Laat Trump zijn wat hij is: een Amerikaan.

In haar Over Revolutie schrijft Hannah Arendt uitvoerig over wat zij beschouwt als het Amerikaanse republikanisme. Dat Amerikaans republikanisme ziet zij als erg onderscheiden van de staatsvoering in de meeste Europese landen – de Noordse en Britse wellicht uitgezonderd.

Kenmerkend voor dat republikanisme is volgens Arendt een toestand van onderling overleg onder gelijke burgers, die zich aaneensluiten en daardoor als vanzelf een politieke sfeer tot leven wekken. In die politieke sfeer, die ze zelf door hun dagelijkse praxis vorm geven, scheppen de Amerikanen – steeds volgens Arendt – een sociale orde die van politieke aard is omdat er wetgeving in ontstaat. Deze geest is doordesemd van een soort van natuurlijk onderling politiek vertrouwen.

Hoe anders is dat in Europa, waar doorheen de eeuwen koningen rijken hebben tot stand gebracht – meestal met onrechtmatige middelen. Koningen waren de vertegenwoordigers van God op aarde en bijgevolg omgeven met een aura van heilige onaantastbaarheid. Ze waren de soevereinen: in hun persoon trok zich de hele staatsmacht samen en daaruit ontsproot een macht die boven elke menselijkheid verheven is. Koningen waren de ultieme plaats van de politieke macht.

 

Arendt schrijft nogal lyrisch over de Amerikaanse vrije, republikeinse geest. In haar geval is dat begrijpelijk, omdat ze als statenloze jodin, op de vlucht voor het Nazi-regime en ontgoocheld over het gebrek aan sympathie bij haar Parijse geloofsgenoten, in Amerika de veiligheid en de geborgenheid vond, die ze in Europa zo had moeten missen.

Haar ideaalbeeld van die fameuze Amerikaanse republikeinse geest moet evenwel bijgesteld worden om twee redenen.

Ten eerste is de Amerikaanse republiek inderdaad het product van vrije, zelfstandig handelende en ondernemende burgers die zich niet door extern gezag lieten temmen. Maar dat mag ons niet doen vergeten dat de “verovering van het Westen” niet bepaald de fraaiste bladzijde uit de Amerikaanse geschiedenis is. Aan die avontuurlijke republikeinse geest zitten wat ongewenste kantjes…

Ten tweede: Arendt verwijst in haar geschriften bij herhaling naar Athene, dat inderdaad zowat als de wieg van de democratie wordt opgevat. Doch slechts ongeveer 5% van de bevolking van Athene had de status van burger. De rest waren metoiken en barbaroi of gewoonweg slaven. De Atheense democratie kan je dus ook omschrijven als een aristocratie, die binnen in haar eigen rangen een democratische gedragswijze volgde.

Dat alles laat echter onverlet dat er inderdaad een fundamenteel verschil is tussen de denkwijze over gezag in Europa versus Amerika. In Europa is de term heersen veel meer van toepassing – zelfs als er zogeheten democratische instituties aanwezig zijn, zoals een Europees parlement. We worden tot die gedachte ook gedwongen als we zien hoeveel mensen zich a-politiek noemen of hun stemgedrag opvatten als een middel op “de politiek” dwars te zitten, al heeft zelfs dat nog een positieve kant. Hoewel het de laatste decennia in Amerika ook wel veranderd zal zijn, is de gedachte dat de juiste houding een a-politieke houding zou zijn naar Arendts aanvoelen eigenlijk on-Amerikaans.

 

Welnu: ik zie de verkiezing van Donald Trump in dat kader.

Daarmee verwerp ik de soms bespottelijke commentaren die men in bladen van het slag van De Morgen kan lezen. Daarin presteert een van de meest chagrijnige commentatoren van het moment, Eeckhout, het om over Donald Trump te schrijven als “president” Donald Trump – tussen aanhalingstekens !

Hoe laag kan men vallen…

Trump heeft beloofd Amerika weer groots te maken. Dat houdt onvermijdelijk in dat hij de Amerikaanse avontuurlijkheid en ondernemingszin tot meer leven moet wekken en dat kan hij niet zonder een beroep te doen op die door Arendt zo gepassioneerd beschreven vrije republikeinse geest. Zelf is hij niet de grote geleerde, maar de onbeschroomde en vermetele ondernemer voor wie heel Amerika grenzenloos open ligt. Daardoor is hij alvast voor een deel een product van die avontuurlijke en strijdende houding die kenmerkend was voor de eerste kolonisten. Precies echter die avontuurlijkheid dwong hen zich aaneen te sluiten, zo suggereert Arendt.

Als Trump, daags na zijn verkiezing, de Amerikanen tot samenhorigheid oproept dan plaatst hij zich in helemaal in de traditie van die Amerikaanse kolonisten. Het is meer dan een pose.

Ik merk in de commentaren over Trump over dit gegeven niets. Steeds weer vallen commentatoren over Trumps verklaringen over het klimaat, de handelsakkoorden, de illegalen, de te hoge belastingen, de te hoge kosten van het Amerikaanse militaire engagement in Europa enzovoorts. Trump is een fascist wil Rob Riemen, zelf een elitistische extremist bij uitstek, ons wel vertellen.

 

Of Trump een goed president wordt, weet niemand. Maar vast staat dat Trump met zijn kritiek op sommige handelsakkoorden of de aanwezigheid van miljoenen illegalen wel degelijk een punt heeft.

En even vast staat dat met de ondernemende en voor niemand de mond houdende Trump een man aantreedt, die, naar mijn aanvoelen, met zijn lef en durf wellicht beter past in de geest van de originele American Dream dan zijn voorganger.

Alvorens hem al op voorhand met zowat alle zonden van Israël te overladen stel ik voor afwijzende commentaren achter de kiezen te houden tot er voor zulke commentaren werkelijk redenen blijken te bestaan. Op al voorhand Trump een “clown” noemen, zoals Verhofstadt doet, brengt me ertoe deze laatste te vragen in de spiegel te kijken.

 

Ik weet niet hoe Hannah Arendt op Trumps verkiezing zou hebben gereageerd. We kunnen het haar niet vragen want ze overleed al in 1975.

Maar ook zij zou waarschijnlijk niet ontkennen dat met Trump de geest van het Amerikaanse vrije republikanisme wel eens een nieuwe kans zou kunnen krijgen.

 

Jaak Peeters

December 2016

 

Ik, populist.

Waarom populisme niet per definitie fout is.

Essay.

 

 

Inleiding

 

Het stond dus weer te lezen: ‘Waarom wordt wie bedenkingen heeft bij CETA meteen uitgescholden voor populist of holbewoner?’

Zoals bekend staat CETA voor het handelsakkoord tussen Canada en de EU. De inhoud ervan was slechts aan een beperkt aantal mensen bekend. In een veelgelezen krant als Het Laatste Nieuws viel nergens een duidelijke uitleg over de inhoud van dat CETA-verdrag te bespeuren. Het inschakelen van de zoekfunctie op Trouw leverde geen artikel op dat ons leert wat CETA precies omvat. Enigszins begrijpelijk, want de tekst van het verdrag telt 1600 blz. en welke journalist werkt zich door zulke droge materie? Het lijkt dus om een achterkamerverdrag te gaan, waarvan de inhoud vermoedelijk pas beetje bij beetje tot de hersens en de portemonnee van de modale burger zal doordringen. Het Waalse Parlement had daar moeilijkheden mee en weigerde het verdrag met de ogen dicht te ratificeren. Of de Walen gelijk hebben of niet: grondwettelijk hebben de Belgische regio’s die bevoegdheid. Sommige personen, zoals oud-EU-commisaris De Gucht, die naar verluidt nog steeds belastingen achterloopt, en enkele meelopers uit de mediawereld vonden dat de Belgische staat de institutionele structuur van het land aan zijn laars moest vegen en het verdrag goedkeuren. Democratie à la carte du chef Européen.

