Populisme wordt een democratische eretitel

Bij de provinciale statenverkiezingen van 20 maart 2019 in Nederland werd het Forum voor Democratie meteen één van de grootste partijen. De partij flirtte zelfs met de eerste plaats. Ze deelde een flinke klap uit aan onder meer de VVD, de partij van premier Rutte.

Thierry Baudet, voorzitter van Forum voor Democratie – afgekort FvD – en zelf gepromoveerd tot wetenschappelijk doctor in de rechten, had zijn campagne opgebouwd rond drie thema’s: directe democratie, beheersing van de immigratie en terugschroeven van de economisch rampzalige klimaatwet.

 

Al bij de exitpols klonk het in de pers over een overwinning van “de rechtspopulistische FvD”, zowel in De Telegraaf, Trouw en NRC als in Het Laatste Nieuws , Knack en zelfs in de meestal beschaafde Tijd. Alleen de Volkskrant was genuanceerder: de redacteur van die krant was zo beleefd er bij te schrijven dat de term ‘rechtspopulisme’ door de tegenstanders van Baudet in de mond worden genomen. De voorstanders noemen FvD ‘de partij van het verzet tegen de gevestigde orde’.

 

In Vlaanderen is FvD misschien nog niet zo goed bekend. Daar zal nu wel verandering in komen.

In het algemeen kun je enige overeenkomst vinden met de beweging van de vermoorde Pim Fortuyn, wiens dood door Chris Dusauchoit werd toegejuicht (“Nog twintig te gaan”). De genaamde Dusauchoit werd door het gerecht nooit lastig gevallen.

 

FvD wil de invoering van het bindende referendum. De partij wil een einde maken aan de heerschappij van de zogeheten partijprogramma’s. FvD staat kritisch tegenover een Europese superstaat, een Europees leger en het Europese immigratie- en asielbeleid. FvD verzet zich ook tegen de klimaathysterie, die Nederland op 500 tot 1000 miljard euro zou te staan komen.

 

Voor de gewone, modale burgers, zoals schrijver dezes, klinken al deze punten helemaal niet zo abstract of extremistisch – integendeel: ze lijken de redelijkheid zelve.

 

De eis naar meer betekenisvolle inspraak of invloed van de burger in het landsbeleid is een door-en-door democratische eis. Ze verwijst naar de Griekse burgers die op de Atheense agora discussieerden over oorlog en vrede. Of naar de stemmingen bij handopsteking bij de volksvergaderingen in de Zwitserse kantons.

Is daar misschien iets mis mee?

 

Dat Baudet en zijn medestanders een einde willen maken aan de beslissende invloed van partijsanhedrins zal niemand verbazen die de betekenis van het woord particratie kent. We gaan immers kiezen voor een partij. Die boekt dan aanzienlijke winst maar wordt vervolgens door duistere coalitietechnieken buitenspel gezet. We hoeven maar even ‘Ninove’ in herinnering te brengen. Of je krijgt een regeerprogramma waarvoor je niet gekozen hebt. Ik weet om de duivel niet waarom ik zoiets zou moeten goedkeuren.

 

Controle op de immigratie? In mijn Vlamingen zijn fatsoenlijke mensen heb ik onderzocht wat een staal van Vlamingen denkt over de stelling: “Vlaanderen is het land van de Vlamingen en moet voor hun kinderen behouden blijven”. Ik heb niemand gevonden die daar negatief op antwoordde. Wel maakten enkelen bedenkingen: ze wilden geen extreme houding aannemen. Wie deze materie iets beter kent, weet dat hier het principe van de etniciteit werkzaam is: ons kent ons, onze mensen zijn onze mensen en ons land is ons land. Wie daar van buitenaf in wil komen, kàn dat niet zomaar. Anders wacht ons de totale chaos. Voor die houding vallen vele argumenten aan te voeren, maar begrippen als discriminatie of racisme, waar extreemlinkse politici zoals Almaci en De Vriendt van “Groen” zo gretig mee slingeren, zijn hier volstrekt ongepast.

 

Over Europa – of beter de EU – is al zoveel kritiek geuit, dat ik hier kort kan zijn. Zopas werd bekend dat de EU-commisie het Marrakesjakkoord bindend vindt. Waarom hebben die kerels dat niet in december verteld, toen het moest ondertekend worden? Waarom hebben zij ons, kiezers, onwetend gehouden over hun plannen?

 

Kortom: als de partij van Baudet populistisch is, dan staat het woord populisme voortaan gewoon voor: “ de wil van de modale kiezer”.

 

De media en andere zichzelf tot elite verheffende kringen noemen het involgen van de wensen van de kiezer dus populisme. Ze smijten cafetoogpraat en het verlangen van de kiezers naar een ander, degelijk en doordacht beleid bewust op één grote hoop, alles onder de simplistische maar totaal valse noemer ‘populisme’. Eigenlijk willen ze de medezeggenschap van de kiezer niet echt. Ze willen de macht en verkiezingen zijn voor hen slechts een methode om die macht een schijn van legitimiteit te geven.

Wie dat wil doorbreken is een populist. Stemmen die niet passen in die strategie zijn een “last”(NRC).

 

Wat Baudet doet, is niets anders dan beleid voorstellen dat aansluit bij de wensen van de bevolking.

 

Volgens mij hebben we hier gewoon met die vermaledijde democratie te maken..

Quod erat demonstrandum. Voor zover dat nog hoefde.

 

 

Jaak Peeters

Maart 2018

Klimaathysterie: begrijpelijk, maar niet verstandig.

 

 

Wat weten we met zekerheid over het klimaat en de klimatologische ontwikkeling?

Niet zo heel veel. In ieder geval veel minder dan wat je geneigd bent te geloven als je de stroom aan krantenartikelen over dit onderwerp bekijkt of toekijkt hoevelen er menen het klimaat te moeten ‘redden’ – alsof je het klimaat kunt redden zoals een drenkeling gered wordt.

Wat we zeker weten:

  1. Het klimaat op aarde verandert. Het heeft dat altijd al gedaan en als de geologische of astronomische omstandigheden niet dramatisch veranderen zal het dat altijd blijven doen.
  2. Wordt het warmer? Waarschijnlijk wel. Dat komt ook al omdat de Maunderperiode – de kleine IJstijd – achter de rug is en we nu dus volop naar het hoogtepunt van een interglaciaal gaan.
  3. Door welke factoren wordt een klimaatverandering veroorzaakt? Op de eerste plaats door de zon. Maar eigenlijk gaat het om een hoop factoren en voor de meeste van die factoren is het precieze effect is nog onbegrepen.
  4. Is de activiteit van de mens mee bepalend in de klimaatverandering? Misschien wel, maar door de feiten vernoemd in punt 3 is het onmogelijk te zeggen in welke mate en in welke zin de mens ‘oorzaak’ is van een klimaatverandering.
  5. Moeten we de CO2 uitstoot verminderen? Waarschijnlijk wel, maar misschien wel om àndere redenen.

 

Wie deze dingen op een rijtje zet vraagt zich wanhopig af waar de klimaatopwinding van onze dagen vandaan komt.

Dat een paar tieners, aangevoerd door een exemplaar waarvan geweten is dat ze aan een psychische stoornis lijdt, deze hele opwinding kunnen veroorzaken is weinig waarschijnlijk. Dat sommige politieke partijen de amplitude van de opwinding ten eigen profijte mee opzwepen, weten we allemaal. Dat kranten hun kolommen volgeschreven moeten krijgen, ook.

Maar volstaat dat alles?

Op dit punt aangekomen zullen psychologen wijzen op twee voor de menselijke soort kenmerkende, voornamelijk emotionele gedragsfenomenen.

Ten eerste is er de angst.

Angsten zitten diep in de menselijke ziel verworteld. Eigenlijk beleeft elk levend wezen angst, zij het niet altijd even fel of op dezelfde manier als de mens. Dieren kunnen verlamd raken van angst als ze door een roofdier worden aangevallen. Ze zijn zodanig geparalyseerd dat ze zich als het ware gereed houden om afgemaakt te worden. Alle levende wezens vermijden situaties die hen angst inboezemen en slaan er voor op de vlucht.

De mens heeft een groot voorstellingsvermogen. Het gevolg daarvan is dat angsten vele vormen kunnen aannemen en het aantal situaties dat angst kan oproepen ontieglijk groot is. Daardoor is de angst in het leven van de mens een zo centrale emotie, dat zij het menselijk gedrag bij voortduring kleurt en stuurt.

Angst is een zeer primitieve emotie die alle andere overwegingen tijdelijk stil legt. De menselijke omgang met angst is erg complex. Soms wordt angst zelfs opgezocht. Omdat de angst zo fel is, is de beloning nadien des te groter als de angst overwonnen werd. We geloven dan bijvoorbeeld in de achting van anderen te stijgen. In dezelfde zin zijn mensen bereid soms vreselijke dingen te ondernemen om zich van hun angst te ontdoen. Als volksmenners erin slagen mensen het gevoel te geven dat ze onder hun leiding veilig zijn, dan zijn velen geneigd op de wekroep in te gaan. Daar bestaan voldoende historische voorbeelden van.

Menselijke angsten kunnen ook de vorm van een apocalyptisch eindtijd-denken aannemen. Hier verschijnt het tweede element: de collectiviteit.

Het tweede menselijke fenomeen is dan ook de door -en- door sociale zijnswijze van de mens. Het is bekend dat ons zelfbeeld, datgene wat we over onszelf denken en voelen, op de allereerste plaats bepaald wordt door wat we denken dat anderen over ons denken. Wat anderen doen of laten, is nog veel meer dan we geneigd zijn aan te nemen bepalend voor wat we zelf doen of laten. Als mensen in een zaal opstaan omdat de koning binnenkomt, zullen weinigen de moed hebben om te blijven zitten, hoewel ze het koningschap als instituut fel afwijzen. Ze zullen dan allerlei verklaringen verzinnen om zichzelf ervan te overtuigen dat ze in dit concrete geval hun antiroyalistische afkeer niet hoefden te volgen. Het vereist veel moed om in te gaan tegen het rondom ons geldende gedragspatroon en onze eigen weg te vervolgen. Dat is des te meer het geval omdat deze invloeden voornamelijk onbewust werkzaam zijn. Als iedereen van oordeel lijkt dat een situatie goed is, is het lastig om vol te houden dat dit niet zo is, ook al zijn er voldoende rationele argumenten. Psychologen spreken hier over cognitieve dissonantie: het zich emotioneel en grotendeels onbewust conformeren, omdat de spanning van het afwijkend denken en handelen onverdraaglijk is.

Deze beide verschijnselen, de angst en de psychologische afhankelijkheid van de socii, komen samen om massahysterische verschijnselen te duiden.

 

Het is dus niet de actie van grotendeels onwetende tieners die de klimaathysterie veroorzaakt. Wie naar de 5 punten kijkt waarmee deze bijdrage begon, wordt zelfs sceptisch als hij sommige klimaatwetenschappers de alarmklok hoort luiden. Als het terugdringen van de CO2-uitstoot nodig is, dan is de vraag of we ons niet beter voorbereiden op de klimaatverandering die er hoe dan ook zal komen. Misschien moeten we leren wonen, leven en werken op woonboten en aan maritieme landbouw leren doen. We doen er goed aan om ons los te maken van fossiele brandstoffen. Misschien vanwege de CO2-uitstoot, maar zeker omdat kolen en gas voor onze nakomelingen wel eens levensnoodzakelijke hulpbronnen zouden kunnen zijn. Die stoken wij nu domweg op om onze voeten te verwarmen.

De huidige klimaathysterie is mogelijk geworden omdat de moderne mens veel meer in de greep is van de angst dat hij wil toegeven. De verandering van het klimaat doet hem vrezen dat er een periode van klimatologische onrust zal aanbreken en eigelijk wil hij niets liever dan de rust en de veiligheid van een klimaat dat hij tot nog toe gekend meent te hebben. Hij deinst terug van het onbekende: het boezemt hem angst in. Daarom mag het klimaat niet veranderen.

Omdat de mens tegenwoordig ingebakken zit in informatienetwerken waaraan hij zich niet kan onttrekken, verspreidt de hoger genoemde angst zich als een lopend vuur, aangewakkerd door activistische media die er Gefundenes Fressen in vinden en door politieke agitatoren, die er de kans in zien zichzelf hoger op de politieke ladder te hijsen. Of nog door schooldirecties die denken mee te moeten doen, omdat ze anders leerlingen kunnen verliezen. Maar dat alles is maar mogelijk door de werking van een basisprincipe: we worden angstig omdat we zien dat anderen dat ook zijn. Samen strijden schept dan een gevoel van veiligheid.

Zonder de moderne communicatieve mogelijkheden zou de klimaathysterie veel moeilijker van de grond zijn gekomen. Als de angst voor het onbekende bovendien belichaamd wordt door “onschuldige en onbaatzuchtige” tieners, wordt de strijd tegen deze angsten nog geloofwaardiger.

Maar niet verstandiger.

 

 

Jaak Peeters

Maart 2019

De nieuwe bourgeoisie: de stijders tegen het populisme.

De klimaatbetogingen lijken stilaan buiten adem te raken. Het is een teken aan de wand als men zich al verplicht ziet om kinderen van het basisonderwijs in te zetten om zijn punt te maken. Meteen komt er weer ruimte om over andere dingen te praten dan de onderwerpen waarvan extreemlinks hoopt dat ze haar electorale winst zullen opleveren.

 

In Vlaanderen zullen maar weinigen hem kennen: Hans Goslinga, commentaarschrijver bij het bekende dagblad Trouw. Goslinga is een gevierd columnist. In 2012 kreeg hij de Heldringprijs voor de beste columnist van het jaar.

De politieke voorkeur van Goslinga ligt niet bepaald bij de strekkingen die nogal eens als populisme worden weggezet. Hij verklaart zichzelf tot voorstander van de democratie, maar in Goslinga’s beeldvorming is er geen plaats voor figuren als Trump, Baudet of Wilders.

Die voorkeur speelde zeker op de achtergrond toen hij in november 2018 een artikel publiceerde, waarin hij wees op de ‘populistische’ gevaren van de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester – een project waarmee het Nederlandse parlement op dat ogenblik doende was en een idee dat ten onzent ook aanhangers heeft.

Goslinga sluit zich aan bij de Deense politieke ‘wetenchapper’ Moller, die vond dat de directe democratie vooral “outsiders” aan de macht dreigt te brengen. Mensen zoals Trump dus, die Moller – en kennelijk ook Goslinga – ervaart als olifanten in een porseleinwinkel. Volgens de beide heren moet de ware democratie dan ook worden gered en dat betekent de pas afsnijden voor referenda-plegers zoals Thierry Baudet. Want kijk maar eens wat dergelijke abjecte sujetten veroorzaken: de Brexit, godbetert!, die het gevolg was van het optreden van zo’n “outsiders” die gebruik maken van geld, bedrog en misleiding – zo staat het er echt!

