Raf Debaene uitgedaagd

In deze bijdrage wil ik een beschouwing maken als reactie op enkele heel tekenende zinnen van Raf Debaene in zijn Voorwoord van het septembernummer van De Uil van Minerva.

De tekst van deze bijdrage neemt afstand van de stellingen van Debaene en tracht aan te geven waar de auteur de plank misslaat, waarbij hij wellicht onbewust dezelfde fout maakt als zovele andere hedendaagse schrijvers. Ik zal dat niet op een polemische manier doen, maar wel op een confronterende wijze.

Eerst zal ik Debaene voorstellen.

Vervolgens zal ik meedelen wat hij schrijft.

Daarna volgt mijn commentaar dat in drie afzonderlijke hoofdparagrafen uiteenvalt.

 

Wie is Raf Debaene?

 

Debaene is één van de drie eindredacteurs van het tijdschrift De Uil van Minerva, waarmee mensen zoals Jacques De Visscher, Raoul Bauer en Toon Braeckman op de een of andere manier geassocieerd zijn. De ondertitel van het tijdschrift luidt: “Tijdschrift voor geschiedenis en wijsbegeerte van de cultuur”.

Voor de kost doceert Debaene als lector aan de Arteveldehogeschool in Gent. Hij is verbonden aan het departement sociaal werk, waar hij filosofie geeft.

Naast zijn educatief werk is Debaene actief als schrijver en spreker. Zo sprak hij op een congres van de Liga van de Mensenrechten, die, zoals bekend, zowat in dezelfde ‘korf’ aan te treffen valt als De Wereld Morgen, Unia, Kif Kif en Vluchtelingenwerk Vlaanderen.

Ook bij Apache is Debaene niet onbekend.

Bij Sociaal.net publiceerde hij Democratie heeft nood aan sociaal werk, waarbij hij zijn stelling uitte dat de sociale werker de mensenrechten als centrale leidraad moet nemen. Velen, waaronder ikzelf, menen dat deze stellingname niet zo vanzelfsprekend is want afhankelijk van de definitie van mensenrechten, maar daar ga ik hier niet op in. Debaene neemt het discours van de mensenrechten als een centrale leidraad van zijn optreden en zijn stellingnamen.

In het voorbijgaan tracht Debaene ons te overtuigen van de rechtmatigheid van zijn afwijzing van figuren als Dalrymple en Burke.

De lezer zal nu zeggen: Raf Debaene staat dus links – en misschien zelfs vrij ver links. Dat schijnt wel de norm te wezen in opleidingen voor sociaal werk en in dat opzicht valt Debaene dus niet op.

Toch moet ik zeggen dat Debaene ooit in het tijdschrift Oikos[1]  een interessante reactie publiceerde op de positie van Guy Tegenbos. In die reactie trekt Debaene onder meer van leer tegen het modernisme van de ‘competenties’, waarmee het personeelsbeleid van tegenwoordig zo vaak vergiftigd wordt. Naar mijn oordeel zegt hij terecht dat deze competentie-denkwijze de kwaliteiten van de menselijke persoon herleidt tot wat hem of haar in het economisch proces nuttig maakt. Mijn eigen ervaring als ex-leidinggevende dwingt me ertoe dit competentiedenken af te wijzen als eenzijdig en contraproductief. Ik heb ondervonden dat alleen het ernstig nemen van de medewerker als volwaardig mens een goede basis is voor succesrijke samenwerking.

 

Debaene over identiteit

 

Wat me aanzet om op de uitspraken van Debaene te reageren is een heel kort maar veelzeggend stukje in zijn voorwoord van De Uil van Minerva[2].

 

Ik citeer: “De andere kant van het polemisch genre dat hier wordt beoefend, is natuurlijk dat eenzijdigheid, overdrijving en karikaturisering niet ver weg zijn, zoals beide auteurs ook meteen zelf aangeven. (…) maar op die manier neigen ze naar een vorm van identitarisme, een fenomeen waarmee we in België jammer genoeg maar al te vertrouwd zijn: anderstaligheid wordt hier opgeblazen tot essentieel verschillende identiteit van bevolkingsgroepen die het samenleven haast onmogelijk maakt. De eigen identiteit kan echter slechts enige schijn van reële inhoud krijgen door vooral negatieve kenmerken toe te kennen aan de andere.”

 

Inleidende kritiek

 

De auteur toont zich hier een aanhanger van het postmoderne geloof dat identiteit slechts schijn is. Identiteit heeft volgens hem geen werkelijke inhoud. Wat meer is, en om de zaak nog zwarter te maken dan ze al lijkt, is een dergelijke identiteit slechts definieerbaar door de vermeende slechte kenmerken van ‘de andere’ in het licht te stellen.

Met alle respect: maar dit is onzin. Een mus heeft een duidelijke identiteit: haar verenkleed, gezang, foerageergedrag, leefwijze enzovoorts. Een planeet heeft een duidelijke identiteit: Jupiter is een grote gasplaneet waarop leven zoals wij het kennen ondenkbaar is. Een wetenschappelijk vak heeft een duidelijke identiteit: elke wetenschap heeft een eigen materieel en formeel voorwerp. Telkens weer kun je een aantal kenmerken opsommen die het benoemde onderscheiden van het andere. Maar betekent het feit dat ik de planeet Jupiter een identiteit toeschrijf tegelijk dat ik de planeet Saturnus misprijs?

Het is duidelijk dat het begrip identiteit in de milieus die Debaene frequenteert een negatieve betekenis heeft. Die mensen slagen er dus niet in om op een neutrale manier dat begrip te hanteren.

Dat tast de geloofwaardigheid van hun hele verhaal ernstig aan.

 

Eerste hoofdkritiek

 

Debaene betreurt kennelijk dat de verschillen tussen Vlamingen en Walen “opgeblazen” worden. Er zijn misschien wel verschillen, maar ze zijn te pietluttig om het samenleven in de staat België onmogelijk te maken.

Ik begrijp niet dat Debaene niet in de gaten heeft dat hij zélf een politieke voorkeur voor een staatkundige identiteit uitspreekt. Wat hij zegt is dat de entiteit België wél een relevant uitgangspunt is, maar de entiteit Vlaanderen niet – of althans niet in die mate dat ze de entiteit Belgie kan/mag vervangen.

Maar waarom zou dat zo zijn? Kijken we even naar de start van dit koninkrijk. Het is gesticht door de Franstaligen die gevormd werden tijdens de Franse bezetting in een revolutie die door een referendum bij een grotendeels ongeletterde bevolking zogenaamd gelegitimeerd werd. Waarom zou zulk een politieke constructie voorrang moeten krijgen op een entiteit Vlaanderen die zonder revolutie, met veel bloed, zweet en tranen en op een democratische manier tot stand is gekomen?

Het is aan Debaene en zijn geestesgenoten om dat uit te leggen.

 

Tweede hoofdkritiek

 

Debaene maakt dezelfde fout als in vele Vlaamsnationale milieus wordt gemaakt: identiteit is zoiets als een schimmig kroontje dat boven de hoofden van de bezitters van die identiteit zweeft.

Zolang we in de contouren van de schimmigheid blijven ronddwalen zullen we nooit tot redelijkheid komen.

In mijn Vlamingen zijn fatsoenlijke mensen heb ik een lang hoofdstuk gewijd aan een andere manier om naar identiteit te kijken. Ik heb daar identiteit beschreven als een geheel van betekenissen – psychologen zeggen: cognities – die in hoofde van de betrokken persoon of groep meer dan gemiddeld voorkomen. De modale Vlaming spreekt iets wat op Nederlands lijkt, vindt geen graten in de lintbebouwing, heeft op school een hoop dingen geleerd die je in Duitsland niet leert, leest Vlaamse kranten of tijdschriften en kijkt naar VTM of VRT en neemt de inhoud van die media in zich op.

Maar diezelfde Vlaming heeft Engels geleerd, of Frans. Gaat naar Spanje met vakantie, net als Duitsers. Hij is vakman en heeft als zodanig dezelfde knepen geleerd als zijn vakgenoot uit Canada. Enzovoorts.

In plaats van schimmigheid krijgen we op die manier iets dat we zouden kunnen proberen te kwantificeren: een opsomming van betekenissen. Daar kun je wat mee.

De Vlaamse identiteit is dus de verzameling betekenissen die je in Vlaanderen meer dat gemiddeld aantreft. Zo heeft Wallonië zijn identiteit en heeft Gent een eigen identiteit, de Limburgers hebben die enzovoorts.

