen dus gemiddeld intelligentere kinderen hebben, vind je bij binnenschipperskinderen lagere intelligentieniveaus.

Heeft dat iets van doen met het bevaren van binnenwateren? Natuurlijk niet.

Maar simpele erfelijkheidswetten doen er duidelijk wel toe.

Zo is het ook met die studiebeursaffaire.

Gemiddeld genomen zullen intelligente mensen meer verdienen en dus minder makkelijk een studiebeurs krijgen. Dat is ook redelijk. Maar terzelfdertijd zullen deze intelligentere mensen gemiddeld ook intelligentere kinderen hebben. Die zullen aan de universiteit ook makkelijker slagen.

Maar het omgekeerde geldt ook: kinderen vanuit minder intelligente en daarom ook meestal minder begoede milieus slagen minder.

 

Omdat voor de linkerzijde iedereen gelijk moet zijn, houdt men daar niet van deze simpele toepassing van de erfelijkheidswetten. En dus men alles op ‘kansarme kinderen’. Dat is op zich niet fout, maar je kunt met gelijkheidspolitiek de natuurlijke wetmatigheden niet veranderen.

 

Is dat het hele verhaal?

Natuurlijk niet. Ik ken een burgerlijk ingenieur, geslaagd in het leven. Zijn vader was arbeider met typisch socialistische opvattingen. Hij was werkman en zijn zoon moest dat ook maar worden. Maar zijn zoon was intelligent, koppig en een harde werker.

Wat betekent dat – opnieuw: gemiddeld – in minder gegoede middens vaak minder motiverend wordt opgetreden ten aanzien van schoolprestaties.

Maar de socialistische logica van Tine Soens houdt daar allemaal geen rekening mee. Volgens die logica is er een simpel verband tussen inkomen en slaagkansen op school. Nog één stapje en het inkomen is zowaar de oorzaak van het mislukken in de school.

Als Soens even in de wetenschap was gedoken, was ze op de studie van Prof. Nuttin gestoten en had ze de minister met rust kunnen laten.

Maar wat baten kaars en bril….

 

 

Jaak Peeters

Mei 2017