De conclusie van Goslinga luidt dat de directe verkiezing van de burgemeester gevaarlijk is omdat ongewenste figuren aan een macht kunnen komen, die ze beter niet in handen krijgen.

En enkele dagen geleden publiceerde diezelfde Goslinga een stuk onder de titel Het is onmogelijk om zowel Jan Salie als Hansje Brinker te vriend te houden: alleen kloek en moedig leiderschap kan ons helpen. Ook hier weer hamert Goslinga op dezelfde spijker: je moet de verwerpelijke “outsiders” niet nalopen.

 

Ik zou nog even kunnen doorgaan, maar ik heb zo het stille vermoeden dat de gewone democraat de haren ten berge beginnen te rijzen.

Je mag mensen niet het recht ontzeggen een politieke voorkeur te hebben, maar het fatsoen legt, dunkt me, toch grenzen op.

 

Natuurlijk draait het allemaal nog maar eens om het gehate populisme. In Sampol – het ‘wetenschappelijke’ politieke tijdschrift van de Vlaamse linkerzijde – van september 2011, geeft ene Teun Pauwels ons zijn wereldschokkende visie op het populisme. Pauwels, die ‘onderzoeker’ is in de politieke wetenschappen aan de ULB, is zo vriendelijk ons uit te leggen welke kenmerken aanwezig moeten zijn om over populisme te kunnen spreken.

Populisten delen, volgens Pauwels, de maatschappij in twee homogene blokken in: het volk versus de elite. Ten tweede: het volk is iets positiefs; de elite is altijd verdacht. Ten derde: volk en elite staan antagonistisch tegenover elkaar. Ten vierde: populisten eisen de beslissende macht op voor het volk, dat immers de grote massa is die alles moet betalen.

Pauwels gaat voor het wetenschappelijk karakter van zijn pleegsel te rade bij een hele reeks ‘wetenschappers’, allemaal te situeren ter linkerzijde van het politieke spectrum.

Ikzelf heb een ander idee over wat een wetenschappelijke werkwijze is. Als je te raden gaat bij de kameraden krijg je vanzelfsprekend altijd bijval.

Linkerzijde van het politieke spectrum? Aangehaald wordt, bijvoorbeeld, de genaamde Mark van de Voorde, de marxistisch georiënteerde ex-hoofdredacteur van het parochieblad. Voor deze man is ook N-VA populistisch, tesamen met Vlaams Belang en LDD.

Och: als een regeringspartij – de grootste van Vlaanderen, nota bene – populistisch is, dan is er, geloof ik, met dat populisme nog niet zo gek veel aan de hand. Al moet er worden bijverteld dat Pauwels zelf het populistisch karakter van N-VA in twijfel trekt – ziedaar het niveau van hun onderlinge ‘wetenschappelijke’ discussies. Volgens hem is De Wever niet de man die zich naar de wil van het volk schikt, maar de leider die het volk voor zijn standpunt probeert te winnen.

Ikzelf dacht dat een goed voorzitter de beide benaderingen moet bundelen omdat politiek altijd een proces van geven en nemen is, maar in het wereldbeeld van Pauwels is dat dus anders.

 

Hier is wel iets opmerkelijks aan de hand: een Nederlands columnist en een erg links gerichte ‘onderzoeker’ omschrijven dezelfde politici met volgens hen dezelfde ideeën als “outsiders” en die vormen een gevaar voor de ware democratie. Zelfs een regeringspartij ontsnapt niet altijd aan dit odium.

Wie vormt er dan géén gevaar? De traditionele partijen, die volgens Pauwels een “volle” ideologie vertegenwoordigen. En vanzelfsprekend de verdedigers zelf van de ware democratie, namelijk zij zelf. En hun mediatieke medestanders.

 

Ik ga niet argumenteren. Het is allemaal te gek om los te lopen. Volgens mij is een democratie wat het is: deimos kratein. De koppen tellen.

 

Alleen één simpele opmerking wil ik nog kwijt: die “volle ideologie” van de socialisten komt toch voort uit het antagonisme van het proletariaat versus de bourgeoisie, geformuleerd door de genaamde Marx, Karl?

 

Zou het kunnen dat de strijders tegen het populisme zichzelf ervaren als een nieuwe bourgeoisie, van wie Marx schreef dat ze plaats moest maken voor het proletariaat?

Dan wordt meteen duidelijk waarom deze nieuwe bourgeoisie zo nijdig inhakt op wat zij zelf populisten noemen.

 

Jaak Peeters

Februari 2019

Over het verband tussen twee opvallende politieke gebeurtenissen in 2018.

Catalonië en Marrakesh

 

Wat hebben de gebeurtenissen in Catalonië en de show in Marrakesh met elkaar te gemeen? Op het eerste gezicht niets. Hoewel. De Catalaanse kwestie is een achterhaalde nationalistische operette – zo luidt alvast een kwalificatie door het nieuwsoortig cultuurmarxisme dat zichzelf van een groene verflaag heeft voorzien. De Marrakesh-affaire is niets anders dan het verzet van mensen die niet mee zijn met de moderne wereld. Het is het verzet door lieden die maar niet begrijpen willen dat de toekomst ligt in een wereldstaat en in een wereldregering. In de beide gevallen gaat om het mensen die handelen vanuit een verkeerd bewustzijn.

Als het zo simpel zou zijn!

 

Wereldregering?

 

De idee van een wereldregering is al heel oud. Men vindt de gedachte al terug bij eerbiedwaardige mensen als Marcus Aurelius en bij verschillende filosofen uit de Oudheid, zoals Theodorus – de leerling van Antisthenes, want er zijn volgens Diogenes Laërtius vele Theodorussen geweest. Die Theodorus verklaarde dat de wereld zijn vaderland was. Ook Diogenes de cynicus – de man van de ton – noemde zich wereldburger. Immanuel Kant voelde zich eerst wereldburger en pas dan staatsburger – omdat hij het wereldburgerschap niet mogelijk achtte en dan maar in een tweede optie koos voor een wereldfederatie van staten.

Vele commentatoren die het pact van Marrakesh in het vizier nemen, zien er een slinkse poging in om een stap naar zo’n wereldregering te zetten. Ze stellen dat een dergelijk pact een verdoken recht doet ontstaan, waarop activistische rechters zich kunnen baseren om het recht op vrije vestiging op een onrechtstreekse manier door te drukken. Een dergelijk recht moet noodzakelijk ook een transnationaal recht in het leven roepen en dat is precies één van de fundamenten waarop een wereldstaat zich kan vestigen. Een dergelijk recht op vrije vestiging bestaat sinds 1993 in de EU: er werd een Europees burgerschap ingesteld en burgers mogen zich in elke staat vrij vestigen. We ondervinden er dagelijks de gevolgen van.

 

Wereldrijken

De geschiedenis bulkt van de pogingen om een rijk van wereldomspannende omvang te vestigen. Herodotos vertelt hoe de Achaeminiden door de Sassaniden werden opgevolgd. Dat werd opgevolgd door het Hellenistische rijk, vervolgens door het Romeinse rijk, het rijk van de Hunnen, het Arabische rijk enzovoorts. Hoewel al deze rijken volgens onze hedendaagse opvattingen niet echt de titel van wereldstaat verdienen, omvatten ze toch veelal ongeveer de hele in die tijd bekende of beschaafde wereld. Hun begrensdheid was vooral het gevolg van de toenmalige beperktheid van de mobiliteit, een euvel dat tegenwoordig vrijwel is weggevallen.

Al die grote imperia hebben één centraal kenmerk gemeen, zonder hetwelk zij ophouden een wereldrijk te zijn: ze voeren over een groot aantal onderscheiden territoria eenzelfde machtsstructuur in, ook al is die soms beperkt tot het onderdrukken van afscheidingsbewegingen en het innen van belastingen ten voordele van de centrale staat.

 

Het fundamenteel malicieuze van imperia: Catalonië

De geschiedenis leert hoe het met grote wereldrijken telkens weer loopt: in het rijk rijzen er regionale bewegingen op die streven naar grotere autonomie. Dat streven wordt onderdrukt, want hun succes zou ook andere regio’s op slechte gedachten kunnen brengen. Zo doende zou het rijk kunnen desintegreren.

Dat is nu precies wat we zien gebeuren in Catalonië. Als we Spanje opvatten als een imperium – wat het in de ogen van vele Castillianen nog steeds is, denk aan de oude Spaanse staatsleuze: una, grande, libre – dan is het Catalaanse streven naar autonomie zo’n voorbeeld van een ongewenst regionalisme. Dat moet voorkomen worden, omdat anders de Basken ook wel eens zin zouden krijgen in die richting op te stappen. Wat dat nu concreet betekent weten we intussen: opsluitingen van wettig verkozen politici, intimideren van kiezers, overnemen van wettelijke instituties en zelfs het vijandig bejegenen van buitenlandse politieke groepen die het regionalisme welgevallig zijn of die openlijk de repressie tegen regionalistische politici afkeuren.

Het Spaanse voorbeeld is geen geval apart, al is het franquisme op zich dat wel.

De EU heeft zowel Vlaanderen als Schotland al afgedreigd door te stellen dat een onafhankelijkheidsverklaring hen buiten de EU zou plaatsen. Dat is moeilijk anders dan als een politiek dreigement op te vatten. Men kan zich afvragen wat er zou gebeuren als de EU een eigen leger zou hebben, dat volledig naar het inzicht van een EU-regering kan ingezet worden. En de EU heeft uitdrukkelijk geweigerd de overtredingen van de mensenrechten door het Spaanse regime af te keuren. Het toont hoe de EU-bonzen écht denken.

Wie naar de geschiedenis kijkt ziet bijvoorbeeld hoe Karel de Grote zijn hele leven lang de Saksen beoorloogd heeft. Hun fout? De weigering om zich aan zijn gezag te onderwerpen.

Men kan lang op die manier doorgaan, maar de teneur is universeel: elk regionalisme wordt al dan niet brutaal onderdrukt.

 

Regionalisme, kleinschaligheid en democratische betrokkenheid.

 

In de orginele groene beweging, zoals die bijvoorbeeld bij pater Versteylen het levenslicht zag, stond kleinschaligheid voorop. Vredelievendheid, ecologie en democratie vormden voor Versteylen één samenhangend geheel.

Zo gek is dat niet, want er zijn nogal wat verbanden te leggen tussen deze drie begrippen. Democratie vereist betrokkenheid, dat wil zeggen: persoonlijk belang wordt verweven met het belang van de gemeenschap. Psychologen zouden zeggen: de individuen identificeren zich met de gemeenschap. Personen achten zich dus mede verantwoordelijk voor het lot van de hele gemeenschap. Als je elkaar ként is het makkelijker zich met elkaar te identificeren: kleinschaligheid is dus voordelig, ook al omdat het efficiënter kan zijn. Bovendien leidt kleinschaligheid tot produceren en kopen in eigen kring, hetgeen ecologisch is. Een centrale gedachte is in ieder geval deze van de samenhorigheid. Maar als je consequent wil zijn, moet je die solidariteit doortrekken naar andere levende wezens en naar mensen aan de andere kant van de planeet.

Zo kom je aan de drie basisbegrippen van een origineel groene beweging: democratie, vrede, ecologie.

 

Betrokkenheid in een wereldstaat?

 

De persoonlijke betrokkenheid waarover in het punt hiervoor sprake is vereist een grote mate van onderlinge herkenbaarheid. Hoe minder herkenbaar mensen voor elkaar zijn, hoe meer simpele psychologische basisprincipes beginnen te werken: mensen die elkaar niet kennen staan in een eerste fase afkerig tegenover elkaar. Dat betekent niet dat ze vijandig tegenover elkaar staan. Wel dat ze eerder afwachtend en onderzoekend ingesteld zijn. Een andere houding is namelijk nogal naïef: wat onbekend is moet immers eerst onderzocht worden, want het onbekende kan gevaarlijk zijn. Dat is een oermechanisme. Het is tegelijk een lelijke sneer in de richting van het linkse postmodernisme: als mensen kritisch staan tegenover vreemden, dan moeten de mensen maar veranderen, vinden zij. Maar de natuur verander je niet.

Het is zelfs mogelijk de hele onderneming van de menselijke wetenschap te grondvesten op de idee dat de mens de gevaren van zijn omgeving wil kennen om ze vervolgens te counteren. Daarmee doet hij in wezen niets anders dan de Vlaming die vragen stelt bij een massale inwijking van mensen uit vreemde culturen.

Het oude gezegde soort zoekt soort is in die zin correct dat mensen geneigd zijn eerder samen te troepen met lieden die ze kennen, omdat ze er gerust in kunnen zijn dat er vanuit die hoek geen gevaar dreigt. Elkeen die iets van evolutionaire psychologie kent zal dit alles beamen. Zelfs in dergelijke omstandigheden is het tot stand brengen van voldoende onderlinge solidariteit en betrokkenheid een hele klus. Men leze er de lezersbrieven in de kranten maar eens op na: daar springt het egoïsme je in het gezicht.

Als we dat alles weten, hoe stelt men zich dan een democratie voor op wereldschaal? In een wereldstaat met 7,5 miljard mensen? Hoe wil men bewerkstelligen dat 7,5 miljard mensen van vaak totaal verschillende aard en cultuur elkaar voldoende gaan vertrouwen en zoveel solidariteit opbrengen dat ze voor elkaar belastingen betalen? Hoe wil men verkrijgen dat ze elke vorm van regionalisme ondergeschikt maken aan die wereldsolidariteit en alle menselijke oerervaringen meteen in de psychologische afvalbak kieperen? Wie schreef het weer: er zal pas een wereldomspannende solidariteit ontstaan als de mensheid met een buitenaardse beschaving wordt geconfronteerd.

Daar komt nog bij dat dergelijke politieke mastodonten noodzakelijk ver af staan van de zorgelijkheden van de concrete mens. Het is gewoon onmogelijk om die concrete zorgen op die grote afstand politiek vorm te geven. Het kàn gewoon niet. Daarom schreef André Suarez ook dat de grote rijken op de maat van de soort zijn, en de kleine op die van het menselijk individu.

Dat is toch vanzelfsprekend? Grote imperia worden bestuurd vanuit één centraal hoofdkwartier. Dat wordt bevolkt door een keur van geselecteerde lieden, die allemaal het belang van het rijk centraal stellen: dat is het minste wat men van hen kan eisen. Anders horen ze niet op die plaats. Er ontstaan grote ‘administraties’ – binnen de EU gaat het om 30 000 personen. Die vinden zichzelf allemaal tot dezelfde categorie behoren. Ook op hen is de hoger aangehaalde zegswijze van toepassing: soort zoekt soort, want ook zij ontsnappen niet aan de wetmatigheden van de menselijke ziel. Ze zullen elkaar opzoeken. Het zal ongemeen veel moeite kosten om zich te identificeren met een onoverzienbare massa van hen onbekende mensen.