Met de tragedie in Griekenland in het achterhoofd legt zulks toch veel bloot over de geesteshouding van figuren zoals De Gucht, Timmermans, Dijsselbloem en anderen en tegelijk katapulteert het ons te midden van een openbare polemiek die door het hoger genoemde soort personages en hun mediatieke aanhang als ‘populisme’ wordt aangeduid.

Dat ‘populisme’ is kennelijk slecht. Het is gekenmerkt door onkunde, onwetendheid, simplisme, oppervlakkigheid en korte-termijndenken, allemaal kenmerken die de heersende elite vreemd zijn. Populisten zijn zowat als holbewoners: achterlijk en niet mee met de tijd. Maar wie toekijkt ziet dat ‘populisme’ veel meer is dan dat.

Zoveel meer dat het naar mijn bescheiden maar besliste mening uit moet zijn met dat gescheld over populisme.

Dat wil ik in deze bijdrage aangeven. Ik ga niet op alle aspecten in.

 

De wetenschap over het populisme.

 

Aan het woord is de jonge Rijksnederlandse auteur Rob Wijnberg, die onder de titel En mijn tafelheer is Plato een filosofische kijk op de actualiteit brengt (2010). De liberale denker Dirk Verhofstadt schreef in Liberales al eerder een lovende recensie over het boek. Ook hij is immers geen populist – zijn godloze hemel beware hem! – en hij aarzelt niet om de filosofie nogal opvallend voor zijn eigen karretje te spannen.

Wat zegt Wijnberg?

Wijnberg brengt verslag over een PVV-stemmer die aan het journaal meedeelt dat “de mensen het zat zijn” en die vervolgens klaagt over het feit dat bestuurders elkaar baantjes toeschuiven en partijleiders voortdurend loze beloften doen. Wijnberg constateert dat het ‘populistisch verschijnsel’ zich in zowat heel West-Europa voordoet. In Oostenrijk heb je de Oostenrijkse volkspartij en de lijst Jörg Haider, in Denemarken heb je de Deense volkspartij en in Zwitserland de Zwitserse volkspartij. Ook het Vlaams Belang en het Franse Front National noemen zich volkspartijen.

De naamgeving is in ieder geval opvallend.

Al deze volkspartijen worden in analyses en commentaren steevast als ‘populistisch’ aangeduid, hoewel ze zichzelf nooit zo noemen.

De term populisme krijgt voornamelijk negatieve connotaties toegeschoven. Hij roept in eerste aanleg vooral associaties op met goedkope retoriek om Het Volk (in het Latijn populus – het gepeupel) naar de mond te praten.

In zijn pamflet Waarom is de burger boos? (2010) omschrijft historicus Maarten van Rossem het populisme als ‘het onkruid dat opschiet in de kloof tussen belofte en werkelijkheid van de democratie’. Van Rossem, zo schrijft Wijnberg, raakt een wezenlijk kenmerk van het populisme aan: diepe teleurstelling in het bestaand politieke bestel.

Een preciezere formulering – zo schrijft Wijnberg voorts – treffen we aan in het boek Twenty-First Century Populism (2008) van de politicologen Daniele Albertazzi en Duncan McDonnel. Zij definiëren populisme als “een ideologie die een deugdzaam en homogeen volk plaatst tegenover een elite of een gevaarlijke ander, die ervan wordt beticht het soevereine volk zijn rechten, waarden, welzijn, identiteit en stem te willen ontzeggen.” De belangrijkste aanname erachter luidt dat de wil van het volk eenduidig, kenbaar en goed is en dat deze volledig wordt verwoord door een charismatische leider. Zodoende presenteert het populisme zich als een “zuivere vorm van democratie die erop gericht is de volkssoevereiniteit terug te winnen van een professionele politieke klasse op regionaal, nationaal of supranationaal niveau”, aldus Albertazzi en McDonnel.

Volgens Pierre-André Tanguieff vallen er in het populisme twee hoofdstromingen te onderscheiden: aan de ene kant het zogeheten protestaire populisme, waarin het volk ( ‘de gewone man’) hoofdzakelijk als slachtoffer van een bestuurlijke elite wordt voorgesteld. Dergelijk populisme gaat vaak gepaard met kritiek op formele instituties zoals parlement en rechterlijke macht, en beroept zich graag op vormen van directe democratie , zoals referenda en peilingen (het volk heeft gesproken). Dit is het populisme dat je aantreft in de fora van populaire kranten zoals Het Laatste Nieuws. Aan de andere kant – schrijft Wijnberg – staat het identitaire populisme, waarin het volk eerder wordt voorgesteld als het slachtoffer van een vijand van buiten – doorgaans in de gedaante van immigranten. Dit soort populisme kenmerkt zich vooral door nationalistische sentimenten en sterke nadruk op een homogene culturele identiteit met bijhorende tradities en gewoonten.

Een mengvorm van beide kom overigens het vaakst voor, constateert Tangieff.

 

Populisme staat volgens politieke denkers al bij al dus in een paradoxale verhouding tot de democratie (Albertazzi en McDonnel). Enerzijds staat het vijandig tegen drie eigenschappen die door de dominante strekkingen als wezenlijk voor de moderne democratie worden beschouwd: gelijke individuele rechten, bescherming van culturele minderheden en politieke pluriformiteit, maar anderzijds beschouwen ze de democratie als hoogste waarde en willen ze de politiek aan de rechtmatige eigenaar terug geven: de bevolking zelf.

 

Het verhaal van de antipopulisten.

 

De kritische lezer valt meteen over termen zoals politieke pluriformiteit. Bestond die politieke pluriformiteit dan niet voor de opkomst van het zogeheten populisme? Waar kwam dan de noodzaak van een verzuiling vandaan? Of waarom dan die heftige discussies tussen liberalen en socialisten destijds en beruchte de strijd ‘om de ziel van het kind’? Ideologie blijkt ook in de wetenschap niet afwezig.

Of de genoemde ‘populisten’ allemaal even negatief staan tegenover de hoger genoemde drie eigenschappen van de democratie, is allerminst zeker. In een recente publicatie stelt de voormalige chef van de studiedienst van het Vlaams Belang – toch een ‘populistische’ partij?- dat Vlaanderen de kans moet krijgen om de naoorlogse massale immigratie ‘te verteren’ (Utsi, 2016). Nergens valt er iets te lezen over terugsturen. Ik hoor Geert Wilders toch niet tegen Surinamers fulmineren? Het valt dus al bij al nog wel mee met die vijandigheid tegenover die zogenaamde hoofdkenmerken van de democratie…

Maar laten we dit even buiten beschouwing.