Het is mij een volstrekt raadsel wat zoiets met “uitsluiten” of “overdrijven” te maken heeft.

Maar je moet wel helder definiëren.

 

Derde hoofdkritiek

 

Ik kom hier op een terrein dat de heer Debaene ongetwijfeld beter bekend is: de Franse schrijver Michel Foucault. Ik ga uit van mijn eigen (eigenzinnige) interpretatie van Foucault[3].

 

Foucault is bekend voor zijn analyse van het spreken. Spreken is volgens hem in principe opdringerig. Het is het doen van een zet, waardoor de tegenspeler al dan niet schaakmat kan raken.

Vergelijk het met de kolonel die met zijn bataljon een terrein bezet. Door dat te doen drukt hij de tegenstander weg, want je kunt niet tegelijk niet- en wél bezetter zijn.

Wie spreekt doet dus niet alleen een uitspraak, maar neemt terrein in – weliswaar geen fysisch terrein, maar een stuk terrein in het discours. Het is aan de tegenpartij om hier gepast op te reageren. Om dat te kunnen doen moet de tegenpartij uiteraard een distantie aannemen ten aanzien van de bezetter: hij moet afstand nemen, want anders is hij overwonnen.

Vervolgens moet hij reageren. Als we even de militaire retoriek laten varen, dan verschijnt hier wat Foucault de Parrèsia noemt: het vrijmoedig spreken[4].

 

Wat betekent dat?

Ik kan iemands standpunt herformuleren. Ik kan er vragen bij stellen. Ik kan wijzen op logische tekortkomingen. Dan ben ik nog altijd niet de polemist, maar ik spreek wel ‘vrijmoedig’: ik zeg wat ik denk te moeten zeggen. “Ik sta in mijn eigen kracht” – zegt een dochter van me zo vaak. Of nog: de enkeling verschijnt hier als een soort ondernemer van zichzelf[5].

 

Ik kan niet anders dan dit laatste als een uiting van humanisme te beschouwen, een humanisme zoals dat in de geschiedenis van de westerse emancipatie is verschenen en dat we misschien weer volop aan het verliezen zijn. Het is het humanisme van de zelfbeschikkende mens, als lid van een zelfbeschikkende gemeenschap – want het één kan niet zonder het ander.

De nationalist – dit is: de persoon die zijn volk tot een moderne (al dan niet soevereine) bestuurlijke natie wil uitbouwen – is de persoon die ‘in zijn eigen kracht staat’, als een ondernemer, niet van een individu, maar van de gemeenschap waartoe hij behoort.

Dat is een principieel positieve houding die niets van doen heeft met afkeer voor het andere en die geen overdrijving nodig heeft om zichzelf te vestigen.

Het is gewoon…vrijmoedig spreken en handelen. Of nog: zichzelf van een rechtmatige plaats in het steekspel onder mensen en volkeren verzekeren.

Is daar iets mis mee?

 

En hiermee daag ik de heer Debaene dus uit, want hoewel hij het doet voorkomen wars van polemiek te zijn, lijkt het mij geen goed uitgangspunt voor een niet-polemisch gesprek wanneer je in je uitspraken al vooraf uitgaat van negatieve stereotypering van je tegenspeler.

 

 

Jaak Peeters

Oktober 2020

 

 

 

 

 

 

 

[1] Raf Debaene. Onderwijsvernieuwing en democratie. Oikos, 2012, nr 63.

[2] Raf Debaene. Voorwoord. De Uil van Minerva, volume 33, nr 3, 2020 blz. 193.

[3] Ik neem hier afstand van de uitspraken van R. Scruton over Foucault.

[4] Michel Foucault. Parresia. Vrijmoedig spreken en waarheid. Krisis-onderzoek nr 1, inleiding door Machiel Karskens.

[5] Fernand Tanghe. Actualiteit van Foucault? Filosofie Tijdschrift. Jaargang 30, juli-augustus 2020, blz. 31.

Quid N-VA?

Nu de Grote Pers op velerlei toonaarden de lof van de nieuwe Belgische regering zingt, viel me onder de commentaren volgende uitspraak van Carl Devos op: “niet N-VA of VB vormen een gevaar voor Vivaldi, maar Vivaldi zelf”. In Humo liet Jan Peumans optekenen dat hij het een raadsel vindt hoe ze die Vivaldi-boel bij elkaar gaan houden.
Als Vlaamsgezinden moeten we ons niet meer met Vivaldi zelf bezig houden dan nodig is om onze eigen posities te versterken.

Vooraf vind ik dat N-VA blij mag zijn NIET in de regering te zetelen, want de problemen zijn immens – zoniet onoverkomelijk. Zoals enkele topeconomen al lieten verstaan: voor al dat beloofde lekkers is er gewoon geen geld. N-VA zou zich in die hete soep hebben verslikt.
Wat nu telt is slechts: hoe winnen we de volgende verkiezingen? Daarmee is bedoeld: hoe versieren we een positie die ons in staat stelt om Vlaanderen écht vooruit te helpen?
Daarmee wordt de aandacht voluit naar de oppositie gericht.
NVA is politiek in het defensief gedrongen. Zoiets gebeurt vaker in de politiek en zeker als je weet dat separatisten tegenover belgicisten staan, deze laatste geleid door de raadgevers van Le Palais.

Laten we vooreerst opmerken dat deze situatie in de recente geschiedenis van ons volk niet nieuw is.

Enkele beschouwingen.

1. Op de eerste plaats moeten we ons afvragen of we een juist beeld hebben van de politieke grondstroom in Vlaanderen. Walter Pauli beweert dat die niet rechts is, want de Vivaldi-partijen zijn in Vlaanderen niet in de minderheid. Zo simpel is het echt niet. Ik weet niet of het linkse in SPA en dat van PVDA zo goed samengaan. Dan is er nog de vraag: quid CD&V? Dus mag je niet simpelweg optellen, zomin als je Vlaams Belang en N-VA bij elkaar mag optellen.
2. De vraag is voorts: wat is rechts? Neem nu VB: dat voert een sociaal-economisch links discours. Het is wel degelijk mogelijk dat dit discours een meerderheid heeft in Vlaanderen. Het is zelfs denkbaar dat verschillende punten uit PVDA-programma aansluiten bij de Vlaamse grondstroom. Dat is niet zo onzinnig, want zulke sociaal-economische houding sluit aan bij het Vlaamse onderdanigheids- en achterstellingsgevoel en het past perfect in een crisistijd. De vraag hierbij luidt dan ook of N-VA niet een te liberalistisch of zelfs hautain discours voert.
3. In ieder geval heb je nu in Vlaanderen twee posities die vaak het etiket ‘extreem’ opgeplakt krijgen. Ik spreek me niet uit over de terechtheid hiervan: zelf vind ik sommige punten van PVDA aantrekkelijker dan die van VLD. Ik reken mezelf toch niet tot de extremen. Aan de andere kant zijn vele nationalistische bewegingen in de wereld sociaal-economisch links – en daar valt wel degelijk wat voor te zeggen. Dus is de positie van VB misschien vooral extreem in belgicistische ogen.

In dat alles schuilt meteen een les.