Er bestaan in de natuur twee methoden om zichzelf hoog te achten. De eerste is het leveren van een uitzonderlijke prestatie, maar dat is voor weinigen weggelegd. De tweede is het behoren tot een groep van selecte figuren, die duidelijk van de plebejische wereld onderscheiden zijn. Die selecte groep heeft er alle belang bij om haar selecte positie in stand te houden en elke bedreiging van haar bevoorrechte positie af te wenden.

 

 

Terug naar Marrakesh

 

Voor zover Marrakesh een slinkse poging is om zoiets als een wereldstaat te vestigen – zoals sommigen niet zonder grond stellen – is het aan de voorvechters van die wereldstaat om voor de hoger beschreven vraagstukken een werkbare oplossing voor te stellen.

Als ze daar niet in slagen, zijn we voluit gerechtigd hen het Spaanse scenario in het gezicht te werpen: bestrijden van elke vorm van regionalisme of autonomisme.

Och ja, zal men zeggen: ze doen dat nu al, zij het op een wat verdoken wijze. Zij zijn immers toch de verdedigers van de toekomst, van de belangen van de hele wereld, van de ruimdenkendheid, van het rationeel besef? De anderen zijn obscurantisten behept met een verkeerd bewustzijn, vastgeroest in een verouderde denkwijze, waarvan de gevolgen in de geschiedenis ten overvloede op te rapen vallen. En onvermijdelijk valt het scheldwoord bij uitstek: nationalisme. Alsof het streven van de EU-nomenklatura naar eenvormigheid binnen Europa geen nationalisme zou zijn. En alsof datzelfde streven niet eigen zou zijn aan elke wereldstaat.

 

Conclusie

 

In het scenario van Marrakesh gaat het om hetzelfde soort van conflict als in het Catalaanse geval. Of in het geval van Vlaanderen of dat van Schotland.

De waarheid is dat er helemaal geen “nationalisme” hoort afgeschoten – alvast niet zolang dat begrip niet nader wordt bepaald. Wat er in ieder geval en zonder verdere noodzaak tot definiëring op het spel staat is de democratie, de maat van de mens, het belang van de mens. Niet het belang van ‘De Mens’ als abstract begrip, maar het belang van de concrete, individuele, bij zijn eigen gemeenschap betrokken mens. Het belang van kleinschaligheid en van onderlinge betrokkenheid. Wat dromerige uitzonderingen ontkrachten deze stelling niet.

Het is ten andere een vergissing te willen geloven dat betrokken mensen alleen maar of op hun eigen gemeenschap of op de wereld betrokken kunnen zijn. Mensen laten telkens weer zien dat ze zowel staatsburger als wereldburger kunnen zijn.

Het probleem zit dus niet bij de gewone burger.

Het probleem zit bij de ambities en de illusies van een zelfverklaarde elite, die zich boven alles en iedereen verheven waant en meent het recht te hebben in de plaats van anderen en over de hoofden heen de loop van de geschiedenis te mogen bepalen in de illusie dat zij het lot van de planeet in handen hebben. Het probleem zit in de verblinding van die zelfverklaarde elite, die niet bij machte is te luisteren naar wat de gewone mens te zeggen heeft, maar opgesloten zit in het eigen gelijk, gesteund evenwel door lokale geestgenoten, die illusies boven realiteit stellen.

We moeten hen dringend verzoeken eens gewoon beginnen te doen. En te luisteren naar wat ‘het volk’ te zeggen heeft. En ophouden met het gescheld over populisme.

Op dat punt vinden we wat Marrakesh en Catalonië met elkaar verbindt.

 

Bij deze gelegenheid wensen wij al onze lezers een vruchtbaar en gelukkig nieuwjaar.

 

Jaak Peeters

Nieuwjaar 2019

Kritische bedenkingen bij de politiek van inburgering.

Inleiding

 

Hoe kunnen we oordelen over de politiek die thans gevoerd wordt om immigranten in onze maatschappij te integreren – zeg maar: te laten inburgeren? Ondingen zoals het VN-pact over migratie maken deze vraag nijpend.

Wat onder integratie verstaan wordt is soms nogal onduidelijk, maar ik vermoed sterk dat het ongeveer gaat zoals ik hierna vertel.

Van de immigranten wordt verwacht dat ze de wetten en de regels van ons openbare leven leren en zich daaraan houden. Zodoende gedragen ze zich uiterlijk als een geboren lid van de maatschappij.

Onder die maatschappij wordt dan iets heel specifieks verstaan: het gaat dan om wat in het Engels de civil society heet, de burgerlijke maatschappij, de verzameling van staatsburgers, die allen gebonden zijn door dezelfde wetten en plichten. Zoals al gezegd gaat het om uiterlijk zichtbare gedragingen. Wat mensen binnenshuis doen of wat ze echt denken, doet niet terzake. Als immigranten doen wat hen gevraagd wordt, zal dat proces uiteindelijk uitmonden in een herschapen civil society: van een maatschappij die uit naast elkaar staande groepen bestaat is men geëvolueerd naar een maatschappij waarin iedereen dezelfde principes volgt, en wel in hoofdzaak die van de ‘ontvangende’ maatschappij, ook wel Leitkultur genoemd. De onderliggende idee is dat in dat geval een toestand wordt bereikt waarin de spanningen die het gevolg zijn van de sociologische diversiteit onder een kritieke drempel zakken.

Eerst zal ik een heel korte en zeer onvolledige uitstap maken in het gebied van de sociale psychologie. Dat wetenschappelijk gebied is de laatste 50 jaar geëxplodeerd en verschillende wetenschappelijke bevindingen werden bevestigd in modern neurologisch onderzoek.

Aan de hand van de inzichten uit deze excursie zal ik enkele vragen stellen over de officiële integratiepolitiek.

 

Een korte excursie in de moderne sociale psychologie

 

De belangrijkste factoren waarmee mensen in het leven te maken krijgen zijn niet de geologische, klimatologische of zelfs economische omstandigheden. Wat het meest beslissend ons gedrag bepaalt is wat de anderen, de socii, doen – of tenminste: wat wij dénken dat ze doen.

Of we dat nu graag horen of niet: mensen zijn gemeenschapsdieren. Mensen kunnen nooit ontwikkelen tot wat ze zijn zonder de aanwezigheid van anderen. We scheppen onze persoonlijke identiteit in interactie met anderen, “dialogisch”, schrijven sommige filosofen. Een cultuur opbouwen kan al helemaal niemand alleen. De rondom ons levende socii zijn dus sturend voor ons leven.

We leven in groepen en die zijn van velerlei aard. Sommige groepen zijn tijdelijk, zoals de mensen die toevallig samen in de lift zitten. Andere zijn stabieler, zoals een groep van studiegenoten. Sommige van deze groepen hebben een intiem karakter, zoals een gezin; andere groepen zijn los en oppervlakkig, zoals een groep supporters van een plaatselijke jeugdvoetbalclub. We maken allemaal deel uit van kleine groepen, waarvan we de leden bij naam kunnen noemen, maar we delen ook het lidmaatschap van grote groepen, zoals die van een stad of een dorp, de mannelijke bevolking van een land, onze taalgenoten enzovoorts.

Sommige van die groepen zijn zeer expliciet. Ons lidmaatschap van de staatsgemeenschap staat uitdrukkelijk vermeld op onze identiteitskaart. Andere groepen zijn impliciet: we hebben vaak niet eens in de gaten dat we er deel van uitmaken, zoals in het geval van de hoger genoemde groep in de lift.

Toch oefenen al die groepen op ons een invloed uit omdat ze ons gedrag bepalen. Groepsnormen zeggen wat geoorloofd is en wat niet. Als we met anderen in de lift staan, worden we niet intiem zoals in een gezin.

Elke groep wordt gekenmerkt door het bestaan van een aantal regels. Vaak zijn die ongeschreven en ze verschillen soms erg van groep tot groep.

In vele gevallen moet je eigenlijk al ‘officieel lid’ zijn van de groep, alvorens je de finesses van de geldende regels onder ogen kunt krijgen. Die vindt je in een kerngroep, de innerlijke cirkel van intimi, die er zelf van overtuigd zijn dat ze zij het hart van de groep vormen. Wie tot de innerlijke cirkel van de groep behoort, is in de meest letterlijke zin volwaardig lid.

Dit verhaal leert dat als je bij een groep hoort, het altijd zaak is om de regels van die groep te leren en toe te passen. Zo’n regels zijn eigenlijk een soort gedragsscenario’s, die je geacht wordt na te leven of te volgen als lid van de groep. Ze maken je voorspelbaar in het sociale leven.

Omdat we er belang bij hebben dat we elkaars gedrag enigszins kunnen voorspellen, is het belangrijk dat iedereen de rol speelt die hem of haar in de groep werd toegewezen.

Omdat wij allemaal lid zijn van een hele serie groepen en de regels van die groepen allemaal van elkaar verschillen, spelen wij doorheen de dag een hele reeks verschillende rollen, ook al blijven we als persoon altijd dezelfde. Je kunt het leven van een mens dus beschrijven als een verzameling van sociale rollen.

Rollen worden omschreven door normen en regels. Wie uit zijn rol valt mag rekenen op negatieve reacties, tot en met de uitsluiting uit de groep.

Het volstaat echter niet te spreken over lidmaatschap van een groep, het spelen van rollen of het naleven van groepsregels: wie zich niet emotioneel en cognitief met de groep verbonden voelt, houdt het niet lang uit. Hij behoort er dan ook niet echt toe. Ze bindt hem niet als de nood nijpt. Men moet zich met de groep identificeren. Door deze emotionele en cognitieve identificatie verandert men evenwel ook zélf. Dat is zeker het geval bij groepen waarvan het lidmaatschap belangrijk is. Men verinnerlijkt normen uit de groep en gelooft vervolgens dat ze helemaal uit de eigen ziel komen. In andere gevallen kan deze identificatie vager blijven. Lidmaatschap van een groep is daarom ook een emotionele en cognitieve zaak.

Als het lidmaatschap van een groep in tegenstrijd is met wat mensen innerlijk voelen en beleven, ontstaan negatieve gevoelens, die men cognitieve dissonantie noemt. Daar valt niet mee te leven. Dus veranderen mensen hun gedrag en/of hun cognities. Een klassieke methode is de negatieve cognities van de eigen groep weg te rationaliseren met argumenten zoals: “het is het waard” of “ het is het geloof”. Het is minder riskant de eigen opvattingen te veranderen dan de loyauteit van de groep te verliezen.

Tenslotte is uit onderzoek gebleken dat mensen die elkaar als gelijke zien, zich tot elkaar aangetrokken voelen. Mensen gaan ervan uit dat gelijken elkaar meer mogen vertrouwen en ze daardoor minder risico’s lopen. Menselijk sociaal gedrag is dus ook een kwestie van afwegen van baten en kosten. Dat gegeven bepaalt dan mede wat hier nog niet werd aangehaald: de relaties tussen leden van verschillende, onderscheiden groepen.

 

De integratie van immigranten bezien vanuit sociaalpsychologisch perspectief.

Zo is het dus: allen, immigranten en autochtonen, zijn lid van diverse sociaal-psychologische groepen, ook al zijn ze zich dat niet altijd bewust. Elk van die groepen trekt via haar eigen rollen aan onze mouw en eist van ons conformiteit met haar gedragsregels.

De zaak is nu dat wij er in het Westen mettertijd redelijk goed in zijn geslaagd al die verschillende rollen te spelen, zonder dat de groepseisen al te zeer met elkaar in openlijk conflict komen. Dat heeft ons wel een vreselijke godsdienstoorlog gekost, die met de geniale oplossing van Munster, in 1648, opgelost werd door het beroemde adagium: cujus regio, ejus religio. Gelukkig bestonden er toen afzonderlijke staten, waardoor de protestant naar een protestantse en de katholiek naar een katholieke staat kon!

Maar nu hebben we het te maken met een massale immigratie vanuit voornamelijk het Midden-Oosten en vanuit Afrika. Veel van die immigranten, die net al alle andere mensen leden zijn van een hele reeks groepen met hun eigen normen en rollen, komen uit een wereld die grondig verschilt van de onze.

Daarin is nooit zoiets als een Munster 1648 geweest. Het is ons toen gelukt om uit al die groepen waar we lid van zijn er ééntje uit te selecteren, die we vervolgens de dominantie in het openbaar leven hebben toegeschoven, namelijk die groep die wij de burgerlijke maatschappij noemen, of nog: de staatsgemeenschap van burgers. De rollen daarin en de eisen en normen van die maatschappij hebben we met schade en schande geleerd en gaandeweg zijn we de gedragsregels ervan in ons emotioneel en cognitief systeem gaan inbouwen. We zijn het allemaal normaal beginnen te vinden. We hebben geleerd al die andere groepen onder die staatsburgerlijke koepel onder te brengen. Vooral in Afrika wordt het leven echter nog heel sterk door de etnie bepaald en staat de staatsburgerlijke ‘groep’ erg zwak. Soms spreken we – nogal arrogant – over failed states.

 

Het echte integratieprobleem

 

Wij verwachten dus nu dat de immigranten – de term duidt hier op iedereen die uit een andere cultuur komt en hier wil blijven wonen – in onze maatschappij integreren. Dat betekent dat ze op ongeveer dezelfde manier met allerlei groepsregels en dito rollen moeten omgaan als wijzelf, door schade en schande wijs geworden, hebben geleerd.

Velen onder ons geloven daarbij dat het volstaat als de immigranten zich maar naar behoren gedragen volgens de uitwendige regels van de burgerlijke maatschappij

Maar dat is gezichtsbedrog. Zo’n toestand barst van de cognitieve dissonantie.

Ook in onze westerse burgerlijke maatschappij zijn we lid van allerlei impliciete en informele groepen. Alleen is ons lidmaatschap daarvan in de meeste gevallen volkomen verzoenbaar geworden met de rol die we spelen als we ons als staatsburger opstellen. Maar datzelfde geldt niet noodzakelijk voor de immigrant, die vaak uit een failed state komt, waarin de regels en normen van groepen sterker aanspreken dan die van de staatsmaatschappij. Als we vragen dat de immigrant de rol van westers staatsburger op zich neemt, mogen we niet vergeten dat hij ook nog altijd lid is van andere groepen en dat hij (nog) niet geleerd heeft op onze manier met het staatsburgerschap en de rollen van uit zijn cultuur om te gaan.

In algemene zin: dààr, op de plaats waar de cognitieve dissionantie overal voelbaar is, situeert zich naar mijn oordeel het echte integratieprobleem.