 

Volgens Wijnberg zeggen populistische leiders altijd te spreken namens het volk of de zwijgende meerderheid, maar vertegenwoordigen zij in werkelijkheid nooit meer dan een kleine minderheid van het electoraat. Dat electoraat vormt trouwens helemaal geen samenhangende groep met overeenkomende overtuigingen. Dat samenhangende volk bestaat dus niet. Van dezelfde natuur is de uitspraak van Evert van der Zweerde: ik vermijd het woord “volkssoevereiniteit” omdat(…) het de connotatie van het ene volk bevat. (2011- de man doceert nota bene aan een katholieke universiteit). Je mag volgens hem niet uitgaan van de gedachte van ‘het ene, samenhangende volk’. Ziehier het postmodernisme in zijn alles overtreffende sierlijkheid.

Nationalisten daarentegen spreken steeds weer over een volksgemeenschap. Die is etnisch redelijk homogeen – maar kennelijk is dat ‘dus’ fout. Even fout is het aan te nemen dat die gemeenschap gekenmerkt wordt door een eigen identiteit, eigen waarden en een eigen, definiërende geschiedenis. Een voor postmodernisten onuitstaanbare gedachte.

Diezelfde plebs, die zich blijkbaar ten onrechte mis begrepen voelt, plaatst zichzelf tegenover een elite die ze niet vertrouwt en verdenkt van het najagen van een andere, vaak egoïstische agenda. Maar dat is volgens de laatste simplistisch. Bestuurders hebben namelijk redenen om elkaar baantjes toe te schuiven. En ze besturen naar godsvrucht en vermogen. Dat weet toch iedereen?

Er bestaat wel degelijk een democratie orakelt die elite voorts, want mensen kunnen met grote regelmaat naar de stembus – kennelijk vergeten die dames en heren dat in de voormalige Sovjet-Unie mensen ook stemden voor een parlement, dat er weliswaar voorts niet toe deed -, en dus is het onjuist om een overdadige macht of invloed toe te kennen aan een schimmige heersende klasse die over de hoofden van de mensen heen zou heersen. ‘De heersende klasse’ die ànders zou zijn bestaat bijgevolg niet.

 

Het volk tegenover een elite.

 

Volgens de antipopulisten zit ‘het volk’ er dus compleet naast en heeft dat volk geen goed beeld over de werkelijke gang van zaken.

Als die elite dat denkt, waarom vertelt ze het volk dan niet meteen voluit de juiste toedracht der dingen?

En als ‘populistische leiders’ slechts een kleine minderheid vertegenwoordigen, betekent dat dan ook dat ze ongelijk hebben? De antipopulistische elitairen zelf vormen toch ook maar een kleine minderheid? En zo willen ze het overigens ook! Bovendien: als ‘het volk’ toch onbekwaam is op eigen gezag de waarheid te denken, kan die beperkte vertegenwoordiging toch geen criterium wezen? Overigens is de partij van Wilders groter dan de VVD en dus echt niet zo marginaal…

 

Maar laat ons even naar de geschiedenis kijken.

Een eerste bekende figuur is de Griekse filosoof Plato. In zijn De Staat (boek 8) trekt hij van leer tegen de democratische staat, die volgens hem toegelegd is op de democratische mens: Wanneer een jonge man, grootgebracht zoals we het daareven zeiden, namelijk zonder cultuur en in een geest van gierigheid, van de honig des hommels zal geproefd hebben en in contact komt met vreselijke en vurige beesten, die hem allerhande genoegens van allerlei kleur en aard kunnen bezorgen, dan moogt ge aannemen, denk ik, dat we daar het vertrekpunt hebben van zijn verandering en dat hij op weg is om van de oligarchie die in hem is, naar de democratie over te gaan. Ziedaar de democratie als de populaire tuin der lusten, waarin elke cultuur en elke aristocratie verzwolgen wordt door de kortzichtige liederlijke verdorvenheid van de democratische mens.

Livius vertelt in zijn Sinds de stichting van de Stad over de Romeinse consuls die in een vurige toespraak de alom gevierde volkse Bacchanalia afschilderden als oorden van ontucht en verweking, waar de oude elitaire soldatengeest te gronde werd gericht.

In zijn Keizers van Rome doet Suetonius verslag van de brood-en spelencultuur die door keizers zoals Domitianus bewust werd bevorderd om ‘het volk’ tevreden te stellen.

“Ik zie dan voor me een ontelbare massa van in alle opzichten gelijke mensen, die heel egocentrisch bezig zijn met het rusteloos najagen van de onbeduidende, burgerlijke genoegens waar zij hun hart op gezet hebben. Ieder op zichzelf genomen vormt een eigen wereldje waarbuiten het lot der anderen zich voltrekt: zijn gezin en zijn kennissen betekenen voor hem de mensheid, want ofschoon hij zich beweegt tussen zijn medemensen, hij neemt ze nauwelijks waar, hij is met hen in voortdurend aanraking zonder dat zij hoegenaamd iets voor hem betekenen. (…) boven al deze egocentrische individuen torent een enorm bevoogdend machtsapparaat als enige instantie die hun welzijn garandeert en hen van de wieg tot het graf begeleidt. Het is allesomvattend, voorziet en regels alles tot in details en wel met fluwelen handschoenen.” Dit is de beroemde tekst van Alexis de Tocqueville in zijn Democratie in Amerika.

“ Gelukkig hoeft ook op een zakenreis niet elke afspraak ‘werk’ te zijn, en ik verheugde me op een diner met Elisabeth Mann Borgese in het fameuze River Café, op de avond dat ik vanuit Amsterdam in New York zou arriveren.” Rob Riemen, die zichzelf een hele Piet mag noemen omdat hij het zowaar kan bestaan in het poepsjieke en gortdure River Café te dineren met de jongste dochter van de wereldberoemde schrijver Thomas Mann. Rob Riemen: Nexus-acoliet en predikant van de cultivering van de menselijke ziel in beate aanbidding van de Hogere Cultuur (Riemen, 2009).

 

Als deze figuren hebben twee dingen gemeen: ze behoren tot wat populisten de elite noemen en ze kijken met al dan niet uitgesproken meewarigheid neer op het volk dat door diezelfde populisten een afwijkende een stem verkrijgt.

 

Heel de geschiedenis al zijn er kleine groepen lieden geweest die zich boven de plebejische massa verheven voelden en zich daar ook naar gedroegen. Ze scheidden zich bewust van die massa af, sloten zichzelf in hun eigen wereldje van schijn- of ware grootheid op en bejegenden elkaar als geestes- en lotgenoten en deden dat nog met overtuiging ook.

De waarheid is even kort als simpel: er bestààn mensen die zichzelf boven de grote massa verheffen en er bestààn mensen die heel veel macht hebben en er bestààn mensen die in hun machtsuitoefening niet altijd even democratisch te werk gaan. Men moet dat erkennen, ook al is het simplistisch te denken dat een maatschappij in twee klassen uiteenvalt.

 

Zolang al als er mensen in samenlevingen wonen is er een probleem geweest met de juiste verdeling van de goederen en diensten en zijn er lieden geweest die voornamelijk hun eigen belang op het oog hadden. Wie daar tegenin ging waren populisten – destijds heetten ze volksmenners.

Het is een constatering waar geen zinnig mens omheen kan. Marx wist er alles van.

Die constatering doet de ‘populistische’ mens van vandaag ook – vaak met goede argumenten, soms alleen maar op grond van vermoedens, maar voorzeker niet ongefundeerd.

 

Slechts één partij tegen de muur: het kind en het badwater.

 

Het is een fundamentele natuurwetmatigheid: nihil sine causa. Alles heeft een oorzaak. Aristoteles en na hem vele anderen baseerden er hun godsgeloof op.