a) Er is zeker nood aan een centrumpartij. Met delen van CD&V kan N-VA die positie innemen.
b) Met het oog op latere bondgenootschappen is het zeer onwijs om de retoriek van onze belgicistische vijanden over te nemen. VB is niet ‘extremistisch’, maar radicaal-rechts, tegenover een centrum-rechts N-VA. Je neemt overigens nooit het taalgebruik van je tegenstander over – dan sukkel je onvermijdelijk in hun moeras! Met het taalgebruik neem je immers ook de logica en de denkwereld over.
c) De begrippen rechts en links moeten scherper worden gedefinieerd. Links is misschien niet zozeer sociaal-economisch links, want dat is eerder volks en gericht op rechtvaardigheid. Links vind je dan vooral bij Groen: open grenzen, antinationaal, toegeeflijkheid in justitie, verslapping van de onderwijsnormen enz. Daarmee is ook rechts meteen gedefinieerd.
N-VA neemt thans een centrumpositie in op het vlak van migratie en immigratie. Maar zonder een fellere houding ten aanzien van bijv. de aanpak van misdadigheid komt dit in de ogen van vele kiezers over als totaal laissez-faire ten aanzien van ‘lichtgetinte’ deugnieten. Daar hebben veel Vlamingen terecht grote moeite mee. Terloops: de vivaldi’s willen het gerecht vereenvoudigen en toegankelijker maken en digitaliseren. Maar dat is voor de mensen niet het probleem. Het probleem is dat de door de politie opgepakte deugnieten weer vrijgelaten worden wegens tekort aan cellen. Het probleem is voorts dat de cellen buiten proportie gevuld zitten met namen van vreemde oorsprong. Wie dàt laat liggen, legt de bal gereed voor doel voor VB!
d) N-VA zal een zware inspanning moeten leveren om zijn liberalistische sympathieën wat te temperen. Niemand twijfelt aan het nut van het vrije ondernemen, zeker niet binnen VB en misschien zelfs ook niet altijd binnen PVDA. Maar je moet de VLD op haar eigen terrein niet willen overbluffen. Dus ook op dat gebied is een centrumpositie noodzakelijk. Is er die altijd?
e) De feiten dwingen tot een houding die neerkomt op het voorbereiden van de volgende verkiezingsslag. Vooral een Vlaamse centrumpartij moet gereed staan als redelijk alternatief voor het geval dat Vivaldi vroegtijdig in elkaar stuikt (eerste scenario) of tot aan haar voorziene einde voortsukkelt (tweede alternatief).
f) De manier van oppositie voeren moet voor een centrumpartij inhoudelijk zijn, mede omdat je tegen de militante slagkracht van VB niet op kunt. Op emotioneel gebied is VB gewoon niet te kloppen – en de vraag is of men dat wel moet willen. Van VB kan N-VA alleen inhoudelijk winnen of zich onderscheiden.
g) Echter – en dit is echt fundamenteel – dan moet de partij dringend haar communicatiestrategie veranderen. Kort gezegd: het kiesvolk weet gewoon niet waar N-VA voor staat! N-VA heeft gewoon geen contact met de modale kiezer. N-VA komt niet duidelijk en geprononceerd tot in de hersens van de kandidaat-kiezer. Dat is onbegrijpelijk voor een rijke partij. Die slechte communicatie is verreweg de grootste fout van de N-VA-leiding. Of die communicatie noodzakelijk via facebook moet lopen weet ik niet, al moet ik zeggen dat men de kracht van dat smoelenboek niet mag overschatten. Vooral wat rijpere mensen zijn vatbaar voor zowel de financiële kanten van het nationalistische verhaal als voor de hiervoor aangegeven centrumrechtse houding. Dat komt omdat dit soort mensen al jaren in het leven staat, belastingen betaalt en het huis afbetaalt. Men zegt dat ze gematigder zijn geworden door de ervaringen van het leven. Ik vermoed dat ze vooral realistischer zijn geworden en weten wat echt belangrijk is. En die mensen vragen voldoende tekst en uitleg. Misschien zit daar het grote blok van de N-VA-kiezers.

Tenslotte is het mijn overtuiging dat het niet aan de nationalisten is om elkaar te bestoken. Dat geldt zowel voor N-VA als voor VB. Ze hebben beide een functie. VB kan de onafhankelijkheid niet realiseren omdat het met een extremistisch etiket opgescheept zit, wat de buurstaten zou doen steigeren. Maar N-VA raakt nooit aan voldoende zetels om het doel te bereiken.

 

Oktober 2020

Bart, zoek andere bondgenoten.

Jambon heeft het weer gedaan. De kranten vol (gespeelde?) verontwaardiging met gniffelende medewerking van de VRT. Gefundenes Fressen. Het zijn meesters in sfeerschepping.

Terwijl ik dit schrijf is het onmogelijk om de eventuele fout van Jambon precies af te wegen. Misschien vond zijn kabinet dat dit geen zaak voor hen was of te onbelangrijk om de minister lastig te vallen. Dan kan het best zijn dat Jambon dat allemaal vergeten is. Of misschien meende men dat Chovanec zich misdragen had en de politie dus niets verweten kon worden. Dat moet allemaal uitgezocht worden. Dan moet heel zeker ook de verantwoordelijkheid van de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken en diens collega van Justitie onderzocht worden. Voor zover nu bekend is was namelijk ook het parket op de hoogte. Dus was CD&V-er Geens betrokken. Voorts hadden de Slovaken éérst met Buitenlandse Zaken in Brussel contact opgenomen: een normale procedure. Heeft men daar gepast gehandeld?

Als Jambon wat te verwijten valt, moeten ook de liberale Reynders en de christendemocratische Geens op de rooster. Misschien hoopt deze laatste de nieuwe premier te worden – dan moet hij nu uit de wind blijven. Waarmee ik wil zeggen dat – weer eens – een van die politieke steekspelletjes bezig is.

 

Er is iets anders aan de hand.

 

Wat met de zaak Chovanec heel helder wordt is dat de VLD – de liberalen dus – een beschadigingsoperatie van het Vlaamse nationalisme zijn begonnen.

 

Toen een N-VA/PS-regering mogelijk scheen werd dit veelbelovende project door de liberalen getorpedeerd. De liberalen hadden zich daarvoor aangesloten bij de ‘Groenen’ – een onnatuurlijk verbond dat alleen om heel specifieke redenen tot stand kan komen.

Men zou nog kunnen argumenteren dat de liberalen op de macht azen. Daar dient een politieke partij tenslotte voor. Maar in het licht van het geheel van de gebeurtenissen moeten andere conclusies worden getrokken.

 

Het viel dezer dagen fel op dat de liberale Nederlandsonkundige dandy Bouchez sprak over “de natuurlijke beweging van de taalgrens”. Daarmee toont Bouchez zich een volleerde francofone imperialist, voor wie België eigenlijk La Belgique hoort te zijn. Even opvallend was het totale stilzwijgen daarover langs de Vlaamse liberale kant: niemand die de uitspraken van Bouchez veroordeelde. Dat leverde de VLD de naam “de nieuwe Pest Voor Vlaanderen” op.

Bij herhaling was er integendeel te horen dat de liberalen, Nederlands en Frans, één hechte familie vormen. La Belgique une et indivisible.

Hoewel ze beweren sociaal-economisch langs de rechterzijde te staan, zien zij geen graten in een regering met de ultra-linkse groenen, wier ‘klimaatbeleid’ ons onvermijdelijk vele miljarden zal kosten – alsof corona nog niet erg genoeg is. En wie zal die miljarden betalen? Juist: de Vlaamse middenklasse.

Als het de liberalen alleen maar om regeringsposten te doen is, dan verraden ze nu toch grote delen van het liberale gedachtengoed.

 

Verraden ze hun gedachtengoed?

Ja, zeer zeker!

 

Zopas verscheen een twitterbericht van Dirk Verhofstadt – broer van en even blauw.

Hij haalde uit naar een of andere jongeman uit de N-VA-jongeren. Die had geschreven dat   mensen kritisch mogen spreken over het geldende verhaal van de holocaust.

Ik weet daar zelf veel te weinig over, maar dat er zo’n uitroeiingsactie is geweest, is wel zeker. Alleen hebben niet alleen de Nazi’s zulks op hun kerfstok: Pol Pot, de veroveraars van Noord-Amerika die de autochtonen hebben uitgemoord, de Hutu’s, de massamoorden op de Maori’s… en dan zwijgen we over de uitroeiingscampagnes van Caesar of Karel de Grote. De geschiedenis druipt van het bloed.

Ik meen evenwel dat in een gezonde samenleving over al die dingen openlijk moet kunnen gesproken worden. Dat is echter buiten Dirk Verhofstadt gerekend, die wist mee te delen dat die vermaledijde extreemrechtsen steeds luider klinken. Zum kotzen, schreef hij nog.

Laat dit nu komen uit de pen van één van de leidende figuren van het Belgische liberalisme.

Je mag dus alléén zeggen en schrijven wat liberale bobo’s politiek correct vinden?

 

Het eerste waaraan ik toen dacht was de quote van Voltaire: ik ben het grondig met u oneens, maar zal tot mijn dood strijden opdat u uw mening zou kunnen zeggen.

Deze quote, zo dacht ik tot nog toe, behoort bij de essentie van het liberalisme: de vrijheid om zijn mening te uiten. Zonder dat is de term “liberalisme” (van het Latijnse libertas) een grove leugen.

 

Ik denk dat er een steeds duidelijker beeld verschijnt. Het liberalisme heeft zich opnieuw en uitdrukkelijk tot doodsvijand van het Vlaamse nationalisme verklaard. Die liberalen zijn de echte stichters van La Belgique. Dat is bekend. Daarom klinkt net bij hen de roep tot herfederalisering luid op. Prof. Maddens heeft gelijk: zolang het bestaat kan het liberale Belgique terugslaan.