 

Nog nader die tegenstrijdigheid.

 

Onze vraag aan de immigrant betekent dus veel meer dan simpelweg het aanvaarden van een Leitkultur: een geheel van westerse burgerlijke waarden en regels die voor alle leden van de maatschappij in gelijke mate gelden. Wat we van hen eisen is dat zij ook de rollen en gedragspatronen van meer impliciete groepen herzien en , net zoals wij ooit deden, deze doen sporen met de eisen van onze burgerlijke maatschappij en eigenlijk hopen we dat zij er zich ooit emotioneel en cognitief – maar liefst zo snel mogelijk – mee identificeren.

Hier wordt voluit het genoemde kernprobleem verder aangesneden: zelfs als ze niet uit een failed state komen, dan nog komen vele immigranten uit een wereld waarin die burgerlijke maatschappij totaal andere vormen heeft aangenomen dan bij ons. Hun burgerlijke maatschappij spoort met de groepsrollen in hun samenleving. Wij zijn inderdaad immers niet de enigen die het conflict onder de verschillende rollen opgelost hebben.

We vergissen ons dus als we denken dat de immigrant slechts een bewuste beslissing moet nemen en als het ware een andere pet op moet zetten. Zoals ik in de excursie heb proberen aan te geven zit het probleem bij groepsgedrag niet zozeer in de uiterlijke vormen, maar in de vaak niet uitgesproken emotionele en cognitieve, verinnerlijkte (en neurologisch zichtbare!) structuren van ons sociaalpsychologisch systeem. We beseffen daarom veelal niet hoe zwaar de eis is die we hen stellen. We vragen noch min noch meer dat ze hun hele sociaalpsychologische hebben en houden, dat ze van in hun kindertijd hebben opgebouwd, op de schop nemen om het vervangen door ons eigen, westers sociaalpsychologisch patroon, tot en met hun visie op het burgerschap toe. Het mag ons niet verbazen dat onze eisen voor vele gewoon te zwaar zijn.

 

Eisen milderen?

 

Is het niet mogelijk om onze eisen te milderen en ons ertoe te beperken dat immigranten zich als personen gedragen die niet te veel openbare last verkopen en hen voor het overige de sociale psychologie te gunnen die ze van jongsaf geleerd hebben?

Dat lijkt de impliciete idee te zijn van politiek van de diversiteit en het multiculturalisme – twee termen die dezelfde werkelijkheid aanwijzen.

Maar zo werkt het dus niet. De psychologie leert ons dat de menselijke psyche een min of meer samenhangend geheel vormt, hetgeen betekent dat wat we uitspoken in de ene rol nooit helemaal los staat van wat we in een andere rol doen. Dat is, nogmaals, minder een probleem van westerlingen onder elkaar, omdat we geleerd hebben op een min of meer geïntegreerde manier met al die soms tegenstrijdige rollen te leven. We hebben er ons emotioneel mee verzoend. En het is ook geen probleem voor de immigrant, zolang die zich in zijn cultuur ophoudt.

Maar de immigrant komt terecht in een andere cultuur. En dan is de tegenstrijdigheid niet te vermijden.

Als de gevraagde rollen te ver uit elkaar liggen (of dat zo ervaren wordt), dan botsen die verschillende rollen, er onstaat een innerlijk conflict en dergelijke conflicten vallen niet te verdragen. Ze kunnen leiden tot ziektebeelden of, wat we vaak zien, tot afwijkend of baldadig gedrag. Ze leiden tot vermijdingsgedrag, tot opstandigheid of wraakgedrag of nog tot radicalisme.

 

Een verscheurende keuze

 

Waarom sluit de immigrant zich niet radicaal aan bij de nieuwe maatschappij? Waarom is het voor sommige immigranten zo moeilijk om de oude gewaden af te werpen en nieuwe groepsaanhorigheden aan te nemen? Tenslotte moet er voor sommige belangrijke groepsaanhorigheden maar weinig veranderd worden: het gezin, de opvoeding, de vriendenclubs. Die blijven toch grotendeels hetzelfde? Alweer vergissen we ons. We moeten ons eens afvragen hoelang het lijstje van groepen waarvan immigranten ongewijzigd deel van kunnen blijven uitmaken zijn kan, zonder te botsen met de gedragsregels van onze westerse burgerlijke maatschappij. Dat valt namelijk flink tegen. Neem het gezin. In ons westers patroon zijn man en vrouw gelijkwaardig. Dat is op vele manieren juridisch geregeld en we ervaren het emotioneel ook zo. Het is toch niet overdreven te zeggen dat dit helemaal anders ligt bij vele immigranten – en dat geldt niet alleen voor moslims? En ook die andere verhouding tussen mannen en vrouwen zit bij hen emotioneel vastgeroest. Nog een voorbeeld: de opvoeding. Bij ons westerlingen hechten we veel belang aan de school, waar de kinderen kennis opdoen die ze later nodig hebben. Maar wat doe je als je ervan overtuigd bent dat alles wat je moet weten al in een heilig boek geschreven staat? De school is ook meer dan een instituut voor kennisoverdracht. In de school vindt socialisatie plaats: kinderen leren een hoop regels, normen gedragsprincipes en rollen terwijl ze de school doorlopen. Die rollen veranderen naarmate de kinderen ouder worden en hun volwassenheid naderen. De school helpt hen om de verandering in hun rollen in hun emotioneel en cognitief systeem te verwerken. Maar ook hier weer rijst de vraag: welke rollen en normen zullen dat zijn? Die van de autochtone maatschappij of hun eigen, traditionele rollen? Laten we niet vergeten dat we de kinderen – die afhankelijk zijn van hun ouders – doen botsen met sommige opvattingen en voorkeuren van hun ouders. Hoe zal zo’n conflict uitdraaien? Cognitieve dissonantie kan er toe leiden dat alles wat de eigen traditionele immigrantengroep gelijk geeft overbeklemtoond wordt.

En als de eigen maatschappelijke rollen een sterke indruk geven, bijvoorbeeld omdat er heel veel immigranten zijn, wordt de keuze verscheurend.

 

De verlichting

Laten we nog concreter worden. Het is bekend dat Azië, Afrika en Zuid-Amerika niet ons westers individualisme delen. In vele gevallen kennen zij onze Verlichting zelfs niet. Immanuel Kant schreef in zijn beroemd essay Wat is Verlichting: “Verlichting is het uittreden van de mens uit de onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft…( Sapere Aude! Heb de moed om je van je eigen verstand te bedienen, dat is de zinsspreuk van de Verlichting.” We kunnen onmogelijk het duidelijk individualistisch karakter van wat Kant Verlichting noemt ontkennen: elk verlicht mens moet zélf nadenken en zich niet door anderen op sleeptouw laten nemen. De menselijke persoon staat alleen voor de opdracht om zich als verlicht mens te gedragen en is daar persoonlijk voor verantwoordelijk.

De kwestie is nu dat deze individualistische visie niet door alle volkeren gedeeld wordt en dus ook niet door een belangrijk deel van de immigranten. Volgens prof. Triandis berust zelfs het basisverschil tussen culturen precies op die dimensie individualisme versus collectivisme.

Zo is bekend dat de modale Aziaat veel meer gewicht geeft aan de meningen in de groep waartoe hij behoort en minder de neiging voelt om zich daarin te isoleren. Voor vele Aziaten is ‘het zelf’ slechts een deel van een groter geheel en zo is het ook voor vele Afrikanen.

Maar ook in een andere zin is onze Verlichting niet universeel. In de Islamwereld, zo vertelt de Iraëlische historicus Harari, geldt de regel dat de vrouw het eigendom is van de man. Als een vrouw verkracht wordt is het niet de vrouw die schadeloos moet worden gesteld, maar de man, wiens ‘eigendom’ beschadigd werd. Miljoenen moslims zijn van die gedachte doordrongen. Zelf aanhoorde ik het verhaal van dr Haverans, de latere hoofdgeneesheer van een streekziekenhuis die als jonge arts in de toenmalige Belgische Congo in de brousse kreupele kinderen ging opereren. Daarbij kreeg dr Haverans de boodschap toch zoveel tijd en moeite niet in kreupelen te stoppen en ze maar te laten doodgaan.

De waarheid is dat wij, Westerlingen, er enkele honderden jaren over hebben gedaan om uit te komen bij onze individualistische versie van Verlichting, waarvan de principes nu ons sociaal gedrag helemaal doortrekken. Het is niet redelijk te verwachten dat lieden uit andere culturele kringen, die deze vorm van Verlichting niet hebben meegemaakt, hun ‘achterstand’ binnen één generatie kunnen inlopen.

Dit is een ernstig probleem in het kader van de hier bedoelde integratie. Wij vragen een conformering aan onze regels die zo groot is, dat ze voor sommige culturen afstotend werkt en die maakt dat het makkelijker en emotioneel-cognitief eenvoudiger en minder energie vergt om in onze maatschappij te doen alsof, maar intussen gewoon in de eigen kring de oude rollen voort te zetten.

 

Onwilligen

 

Immigranten maken vaak deel uit van een al bestaande, soms trotse groep, zoals de Berbers in Antwerpen. Over deze laatste groep was onlangs nogal wat te doen, toen een burgemeester verklaarde dat deze Berbers een gesloten, moeilijk toegankelijke groep vormen. Inderdaad: zij zitten straf verankerd in sociale patronen en groepsnormen van impliciete en expliciete aard. Als zij vervolgens gevraagd worden om de schema’s die zij van bij zijn geboorte hebben aangeleerd gekregen op te geven en mee te gaan met onze westerse maatschappij, dan botsen zij met groepsgenoten, waarvan er sommigen heel onwillig zijn. Die onwilligen behoren dan precies tot die dragende kerngroep van de groepen waartoe ook de immigrant behoort, ze hebben een hoge status en ze hebben dan ook een groot gezag dat emotioneel zwaar doorweegt, ook omdat wat ze eisen heel erg aansluit bij de rollen en patronen die de immigrant van jongsaf geleerd heeft. De rollen en normen die zijn belichamen zijn emotioneel en cognitief veel hechter dan die van de gastmaatschappij. Als bijvoorbeeld Berbers in die omstandigheden nieuwe normen moeten aanvaarden, moet de druk wel heel groot zijn om ze te doen bewegen. Zelfs als er volgens onze westerse opvattingen duidelijke sociaal economische argumenten genoeg zijn om mensen ertoe aan te zetten de westerse rollen te spelen is de kans groot dat ze toch in hun eigen carcan blijven. Uit uitvoerig onderzoek is immers gebleken dat mensen zich tegen elke redelijkheid in conformeren aan de normen en opvattingen van de groep waaraan ze grote waarde hechten. Hier speelt dan in sterke mate het fenomeen dat mensen die elkaar als gelijkend zien, elkaar opzoeken. ‘Soort zoekt soort’, blijkt waar te zijn. Als die ‘soort’ vervolgens gedomineerd wordt door wat hier onwilligen wordt genoemd, krijg je aaneensluiting binnenin de groep, die zich als geheel tegenover de buitenwereld afzet. In sommige gevallen kan dit gegeven bijdragen tot beter begrip van “radicalisering”. Meer externe druk kan uitlopen op meer aaneensluiting binnenin de groep, waarin de leden elkaar voortdurend gelijk geven, hetgeen als een sterke psychologische beloning kan gelden.

 

Een zwakke autochtonie

 

Precies de rechtmatigheid van de druk op immigranten om onze westerse rollen te aanvaarden wordt betwist door de verdedigers van de diversiteit. Het is redelijk te denken dat als de druk vanuit een ontvangende maatschappij met groot overwicht hoog genoeg is, de immigrerende groep uiteindelijk maar wel geleidelijk toch overstag zal gaan, zeker als ze het financieel voordeel ervaren. In het begin is dat conformisme oppervakkig en meer van opportunistische aard, maar gaandeweg verandert dat. Doch als die gastmaatschappij zelf intern verscheurd is, geen eigenwaarde laat zien of geen zelfbewustzijn toont, klinkt haar eis tot inburgering niet erg overtuigend en blijft conformiteit uit. Als de immigranten gewaar worden dat de ontvangende maatschappij helemaal niet zo zeker is van haar stuk, als ze zien dat sommige autochtonen niet écht aandringen op aanpassing – of sommigen onder hen de immigranten bijspringen in hun neiging tot afzonderlijkheid -, zullen zij niet geneigd zijn hun oude eigen identiteit op te geven. Dan ontstaan ideeën over overname van Europa, ideeën die aansluiten op sommige passages in de moslimreligie en wordt de interne cohesie binnen de immigrantengroep nog versterkt.

Onze westerse samenleving is innerlijk te verdeeld en niet genoeg niet weerbaar, ook trouwens niet militair. Wij denken dat we sterk zullen staan als we als Europese volkeren samenbundelen, maar dat is in deze zaak naast de kwestie. Het is een afleidingsmanoever, het afschuiven op iets externs van onze eigen problematiek, een vorm van overigens weinig overtuigdende rationalisatie. Het gaat er namelijk om dat de immigrant met een maatschappij wordt geconfronteerd die duidelijke eisen stelt en dat die maatschappij zich op een dwingende wijze overal rondom hem bevindt, elke dag weer opnieuw.

En laten we maar opletten. Teveel zien we de boodschap van Darwin over het hoofd: de sterkste wint!

Daarom is de praat over multiculturalisme en diversiteit contraproductief. We moeten géén diversiteit nastreven (die is er overigens zo al genoeg!), maar eensgezindheid en wel rondom die waarden waaraan wij zelf eeuwen gelaboreerd hebben. We behoeven ook geen multiculturalisme dat weinig anders is dan multi-etniciteit.

Op dit punt aangekomen moeten we dan de politiek op het matje roepen. Hoe kan je aan de ene kant diversiteit en multiculturalisme prediken, en aan de andere kant toch opkomen voor integratie, als we weten dat zulke integratie faliekant afloopt, tenzij ze ook emotioneel en cognitief is, dat wil zeggen uiteindelijk op assimilatie uitloopt? Als politici die zelf in de cultuurwetenschappen of de sociologie zijn opgeleid ervoor pleiten dat onderscheiden immigrantengroepen hun cultuur en dus hun eigen innerlijke groepsdynamica mogen behouden, begrijpt zelfs de simpelste immigrant meteen dat die integratie-eis een lachertje is.

 

Onderwijs de oplossing?

 

Veel mensen geloven dat de weg langs een degelijk onderwijs loopt. Ze rekenen erop dat de onderdompeling in de school de immigranten zal helpen bij hun integratie. Ze vergeten dat sociaal gedrag in twéé richtingen werkt en dat dus ook de autochtonen veranderen. Je ziet het elke dag: halal-eten, de discussie over de hooddoek…Men kan dat toejuichen of niet, maar feit is dat we ons moeten afvragen of we hiermee niet de weg opgaan die ons wég voert van de verlichting.