Als er zoiets bestaat als populisme, dan is daar een oorzaak voor. Je kunt stellen dat misinterpretatie, onkunde en onbegrip de enige oorzaak van het populistisch fenomeen zijn. Ongetwijfeld is die verklaring in een aantal gevallen nog correct ook. Daarom ook is een bepaald soort onvrede van alle tijden. Maar altijd? In die mate? En alleen maar uit domheid? Ligt de oorzaak niet ook buiten de populist?

Dwingt de algemeenheid, zowel in geografische als in historische zin van het voorkomen van ‘populisme’ ons niet uit te zien naar een uitwendige oorzaak van het populisme? Kort gezegd: het populisme is minstens ook een reactie op toestanden en feiten die velen tegen de borst stuiten. Waarom zouden de revolutionairen met gevaar voor eigen leven de Bastille hebben bestormd als er niets aan de hand was dan alleen maar wat hersenschimmen in hun eigen hoofd? Is dat geloofwaardig?

 

Als er zoveel populisme is rijst de vraag of populisten niet tenminste voor een deel rechtmatig reageren en misschien soms zelfs wel gelijk hebben.

Maar die evenwichtige vraagstelling ontbreekt dus te enenmale. Slechts uiterst zelden zie je journalisten en essayisten die zich op een zo neutraal mogelijke manier afvragen of de opkomst van het populisme vanuit een normaal menselijk standpunt of dito aanvoelen niet begrijpelijk is. Telkens weer zijn het de populisten die tegen de muur worden gespijkerd. Tegen hen is het, dat in kranten en tijdschriften gefulmineerd wordt, vaak in niet meer dan gesofistikeerde schotschriften en dit over heel Europa. Men herinnert zich nog het gescheld vanuit de EU-commissie toen Haider in Oostenrijk een eclatante overwinning behaalde. Er bestaat geen enkele twijfel over dat veel populair gepraat over politiek en maatschappij volstrekt ondoordacht en daarom misplaatst is. Doch teveel krijgt de kritische waarnemer het gevoel dat met het badwater ook het kind wordt weggeworpen. Er wordt ook iets waardevols weggeworpen dat met democratie en emancipatie te maken heeft en dat daarom nou net in onze zorgelijke tijden zou moeten gekoesterd worden, ook omdat het de vrucht is van eeuwen inzet voor ontvoogding, hoe onvolmaakt die ook is.

 

Dat ‘kind’ is inhoudrijker dan veelal gedacht.

 

Kunnen we ons inbeelden hoe de elites in Sint-Petersburg over de bolsjewisten dachten? Verbaast het als ik zeg te vermoeden dat die bolsjewisten vandaag populisten zouden genoemd worden?

Dat is een intrigerende gedachte. Ze roept het vermoeden op dat het toekennen van de kwalificatie populisme (en vele andere kwalificaties) door politieke en economische belangen wordt bepaald en daarom niet per sé correct is. En waarom zou het in onze dagen aan dergelijke oneigenlijke motivaties ontbreken?

Voor mensen die materialistisch denken zijn opstanden en maatschappelijk verzet altijd materialistische gemotiveerd. Ik deel die mening niet. Omdat de mens een groot voorstellingsvermogen bezit, staan die materialistische belangen nooit op zichzelf: altijd gaan ze gepaard met eisen naar meer zeggenschap en vrijheid van meningsuiting en naar meer menselijke erkenning. Daarmee wordt gezegd dat revolutionairen en dus ook zgn. populisten een hele wereld van betekenissen met zich meedragen, die helemaal niet te vangen valt in de korte schotschriften van antipopulisten. En dat geldt eveneens voor het zichzelf elite noemende volksdeel. Er is nooit één motief, maar altijd een hele batterij, veelal onbewuste overwegingen in het spel.

 

Mensen zijn echter wat ze zijn: vatbaar voor persoonlijke voorkeuren en geneigd tot het najagen van eigenbelang. Tocqueville heeft het ons geleerd en met hem de hele geschiedenis. Dat roept om verzet en weerwerk. Onze kranten zijn te veel op kortstondig mediageweld gericht en te weinig op evenwichtige analyse, maar de dagelijkse feiten bevestigen dat gezond wantrouwen tegenover leidinggevenden verantwoord is. Daarom bestaan er bijv. vakorganisaties. Dat is toch een blijk van wantrouwen?

De eis van de modale ‘populist’ valt inderdaad best wel te verdedigen: hij wil gelijkwaardigheid, rechtvaardigheid en fatsoen en een eerlijke plaats voor iedereen, hetgeen wil zeggen dat ieder mens maar ook elk volk zijn plaats onder de zon moet krijgen. Daarmee doet hij niets anders dan W. Wilson in zijn 14 punten naspreken en zich plaatsen in een democratische en emancipatorische traditie.

 

Maar méér speciaal is de knoop in het hele verhaal dus die gehate ‘ene volksgemeenschap’.

Dat woord alleen al lijkt antipopulisten de haren ten berge te doen rijzen. Vaak kunnen ze niet laten naar de jaren dertig van vorige eeuw te verwijzen, een tijdperk dat voor de overgrote meerderheid vandaag allang geschiedenis is.

Ikzelf ben evenwel formeel: alleen een gemeenschap die ook etnisch samenhangend is – en dat is niet hetzelfde als homogeen, want iedereen weet dat zulks niet bestaat – beschikt over het ideale fundament om de onderlinge vereenzelviging die nodig is om rijkeren voor de armeren te doen betalen (Miller 2009). Ik schrijf: het ideale fundament. Daar, en nergens anders, zit de reden waarom multinationale staten de neiging hebben uiteen te vallen – en waarom Europa, als het een multinationale staat wil zijn, zonder twijfel eveneens uiteen zal vallen. Overigens, en terloops: vele multinationale staten zijn dictatoriaal, anders vallen ze niet te handhaven (Annemans en Utsi, 2010).

Als mensen de beleving hebben allemaal soort- of nestgenoten te zijn, dan beleven ze een vorm van onderlinge solidariteit die het egoïsme van de vele groepen ver in de schaduw stelt. Kan iemand me vertellen wat daar mis mee is, behalve dat het niet spoort met het Postmodernistische Geloof? En, vreemd genoeg: zelfs een etnisch denkende gemeenschap is niet in zichzelf ‘racistisch’. Als er één groep is die ooit in het oog van het racisme zat, zijn het voorzeker de Joden. Diezelfde Joden vonden van oudsher in de Noordelijke Nederlanden een uitwijkplaats, hoewel diezelfde Noordelijke Nederlanden etnisch toen nog heel erg herkenbaar waren.

Ideologische antipopulisten van extreemlinkse slag doen dan weer verontwaardigd over wij-zijdenken. Je hoort en leest dat vrijwel elke dag. Maar als ik me associeer met iemand anders, associeer ik me tezelfdertijd niet met anderen. Wij-zijverhoudingen zijn dus natuurlijk en helemaal niet fout, zolang iederéén aan de beurt kan komen.

 

Wat populisme wordt genoemd heeft dus veel meer stof in huis dan uit de gevoelloze laatdunkendheid van de vrijwel dagelijkse vloed van in de vorm van politiek correct denken gegoten veroordelingen kan blijken.

De werkelijkheid is dat de zogenaamde populist een ander wereld- en maatschappijbeeld najaagt dan de antipopulist.