 

In 2030 wordt het 200 jarig bestaan van de Belgische staat gevierd. Tegen die tijd moet het Vlaamse nationalisme zijn platgeslagen.

Ziedaar dus de strategie van ‘onze liberalen’: het Vlaams Belang is extreemrechts – voor het gemak vergetend dat die partij een overwegend links sociaal-economisch programma uitdraagt- en telt dus niet mee. En N-VA doet niks dan blunderen – al valt er over het liberale gezondheidsbeleid tijdens corona ook wel wat op te merken – en is ook vervuild door extreemrechts. Ergo: het hele Vlaamse nationalisme is extreemrechts en dus onfatsoenlijk.

 

Bart Dewever was ooit lid van een liberale studentenvereniging. Hij zal nu moeten bijsturen en zich bezinnen over andere bondgenootschappen. De VLD komt in ieder geval niet in aanmerking.

 

Jaak Peeters

27 augustus 2020

De waanwereld van de geprojecteerde slechtheid

Covid-19 en, even tussendoor, de hype van de Black Lives Matter – waarvan de extreem-marxistische signatuur inmiddels duidelijk is – hebben een andere opmerkelijke gebeurtenis aan ons oog onttrokken.

 

Het gaat om de uitspraak van een gemeentelijke politica in Grimbergen, die uit het oog was verloren dat haar micro nog aanstond, toen ze na afloop van een debat zuchtte dat het zonder vreemden in het land allemaal simpeler zou zijn.

 

Het was alsof de hemel op de grond was gevallen. De politica in kwestie had een halsmisdaad gepleegd, ze was slecht en ze moest dus hangen.

Ze heeft haar functie inmiddels neergelegd.

 

Het gaat me in deze beschouwing niet over de inhoud zelf van de zin “alle vreemden weg”.

Voor wie bereid is – ik wik mijn woorden – kritisch na de denken zonder meteen de moralistische toer op te gaan, ontvouwt zich in deze drie simpele woordjes een hele wereld vol problematische toestanden en lastige vraagstukken. Die zijn even glibberig als de hele wereld van de waterstofillusies van EU-er Frans Timmermans of de aanpak van SARS-Co2.

 

Wat mij vooral opvalt is de storm van morele verontwaardiging. Hoe kan het bestaan: iemand die van oordeel is dat vreemden in Vlaanderen niet thuishoren? De wereld is toch van iedereen en het idee dat Vlaanderen het land van de Vlamingen is scheurt toch op het randje van het racisme?

 

Mijn slecht karakter kan het niet laten de ogen op een argwanend spleetje dicht te knijpen en loens te kijken in de ziel van de moreel verontwaardigden.

 

Wat we hier zien berust naar mijn aanvoelen op een heel primitief mechanisme dat stamt uit de vroegste tijden van het ontwaken van het menselijk bewustzijn. De primitieve wereld confronteerde de bewust geworden mens met het aangename van het leven, doch ook met het gevaar.

Goed en slecht.

Maar tegenwoordig kun je die primitieve dichotomische verdeling van goed versus slecht niet meer volhouden, zeker niet als het om mensentypes gaat. Niet dat er geen slechte mensen bestaan, maar mensen die alleen maar slecht zijn: die zijn echt niet zo talrijk. Hetzelfde geldt voor goede mensen.

Daarom is de harde dichotomie die bij deze verdeling in goeden en slechten wordt gehanteerd primitief en niet in overeenstemming met de werkelijkheid: de overgrote meerderheid is zowel goed als slecht.

 

Vanwaar die neiging om mensen desondanks in twee onnatuurlijke groepen in te delen en wel zo, dat de ene groep de andere automatisch uitsluit? Want wie zich tot de goeden rekent, kan niet anders dan ‘die anderen’ meteen naar de diepste krochten van de hel te verwijzen.

Ik denk dat mensen zich met deze voorstellingen identificeren omdat ze daardoor een goed gevoel krijgen. Ze krijgen de kans om zich tot de goeden te rekenen en dat voelt lekker, want ze hebben in hun jeugd, in illo tempore, bij voortduring te horen gekregen dat ze ‘goed’ moeten zijn.

Wie toch last krijgt van incorrecte gedachten kan nog altijd ongestoord een beroep doen op het oeroude psychologisch mechanisme van de projectie: de eigen houding verantwoorden door de onnoemelijke slechtheid van de ander in het licht te stellen, waardoor reactie zich opdringt. Niet reageren zou dan immers onbehagen opleveren.

Zoiets is zonder meer dwingend. En het werkt doeltreffend.

Maar het zijn wel waangedachten.

 

De conclusie dringt zich hoe dan ook op: een groot aantal mensen, waaronder velen die zich tot de goeden van deze wereld rekenen, leeft in een waanwereld. Een wereld die niet bestaat, omdat er nu eenmaal geen mensen bestaan die alléén maar goed of alléén maar slecht  zijn.

Het is overigens interessant op te merken dat de verdeling in goede en slechte mensen de basisversie is van zovele simpele dichotomieën in onze samenleving: rijk en arm, braaf en stout, wijs en onnadenkend enzovoorts.

 

In Vlaanderen is vooral “Groen” de vaandeldrager van de waanwereld van zelfverklaarde goedheid. Ontstaan uit het heel terechte verlangen om onze levenswijze socialer en ecologischer te maken, is de partij Agalev al snel afgegleden naar een uiterst primitief, nukkig en onverdraagzaam dichotomisch ‘goed versus slecht’- denken. Dat is inmiddels uitgegroeid tot een heuse kwaal, waaraan psychologen een heerlijke kluif hebben.

 

Jammer genoeg laten velen hun oren hangen naar de heilspreken vanuit een eenzijdige illusoire waanwereld vol geprojecteerde slechtheid.

 

Jaak Peeters

Augustus 2020

Morele kangoeroes?

Ze staan er weer vol van, “onze media”. Ze hebben weer eens een punt waar ieders aandacht nodig op moet worden gevestigd: racisme!

Maandenlang werden wij, arme luisteraars en dito lezers, door Gutmenschen gehersenspoeld. Ze hadden zich voorgenomen ons, armzalige geesten, bij te staan bij het zoeken naar het rechte spoor naar het juiste zedelijk gedrag. Ze waarschuwden ons voor dood en verderf, voor de ondergang van de planeet zelfs, als we niet dringend ten strijde zouden trekken tegen de opwarming van de aarde.

Daarna kwam Corona, ook gekend als Covid-19. Alles moest eraan geloven: economie, familiaal en sociaal leven, het onderwijs, de privacy die plots niet meer van tel scheen. Anders zou de menselijke soort wel eens van de planeet weggeveegd kunnen worden.

En nu wordt daar in dat gekke Amerika een zwarte door een blanke politieman zolang de keel dichtgeknepen, tot de sukkelaar inmiddels begraven moest worden. De betrokkene is inmiddels zowat heilig verklaard – het woord stond in sommige kranten letterlijk te lezen.

Nochtans is er enige reden om aan die heiligheid van Floyd – zo heet hij – enigszins te twijfelen. Hij bleek namelijk nogal wat op zijn kerfstok te hebben. Bovendien werd bekend dat de betrokken politieman Floyd kende. Zou het kunnen dat hij ook Floyds nummer kende en hem dààrom hardhandig aanpakte?

Natuurlijk gaat het hier om een heel erge zaak – zoals trouwens elke doodslag een erge zaak is. Maar zouden we niet eens eerst de uitslag van het gerechtsonderzoek afwachten, alvorens het slachtoffer heilig te verklaren? We mogen aannemen dat dit onderzoek met voldoende professionaliteit zal gevoerd worden, dat wil zeggen met een minimum aan respect voor de volle waarheid.

Hetgeen, jammer genoeg, over de berichtgeving van “onze media” niet kan gezegd worden…

En vervolgens liepen de wereldverbeteraars en dito hemelbestormers in tal van steden te hoop, intussen elke corona-voorzorg aan de laars lappend, tot wanhoop van de virologen.

Kijk eens: met “de zaak Floyd” was weer eens van de grootste, afschuwelijkste misdaden gepleegd, die denkbaar zijn. Geen protest, geen betoging, geen woelmakerij is straf genoeg om de verontwaardiging tot uiting te brengen die de harten van de actievoerders gegrepen heeft en hun verstand tot zwijgen gebracht. Racisme, weet je wel! Al denkt mijn slecht karakter intussen nog steeds dat we bezig zijn een Amerikaans probleem in Europa te importeren. Want door de hele tijd op deze zere teen te staan, gaat de modale immigrant nog geloven dat hij écht achtergesteld wordt.