Om dezelfde redenen is het onderwijs in de herkomsttaal totaal fout, want dat herbevestigt de aantrekkingskracht van de oorsprongsgroepen. Het is dus een totaal verkeerd signaal. Ook de kinderen zelf blijven lid van een hoop groepen van allochtone aard en worden dus gekneld tussen de normen van hier en die van ginds. Dat is des te meer het geval als in dat onderwijs zelf de rollen en de normen van onze westerse verlichting van binnenuit aangevreten worden.

Het onderwijs kan dus maar weinig doen. De oplossing moet komen van de inschakeling in groepen die hun aard hier ten lande hebben opgebouwd. En van een zelfbewuste autochtonie.

 

Een speciale zaak: etniciteit

 

Gewoonlijk horen we niets of bijna niets over het verschijnsel etniciteit, het besef dat we behoren tot een groep die eenzelfde geografische en biologische oorsprong heeft en die daaruit een eerbiedwaardigheid put, die voortkomt uit een illo tempore, een ver verleden. Dat deze oorsprong voornamelijk verbeeld is maakt niet uit, omdat wat mensen drijft niet de realiteit is, maar datgene wat mensen denken dat er is. Journalisten en opiniemakers schijnen niet te weten dat er zoiets als etniciteit bestaat. Maar die etniciteit is te onzent gewoon ingebakken in onze eigen, sinds eeuwen gegroeide zijnswijze! We merken onze eigen etniciteit niet meer. Immigranten zien die des te beter en zonder een stevige ruggengraat van autochtone zijde valt de eis tot multi-etniciteit vanuit de immigrantengroepen dan ook niet af te weren. Onze blindheid brengt immigranten ertoe ons op die etnische blindheid aan te pakken. Dat draait dan uit op beschuldigingen over racisme, vreemdelingenhaat en discriminatie. Het voorbeeld daarvan is Abou Jajah en in mindere mate de opkomst van de islampartijen. Hier helpt alleen bewuste keuze voor voorrang van het eigene op het eigen etnische territorium – zonder discussie.

Multi-etniciteit betekent ook: verankerde onverzoenbaarheid van bevolkingsgroepen die zich opsluiten in hun eigen sociaalpsychologische werkelijkheid, het definitieve feitelijke falen van de politiek van integratie. Het levert het ontstaan van diaspora’s op, een versterkte versie van de fenomenen die we zagen toen Erdogan bij ‘onze’ Turken zijn eigen verkiezing kwam bepleiten.

 

Conclusie

Het is dus heel betwistbaar dat de huidige politiek van de simpele integratie, zoals die ons wordt voorgehouden, een oplossing biedt uit de chaos van de immigratie en tot een nieuwe, herschapen stabiele staatsgemeenschap zal voeren. We ontsnappen niet aan het simpele feit dat mensen in hun onderling samenleven wetmatigheden van de sociale psychologie volgen. Die zijn even onontkoombaar als de valwetten van Newton. We komen er dus niet met wat ideologische slogans of wat betogingen voor meer humaniteit. Dat is nutteloze Spielerei. En als we geloven dat we het volstaat dat immigranten zich bij onze Leitkultuur neerleggen, vragen we van hen pure abdicatie tegenover een cultuur waarvan ze dikwijls denken dat die dat gewoon niet verdient.

Psychologisch is dat niet verstandig.

Het is duidelijk dat het VN-pact over migratie hier feestelijk omheen zeilt. En dus grotendeels naast de kwestie is. Dit pact biedt bovendien te veel het uitzicht op een massalere immigratiegolf.

In dat geval houden we het niet.

 

Jaak Peeters

December 2018

Afschakelplan: de vragen van een simpele leek

In november wellicht zullen een aantal gemeenten of straten zonder stroom komen te zitten. Dat is het gevolg van dringende onderhoudswerken aan de kernreactoren.

Ik ben maar een leek. Mijn kennis van de chemie reikt niet veel verder dan wat in het middelbaar onderwijs werd aangeleerd en voorts nog wat literatuur achteraf, vanwege persoonlijke belangstelling. Van de relativiteitstheorie heb ik nooit veel begrepen, behalve dat energie en materie eigenlijk hetzelfde zijn.

Mijn kennis van kernenergie is zo mogelijk nog belabberder. Ik weet dat er twee mogelijke vormen van kernenergie bestaan: de splijting, waarbij uranium of thorium de splijtstof is en fusie. Ik weet ook dat er alleen splijtingsreactoren in werking zijn en dat de thoriumreactoren weliswaar kunnen werken, maar voor generaals niet interessant zijn omdat je er niet zo goed splijtstof voor kernbommen mee kunt maken. En fusie-energie: in Cadarache in Zuid-Frankrijk werken ze aan zo’n reactor. Hij is nog niet half af en heeft inmiddels al zo’n 45 miljard Eur. gekost. Als hij ooit af raakt, moet hij getest worden en moet men nog leren hoe commercieel te draaien, want zoals het er nu uit ziet zal Doel 4 nog altijd 1000 keer meer energie voortbrengen.

Ik vraag me af hoeveel die fusie-energie uiteindelijk zal kosten.

We zullen onze baas opslag moeten vragen, vrees ik.

Omdat het in dit land soms niet genoeg of veel te veel waait en de zon maar schijnt als ze daar zin in heeft, en omdat hier geen bergen zijn waar je stuwdammen kunt aanleggen, moet je niet teveel op ‘natuurlijke’ energiebronnen rekenen.

Om in onze misschien wel bovenmatige energiebehoefte te voorzien hebben we dus maar twee mogelijkheden. Of fossiele brandstoffen opstoken, of onze diepvriezer laten draaien op stroom uit een kernreactor.

Omdat fossiele brandstoffen stoken veel CO2 in de lucht jaagt, en omdat dat CO2-gehalte moet dalen om de rampen te voorkomen die sommigen ons voorspellen, blijft er eigenlijk maar één manier over om energie op te wekken: kernenergie, waarbij de keuze is tussen uraniumreactoren of thoriuminstallaties.

Op dit punt aangekomen worden de lieden die zich groen noemen plotsklaps wakker.

Kernenergie? “Over mijn dood lijk!”.

Nochtans laten de voorstanders van kernenergie duidelijk zien dat precies die kernenergie de uitstoot van CO2 omlaag kan halen. Dat is toch in de kaart van de groenen? Maar zo hebben die dat niet begrepen. De CO2 moet omlaag, maar van kernenergie kan geen sprake zijn.

Het is een raadsel, die afkeer van groenen voor kernenergie. Het lijkt er sterk op dat het woordje atoom volstaat om de meerderheid van de groenen de muren op te jagen.

De nuchtere, onwetende leek in me kruipt alvast niet mee de muur op.

Kijk: we draaien al veertig jaar op atoomenergie. En ja, er zijn ongevallen gebeurd met kerncentrales: in Harrisburg, in Chernobyl en onlangs in Fukosjima. Alvast over deze laatste weten we dat de doden er niet het gevolg zijn van mankementen in de centrale zelf, maar veroorzaakt werden door een zware aardbeving en een daarop volgende tsunami. Maar weet men ook dat alle andere alternatieven voor nucleaire energie zowat 100 maal méér ongevallen tot gevolg hebben?Het is niet de eerste keer dat een stuwdam doorbreekt en de ramp met de Titanic kostte ook enkele duizenden het leven. Dan maar geen stuwdammen meer en zeker geen plezierreizen?

 

De leek in me heeft nu toch enkele vragen.

Is die atomofobie niet een beetje te hysterisch? Lijkt het niet op de angst voor de demonen van de nacht of voor de dwaallichtjes in een vochtig donker bos? Beseffen groenen wel dat àlle natuurprocessen per slot van rekening terug te voeren vallen op de inwerking op elkaar van atomen en de ‘onderdelen’ ervan? Dat heb ik tenminste onthouden uit de lessen van het middelbaar onderwijs. Radiostraling zelf is echt niet gereserveerd tot de site waar een kernbom ontploft is of die van een kernenergiecentrale. Straling is er overal rondom ons, in de ruimte en de bodem incluis. De zon is één kernreactor. Moeten we daar dan opgewonden om beginnen te krijsen?

 

Zeer zeker moeten we het gevaar niet opzoeken. Maar als ik zie hoe roekeloos mensen door het verkeer razen en de 70-km per uur-regel feestelijk aan hun laars lappen, of GSM-men op de linkerrijstrook van de snelweg, dan vraag ik me af waar het grootste risico ligt: in een goed beveiligde en onderhouden kerncentrale of in een slordig verkeersgedrag.

 

Er blijven tenslotte in dit hele verhaal maar twee vragen over.

Een: willen we energie zonder noembare CO2 uitstoot? Dan moeten we kiezen voor kernenergie, waarbij we ons misschien veel meer op de thoriumtechnologie moeten richten. Want met de remedies van onze groene jongens staan ons nog veel afschakelingen te wachten.

En, twee, als we voor die kernergie kiezen, zijn we dan ook bereid die centrales gepast te onderhouden en bijtijds te vervangen?

Want onze centrales waren 15 jaar geleden al versleten of door betonrot aangetast. En het duurt jaren om een nieuwe te bouwen.

Maar om sentimentele redenen hebben groenen – en de anderen vanuit hun angst om stemmen aan groen te verliezen-, nagelaten te doen wat er moest gebeuren.

En nu zit de simpele leek die ik ben binnenkort met een diepvriezer vol rotte eetwaren, die hij nochtans met veel zorg en zonder bespuitingen gewonnen heeft en opgeslagen.

Afschakelplannen?

Ik denk dat de groenen met hun atomofobie me wat uit te leggen hebben.

 

Jaak Peeters

September 2018

 

De ideologische (burger)oorlog. Pleidooi voor een opstand van de normalen.

 

Zopas schreef Derk-Jan Eppink een opiniestuk over de politieke ontwikkelingen in Europa. Zoals bekend beginnen de Gutmenschen zowat overal in ons continent enigszins in paniek te raken. Voor een goed begrip: Gutmenschen zijn lieden die van de wereld een paradijs willen maken en die ervan overtuigd zijn dat onze voorouders er niks van hebben gebakken en dat, bijgevolg, zowat alles wat onze voorgangers ons aangeleverd hebben op de schop moet. Op zich kàn men zoiets denken – al lijkt dat een nogal fanatieke manier van denken – maar daar houdt het niet bij op, want die lieden die de ultieme revolutie van de toekomstige maatschappelijke perfectie – ook “progressiviteit” genoemd – niet wensen mee te prediken, moeten worden verdreven, onmachtig gemaakt en politiek en ideologisch uitgeschakeld en, als dat niet meteen lukt, in ieder geval gediaboliseerd.

 

Dus: de genoemde Derk-Jan Eppink schreef een opiniestuk waarin hij uitlegt dat in zowat heel Europa het midden verwasemt en de uitersten zich versterken, zowel links als rechts, en dat links vreest dat het door rechts de pas wordt afgesneden omdat het overal de electorale wind in de zeilen heeft. Vandaar hun lichte paniek, aangezien de rechtse haring beter blijkt te braden dan de linkse.

Uit zo’n conflict kan niets goeds voortkomen is Eppinks conclusie, en wie zal hem daarin ongelijk geven?

 

Mijn standpunt is dat die verdamping van het midden niet alleen een feit is en dat de verharding van de uiteinden dat niet minder is, doch dat een en ander steeds meer op een heuse ideologische oorlog begint te lijken. Omdat die zich binnen de hele maatschappij afspeelt en iedereen schijnt aan te steken, doemt het begrip ‘burgeroorlog’ op. Niet dat deze burgeroorlog met geweren en messen wordt uitgevochten – tenminste: nog niet – maar niettemin schijnt het me steeds meer toe dat we in een heuse staat van oorlog leven.

 

Het spel wordt namelijk steenhard gespeeld. Dat bleek dezer dagen nog maar eens uit de manier waarop de Gutmenschen van alle kleuren en obediënties de jongelingen van Schild en vrienden als stinkende gal hebben uitgebraakt. Terwijl Europa ons – ongevraagd trouwens, zoals dat meestal gaat als het uit die hoek komt – allerlei “verordeningen” oplegt die ons dwingen uiterst secuur om te springen met de principes van de privacy, staat de foto van de voorzitter van de genoemde Schild- en vriendenclub doodleuk met naam en toenaam in zowat alle weldenkende kranten afgedrukt. Niet één keer, maar dagenlang, keer op keer, bij voortdurende en onafgebroken herhaling. Meer zelfs: de pers presteert het een foto van een jongeman uit die groep samen met een foto van Hitler af te drukken. Als voorbeeld van wat tegenwoordig framing heet, maar in het Nederlands ‘bedrieglijk opzet’ moet heten, kan dat tellen.

Wat die jongelui verweten wordt? Daarop te antwoorden wordt een hele klus, want niemand weet wat hun ideologie eigenlijk precies is, behalve dat ze Vlaamsbewust zijn en hechten aan traditionele Vlaamse waarden. Maar dat kan de pret niet bederven: de journalistieke bloedhonden van de BRT hebben de zaak in hun uitzending “geduid” en nu hoort iedereen in het koor mee te huilen en de vleesgeworden slechtheid uit te spuwen. De universiteit van Gent – horresco referens – beet de spits af en gooide de betrokken voorzitter, die student is, meteen van de rol.

De Vlaamse jeugdraad schrapte het lidmaatschap van leden van Schild en vrienden. De morele druk is zo groot dat zelfs jonge kandidaat-gemeenteraadsleden zich gedwongen achtten zich uit de kieslijst terug te trekken.

Werd er ook iets bewezen? Is er enig bewijs dat die gasten een wet hebben overtreden? Dat is nog niet bekend, want het gerecht moet zijn onderzoek nog beginnen.

Niettemin zijn die jongelui nu al veroordeeld en, in het geval van de voorzitter van de groep, voor het leven getekend – ook zijn familie trouwens.

Maar nogmaals: dat kan de pret niet bederven, want het bruine gevaar dat de progressieve droom van de ideale wereld bedreigde werd weer eens uitgeroeid.

Althans: zo denken de Gutmenschen.

Intussen blijkt dus dat in zowat heel Europa extreemrechts – voor Gutmenschen is iedereen die hun mening niet deelt per definitie extreemrechts of tenminste populistisch – in opmars is.

Voorlopig kan de kanker nog ingedijkt worden: men smeedt overal de meest onmogelijke, onstabiele en veelal onwerkbare coalities, om toch maar te verhinderen dat extreemrechts aan de macht komt. Dat met name Oostenrijk bewijst dat het met dat extreemrechtse gevaar helemaal niet zo’n vaart loopt wordt voor het gemak even vergeten.