Omdat de elites altijd al hun zin kregen is de weerstand die ze tegenwoordig ontmoeten hen niet bepaald welgevallig. Ze stoort hen. Doch ook voor hen verandert de wereld: er is een democratie ontstaan die ‘egalitaire aristocratie’ werd genoemd (J. L. Nancy). Voor sommigen valt daar moeilijk mee te leven.

De plebs, ook onder de vorm van de verafschuwde populisten, heeft echter te veel in huis om meesmuilend weg te honen. De populist heeft, in al zijn stunteligheid vaak, namelijk veel argumenten uit de sfeer van de rechtvaardigheid en de menselijke waardigheid langs zijn kant.

 

Een vergeten dimensie

 

Bovendien is de oorsprong van dat misprezen populisme veel ruimer dan alleen maar de hoger genoemde teleurstelling. Teleurstelling is psychologisch een heel ingewikkelde emotionele toestand (Crab 1994, Loomes 1988, Mandel e.a. 2005).

Je kunt aan de emotionele toestand van mensen niet achteloos voorbijgaan. Wie het ‘populisme’ op teleurstelling terugvoert miskent een hele belevingsdimensie met zware emotionele lading. Die dimensie heet machteloosheidsgevoel, in al zijn tegenwoordige vormen. Meer dan ooit is de moderne mens opgeslokt door allerlei belangen- en andere groepen en groepjes en vastgebonden door wetten, verboden en reglementen.

 

Ik som hier wat losse feiten zo maar voor de vuist op. Iedereen kan naar eigen goedvinden aanvullen.

 

De zelfstandige mens van destijds, die het land bewerkte en alleen van het weer afhankelijk was, de boer als prototype van de vrije, zelfbesturende mens, wordt geringeloord door regeltjes over spuit- en mestnormen en door economische wetmatigheden die hem dwingen of te vergroten tot een heus bedrijf waar vervolgens ‘management’ de dienst uitmaakt, zijn zelfstandigheid op te geven of te kiezen voor een marginaal bestaan in een wereld waarin telers door supermarkten zo worden uitgeperst dat ze amper overleven.

Wie uitgroeit tot een bedrijf botst op stapels regels, wetten en bepalingen. Een leger adviseurs en specialisten is nodig om de lange rij mogelijke boeten te vermijden.

De mens die niet tot een bevoorrecht gilde behoort leeft in de onzekerheid van tijdelijke contracten in een industrie die geen enkele zekerheid biedt voor de toekomst omdat de open grenzen het makkelijk hebben gemaakt het boeltje op te pakken om elders snel meer geld te verdienen. Verandering is de enige constante maar veroorzaakt tegelijk het verdwijnen van elke zekerheid over de toekomst, over het voldoen aan de kinderwens of het kopen van een eigen huis en brengt dus onrust, spanning, stress en het gevoel mee een machteloze speelbal van naamloze krachten te zijn geworden. In de zorgsector neemt overal de werkdruk op het uitvoerend personeel dermate toe dat mensen bij bosjes aan depressies neervallen, terwijl het aantal hogere leidinggevenden intussen almaar stijgt.

Alles wat belangen en verstand heeft werd mede daarom in de mallen van de belangengroeperingen gegoten: apothekers, artsen, advocaten, vastgoedmakelaars, eigenaars, werknemers in vakorganisaties, maar ook plaatselijke vaak tijdelijke belangengroepen die hard roepen en daardoor soms onterecht gehoor vinden.

Wie een afwijkende visie heeft komt niet aan bod. Wie in de pen wil kruipen en een onderbouwd stuk naar de krant stuurt, vindt zijn inspanning niet beloond: het stuk verschijnt niet.

Er is ook de machteloosheid van een politiek die weliswaar uit het moeras wil springen, doch dat niet kan omdat er zoveel tegenwerking is dat niets nog mogelijk is zonder kleerscheuren aan deze of gene zijde. Je moet heus goed op je woorden letten, zo niet wordt je door het stof gesleurd wegens ontoelaatbare uitingen. Dat gebeurt nota bene in een samenleving die de persoonlijke vrijheid hoog zegt te achten!

Wie het toch wat onderneemt botst op uitspraken van een Raad van State, waardoor nauwelijks nog beslissingen kunnen genomen worden of hij botst op een reeks van groupuscules, vaak geleid door lieden die vooral zichzelf graag horen maar intussen de noodzakelijke investeringen om verdere verkeersinfarcten te vermijden blokkeren.

Zodoende biedt de politiek tegenwoordig het beeld van een wanhopig in de marge morrelende groep, zonder twijfel vaak met heel goede bedoelingen, maar door de veelheid van krachten en machten, gaande van een quasi-nazistische EU die elke democratische beslissing weg kan blazen tot multinationals en onwillige, archaïsch denkende vakorganisaties, vrijwel volledig machteloos. Jos de Man vermeldt in zijn Van burger tot onderdaan (2012) dat de voormalige Duitse Bondspresident Herzog zich afvroeg of zijn land nog een democratie is, als hij constateert dat 84% van de wetgeving door de Europese bureaucratie wordt opgesteld en het gerechtshof van Straatburg zich boven elke nationale wetgeving stelt, zelfs in zaken waar het niet eens bevoegdheid heeft. Dat ter ondersteuning van de hier geponeerde stellingen…

Daar komt een bijtende hypocrisie bovenop van een elite die de mond heeft over gendergelijkheid, maar intussen zaakjes doet met Saudi-Arabië, waar vrouwen slavinnen zijn of die immigratie toelaat uit landen waar vrouwen als speelgoed worden gezien. Massale aanrandingen blijven grotendeels onbestraft en politie wordt geacht te zwijgen om zogenaamd het populisme niet de kaart te spelen. Machteloosheid. Ongrijpbaarheid. Onveranderbaarheid van wat dringend zou moeten veranderen.

Ook die ‘gewone man’, waarvan de grote meerderheid tenslotte minstens tot zijn achttien school liep, voelt alom deze totale maatschappelijke viscositeit, de taaie stroperigheid van zowat alle systemen waaruit onze westerse wereld bestaat.

Overmand door een letterlijk grenzeloze machteloosheid zinkt de modale man weg in de nietigheid van onnozele amusementsprogramma’s, daarmee zijn tijd dodend zonder hoop op beter.

In dergelijke omstandigheden volstaat zelfs maar het kleinste sprankeltje hoop dat door een welsprekend en retorisch meer dan gemiddeld begaafd politicus wordt geboden. Dergelijke hoop de grond in willen boren uit naam van antipopulisme is hatelijk en onmenselijk.

 

Zolang een samenleving niet door een doorleefd gemeenschappelijk project in een gekozen richting wordt gedreven, doch een allegaartje van elkaar bestrijdende groepjes en groepen blijft (Naegels, 2015), is persoonlijke zingeving voor de gemiddelde mens een haast onmogelijke opdracht. Tenzij hij vlucht in geloof – zoals jonge immigranten – of in esoterische verhalen, waarvan het tegenwoordig bulkt. Maar in hun linkse ideologische verblinding beseffen vele postmodernistische hemelbestormers niet dat mensen méér gemeen hebben dan alleen maar armen en benen en materiële behoeften. Mensen willen samen léven. Samenzijn, in onderling vertrouwen en in het besef op elkaar te kunnen rekenen: dat behoort ook tot de menselijkheid. Zulks schept warmte en het gevoel niet alleen voor de zorgen van de wereld te staan.