Het viel op dat de media – weer eens zij!- het getuigenis brachten van gekleurde mensen die ooit op hun huidskleur aangesproken waren geweest. Misschien is dat ook zo, maar mag ik er ook bij zeggen dat we vroeger iemand met rood haar “een rosse” noemden en dat er ook vandaag onder de schooljeugd om het uiterlijk nog behoorlijk wat pesterij bestaat?

Het lijkt op z’n zachtst allemaal wat overtrokken.

Mij verbaast het dat er jaarlijks letterlijk honderdduizenden abortussen worden gepleegd – ik zeg: gepleegd -, niet op mismaakte of onleefbare babies, maar op bijna volgroeide, gezonde kinderen die weldra hadden moeten geboren worden. Ik zie in dat geval geen massale manifestaties die alle medische veiligheidsregels overboord gooien. Hetzelfde geldt voor de ergerlijke vereenzaming van talloze, veelal oudere mensen in onze steden, wier lot niemand beroert en nog het minst de antiracisten. Enzovoorts.

Het is allemaal een beetje uit evenwicht dunkt me.

Dan hoor je daar een gekleurd dametje in Gent krijsen: “jullie voorouders hebben onze ouders naar hier gehaald”. Boodschap: en daar moeten jullie nu voor opdraaien!

Ogenblikje, dametje! Even redelijk nadenken. In de jaren zestig en zeventig van vorige eeuw, lang voor de krijsende jongeren van vandaag geboren waren, hadden vakbonden, werkgevers en regering besloten om arbeidskrachten te importeren. Zelf heb ik deze import altijd een schandaal gevonden en ik meen te weten dat ik daar niet alleen mee sta. Maar het zijn niet “onze voorouders” die zulks op hun geweten hebben. Wel “sommigen” onder die voorouders en dan nog zonder dat de mensen daar destijds op voorhand over werden geraadpleegd. Wij – de beschuldigden van vandaag – zijn bijgevolg evenzeer slachtoffer als de jongens en meisjes die nu herrie schoppen.

Meer nog: weer eens krijgen we de suggestie toegeslingerd dat we van nature racisten zijn. “We”: dat zijn autochtonen, want op dat ogenblik, als de vermeende belangen van gekleurde immigranten naar aanleiding van een gerechtelijk nog nader te onderzoeken gebeuren in de VS in het geding lijken te komen, dàn mag er plots wel etnisch geprofileerd worden – tégen blanken, wel te verstaan. Geen Bart Somers die in het Vlaams Parlement uitvaart tegen déze “etnische profilering”.

 

Haast geen mens weet wat etnische profilering precies is. Meer nog: ik ken niemand die het begrip etniciteit goed weet te definiëren. Ik heb zelf een boek of dertig, veertig doorgeworsteld om daar enig inzicht in te krijgen*.

Er zullen wel verzachtende omstandigheden bestaan, maar verbaast het iemand dat ik van zowat niemand uit “onze media” tenminste een poging verwacht om de begrippen te definiëren om zo toch enige redelijkheid in het debat te verkrijgen?

In de plaats daarvan wordt de grote trom geroerd.

Eerst over het klimaat. Vervolgens over een virus. Nu dan weer over racisme.

Van de ene massa-opwinding naar de andere.

We lijken wel morele kangoeroes.

Benieuwd welk onderwerp binnenkort weer tot hype zal worden verklaard.

 

Jaak Peeters

juni 2020

* Wie wil mag eens komen tellen.

Over geknoei, voorname families en “verdwenen” kunst

Zopas verscheen van de hand van Dr. Paul De Ridder een verhaal onder de titel “De Rechtvaardige Rechters terug van weggeweest”.

Mensen die Paul De Ridder kennen zullen opkijken als ze lezen dat hij een verhaal heeft geschreven. Paul is toch geen romancier, maar een droge historicus voor wie fictie en feit goed van elkaar gescheiden moeten blijven?

 

En toch gaat het om een heus verhaal.

 

Onderwerp van het verhaal: de verdwijning (1934) van het paneel “De Rechtvaardige Rechters” uit het beroemde altaarstuk “Het Lam Gods” in de Gentse Sint-Baafskathedraal en de bewogen lotgevallen – de wederwaardigheden, zouden de ouderen onder ons zeggen – van de acteurs.

 

Een verhaal? Ja hoor: een detectiveverhaal.

 

Sinds 1935 geldt de Arsène Goedertier, een koster-wisselagent uit Wetteren, als de dief van het betrokken schilderij. Hij zou het paneel van Sint-Jan de Doper en dat van De Rechtvaardige Rechters uit de Joos Vijdkapel van de Sint-Baafskathedraal hebben weggenomen. Sint-Jan de Doper werd al kort nadien teruggegeven.

 

Toen België in 1940 door de Duitsers bezet werd ging een Duits legerofficier, Henry Koehn, op zoek naar de Rechtvaardige Rechters. Dat mag niet verwonderen, want wettelijk gesproken was het schilderij eigendom van de Duitse staat.

Vrij snel ontdekte de Duitse onderzoeker dat… geestelijken een hand hadden in de verdwijning van de betrokken stukken. Niet de arme koster van Wetteren was, volgens Koehn, de dader. De vraag was: wie? Koehn heeft zijn onderzoek niet kunnen afmaken, omdat de oorlog voorbij was. Maar het paneel De Rechtvaardige Rechters bleef zoek.

 

Vanaf 2002 komt prof. Robert Senelle, de bekende grondwet-specialist, in beeld. Senelle, die als kabinetschef van Achiel Van Acker over gevoelige informatie beschikte, nam contact op met Paul De Ridder, nadat duidelijk was geworden dat het onbrekende stuk nog steeds bestond maar om duistere redenen maar niet voor de dag kwam.

 

Voor lezers van detectiveverhalen mag je nooit de plot, zoals dat in moderne Engerlands heet, verklappen. Het intrige moet gereserveerd worden voor de lezer, zodat die tandenbijtend op de rand van zijn stoel verder leest, terwijl intussen zijn koffie koud wordt.

En dus vertel ik hier ook niets meer.

 

Behalve dit: Paul De Ridder stelt, steunend op Senelle, dat achteraf voorname, vooraanstaande Vlaamse families bij deze zaak betrokken raakten. Hij beschuldigt niemand, maar zoals een goed romancier lokt hij veronderstellingen uit. En het blijkt – dit mag ik wel verklappen – dat “nonkel kanunnik” wel meer van de zaak weet dat hij laat blijken. Als dat geen stof is voor een spannende roman.

 

Paul De Ridder zou Paul De Ridder niet zijn als hij niet de hele tijd (2002-2013) dat hij met Senelle (+ 2013) intens samenwerkte om de terugkeer van de Rechtvaardige Rechters mogelijk te maken, alles minutieus noteerde en archiveerde. Niet voor niets was die Brusselaar in een vorig leven archivaris bij het Algemeen Rijksarchief.

 

Het boek is onthullend. Het laat zien hoe faam en eer verhinderen dat een schandaal in der minne wordt opgelost. Andermaal blijkt hoe kleinmenselijk ook personen zijn, die in het “gewone leven” respect of zelfs bewondering afdwingen. In deze blogreeks komt men wel vaker tot die vaststelling …

 

Jammer genoeg zijn de Rechtvaardige Rechters nog steeds niet waar zij thuishoren. Paul heeft echter het vervolg op dit boek al voltooid. De titel van deel 2 luidt : “Het dossier Senelle-De Ridder”.

 

Het ware te hopen dat het paneel eerlang in alle discretie gerestitueerd wordt. Het zou een mooie bekroning zijn van het Van Eyckjaar dat – jammer genoeg – door de Coronacrisis voortijdig afgebroken werd.

 

 

Paul De Ridder

De Rechtvaardige Rechters terug van weggeweest. Niet Arsène Goedertier, maar nonkel kanunnik.

Uitgeverij Mens & Cultuur, Gent.

ISBN 978-90-77135-594

368 blz. 

25 eur.

Wordt onze democratie ontmanteld?

Elke week komen enkele geleerde dames en heren bij elkaar en adviseren een aantal uit zichzelf in de materie onkundige politici bij het nemen van noodmaatregelen tegen het coronavirus. Die komen dan in grote mate neer op sociale afzondering, op de vergrendeling van de enkeling in zijn eigen, allerindividueelste cocon.

De term geleerde dames en heren doet vermoeden dat er enige irritatie mogelijk is over het optreden van die – overigens onverkozen – personen.