 

Het houdt niet op bij de ‘ontmaskering’ van een onoirbaar geachte jongerengroep.

Een staatssecretaris die niet het beleid voert dat de Gutmenschen welgevallig is wordt belaagd door rode advocaten, die telkens weer een nieuwe procedure beginnen wanneer ze door de geëigende rechterlijke instantie teruggefloten werden. Kwestie van zoveel mogelijk stokken in de wielen te steken van een bewindsman die hen niet aanstaat.

En als dat soort spelletjes nog niet volstaat, verhinderen communistische agitatoren de man in een universitaire collegezaal het woord te voeren.

De Gutmenschen zijn immers grote voorstanders van de vrijheid van meningsuiting, maar alleen als het hun mening is.

 

Erger is dat ook de EU de strijd voor de Heerlijke Nieuwe Wereld schijnt te hebben aangevat, weliswaar verpakt als de strijd tegen gevaarlijk nieuws.

De EU-commissie neemt zich namelijk voor om ‘terroristische’ boodschappen op het internet en de sociale media te bestrijden. Of ze daartoe enige bevoegdheid heeft? Dat zal euronationalisten en beroepscynici zoals de genaamde Guido Verhofstadt een zorg wezen! Ik alvast herinner me niet dat de toekenning van een dergelijke bevoegdheid ooit onderwerp van verkiezingen was. Dus hebben de dames en heren zich die bevoegdheid toegeëigend. Ziedaar de moderne Europese democratie – al vind ik dat die veel te veel kost voor wat wij er als burgers voor in de plaats krijgen.

De EU-Commissie zegt al langer met internetverantwoordelijken samen te werken om haatboodschappen te weren.

Mogen wij alstublieft ook weten wat dat is: een haatboodschap? Als ik zeg dat ik België weg wens, doe ik dan een haatdragende uitspraak? In mijn persoonlijk geval zal het voor de hoge heren wel niet de moeite wezen om zich om mijn uitspraak zorgen te maken, maar wat te denken over het lot van Catalanen, wier voormannen nog altijd illegaal in de gevangenis zitten? Oproepen om de Spaanse staat tot betere gedachten te brengen wordt door deze laatste immers als rebellie opgevat en is oproepen tot rebellie niet gevaarlijk of zelfs getuigend van haat?

Maar geen zorg hoor: de strijd tegen haatboodschappen is bedoeld om tegen autochtonen gevoerd te worden. Zo interpreteer ik het antwoord op de vraag die ik zelf ooit aan de voorgangers van het huidige Unia stelde…

De morele bekommernis van de Gutmenschen gaat immers één enkele richting uit. Helaas is dat niet de richting die wijst naar de modale, autochtone Vlaming, Nederlander, Duitser of Zweed.

Maar nu even terug naar die EU-Commissie. Die beweert nu dat ze de strijd wil aangaan tegen terroristische boodschappen.

Moet ik daar nu mee lachen of moet ik beginnen te schreien?

Ten eerste: de bazen van Facebook worden geacht ongewenste boodschappen te verwijderen. Heuh? Hebben die kerels een gerechtelijke bevoegdheid? Hebben zij het recht te oordelen over de onwenselijkheid van een boodschap, of, beter nog: hebben zij het recht om mensen te sanctioneren? Met welk mandaat? Dat van de Europese Commissie?

Bovendien acht ik het onwaarschijnlijk dat het terrorisme doeltreffend kan bestreden worden door meningsuiting te censureren. Welke kandidaat-terrorist zal in ’t lang en in ‘t breed verkondigen dat hij zinnens is een aanslag te plegen? En, ten derde, biedt niet elk doorsneeboek voor scheikunde het recept hoe je een ontplofbare stof kunt maken? Moeten die boeken allemaal verboden worden?

Dit is toch te zot om los te lopen!

Ik kan niet geloven dat men in de milieus van die EU-Commissie de onzinnigheid van hun voorstellen zelf niet inziet. Daarom denk ik dat de EU-actie niet is gericht tegen potentiële terroristen, doch wel bedoeld is om de autochtone bevolking te muilbanden.

 

Ik zal kort en duidelijk zijn: we schuiven op in de richting van een ideologisch totalitarisme en de EU, een groot deel van de media en allerlei instanties doen daar bewust of onbewust aan mee.

De teneur is overal dezelfde: elk verzet tegen de utopische droomwereld van de Gutmenschen moet worden gesmoord.

 

Laten we ons niet vergissen!

 

Totalitarisme wordt gemakkelijk verstaan als het optreden van een tirannieke regering, maar Hannah Arendt maakt ons duidelijk dat dit helemaal niet het geval is. “De onderdanen van een totalitair regime zijn geworpen en gevangen in het proces van de natuur of de geschiedenis, en veroordeeld om de beweging ervan te versnellen”, zo schrijft Arendt woordelijk. Zij kon in die jaren niet weten hoe onze EU-wereld er in 2018 uit zou zien. Vandaag moeten we zeggen dat de Europeanen zijn opgenomen in een totalitair-wordend regime dat zich ontwikkelt volgens de wetmatigheden van een ideologische denkwijze, die door de protagonisten ervan als een natuurlijke ontwikkeling wordt opgevat. Die ideologie dient zich aan als een progressie in de richting van de perfecte wereld waar het voor iedereen beter zal zijn, ook al snappen modale mensen en zeker extreemrechtse populisten dat zelf niet. De Gutmenschen zullen dan wel in hun plaats bepalen wat voor goed voor ze is. Wie zich tegen deze ontwikkeling durft te verzetten plaatst zich in de zin van Carl Schmitt buiten de menselijkheid en hoort daarom te belanden in een cordon sanitaire, uitgesloten te worden uit studie, werk of vereningsleven en moet dan maar als paria door het leven gaan. Eigen schuld dikke bult, nietwaar?

 

Het hele verhaal levert een ranzig, goor beeld op.

Er is de afgrond van het ideologische totalitarisme, gefaciliteerd door een ongenaakbare EU.

Er is een vrijheid om alles en nog wat te doen of te bereiken, tot het veranderen van geslacht en het – zoals aangekondigd!- inplanten van een baarmoeder bij mannen. De vrijheid houdt evenwel op zodra de grens van wat de Gutmenschen wenselijk achten wordt bereikt. Schijnvrijheid dus.

De media, die ooit dé kritische geest belichaamden, lijken steeds meer verstrikt in de ideologische netten en laten zich gebruiken bij de vestiging van de ideologische terreur, waarmee ze hun eigenlijke opdracht veronachtzamen. Dat loopt bij nadenkende mensen in de gaten en die laten de pers voor wat ze is, zodat kranten en tijdschriften op zoek moeten naar andere bronnen van inkomsten in ruil voor verloren abonnementen. Maar in plaats van tot inkeer te komen, voelen ze kennelijk de drang om nog harder op de spijker te kloppen.

Op maatschappelijk vlak evolueren we naar versplintering als gevolg van de vestiging van een zogeheten multiculturele maatschappij, waarin bevolkingsgroepen niet met doch naast elkaar leven en de maatschappij daardoor uiteenvalt in afzonderlijke groepen die elkaar vaak diep wantrouwen. Ex-Joegoslavië zou ons moeten leren dat er in dat geval niet veel nodig is om de vlam in de pan te doen slaan en daar zal geen gejammer tegen stigmatisering bij helpen.

Maar de multiculturele maatschappij moet en zal er komen, tot welke prijs dan ook.

Er is tenslotte het effect op de persoonlijke belevingswereld van de modale mens, die veel meer houvast heeft aan wat voorgangers hebben aangebracht dan aan warrige ficties van onrealistische dromers. Hun vroegere waarden worden evenwel bespot; wie eraan gehecht blijkt is oubollig en hoort er niet meer bij – of wordt wetens en willens uitgestoten. De Nieuwe Wereld die ons in vervanging van de vroegere, in millennia gegroeide zekerheden wordt gepresenteerd roept echter onzekerheid en angst op, zoals alles wat nieuw is achterdocht oproept en hij leidt tot desoriëntatie. Bovenop komt de politieke druk die elke afwijkende mening veroordeelt en daardoor de normaal denkende mens met schuldgevoelens opzadelt, omdat hij zich in het opgelegde wereldbeeld niet langer herkent en op den duur gaat geloven dat de fout bij hém zit. Wie zich hiertegen wil verdedigen kan dat alleen door zichzelf in zijn eigen persoonlijke carcan op te sluiten, de tijd te doden door sport en spel of door wat geleuter aan de cafetoog. In werkelijkheid komt hij zodoende terecht in een door niets te doorbreken eenzaamheid, die door de illusies van de games, facebook en instagram nog geïnstitionaliseerd wordt.

Dit wordt de planeet van de dromers.

 

Ik moet het met Eppink eens zijn: dit kan nooit goed aflopen.

 

Tenzij we – we: dat zijn de modale, normale mensen die nu als extreemrechts of populistisch worden weggezet en die nog willen geloven in de waarden die doorheen de eeuwen zijn gegroeid -, tenzij we, zeg ik, de moed bij elkaar rapen en de opstand der normalen uitroepen.

Als dat niet lukt wachten onze nakomelingen de dystopieën waarop àlle utopieën altijd uitlopen, zoals beschreven werd door mensen als Zamjatin, Orwell en Dickinson.

 

 

 

Jaak Peeters

September 2018

11 juli 2018: nadenken over Europa

11 juli en het Europa der volkeren

 

In vlaamsnationale milieus komt men steevast op voor een Europa dat opgebouwd is vanuit de volkeren. Er zijn echter wel wat redenen om te vrezen dat het met Europa helemaal de verkeerde kant op gaat en dat een Europa van de volkeren verder weg is dan ooit.

In plaats van stil te staan bij het verleden of de nog niet helemaal weggewerkte achterstelling van Vlamingen in de Belgische staat of bij de ergerlijke, nog steeds bestaande transfers, moeten we misschien ook maar eens onze gedachten laten gaan over het Europa, zoals ons dat vandaag overkomt. De EU is de dominerende kracht die ons leven, onze welvaart en ons welzijn op een beslissende manier bepaalt. Daarover na te denken is niet alleen nuttig. Het is noodzakelijk. We moeten dat doen met kritische blik en met het belang van mens en volk voor ogen. In deze door liberaal kapitalisme beheerste wereld schijnt van langsom alleen nog de economische efficiëntie van tel en wordt de mens herleid tot consument en producent. Even de uitspraak van de Franse schrijver Bernard Stiegler aanhalen is verhelderend: de proletarisering van verbruikers die we vandaag zien gaat gepaard met de vernietiging van savoir-vivre, zeg maar: de menselijke waardigheid. Volks gezegd: we worden zoet gehouden met brood en spelen en we worden aangezet tot kopen met illusies die ons door de reclame worden voorgehouden.

Intussen bepaalt een hoog over onze hoofden heen torende EU ons leven.

 

De tanks van Juncker

 

Het is tussen de plooien van het nieuws terecht gekomen, maar dat is heel onterecht. Het gaat om ‘de wens’ van de genaamde Juncker, Jean-Claude, die meent dat geen bruggen de tanks mogen tegen houden. Dus wil hij dat de lidstaten grote verkeersassen uittekenen om tanks en zware voertuigen toe te laten zich ongehinderd over grote afstanden – lees het hele ‘grondgebied’ van de Europese Unie – te verplaatsen. Volgens De Tijd sluit dit plan aan bij de wens om het hoofd te bieden aan de toenemende dreiging vanuit Rusland. De EU-Commissie verklaart op die manier beter crises te kunnen voorkomen, ‘onze’ missies efficiënter te kunnen ontplooien en sneller problemen te kunnen aanpakken.

Daarom moet tegen 2025 een EU-defensie volledig functioneel zijn, heet het nog. Niemand herinnert zich verkiezingen waarbij dit alles aan de kiezer werd voorgelegd, maar zoiets zijn we al langer gewend.

Het eerste dat nu bij me opkomt is: angst. Ik ben simpelweg bang van grote militaire en politieke constructies. Ze werken verpletterend voor mens en volk. De enkeling telt niet: 1000 doden in een conflict is op een schaal van 500 miljoen toch maar een klein detail? Zodra een dergelijke reuzenconstructie op poten staat is er ook niets meer dat haar kan stoppen. Haar macht neemt nog alleen maar toe. Zelf gelooft ze onaantastbaar te zijn en vooral: alles alleen en op zichzelf te moeten en kunnen doen. Dat is een vreemde gedachtengang in een wereld van wereldwijde onderlinge afhankelijkheid maar het laat het gedateerde karakter van de redenering zien. De EU stelt zichzelf op als een staat van het oude soort – de negentiende eeuw – die alles wat des mensen is onder controle wil hebben.

 

 

Cultboeken.

 

Psychologen weten maar al te goed dat grote macht aantrekkelijk is. Het kunnen deelnemen aan de macht, en ipso facto aan grote macht, verblindt het rationele oordeel. Macht appelleert aan diepe, oeroude instincten. Daar zullen wel fylogenetische redenen voor bestaan. We zien ook dat vele dieren de neiging vertonen samen te troepen: het deel uitmaken van een grote massa schept een gevoel van veiligheid. Hoe groter de kudde, hoe groter het veiligheidsgevoel.

Maar in het geval van de mens is dat gevoel toch bedenkelijk.

Er bestaan tenminste drie cultboeken die het gevaar van die massiviteit in het licht stellen.

Het eerste is dat van Sigmund Freud: Het ik en de psychologie der massa. Freud toont aan hoe de menselijke individualiteit die komt tot een vorm van persoonlijk, min of meer logisch onderbouwd oordeel verstikt raakt door het opgaan in een massa. Hij schreef dit boek toen de Nazi’s in Duitsland gigantische massabijeenkomsten organiseerden en mensen als één man hysterisch reageerden als de Fuhrer ten tonele verscheen. Die Fuhrer, zo meende Freud, was de verpersoonlijking van de Vader van ons Allen, die de personificatie is van de bescherming die het deelgenootschap aan de massa biedt.

Het tweede boek is Ortega Y Gassets Opstand der horden. De laatste Nederlandse vertaling ervan luidt: De opstand van de massamens. Dat zegt wellicht nog beter wat Y Gasset in 1929 wilde zeggen: dat de toeneming van de bevolking en de welvaart geleid heeft tot de verschijning van een mensentype gekenmerkt door ijdelheid, zelfgenoegzaamheid en, in zijn meer recente vormen, door een hol postmodernisme, dat gekenmerkt wordt door afwijzing van natuurlijke orde en regels, die vervangen worden door een ikzuchtig wentelen in de wellust van het onmiddellijke genoegen maar tegelijk geen kritiek kan verdragen. In Trouw van 16 mei 2015 gaf vertaler Diederik Boomsma meer uitleg over de visie van Y Gasset.