 

We hebben dus behoefte aan een doorlééfd gemeenschappelijk project. Ziedaar de behoefte die écht aan de basis van het vermaledijde ‘populisme’ ligt: een behoefte aan menselijke warmte, aan doorleefd samenleven, aan menselijke bejegening en aan menselijk meedogen. De ideologie van de civiele Leitkultur is nodig, doch volstaat duidelijk niet. Die slaat teveel terug op een lege, theoretische burger van een theoretische maatschappij. De inwisselbare Mens van de Franse revolutionairen. Zo’n Lege Mens wordt te makkelijk opgevuld door lieden die het luidste liedje kunnen zingen zodat de meerderheid niet langer aan het woord komt. Een menselijk doorleefd gemeenschappelijk project vraagt meer: iets van de samenhang die door dat door antipopulisten gehate ‘ene volk’ worden belichaamd. Hoe inderdaad valt zo’n project te denken binnen een wereld waarin iedereen vooral met zichzelf bezig is en mensenrechten herleid werden tot schamel individualisme? Wat te denken van een wereld waarin je vooral geen nationalist mag zijn maar straffeloos een hele nochtans rendabele fabriek mag sluiten en meteen een gemeenschap van duizenden banen beroven?

Zeggen waar het op staat kan uitlopen op een veroordeling wegens ‘racisme’ – zelfs de goede Sint moet eraan geloven! Het lijkt op spotten, maar ver is de tijd niet meer af dat we zelfs het Kerelslied – met zijn wilde noordertonen, weet je nog wel? – of het Wilhelmus (“Ben ick van Duytschen bloet”) niet meer mogen zingen, wegens ook al racistisch. In die liederen wordt toch dat ‘ene volk’ zelfbewust op de kaart gezet, of niet soms? Zodoende kan een mens binnenkort zelfs niet meer zingen wat hij wil!

Dit is echt niet de wereld die we moeten willen. Het lijkt ook allemaal zo akelig veel op de Heerlijke Nieuwe Wereld! Was het dit waarop de Verlichting en de Emancipatie moesten uitlopen?

 

Baart het dan verwondering dat mensen al dat antiracistisch gezwets en de hele wereld die daarmee samengaat grondig beu worden, zich van de officiële, politiek correcte retoriek afkeren en elders soelaas zoeken?

 

 

Besluit

 

Er bestaat een banaal soort klaaglijk gezanik dat aan cafétogen te horen valt en in sommige fora van bepaalde kranten te lezen staat. Het berust op onkunde en onbegrip en op een ontevredenheid, die van alle tijden is. Het is de massa waarover Maarten Toonder zijn Heer Bommel liet zeggen dat een massa altijd naar Lemland zoekt waar alles beter is.

Maar er bestaat ook een onderbouwd verzet tegen een politieke en bestuurlijke elite, die niet voldoende getuigt van solidariteit met de gemeenschap waartoe ze behoort. Dat verzet is een uiting van een gezond verlangen naar een authentiek en geëmancipeerd menselijk bestaan en voor deze groep mag het woord populisme niet als scheldwoord gebruikt worden (Abicht, 2012).

Niet alleen is er op die elite veel kritiek mogelijk: ook de wereld zelf waarin we leven en het leven zelf brengen een hoop psychologische en existentiële moeilijkheden. Niet voor niets brengen sommigen de hoge zelfmoordcijfers hiermee in verband.

Mensen verzetten zich tegen een dergelijke wereld, want die ontglipt de modale mens steeds meer hetgeen botst met de gronddoelstellingen van de Verlichting én met een rechtvaardige emancipatie. De ervaring van de machteloosheid komt bovenop de fundamentele zorgelijkheid van het menselijke existentiële tekort, waarover filosofen als Heidegger zo uitvoerig schreven. Het is onbegrijpelijk dat onze elite blind blijkt voor deze existentiële zorgen doch zich intussen kennelijk wentelt in haar eigen comfortabele leven. De krant meldde onlangs dat Karel de Gucht per jaar 125.000 euro blijft ontvangen. De Gucht die elk Vlaams ontvoogdingsstreven zegt te willen bestrijden.

De plebs schamperend populisten noemen is dan ook, in de zin van A. Margalit (2001), onfatsoenlijk.

Wie de oorzaken daarvan wil aanpakken, bijvoorbeeld door te ijveren voor een samenhangende volksgemeenschap waarin iedereen zich met elkaar kan identificeren en daardoor elkaars zorgelijkheden kan dragen – en daarvoor verzet aantekent tegen een ontwrichtende massa-immigratie van vaak gelukzoekers, – op één hoop gooien met de eerste, zanikende groep: dat is volkomen misplaatst.

Deze ‘populisten’ staat integendeel een ander wereldbeeld voor ogen en daarin is geen plaats voor postmoderne mythes zoals superdiversiteit (Vertovec,2007) of het volksafbrekende gezwets van extreemlinks.

 

Niet deze ‘populisten’ zitten fundamenteel fout: men kan hen hooguit onhandigheid verwijten. De ware vijand is het antipopulisme, de elitaire vijanden van de democratie, die daarom met alle krachten die in deze uitgeputte maatschappij nog aanwezig zijn, bestreden moeten worden. Door zoiets te doen toont de democratie, die volgens Spinoza het dichtst bij het natuurrecht staat (Hazard,1990), alvast op één punt haar zin: dat namelijk een volk op gezette tijden het recht in eigen handen kan nemen en de zelfbenoemde elite eruit kan schoppen.

Als deze houding neerkomt op een pleidooi voor populisme, dan ben ik inderdaad een populist.

 

En ik ben er nog trots op ook.

 

 

Jaak Peeters. November 2016

Einde N-VA-verhaal

Veronderstel dat Hans Bonte, SPA-parlementslid en burgemeester van Vilvoorde, in De Morgen zou verklaren dat het voor hem ondenkbaar is dat de SPA met een ander dan een socialistisch programma naar de verkiezingen zou gaan, en dat hij, als dat toch zou gebeuren, zou afhaken. Zou iemand daarvan opkijken?

Het is gerechtvaardigd te onderstellen dat weids zou opklinken: ‘nogal wiedes!’. Zo is dat voor een normaal denkend mens ook. Een socialistische partij hoort naar de verkiezingen te gaan met een socialistisch programma. Idem dito voor een liberale partij, die hoogstwaarschijnlijk niet in gesloten gelederen aan de meet van de kieswedstrijd zou kunnen verschijnen als ze het ondernemerschap niet centraal zou stellen.

Er zijn natuurlijk uitzonderingen op die regel.

De CD&V zou, zo zou men kunnen veronderstellen, naar de verkiezingen moeten gaan met een programma dat christelijke principes dienstbaar is. Maar sinds strijdende moslims in die partij welkom zijn, weet niemand het nog zo goed met de CD&V. Haar houding lijkt me de aanbidding van Allah in de Sixtijnse kapel.

 

Mutatis mutandis hebben Hendrik Vuye en Veerle Wouters in hun interview in De Morgen niets anders gezegd dan dat N-VA als Vlaamsnationale partij naar de verkiezingen moet trekken met een programma waar een Vlaamse nationalist alvast belangrijke delen van zijn eisen in terugvindt. Anders, zo spreken ze de hierboven denkbeeldig opgevoerde Bonte na, hoeft het voor hen niet.

De normale reactie zou dan zijn: ‘nogal wiedes!’.

Doch dat blijkt bij N-VA anders te liggen.

 

Zelfs als De Wever de uitspraken van het tweetal niet opportuun vond, had hij op vele andere manieren kunnen reageren.