 

Een noodmaatregel wordt door een legitieme overheid genomen in een situatie van prangende nood. Zo’n noodsituatie kan bijvoorbeeld zijn: een dreigende brand in een grote chemische fabriek, waardoor omwonenden gedwongen hun huizen moeten verlaten. Toen op 9 november 2001 in New York een aanslag op de handelstorens werd gepleegd, werd in de VS het luchtruim voor drie dagen gesloten.

Zulke noodmaatregelen hebben een totalitair karakter, omdat ze vanuit een wettelijk legitiem uitgangspunt het hele leven van de betrokkenen ten gronde herstructureren.

 

Noodmaatregelen zijn inderdaad verantwoord als er heel grote, overweldigende gevaren dreigen die grote groepen mensen in gevaar brengen.

 

Noodmaatregelen hebben echter altijd hele nare gevolgen. Ze slaan diepe bressen in het economisch leven en ze richten grote ravage aan in het sociale leven, terwijl dat laatste voor de mens wellicht nog belangrijker is dan het puur economische verhaal.

Overheden moeten dus goed overwegen waar de balans ligt als ze noodmaatregelen nemen. Om die reden moeten dergelijke maatregelen door verkozen, democratische overheden worden genomen. Specialisten mogen en moeten adviseren, maar niet beslissen. Bovendien horen die specialisten bij hun optreden een dosis schroom in acht te nemen.

 

Deze simpele analyse roept kritische vragen op over de manier waarop de zaken met de zogeheten coronacrisis verlopen. Als de overheid niet goed handelt, lokt ze zelf complottheorieën uit.

 

Om te beginnen rijst de vraag of een noodtoestand die inmiddels al zo’n 2,5 maanden duurt nog valt onder de categorie van de fenomenen die hierboven ter sprake kwamen. Als een noodtoestand zo lang duurt, moet iedereen toch als vanzelf begrijpen dat al die beperkende maatregelen irritatie oproepen, verzet en boosheid en dat indringende vragen oprijzen over de terechtheid van de maatregelen. Een overheid moet weten dat een noodtoestand niet lang kan ‘verkocht’ worden als een noodtoestand.

 

Dan is er de economische schade. Die is verantwoord als een nog grotere schade wordt voorkomen.

Maar is dat hier het geval?

Volgens de meest recente statistieken is het aantal coronadoden wereldwijd ongeveer de helft van het aantal slachtoffers bij een flinke griepaanval. Niet dat corona geen ernstige ziekte is, maar een griep met 500 000 doden is dat ook. En van een flinke griep zit je ook al snel drie weken thuis.

Nochtans wordt bij een griepaanval de economie niet platgelegd.

Het argument dat de laatste dagen wordt opgevoerd luidt dat de noodmaatregelen moeten aangehouden worden, omdat in het najaar een nieuwe uitbraak mogelijk is. Maar breekt ook de griep niet elk jaar uit?

Het argument dat er veel meer doden zouden zijn geweest zonder de genomen maatregelen, laat geen tegenproef toe. Je kunt net zo goed zeggen dat zonder die maatregelen er uiteindelijk minder doden zouden zijn gevallen. Dat is overigens de piste die sommige regeringen hebben gevolgd. In Denemarken gaan de kinderen inmiddels al weer een maand terug naar school.

Met andere woorden: de bewering dat de noodtoestand nog lang moet blijven voortduren berust op veel onzekerheid. Dat noodmaatregelen genomen worden bij het begin van de uitbraak, als niemand van toeten noch blazen weet, moeten we allemaal aanvaarden. Maar na bijna drie maanden?

Het minste dat we als burgers mogen verwachten is een duidelijke verantwoording.

 

Dat brengt ons bij nog een ander aspect, het belangrijkste in de hele zaak.

Je leest en hoort overal over het nieuwe normaal nà afloop van deze virusaanval. Waarom spreekt niemand over zo’n nieuw normaal na afloop een griepaanval, die meer slachtoffers eist?

 

Er zit een scherpe angel vast aan het verhaal van dat nieuwe normaal. In ‘normaal’ zit het woordje ‘norm’. De vraag is of het verantwoord is het leven van de hele gezonde bevolking strak te vergrendelen omdat sommige mensen speciale bescherming behoeven. Bedenken we even dat het aantal speciale ziekten legio is. Voldoende reden om zowat alles af te grendelen? Het lijkt er in ieder geval nu op uit te kunnen draaien dat wie voortaan een hand durft te geven of zich niet vindt in de nieuwe anderhalvemeterwereld, de kans loopt vies bekeken te worden door lieden die zich zo nodig zuiver in de leer willen tonen. Wie zich niet ultra-zuiver opstelt, plaatst zich dan buiten de rangen van de weldenkenden en is dus een slecht mens. Vooral kritische mensen dreigen te maken te krijgen met een ongezonde massa-afkeuring.

Er ontstaat hier een nieuwe vorm van correct denken. Ditmaal gaat het niet om een politieke correctheid, maar wel om een sociale correctheid.

 

Alsof dit niet volstaat, vindt men het nodig ambtenaren aan te werven wier taak het is het reilen en zeilen van ex-coronapatiënten minutieus op te volgen. Wie deze spionage-achtige aanpak ontloopt mag bezoek verwachten: je wordt dus zonder meer gedwongen je privacy op te geven! In Australië wil men zelfs een programma op de persoonlijke communicatie-apparatuur installeren (een ‘app’). Vele Australiërs weigeren dit omdat ze niet zeker zijn dat de overheid dit niet zal misbruiken. Die ontkent in alle toonaarden, maar de geschiedenis moet ons tot grote voorzichtigheid manen. In Israël denken sommigen zelfs aan het inplanten van een chip. Is men in Israël dan de eigen geschiedenis al vergeten? Voorts blijkt dat sommige politie-ambtenaren zich nu al aangetrokken voelden tot het hanteren van nogal twijfelachtige controlemethoden en daarbij hun persoonlijke macht demonstreren.

Sommigen willen zelfs dat de ouderen een extra-coronabelasting betalen. Hiermee wordt de solidariteit onder de generaties onder druk gezet. Als dat geen aanslag is op de grondbeginselen van een democratische samenleving!

 

Beseffen we echt wat hier gebeurt?

 

Natuurlijk zal niemand ontkennen dat dit alles nu met goede bedoelingen geschiedt. Maar wat garandeert dat het altijd zo blijft? Wat als dit soort methoden gaat dienen om bijvoorbeeld ‘extreemrechtsen’ te volgen? Het hek is immers al van de dam. Dus wie garandeert dat de hierboven genoemde ‘bezoeken’ later niet om andere redenen zullen plaatsvinden? Of dat politie denkt het recht te hebben om voortaan ongevraagd een woning binnen te dringen – om welke “ernstige reden” dan ook? Of waarom zou men niet overgaan tot het weghalen van kritische beschouwingen op sociale media?

Alles uit naam van de collectieve gezondheid?

 

Iedereen weet wat hier bedoeld wordt: dit gaat een zeer gevaarlijke weg weg op.

 

Het verder volhouden van het idee van een noodtoestand is verleidelijk voor wie meer controle-instrumenten wil om ‘ongewenst gedrag’ te kunnen opvolgen. En als de kat bij de melk zit, dan likt ze ervan…

 

Noteer nu dat alles gebeurt vanuit een uiterst legitiem uitgangspunt: het nemen van maatregelen om de bevolking te behoeden voor massieve besmetting en massale dood.

Hannah Arendt schreef dat “waar ook het (totalitarisme) aan de macht kwam, het volstrekt nieuwe politieke instellingen voorbracht en alle sociale, wettelijke en politieke tradities van het land in kwestie vernietigde”[1]

 

 

Men kan niet genoeg de aandacht vestigen op het gevaar dat in naam van de volksgezondheid onze democratie à la stoemelinckx afgebroken wordt. Onze huidige toestand lijkt op een staat van beleg. De vraag is gewettigd of de door de media opgewekte collectieve angstpsychose geen ernstiger gevolgen gaat hebben dan de kwaal waartegen men zegt te strijden.

 

Hoe erg Covid-19 ook is, de zaak van de democratie moet ons heilig blijven.

 

 

 

[1] Hannah Arendt. Totalitarism. (Nederlandse vertaling), Boom, 2005, blz. 319

 

Jaak Peeters

Mei 2020

Na corona: een heet najaar

Corona beheerst nog dagelijks het nieuws. Er worden vaak indringende wie-vragen gesteld. Belangrijker is wat er nà corona komt.