Ortega, zegt Boomsma, nam een eenzame positie in. Hij wilde Spanje moderniseren, maar was beducht voor de gevaren. Overvloed kan uitmonden in een futloos bestaan. Het gelijkheidsideaal kan autoriteit ondermijnen. Vrijheid kan leiden tot egoïsme. ‘La rebelión de las masas’, opgebouwd uit essays, werd alom gelezen en geprezen. Johan Huizinga, Nederlands beroemdste historicus, noemde het werk ‘een baken in den storm dezer bewogen tijden’. Daarmee bedoelde hij de opkomst van het communisme en het fascisme.

Ook hier weer verliest de individuele mens zijn intellectuele greep op zijn bestaan. Als problematische achtergrond verschijnt alweer de massa.

Het derde cultboek is het beroemde boek van Alexis de Tocqueville: Democratie in Amerika. De Tocqueville schrijft: ik vraag mij af, welke de trekken zijn waaronder de tirannie weer een nieuwe gestalte zou aannemen. Ik zie dan voor me een ontelbare massa van in alle opzichten gelijke mensen, die heel egocentrisch bezig zijn met het rusteloos najagen van de onbeduidende, burgerlijke genoegens waar zij hun hart op gezet hebben.(…) Boven al deze egocentrische individuen torent een enorm bevoogdend machtsapparaat als enige instantie die hun welvaart garandeert en hen van de wieg tot het graf begeleidt. Het is allesomvattend, voorziet en regelt alles tot in detials en wel met fluwelen handschoenen. En zou een vergelijking te maken zijn met de verhouding ouders-kinderen(…).

 

Altijd dezelfde euvels

 

Het is moeilijk om, op dit punt aangekomen, niet onwillekeurig aan de EU te denken, zoals deze vandaag aan ons verschijnt.

In werkelijkheid is er nog een vierde werk dat door velen gelezen is, maar te vaak alleen maar als een fictie-roman wordt bestempeld. Het gaat natuurlijk om George Orwell in diens 1984.

De Big Brother – wat verwijst naar de ouder-kindrelatie waarover de Tocqueville schrijft – regelt alles, zorgt voor alles maar modelleert ook het denken en voelen van de grote massa waarover hij heerst. Dat aspect van Orwells roman is goed bekend. Minder bekend is het feit dat die Big Brother zowat constant in oorlog is. De Big Brother, ontstaan na een revolutie, tot stand gebracht door ‘De Partij’ en die na haar machtsovername over een massa van driehonderd miljoen mensen nog steeds de illusie in stand houdt dat de mensen opmarsjeren naar een trotste natie van strijders die in volmaakte eenheid strijden en triomferen, die Big Brother dus, had een externe vijand: Eurazië. En net als bij Freud was elke vorm van individuele kritische distantie verdwenen. Winston Smith, in wiens geest twijfel en zelfs een vorm van verzet rijst, wordt door de machtige machine van de Big Brother volledig vermalen.

 

De schrijvers van die dagen konden geen besef hebben van wat wij vandaag sociale media noemen: de spulletjes die dat mogelijk maken bestonden gewoon nog niet. De voorspellingen van de schrijvers moeten dus aan onze tijd worden aangepast. Misschien houdt dit onder meer in dat ‘het bestuur’ zoals dat bijvoorbeeld bij Orwell wordt beschreven, veel minder rechtstreekse greep heeft op het denken en voelen van de massa’s en dat deze greep voor een belangrijk deel verschoven is naar het egalitaristische politiek correcte denken dat via de sociale media overal doordringt. Ook het bestuur zélf kan onder invloed van die sociale media komen.

Het verhaal is dus vandaag complexer dan in de jaren dertig van vorige eeuw, toen het opkomende fascisme en communisme een al bij al simpele wereld presenteerden.

Doch de grondprincipes blijven dezelfde: de aanwezigheid van de massamens, het verdrinken van het inviduele, logische oordeel, het gelijkschakelen van de massa’s en het uitwissen van wat in die massa verdelingen aanbrengt – ik wijs er in het voorbijgaan op dat dit punt ook een zorg was voor Hannah Arendt -, het uitoefenen van macht vanuit een punt waarop niemand nog echt greep heeft. Tenminste op de achtergrond is er ook altijd een vijandbeeld aanwezig. Bij Orwell is dat heel uitdrukkelijk en bij Y Gasset en Freud, die beiden schreven en werkten in de periode tussen de twee wereldoorlogen, is die vijandgedachte op de achtergrond zeker aanwezig. De Tocquevilles boek is ontstaan tijdens een reis in Amerika en hij beperkt zicht tot de verslaggeving van zijn reis.

 

Geen positief toekomstbeeld

 

Ik keer nu terug naar de tanks van Juncker.

Waar denkt die man aan, als hij dergelijke dingen zegt? Ongetwijfeld denkt hij aan een potentiële externe vijand. Dat is dus precies gelijkaardig als het externe vijandbeeld in drie van de hiervoor aangehaalde werken.

Juncker ziet niet zomaar een externe vijand: hij ziet een militaire vijand die de Europese Unie bedreigt.

Kan iemand uitleggen wat het verschil is tussen deze manier van zien en die van de regeringen van de nationale staten een eeuw geleden, bijvoorbeeld die van Duitsland en Frankrijk? Het lijkt duidelijk: de EU is business as usual.

Tegelijk is de denkwijze van Juncker niet uit te leggen zonder de Europese Unie op te vatten als één groot, intern min of meer gelijkgeschakeld geheel, een geheel van meer dan een half miljard mensen. Ook dat element komt in de literatuur telkens weer terug. In de literatuur wordt deze gelijkschakeling doorgetrokken tot een modelleren van denken en voelen van de bevolkingsmassa.

Sommigen zullen opmerken dat het met dit laatste toch niet zo’n vaart loopt.

Ieder heeft het recht optimistisch te denken, maar hoelang is het geleden dat in EU-milieu’s acties werden aangekondigd tegen wat zij fake-nieuws of nepnieuws noemen? Hoever zijn we dan nog verwijderd van een van bovenaf modelleren van denken en voelen van de volkeren van Europa tot allemaal gelijkgeschakelde Europese ‘burgers’?

Natuurlijk vindt dat proces niet op die simpele manier plaats: de opkomst van de genoemde sociale media, bijvoorbeeld, compliceert de zaak, doch maakt het modelleren daarom niet minder effectief.

Dit brengt ons bij het derde element dat we telkens weer terugvinden: het uitschakelen van het individuele, kritische oordeel.

Psychologisch is het een belasting om tegen de stroom in te varen. Het is veel gemakkelijker om in de populaire brood-en spelencultuur, van de massaysterie van het voetbal tot de collectieve, al dan niet opgeklopte verontwaardiging tegen Donald Trump, gewoon mee te gaan. Zodoende is wie apart staat tegelijk zonderling of zelfs extremist.

Als we media zouden hebben die oog hebben voor het belang van de kritisch denkende individuele geest, zou je misschien nog kunnen zeggen dat het in realiteit niet zo’n vaart loopt. Maar de combinatie van een staatsnationalistisch denkende en handelende EU, een falend onderwijs, sociale media en politieke correctheid en een medialandschap dat zijn maatschappelijke plichten verwaarloost: dat is geen recept voor een positief toekomstbeeld.

 

Twee fundamentele waarheden

 

Tegenover deze hedendaagse Big Brother in de vorm van een allesbepalende EU, die zich kennelijk op een oorlog met Rusland voorbereidt, moeten twee fundamentele waarheden worden geplaatst.

 

Ten eerste. In de sombere jaren dertig van vorige eeuw schreef de Franse dichter en schrijver André Suarès de beroemde woorden (mijn vertaling): Ik zing de lof van de kleine naties. Alleen zij zijn op de maat van de mens. De grote imperia zijn slechts op de maat van de soort. De kleine naties hebben het aanschijn gegeven aan de stad, de moraal en aan de individuele mens. Suarès schreef deze woorden in een werk getiteld : Vues sur l’ Europe. Ja, hij had een visie op Europa!

Erkenning voor de individuele waardigheid en voornaamheid vindt Suarès in de grote rijken niet terug: daarvoor moet je naar eenheden op mensenmaat terugkeren. God heeft mensen geschapen, schrijft hij, maar heus geen massa’s. Precies de verscheidenheid is het kenmerk van die individuele menselijkheid.

De kaarten liggen derhalve niet zo gunstig voor de individuele mens, die op waardigheid en morele en intellectuele voornaamheid is gericht, in een massastaat die handelt zoals de EU laat zien.

Maar ten tweede: Rusland is gewoon niet onze vijand. Dat is gewoon niet waar. Dat vijandbeeld is nog een vage maar onterechte erfenis uit het tijdperk van de Koude Oorlog, toen de Sovjetlegers op enkele tientallen kilometers van het Duitse Kassel stonden. Er wàs toen alle reden om ongerust te zijn en onszelf te wapenen. Het zwakke West-Europa dat nog steeds bezig was het puin van de oorlog te ruimen, had niet langer de kracht en de morele weerbaarheid die enige kans op verzet tegen de Sovjetlegers denkbaar konden maken. De aanwezigheid van –toen- zowat 300.000 Amerikaanse militairen en een breed uitgespreid atoomparaplu leken toen noodzakelijk. Het Rusland van vandaag evenwel is nog slechts een schim van de voormalige Sovjet-Unie. De militaire uitgaven van Rusland bedroegen in 2009 61 miljard Am. dollar; die van het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk respectievelijk 69 en 67 miljard dollar. De Amerikaanse 667 miljard. Bovendien werd het Warschaupact opgedoekt als gevolg van het uiteenvallen van de Sovjet-Unie. De NAVO echter bleef behouden, en moet om enige vorm van geloofwaardigheid te behouden bij voortduring op zoek gaan naar vijanden buiten Europa.

Precies omdat Rusland nog slechts een schaduw van de voormalige Sovjet-Unie is, zijn de atoomwapens veel gevaarlijker dan ooit. Er kan een moment komen dat de leiding van Rusland geen keuze meer heeft. Iemand als de Belgische stafchef zal deze gedachtengang afwijzen, maar kan hij ook inhoudelijk de argumentatie ervan weerleggen? Of verkiest ook hij door te lopen in oude, versleten sporen?

 

Twee modellen

 

Al het voorgaande is stof genoeg om na te denken over een ander Europa dan wat ons vandaag wordt voorgeschoteld.

Om een continent met een zo grote verscheidenheid te besturen zoals je die in Europa vind, bestaan er in werkelijkheid maar twee modellen.

Het eerste is dat van Zwitserland: de confederatie met een grote mate van zelfstandigheid voor de samenstellende delen. Het tweede model is dat van een keizerlijk imperium, dat onverbiddellijk streeft naar een zo groot mogelijke interne harmonisatie.

Omdat het keizerlijke model veel te veel neigt naar de euvelen die hierboven werden beschreven, blijft voor wie aan de menselijke waardigheid denkt in werkelijkheid alleen het confederale model over.

In EU-middens verwerpt men dit model, onder meer bij monde van H. van Rompuy, die beweert dat het confederale model niet werkt. De feiten spreken hem tegen: Zwitserland hield het 700 jaar vol. Anderhalve eeuw lang functioneerde de Hanze als een los handelsverbond tussen steden van wat nu Noord-Frankrijk is tot in het Balticum en Zweden. Omdat de communicatiemiddelen tegenwoordig ontzettend veel groter zijn dan in de veertiende en vijftiende eeuw, zou een Hanze-achtig verbond tegenwoordig wel degelijk te overwegen vallen.

Het zwaartepunt zou in dat geval bij volksstaten kunnen liggen, die vervolgens samen organiseren wat elk van hen afzonderlijk niet aankan, ook al zijn die volksstaten dan niet langer de dragers van een absolute soevereiniteit, zoals de officiële leer verkondigt. Tegelijk verschijnt de kans om de etnische verscheidenheid politieke erkenning te geven, hetgeen het ontstaan van toekomstige spanningen helpt te voorkomen. Zelfs etnische enclaves zijn denkbaar, hetgeen in de Balkan niet zonder belang is. Ook kleine volkeren zouden zichzelf tot op een relevant politiek niveau kunnen organiseren.

Een dergelijk verbond vereist geen apart parlement, geen dure vogels zoals Europese commissieleden, geen ambtenarenleger van 35.000 personen. Een goed functionerend coördinatiebureau kan volstaan: een gigantische besparing. Maar het geheel komt wel makkelijker tegemoet aan de zorgen die door André Suarès werden verwoord.

Voorwaarde is het beroep dat iedereen doet op de positieve krachten in de modale individuele mens, het vertrouwen in het menselijk kunnen en de wil om het altijd nog beter te doen. De vereist een her-denken van onderwijs en mediacultuur én van de werkelijke betekenis van wat wij cultuur noemen.

 

Een Euraziatische veiligheidszone

 

In een dergelijke niet-(staats)nationalistische structuur is er kans op intense samenwerking met Rusland, dat immers niet langer als vijand hoeft opgevoerd. Rusland speelde altijd al een rol in de Europese politiek. De Sovjet-periode is in werkelijkheid slechts een tijdelijke onderbreking hiervan. Als we afzien van een EU-mogendheid die Rusland als externe vijand opvat, vinden we misschien een weg om Rusland weer een plaats te geven in de Europese politiek. Voor Rusland biedt dat enorme voordelen en een organisatie van Europa die werkelijk van onderen op functioneert kan Rusland zodanig beïnvloeden dat er ruimte komt om nieuwe oplossingen te vinden voor de belangen van de Russen in bijvoorbeeld Oekraïne.

De voorwaarde voor dit alles is het opgeven van het staatsnationalistisch denken, zoals dat onder anderen beschreven werd door Stan Verschuuren en in het geval van Frankrijk en Groot-Brittanië uiteengezet werd door Anthony D. Smith, in diens National Identity. Misschien helpt de Brexit ons alvast af van verzet vanuit het Verenigd Koninkrijk.

 

Smith heeft nooit over een Euraziatische veiligheidzone gesproken. Die zou ons relatief kleine Europese schiereiland opnemen in een veiligheidszone die ook Rusland, China en mogelijks India omvat.

Zeer zeker zou de concurrentie met name met China en India niet meevallen, maar of we dat willen of niet: die concurrentie komt er gewoon toch aan. Ze vindt vandaag al plaats en ze ligt aan de basis van de huidige handelsoorlog tussen Amerika en China. We kunnen er ons maar beter op voorbereiden en een verbond dat door zijn grote verscheidenheid vele actiemogelijkheden kan verzinnen biedt interessante vooruitzichten, omdat de verscheidenheid andere, vruchtbare initiatieven kan opleveren en de EU een positieve rol kan spelen als faciliterend orgaan. Dat lijkt beter dan ons te verschansen in een Europees fort, waarvan de steeds talrijker wordende bressen toch niet te dichten blijven, en dan spreken we niet eens over de illegale immigratie. Het grote nadeel van zo’n fort is altijd dat het de hele Europese massa één enkel spoor dwingt, en misschien zelfs het verkeerde spoor. Vanuit de biologie weten we dat verscheidenheid altijd voordelig is: zonder die verscheidenheid had de pest misschien de mensheid uitgeroeid. Er is geen reden om te denken dat zulke gedachtengang niet ook kan gelden op economisch, sociaal en cultureel vlak. Aan een nieuwe uitgave van een superimperium naar het model van Oostenrijk-Hongarije is er geen behoefte meer.