Hij had kunnen zeggen dat de opstelling van het partijprogramma nog niet aan de orde is, omdat er nog werk genoeg voorhanden is. Dat is nog waar ook. Hij had een conclaaf kunnen aankondigen met Vuye en Wouters, en zo de zaak inkapselen in een groter geheel. Of hij had de tandem Vuye-Wouters kunnen aanvullen met enkele andere parlementsleden en zo een waakhond creëren.

De botte reactie van De Wever wijst er op dat er andere motieven mee hebben gespeeld. De Wever wil niet weten van een regering met de PS, terwijl Vuye en Wouters verklaarden dat die partij nu net nodig is voor een staatshervorming. De Wever, wiens liberale sympathieën bekend zijn, verschuift zo de inzet van zijn partij van een anti-Belgische naar een anti-PS-partij en dat is totaal iets anders.

 

Waarom hij zo redeneert weet voorlopig niemand. Heeft hij zelf ambities? Het zou niet de eerste keer zijn dat de Vlamingen zo iets meemaken. Als hij goed scoort bij de komende verkiezingen zou hij wel eens dicht bij het Belgisch premierschap kunnen staan. Zeker nu hij bewezen heeft de Vlaamse eisen vijf jaar lang in de koelkast te kunnen stoppen. Met N-VA valt dus best te regeren, kan men in Franstalige kringen concluderen. De aloude Vlaamse slaafsheid is nog steeds levendig.

Komt daarbij nog eens de uitspraak van De Roover: als men ons Vlaanderen niet geeft, pakken we heel België.

Alleen vergeet hij er bij te vermelden dat N-VA dan moet verbelgischen en zijn communautair programma moet opbergen.

Het is pijnlijk te moeten toezien hoe een partijleiding de eigen partij de dood injaagt.

Want in die milieus schijnt men niet te beseffen dat vanaf nu alle woorden van De Wever en co verworden zijn tot words, words…Wie gelooft hen immers nog? Hoe betrouwbaar zijn lieden die hun trouwe adjudanten de keel oversnijden omdat die dingen zeggen die elders heel gewoon zijn? En wat is het verschil tussen een dergelijke partij en die andere vier partijen, die ‘gewoon’ zijn geworden: socialisten, liberalen, christen(sic)democraten en Groenen(resic)?

Hoe denkt de N-VA leiding nog met succes een wervend project op de Vlaamse kiezer los te laten, na dergelijke uitbraak van Pruisische kadaverdiscipline – nota bene in een tijd van wereldwijd toenemend verzet, tot in de Arabische wereld toe en in een sfeer van algemene achterdocht tegen de politiek?

Ik vrees dat de conclusie van deze zaak even kort als hard is: het N-VA-verhaal is ten einde.

We moeten dat onder ogen zien en ons beraden hoe het nu verder moet.

 

Jaak Peeters

20 september 2016

Over boerkini’s, Europa en de pers in een democratische samenleving. Enkele overwegingen.

De kwestie van de boerkini’s lijkt voor sommigen een onbelangrijk fait divers. Dat is het evenwel niet. De zaak roept namelijk heel wat pertinente vragen op en die horen uitdrukkelijk te worden gesteld.

Hoe groot het boerkini-probleem aan de Azurenkust is, weet ik niet. Ik weet alleen dat dit probleem zich dààr situeert, en nog niet bij ons – alvast niet in die mate.

 

Een eerste element wil ik als inleiding kort aanhalen.

 

Het dragen van een boerkini – de redenering kan mutatis mutandis ook toegepast worden op het dragen van de hoofddoek – is een statement. Net als de hoofddoek wellicht vaak dient om uit te dagen, zichzelf als ànders te manifesteren of als postmodernistisch symbool, kun je het dragen van boerkini’s opvatten als symbool van een identiteit. Zo ervaren talloze autochtonen het. Is het voor allochtonen werkelijk teveel gevraagd om begrip op te brengen voor de zorgelijkheden van autochtonen en zich, zeker in deze gespannen tijden, een beetje minder uitdagend op te stellen?

 

Laat dit mijn voorafname zijn.

 

Ik wens vervolgens drie overwegingen te bespreken. Er is de vreemde uitspraak van de Franse Raad van State – de Franse, dus buitenlandse Raad van State -; er is de betekenis van de Europese ruimte en, tenslotte moet de rol van de media worden bevraagd.

 

Ten eerste: die Franse Raad van State. Oorsprong van de heisa is dus het verbod van de burgemeesters van Azurenkustgemeenten op het dragen van deze boerkini. Vervolgens stapten enkele militante moslims naar de Franse Raad van State, die vond dat boerkini’s aan de Azurenkuststranden wel moeten kunnen, wegens het individuele recht op het kiezen van klederdracht.

Over de waarde van dit advies is veel inkt gevloeid en mijn persoonlijk standpunt is dat de dames en heren van deze RvS zich lichtjes wereldvreemd opstellen. De burgemeesters hadden deze zeer opvallende en voor westerse mensen ongewone moslimkleding namelijk verboden, niet omdat het hen kan schelen wat badgasten dragen, maar omdat in de algemene sfeer van dreigend moslimterrorisme elke vorm van provocatie vermeden moet worden.

De meer fundamentele vraag is nu of collectieve veiligheid resp. rust niet de voorrang moeten krijgen op individuele rechten. Dat is uiteraard voer voor juristen en al evenzeer voor cultuurfilosofen. Die moeten zich het hoofd breken over de verhouding tussen individuele en collectieve rechten. Maar we leven tegenwoordig in een postmodernistische geest en velen zijn geneigd om de individuele rechten voorrang te geven. Die mensen verliezen echter te gemakkelijk uit het oog dat er van deze individuele rechten niets in huis kan komen als de collectieve veiligheid niet vooraf gegarandeerd is. Het recht op collectieve veiligheid, of nog: het recht op veiligheid voor de hele groep, lijkt dus voorrang te moeten krijgen op alvast sommige individuele rechten, of er tenminste aan vooraf te moeten gaan. En kom toch niet vertellen dat het dragen van een boerkini een mensenrecht is!

Naar mijn oordeel zit de Franse Raad van State dus fout. Jammer genoeg is het denkbaar dat ‘onze’ raad van State tot eenzelfde soort oordeel in staat is.

 

Aan de orde is dus een uitspraak van een Franse Raad van State. Moeten wij ons, als bewoners van de Nederlanden, bekommeren om de uitspraken van de staatsraad van een vreemde mogendheid?

In algemene zin zou het antwoord op deze vraag negatief moeten zijn. De Fransen doen in hun land wat hun goeddunkt. Wij hebben ons daar niet mee te bemoeien.

Desondanks is de boerkini-heisa ook te onzent een aandacht-trekkende zaak. Voor een deel is dat omdat journalisten het wellicht wat moeilijker hebben om in de komkommertijd de kolommen volgeschreven te krijgen.

Maar ik vermoed dat deze uitleg te simpel is.

 

Ik kom nu tot mijn tweede overweging: die Europese ruimte.