Je leest over dat post-coronatijdperk de laatste dagen wel een en ander, onder de titel “het nieuwe normaal”.

Daarbij gelden in het algemeen twee belangrijke kwesties.

 

Ten eerste: wie gaat de rekening betalen? Regeringen zeggen de verliezen veroorzaakt door de lockdown te zullen bijpassen. Nu het land platligt stort de economie immers ongeveer in. De rekening achteraf zal torenhoog zijn.

Die regeringen zullen dat dus vergoeden. Dat kunnen ze echter niet. Ze zitten zelf tot over de oren in de schuld. Bovendien hebben ze de macht om geld bij te maken domweg afgestaan aan de EU, waar de centrale bank ongecontroleerd haar eigen zin doet.

Regeringen kunnen, in het sterkste geval, alleen wat weg-en-weer schuiven met rekeningen en belastingen, zelfs naar de volgende generaties.

Het is niet moeilijk te raden wat dit zal betekenen: een heet politiek najaar.

 

Ten tweede: onze straten zijn leeg. Op de snelwegen ontbreken de files waaraan we begonnen gewoon te raken. De gezellige cafétoog is gesloten en het smakelijke restaurant is voorlopig nog verplicht gesloten. Er wordt ons op het hart gedrukt dat we misschien wel voorgoed elkaar zullen begroeten met mondkapjes op. We gaan naar een wereld van anderhalve meter. Een krachtiger symbool voor de desintegratie van wat een warme samenleving zou moeten zijn valt er moeilijk te bedenken: voortaan is er een door niemand weg te denken, fysieke scheidslijn tussen ieder van ons. De anderhalve meter naast elkaar lopende enkelingen vormen de veruitwendiging van de collectieve vereenzaming.

Als we iets willen redden van de warmte die een samenleving zou moeten bieden, zullen we heel erg creatief moeten zijn.

 

 

Maar er is een derde zaak, en ze geldt vooral voor Vlaanderen. Ze moet nu al goed doordacht worden door de elite die Vlaanderen wil besturen, of alvast die intentie heeft.

Wat volgt steunt op een tekst van Eric Kaufmann, een jonge Canadese professor, die thuis is in de London School of Economics, waar ook Paul de Grauwe lesgeeft. Van Kaufmann verscheen in de Volkskrant een interview met als titel: “Ook witte mensen mogen gehecht zijn aan hun eigen groep”. En dat in een socialistisch-georiënteerde krant uit het Noorden! Een fellere vingerwijzing voor onze eigen journalistiek valt moeilijk te bedenken.

Kaufmann maakt een onderscheid tussen de staat, dit is de politieke machtsorganisatie die een bepaald gebied bestuurt, de etnische groep, hetgeen verwijst naar een gemeenschap waarvan de leden een al dan niet vermeende gemeenschappelijke afstamming claimen en refereren aan een eigen thuisland met beklemtoning van een eigen culturele identiteit, en, ten derde, de natie. Die natie is iets hybride. Ze is beter geïntegreerd dan een etnische groep, bezit enige politieke lading, maar is geen staat.

Dit laatste is duidelijk het geval voor Vlaanderen.

Een van oorsprong etnische natie, zoals de Vlaamse, kan economisch en of demografisch dominant zijn, maar cultureel of politiek minoritair.

Ook dit komt overeen met de Vlaamse situatie, met deze bijkomende opmerking dat de massale immigratie het etnisch karakter van Vlaanderen dreigt af te breken. Dat mag hier even onbesproken blijven.

In werkelijkheid toont het optreden van MR-voorzitter Bouchez dat Vlaanderen alvast op cultureel gebied niet dominant is en allerlei alarmbellentoestanden maken dat het evenmin politiek dominant is, ook al omdat Brussel zich als een derde entiteit tegen Vlaanderen opstelt.

Het moet duidelijk zijn dat een economisch en demografisch dominante natie binnen een staat, waarin ze cultureel en vooral politiek niet dominant is, zich blijvend gefrustreerd voelt. In de zich ontwikkelende delen van de wereld kan een dergelijke situatie tot genocides leiden – laten we verwijzen naar de geschiedenis van Rwanda.

In de meeste normale gevallen zou Vlaanderen binnen de Belgische staat ook politiek domineren. Vlaanderen zou het zogeheten ‘Staatsvolk’ zijn. Een democratie zou haast onvermijdelijk naar die dominantie moeten voeren. Er zouden in zo’n geval voor de minderheden terecht veiligheidssystemen moeten komen. Jammer genoeg zijn die veiligheidssystemen er nu al, vooraleer zich een Vlaamse politieke of culturele dominantie heeft gevestigd. Die veiligheidssystemen worden in Vlaanderen dan ook als onrechtvaardig aangevoeld en dat is niet ten onrechte. Ze worden ervaren als middelen om de verdere ontwikkeling naar een volwaardig Vlaanderen te verhinderen.

 

Welnu: als binnenkort de rekeningen op de tafel komen, zullen de blikken zich onvermijdelijk naar de Vlaamse middenklasse richten.

De vraag is hoe de heersende groepen een dit keer zéér zware afroming van welvaart in Vlaanderen zullen proberen te koppelen aan een blijvende politieke minorisatie binnen de Belgische staat. Want van het politiek en cultureel geminoriseerde meerderheidsvolk wordt dan gevraagd om ook op zijn economische dominantie in te leveren.

Het is in die omstandigheden onvermijdelijk dat een etnische partij, zoals het Vlaams Belang, verder zal oprukken. Men moet dan geen verwijten sturen naar die partij.

Volgens professor Donald Horrowitz leidt een democratie in een dergelijke situatie immers als vanzelf tot het ontstaan van etnische partijen. De opkomst van het Vlaams Belang is het logische gevolg van de weigering van de heersende elites om Vlaanderen de plaats te gunnen die het toekomt.

Als Vlaanderen die plaats niet gegund wordt, dan zal zelfs het confederalisme niet langer volstaan. Het najaar wordt dus ook communautair broeiend heet. En het wordt uitkijken dat de democratie zelf wordt afgebroken.

De Vlamingen zullen heel goed moeten opletten, want de falende Belgische elites zullen Europa met zijn dwangmechanismen ter hulp roepen.

We moeten waarschuwen voor deze, nu nog onderbelichte, uitdaging nà corona.

 

 

Jaak Peeters

Mei 2020

Het gelijk van Rik Torfs

Zeer onlangs schreef Rik Torfs dat er naast corona ook nog andere belangrijke dingen bestaan, waar we nu in deze felle mediatieke heisa aan voorbij gaan.

 

Eén van die dingen die haast volledig tussen de plooien is gevallen is de zaak van de eurobonds. Dat zijn een soort staatsobligaties die centraal in één EU-zak opgenomen worden en dan vervolgens door individuele staten kunnen beleend worden. Naar aanleiding van de corona-zaak sprak men over corona-obligaties.

Het is opmerkelijk dat haast niemand de werkelijke betekenis van dit fatale mechanisme belangrijk genoeg acht om er een grondig commentaar aan te wijden.

Als Vlamingen weten we toch maar al te goed wat zo’n gemeenschappelijke centrale pot betekent: jaarlijks terugkerende miljardentransfers die als solidariteit worden voorgesteld? Het is nuttig erop te wijzen dat tijdens de corona-crisis zowel vanuit Italië als vanuit Spanje het woord solidariteit luid werd geroepen. Dat moet toch opvallen?

Er zit nog iets anders vast aan dit mechanisme, waardoor het een inderdaad fataal karakter krijgt. Een dergelijk systeem verschaft de Europese commissie ontzettend veel macht over de lidstaten die daardoor in feite herleid worden tot provincies – hetgeen iemand als Mark Eyskens ooit als gewenst doel vooropstelde. Die Europese obligaties vormen een directe aanslag op de soevereiniteit van de lidstaten. De EU commissie beslist immers over de verdeling van het geld in de pot. Staatsmacht is de macht om over de besteding van het geld te beslissen. De EU voert een staatsgreep uit.

 

Er is nog iets anders.