 

Tegelijk geeft heel dit beeld ons de kans ons van de dominantie van de Verenigde Staten te bevrijden. Het is voor de wereldvrede gewoon niet goed dat één land de hele tijd naar de volstrekte economische, culturele, politieke en militaire dominantie kan streven. Zo’n situatie wordt onvermijdelijk labiel. Ze leidt tot onafgebroken spanningen onder grote blokken. In een wereld vol kernwapens is dat levensgevaarlijk. Onvermijdelijke misverstanden binnen Europa kunnen in dit model altijd tot de kleinere schaal worden beperkt, dan zijn ze minder riskant. Dat heeft iets van doen met de bekende containment-politiek.

Als we ons van de VS kunnen losmaken, zal ons dat ook helpen om – bijvoorbeeld en in de huidige omstandigheden – een Europees gevechtsvliegtuig te kopen in plaats van de F-35, waarvan de Amerikanen de gebruikstouwtjes stevig in handen houden. Meer zelfs: wie weet wordt het ooit denkbaar dat er in Europa naast vliegtuigen zoals de Gripen ook Soechoj-vliegtuigen door de lucht klieven. Dat zou een as met Rusland en China voor vele jaren vastlassen. Behalve wapenboeren heeft immers niemand er belang bij spanningen met Rusland te scheppen.

Dat alles lijkt nu slechts een droom, maar dromen hebben de mensheid altijd al voortgestuwd – denk maar aan de ruimtevaart. Over een eengemaakt Europa wordt al eeuwen gedroomd. In tegenstelling tot sommige andere dromen gaat het dit keer niet om boze droom. De Russen zouden hun raketten dan niet langer op Kleine Brogel of Volkel hoeven te richten.

Dat is niet alleen voor de Limburgers en de Brabanders een opluchting.

 

Vertrouwen in de krachten van een burgergemeenschap

 

We moeten dus maar eens dieper nadenken over een ànder Europa. Misschien moeten we meer en beter beseffen dat wat de politieke sfeer heet niet het alfa en het omega van ons bestaan mag zijn, ook al is die sfeer zo groot als de EU. En misschien hebben vele vlaamsnationalisten te lang en te hoog ingezet op de politiek door van deze laatste de oplossing voor al hun problemen te verhopen. Dat is ongeveer dezelfde fout als die van zovele euronationalisten vandaag.

Misschien moeten we maar eens meer vertrouwen hebben in de krachten van een gemeenschap van bewuste burgers. De volksstaten die hier bedoeld worden hebben werk genoeg voor de boeg: de zorg om de zwakkeren, zieken, kinderen, de bejaarden, waarvoor betaalbare rusthuizen moeten tot stand komen. Er is het verkeer en de gezondheidszorg, de kwaliteit van het onderwijs en een hoop relevant wetenschappelijk onderzoek, om over natuurbehoud maar te zwijgen. Misschien begint het werk dus eerst bij het opbouwen van geloofwaardige gemeenschappen van bewuste burgers en laten we het denken in termen van politieke imperia voor wat het is: voorbijgestreefd.

 

 

Jaak Peeters

Juli 2018

 

 

 

 

 

Wegmoffelen van morele verantwoordelijkheid?

In een opiniestuk in Knack van 3/6/’18 hielden Ariane Bazan en Ligeia Quackelbeen een pleidooi om ‘slachtoffers uit het beeld te houden’. Hun ondertitel luidt: “Moreel oordeel over de ouders van Mawda zegt niets over juridische verantwoordelijkheid”.

 

Ik schets eerst de feiten.

Het verhaal gaat over illegalen die een politiebevel weigerden op te volgen en daarbij een kind als menselijk schild gebruikten, waarna de op de banden gerichte politiekogel per ongeluk de peuter Mawda doodde. Een bekend politicus verklaarde daarop dat in deze zaak de morele verantwoordelijkheid van de ouders (de vader van de peuter was de chauffeur) niet opzij kan geschoven worden.

De auteurs antwoorden daarop echter dat de morele verantwoordelijkheid van de ouders los staat van hun positie als juridische personen in de zaak tegen de schietende politie. De rechtszaak zelf, zo stellen ze, dus de beoordeling van de actie van de politie, is voorwerp van onderzoek en rechterlijke beoordeling. Of de ouders voorheen moreel gesproken fouten hebben begaan, heeft hier niets mee te maken, vinden Bazan en Quæckelbeen.

Op het eerste gezicht en heel strikt kun je iets dergelijks trachten vol te houden.

 

Toch valt daar duchtig over te redetwisten.

 

Ten eerste: de kern van het voorliggende probleem is helemaal niet het onderzoek naar de eventuele fout van de schietende politieman: dat is er slechts een deel van. Dat is ook niet het punt voor de betrokken politicus, die het gerecht zijn werk laat doen. Door te stellen dat in deze zaak niet over de verantwoordelijkheid van de ouders hoort te worden gesproken, lijken de auteurs de hele zaak echter te willen herleiden tot een al dan niet veronderstelde schietgraagte van een politieman. In werkelijkheid is de zaak wél veel ruimer: aan de orde is het nijpende maatschappelijke probleem van een illegale massa-immigratie, waarbij in dit geval helaas een onschuldig slachtoffer viel.

Zulks doet een linkse, postmodernistische ideologische agenda vermoeden. Het roept de gedachte op dat de politie als een vijand van de menselijkheid moet gezien worden of dat er voor migratie geen beperkende regels gelden: als het over migratie gaat, doet iedereen wat hem lust. Wie daarmee niet akkoord gaat is meteen verdacht wegens kennelijke vijandigheid tegenover de menselijkheid. Tekenend is ook hun taalgebruik: de term polariserend behoort tot het geliefde jargon van de actieve, extreme linkerzijde. Het is mij trouwens niet duidelijk wat er polariserend zou kunnen zijn aan het willen aanwijzen van of zoeken naar morele verantwoordelijkheid. Overigens: wie wordt er tegenover wie geplaatst? Hun suggestie is alleszins duidelijk: de illegalen in kwestie horen te worden opgevat als onschuldige slachtoffers – ze worden in het opiniestuk ook zo voorgesteld – en wie hen dwars zit hoort te worden gezien als hardvochtige mensenhater. Ziedaar de échte polariteit die de auteurs ons door de strot willen persen.

Voorts ergert mij hun uitspraak dat “de voorgeschiedenis van het gezin” niet mee mag betrokken worden bij de bepaling van verantwoordelijkheden. Hoezo? Mag het gedrag uit het verleden van mensen niet langer meetellen om iemands morele verantwoordelijkheid te bepalen? Ik ben geen jurist, maar dit is wel een zeer vreemde manier om over mensen te oordelen! Als je iemands verleden niet langer in rekening mag brengen, hoe stel je dan iemands morele verantwoordelijkheid vast? Zelfs als strictu sensu de morele verantwoordelijkheid van de ouders niets te maken mag hebben met het juridisch al dan niet fout handelen door de politieman, dan nog blijft dit overeind: als de betrokkenen hun verantwoordelijkheid hadden genomen, was er hoogstwaarschijnlijk niets gebeurd!

Maar precies die morele verantwoordelijkheid – die van de betrokken illegalen – willen de auteurs van het stuk wegmoffelen. Er mag over morele verantwoordelijkheid niet worden gesproken, want dan stoten we op de illegaliteit van de ‘slachtoffers’, op hun weigering het politiebevel op te volgen, op hun eerdere uitwijzing uit verschillende landen. En dat wringt met het postmodernistisch geloof dat alles moet kunnen en mogen.

 

Ik heb daar drie opmerkingen over.

Ten eerste: over de Neurenbergprocessen kan men zeggen wat men wil, maar ik onthou in ieder geval dat niemand zijn morele verantwoordelijkheid van zich kan of mag afschuiven. Mensen leven nu eenmaal in een moreel universum en zij kunnen zich daar niet eventjes tussenuit wringen. Wat ze uitspoken komt op ’s mensen morele kerfstok, altijd en overal.

Bazan en Quackelbeen moeten mij eens uitleggen hoe ze dit inzicht samenbrengen met hun eigen uitspraak dat de voorgeschiedenis de kwestie van de verantwoordelijkheid niet mee mag beslechten.

En dan mijn tweede punt.

Psychologe Bazan moet goed weten dat mensen existerende wezens zijn: ze leven in een zinvolle wereld. Die zin ‘erven’ we van de feiten, ervaringen en belevingen uit het verleden en de doorwerking daarvan op de dingen waarmee we dagdagelijks te maken hebben.

Om te verklaren waarom ik van tuinieren hou, moet je mijn voorgeschiedenis ontleden. De oude Sigmund Freud ging graven in de ervaringen in de kinderjaren om uit te zoeken waarom iemand zich hysterisch gedraagt. Maar als er problemen met illegalen in het spel zijn, dan màg zoiets plots niet langer? Hoe zoiets wetenschappelijk valt uit te leggen, is me echt niet duidelijk.

 

Er is nog een veeleer filosofische kwestie.

Volgens Avishai Margalit is een fatsoenlijke samenleving een samenleving die niet kwetst.

Kwetsen is de weigering om de Andere te erkennen als een volwaardig lid van de soort of groep. Kwetsend is de houding die een gedeelte van de menselijke habitus niet aanvaardt. In een fatsoenlijke menselijke samenleving moet ieders identiteit in haar geheel volwaardig in beschouwing worden genomen – hoewel niet noodzakelijk goedgekeurd. Wie negers als Untermenschen beschouwt, kwetst: men ontkent dat ook hen de volheid van de menselijke waardigheid toekomt – dus ook de morele verantwoordelijkheid. Tot ieders menselijke identiteit behoort immers het vermogen om te allen tijde deel uit te maken van een moreel universum. Dat moreel vermogen behoort dus tot de volwaardigheid als mens. Het is dus onfatsoenlijk of minstens bedenkelijk ’s mensen morele verantwoordelijkheid weg te strepen, want dat doet denken aan de zwarten die minder verantwoordelijk werden geacht, omdat ze ‘minder menselijk’ waren. Als we de morele plichten van illegalen weggommen, kan dat dus als een vorm van onfatsoen worden ervaren. Hetgeen in ieder geval betekent dat het de auteurs zijn die zich moeten verantwoorden, en niet de betrokken politicus.

Als een politicus zich verzet tegen het wegmoffelen van de morele dimensie in het menselijk er-zijn, dan polariseert hij niet alleen niet, hij ‘misschetst’ niet, maar hij raakt de ziel van het scheve linkse postmodernistische discours waarmee we dagelijks om de oren worden geslagen.

Ik begrijp niet waarom Knack een dergelijk stuk in zijn kolommen toelaat.

 

 

 

 

Jaak Peeters

Juni 2018

 

De methode Juncker

Ze hebben het weer eens gepresteerd: een overbodige en onnozele “verordening” die miljoenen brave mensen dwingt een hoop nutteloos werk te verrichten en zich, zo doende, te schikken naar de oekazes van een troep, die zichzelf ongevraagd in de positie van “Europese overheid” heeft gehesen.

Dat adressenlijsten verkocht worden, is al langer algemeen geweten. Als dat gebeurt zonder de toestemming van de adreshouders, valt daar zeker wat over te zeggen. Eidoch: door iedereen te dwingen toe te zeggen dat men dit niet zal doen, zal deze praktijk niet verdwijnen. Wie geld wil verdienen vindt altijd wel een andere weg.

Dat betekent dat het voordeel van zo’n AVG zeer beperkt is.

Het voordeel is echter niet beperkt voor de EU zelf, die zich op deze manier sluipend verder in haar machtspositie hijst.

Hierbij is de methode Juncker voluit van toepassing: doorgaan, zolang er geen opstand uitbreekt.

 

Zoiets is echter geen democratie.

In een democratie legt men de burgers een voorstel voor. Die burgers oordelen en delen vervolgens hun oordeel mee. Dat gebeurt uitsluitend voor de onderwerpen waarvoor de voorstellers bevoegd zijn. Ook die bevoegdheid moet vooraf voorwerp van goedkeuring zijn.

Aan beide democratische voorwaarden is geenszins voldaan. Het volstaat niet een parlement te formeren om vervolgens ondemocratische regelingen door te drukken.

Wat meer is – en dat is ook van toepassing op onderhavige blogreeks -: de EU-potentaten dwingen een hoop in alle vrijwilligheid opererende blogschrijvers tot bergen van nutteloos tijdverlies. Doorstroming misbruikt of verkoopt haar adressen niet en is dat van geen kanten zinnens: er zit voor Doorstroming geen enkel commercieel nut aan verbonden. Doorstroming gebruikt gehuurde webruimte, die door de auteur uit eigen zak betaald wordt. Hij verdient daar niets aan. Het enige wat hij wil is de maatschappelijke discussie aanzwengelen en daar zelf aan deelnemen. Dat is zuivere democratie – niets anders.

Wie de berichten van Doorstroming niet langer wil ontvangen, kan dat bereiken door eenvoudige mededeling. Dat is zo al lang en er bestaat geen reden om dat te veranderen. Dat is ook zo voor al die talloze andere blogs.

Maar precies op dit terrein verschuilt, zo vrees ik, de EU-adder zich onder het door de overvloedige regen welig opgeschoten gras: de bovenop komende last zal een aantal vrijwillige blogschrijvers doen afzien van de voortzetting van hun onderneming. Ik kan me voorstellen dat een aantal EU-potentaten dit opvatten als een vorm van strijd tegen “fake-nieuws”.

Daarmee gaat de EU fataal de weg op van de Big Brother: een niet verkozen overheid die het denken, voelen, doen en laten van de bevolking bepaalt en manipuleert. Handig is dat wel, vooral voor wie meent aan de stuurknuppel te mogen zitten.

Het is erg twijfelachtig of de bevolking deze slinkse gang van zaken zou aanvaarden, als die haar duidelijk zou worden. Daarom moeten blogschrijvers die mensen wakker kunnen schudden zoveel mogelijk het zwijgen worden opgelegd. Anders bestaat het risico dat diezelfde bevolking er op een helder moment genoeg van heeft.

Ziedaar hoe de methode van Juncker in de praktijk werkt.

 

Jaak Peeters – 25 mei 2018