Ik daag eenieder uit om de EU-webstekken te openen. Men zal zien hoe overal en altijd het Engels de eerste taal is en dat geldt ook voor haar actieprogramma’s of nevenorganisaties, zoals ESA. Op zich zou men nog kunnen argumenteren voor één gemeenschappelijke centrale taal – hoewel! Maar dan mocht dat niet het Engels zijn. Dat komt omdat het Engels overal in onze landen van onderen uit op oprukt. Let maar eens op de aanduidingen op vrachtwagens. Logistics vervangt logistiek – ook als het binnenlands is. Kijk een naar de naam van allerhande producten? Zelfs waspoeders krijgen een Engelse naam. Dan zwijgen we over de verengelsing in het onderwijs, de industrie, het zakenleven in het algemeen. Wat dat concreet betekent heeft nog heel onlangs Prof. Vanden berghe in een bijdrage van de VVB beschreven (Nieuwsbrief 4/4/2020)

Welnu: de EU verleent door haar eigen gedrag aan deze verengelsing een legitimatie en versterkt ze.

Er lopen er rond die dat niet belangrijk vinden – sommige jongeren worden in die zin zelfs opgeleid -, maar wie vandaag niet weet hoezeer deze gang van zaken ingaat tegen onze eigen recente geschiedenis, hoort er beschaamd het zwijgen toe te doen.

 

Ziehier dus twee fundamentele ontwikkelingen, die direct met de EU geassocieerd zijn: verlies van onze vrijheid en het verlies van een belangrijk deel van onze identiteit.

 

Corona is belangrijk. Vele mensen denken dat ze belangrijker is dan al de rest. Ze geloven namelijk dat het in leven blijven de eerste en grootste waarde is. Ze plaatsen het leven tegenover de dood en dan kies je vanzelfsprekend voor het leven.

 

Mijn stelling is dat de europeanisering, zoals die zich thans voltrekt, haast even gevaarlijk is als corona voor het fysisch overleven.

Het is namelijk een verkeerde gedachte het fysisch in leven zijn op zichzelf te beschouwen. Anders gezegd: als iemand sterft, dan sterft er niet alleen een lichaam. Een lichaam is een biochemische machine. Maar er sterft veel meer: er sterft een hele wereld van betekenissen die de overledene maakte tot een unieke persoon. Wij danken onze uniekheid immers niet aan ons lichaam, wat biochemisch zijn alle menselijke lichamen vrijwel gelijk. Wat ons uniek maakt is wat we denken, weten, beleven, ervaren en wat we geleerd hebben, wie we zijn en geworden zijn. Datgene dus wat ik samenvat als “wereld van betekenissen”. De fout die vele Vlaamse en Nederlandse identiteitsdenkers maken is dezelfde als die ik al in een bijdrage uit juli 2011 in Doorstroming aanpakte: een mens is geen leeg vat waarin je vervolgens een hoeveelheid identiteit giet. Bart De Wever schijnt dat overigens ook te denken. Wij zijn onze identiteit.

Als de EU ons de vrijheid en onze taal ontneemt, dan ontneemt zij ons een essentieel deel van onze wereld van betekenissen. In werkelijkheid veroorzaakt zij daarmee een stervensproces – niet fysisch, maar wel menselijk,.

De gedachte die zich hierbij onmiddellijk opdringt is deze van de grens, want die omschrijft wie we zijn en niet zijn. De grote mantra van de EU luidt, in alle opzichten en steeds weer: “ontgrenzing”. Maar deze blijkt dus uit te lopen op een culturele en politieke doodslag. Hier sluit ik aan bij Eric Kaufmann, die al in 2009 in een essay schreef dat politieke structuren die niet door als natuurlijk aangevoelde grenzen (Kaufmann sprak hierbij over etnische grenzen) worden beperkt, van nature imperialistisch dreigen te worden.

De EU heeft geen natuurlijke grens. Dan is er ook geen houden aan: de machtigen zullen altijd streven naar een vergroting van hun machtsgebied. Politiek betekent dat het volledige einde van de soevereiniteit van de volkeren en menselijk is dat de ene aanslag na de andere op onze wereld van betekenissen, in naam van een fictieve Europese nationale identiteit. Ook dat zou Vlamingen duidelijk moeten zijn. Toch zijn er vooraanstaande politici die schrijven dat de Vlaamse identiteit Europees kan worden.

 

Naast de oude vraag naar de democratische natuur van de EU is hier dus iets fundamenteels aan de orde, dat wellicht even belangrijk is als het overleven van een aanval van corona. Deze discussie wordt gewoon niet gevoerd. Maar zouden we over zoiets belangrijks niet eerst een maatschappelijk debat houden?

 

Ja hoor: Rik Torfs heeft gelijk.

Er is nog veel meer aan de hand dan de corona-kwestie.

 

 

Jaak Peeters

April 2020

Een les

De Corona-uitbraak doet soms verwonderd opkijken.

Het komt hierop neer: in gewone omstandigheden duurt het vaak een eeuwigheid om tot beslissingen van enige betekenis te komen. Men herinnere zich de soap over de verlegging van een tramlijn in Deurne, bij Antwerpen, waar enkele bewoners via de Raad van State de ene vertraging na de andere wisten af te dwingen.

En nu zien we hoe het helemaal anders kan.

Plots vlieg je de doos in als je iemand in het gezicht hoest. Op zich een ferme maatregel, maar iedereen vindt hem correct.

De politie voert plots controles uit aan de toegangswegen tot de gemeenten, zodat die van elkaar zijn afgesloten. Het kost anders een eeuwigheid om gevraagde snelheidscontroles gerealiseerd te krijgen.

Niet noodzakelijke winkels gaan dicht. Een draconische ingreep. Hij wordt aanvaard. Wat meer is: er is controle op.

Zelfs hét grote heilige huisje van deze tijd, de open grenzen, stort in elkaar als een kaartenhuisje. Dat toont de werkelijke betekenis van zoiets als een EU, gemeten naar de maatstaven van het leven zelf.

Of nog: het begrotingsevenwicht, nog zo’n heilig huisje.

 

In de Corona-uitbraak gaat het voor iedereen inderdaad om de kern van het bestaan: het leven zelf en dat van onze dierbaren en zo voelen bang geworden mensen het ook.

 

Er steekt een les in de gebeurtenissen van de laatste weken.

Als het op echt belangrijke dingen aankomt, dan zwijgen de leuteraars over gendertoestanden en zwarte pieten, over discriminatie en stigmatisering, over multicultuur en diversiteit en andere in sommige ogen grootse projecten. Dan wordt de aandacht gericht op wat altijd weer opnieuw éérst komt: leven.

 

Er zit ook een politieke les in dit verhaal.

Er zijn redenen aan te voeren waarom de overheid in de Corona-zaak degelijk gehandeld heeft. Waarschijnlijk zal ons dat vele doden besparen. In Britse kranten oogst België er zelfs applaus mee.

Jammer genoeg komt dat niet omdat we een regering van bekwame mensen hebben, maar wel omdat sommigen onder hen dan toch zo wijs zijn geweest om het advies van wetenschappers te volgen.

Toch is ook dat maar schone schijn. Want deze regering is democratisch niet legitiem. Tot nog toe aanvaardt de bevolking de orders van de regering nog. Maar wat als het volk begint te morren tegenover een regering zonder democratische meerderheid? Het valt te vrezen dat het riedeltje “volmachten” niet zal volstaan om de gemoederen te bedaren.

 

Als een staat zich door een groot gevaar verplicht ziet draconische maatregelen te nemen, dan moet de regering van die staat onder de bevolking een voldoende draagvlak hebben. Anders zal, als de rekeningen volgen, het zaakje snel in elkaar zakken en dan volgt de totale chaos.

Hoe zal een minderheidsregering met veel te veel middelmatigen stevig genoeg uit de hoek komen om het populisme in al zijn vormen te weerstaan: dat van de cafétoog over de aanhangers van de klassenstrijd tot aan werkgeversverenigingen die ons de daver op het lijf willen jagen? Of het gebroddel van de media, die schijnbaar alleen maar uit zijn op sensatie en profijt trekken uit de angsthysterie die ze creeëren? Of afrekenen met de de asociale kinkels die er ook vandaag weer zijn?

 

We beleven dezer dagen ook een stuk spontane solidariteit en verantwoordelijkheid. Misschien niet genoeg, maar toch. Dat is hartverwarmend. Het kàn dus nog. Derhalve is de vraag of we deze burgerlijke verantwoordelijkheidszin niet tot een blijvende kracht kunnen maken. Dat zou een wereld van verschil zijn.

Laten we daartoe alvast een dikke streep trekken door al die jarenlange, postmodernistische experimenten in opvoeding en onderwijs en onze jeugd leren wat écht belangrijk is in moeilijke tijden: sociale verantwoordelijkheidszin. En laten we die zageventen die zich druk maken om onbenullige fantasietjes naar de marginaliteit verwijzen, waar ze thuishoren.

 

 

 

Jaak Peeters

Maart 2020