 

Ik vrees dat de boerkini bij ons, in de Nederlanden, zoveel ophef kan maken omdat ook bij ons de spanning in de lucht hangt. Men is gefocust op alles wat met moslimextremisme kan te maken hebben en daar is, me dunkt, na de recente aanslagen wel degelijk reden toe. En dus moeten we de burgemeesters van de Franse Azurenkust bijtreden als die stellen dat je in een gespannen klimaat geen uitingen kan toestaan die provocerend kunnen werken. Het vreemde daarbij is – in het voorbijgaan maar even – dat omgekeerd een autochtone ‘provocatie’ aan het adres van moslims hoogstwaarschijnlijk méér dan gewone ophef zou maken en even hoogstwaarschijnlijk stof zou zijn voor eindeloze commentaren in onze linkse media.

In ons eigen land, nota bene.

Dit hangt echter vast aan een ander aspect. Kort gezegd: als er géén Europese open ruimte zou bestaan, is de kans groot dat wat ergens in Frankrijk een plaatselijk probleem is onze krantenkolommen niet zou halen. Doordat die buitenlandse lokale kwestie tot dezelfde Europese ruimte behoort als wijzelf, wordt die puur lokale kwestie ook makkelijker ervaren als iets wat ook ons aangaat – zeker in een gespannen klimaat zoals nu. De doorstroming van de maatschappelijke effecten gaat in één Europese ruimte immers razendsnel. Spanningen worden nu makkelijker op een continentale schaal verspreid. We worden bang omdat in het buitenland, 1000 km. van onze deur, moslimextremisten het spel op de wagen jagen. Het bestaan van die Europese ruimte vergroot derhalve problemen uit tot een onverantwoord grote dimensie. Een journalist schreef me dat de boerkini’s er altijd al waren, maar dat niemand er tot nog toe een zaak van maakte. Daarom bedenk ik dat als Frankrijk en de Nederlanden niet tot één ruimte zouden hebben behoord, veel minder mensen buiten Frankrijk van die boerkini’s een zaak zouden maken. Ze zouden zeggen dat het ‘in Frankrijk ver is gekomen’ en dat soort dingen, misschien zelfs zonder te beseffen dat boerkini’s ook aan onze kusten voorkomen. Mensen zijn geneigd om de problemen onder de mat te moffelen en een probleem tot een ‘buitenlands’ probleem verklaren is één van de meest heilzame methoden hiertoe: zo is het niet ‘ons’ probleem.

Wat we hier zien gebeuren is slechts een voorbeeld van wat zich altijd voordoet in grote ruimten. Het weghalen van interne grenzen maakt niet alleen controle onmogelijk, maar schept vooral de kans dat problemen ongehinderd doorheen die grote ruimte kunnen waaien.

Dat fenomeen is goed bekend in het bedrijfsleven. Daar heeft men dus de oude mastodont-eenheden in stukken gehakt. Die stukken zijn vervolgens overzichtelijk, ze scheppen controlemogelijkheid en maken het doorstromen van ongewenste effecten doorheen de hele organisatie een flink stuk moeilijker. Het gevolg is dat een probleem geïsoleerd kan worden en binnen limieten kan blijven.

De kern van ons probleem situeert zich op het niveau van de democratische praktijk: als de problemen nodeloos te ver worden uitvergroot, worden ze voor het democratische systeem onhandelbaar. De roep op een sterke man of dit soort toestanden klinkt dan luider.

Hier rijst dus de vraag naar de grenzen van ‘Europa’ met het oog op het vrijwaren van onze democratie.

 

Mijn derde overweging is die over de rol van de pers. Dezelfde journalist schrijft: “als de pers iets niet meldt, is het er niet; als de pers het wel meldt en het massaal meldt, is het er massaal”. Dat is een zin die recht naar het hart van het probleem met onze pers gaat.

De schrijver lijkt hier te suggeren – al denk ik niet dat hij dat bedoelt – dat de pers zulke dingen beter verzwijgt. Dan wéét het publiek het immers ook niet. Maar dat is onaanvaardbaar, want een van de eerste taken van de pers is correct informeren. De vraag rijst evenwel of de dosage van de informatie vanuit de pers klopt en dat is natuurlijk andere peper. Ten eerste kan informatie, zoals boven al gezegd, overgedoseerd worden omdat er een tekort aan informatie is. Het beetje dat dan voorhanden is, moet een groot gat opvullen. Ten tweede, en dat is, dunkt me, erger: perslui kunnen informatie uitvergroten of minimaliseren naar eigen politiek of ideologisch inzicht. Ook dat is onaanvaardbaar: de pers moet ‘correct’ informeren, doch zoals uit de praktijk blijkt is dat woord nogal inhoudrijk.

Daar komt bovenop dat behalve sommige perslui zelf vrijwel niemand meent dat de pers het recht heeft om de samenleving via de manipulatie van informatie te bemeesteren. Het is niet de rol van de pers om de maatschappij te zijn, wel om het functioneren ervan mede mogelijk te helpen maken.

Dit houdt in dat de pers een staal moet aanbieden van wat in de samenleving gaande is, hetgeen het probleem van de representativiteit stelt. Hierbij rijst de vraag of de pers het recht heeft om, bijvoorbeeld, de mededelingen van een partij zoals Vlaams Belang te boycotten – het lot van de PVV in Nederland is daarmee vergeleken een stuk beter – terwijl die van het tenminste even extreme, doch wel lawaaierige en betweterige linkse Groen vaak buitennissig uitgerekt lijken.

Het is, naar veler aanvoelen, met die staalneming dus niet zo goed gesteld. Als je als journalist mensen bant die ferme kritiek uiten, bewijst dat je eigen onvermogen of rijst het vermoeden van manipulatie: men bant de ideeën die men weg wenst. Manipulatie door pers of andere beperkte groepen in de samenleving is onaanvaardbaar, omdat daardoor het maatschappelijk debat misvormd wordt.

 

Uitdagend gedrag, een wereldvreemde rechtspraak, nodeloos opblazen van locale problemen tot overdreven proporties en de twijfelachtige spelletjes van sommige mediafiguren doen de democratische debatcultuur die we tegen het dreigende moslimextremisme zeggen te willen opstellen geen goed. Ze ondermijnen bovendien de principiële maatschappelijke samenhorigheid die zo’n debat vraagt.

Daarom raakt de boerkini-zaak wel degelijk de kern van onze democratische cultuur.

 

Jaak Peeters

September 2016

Jonathan slaat op Hol(slag)…

Jonathan Holslag is geen vriend van Bart De Wever. Als VUB-professor hoor je dat niet te wezen, evenmin als zulks past bij een zichzelf aangemeten links profiel. Hoewel dat links profiel van hem nogal meevalt – of moet ik zeggen: hypocriet lijkt? Want Jonathan heeft het in zijn eigen blog bij herhaling over de banaliteit van onze westerse wereld, waarvan hij vindt dat die zijn vitaliteit, zijn weerbaarheid en zijn streven naar hogerop verloor.

Daarin heeft hij gelijk. Maar ijveren tegen banaliteit, tegen oppervlakkigheid, tegen eenzijdigheid: is dat niet een …. rechtse houding? Zodat de zichzelf graag als links profilerende Jonathan Holslag eigenlijk – met de woorden van Urbanus – een rechtse zak is…

En ten tweede is Jonathan op dat punt niet bepaald origineel, want Neil Postman heeft ons vele jaren geleden al verteld dat wij ons kapot amuseren. Dat I-phones en Pokémon slechts de commerciële belangen van enkele kapitaalgroepen dienen, weten nadenkende mensen al lang en het stoort hen mateloos.

 

Wat betekent overigens het verwijt dat hij Bart De Wever in DM van 1 augustus toestuurt? Dat De Wever niet zomaar ten strijde moet trekken tegen het moslimfundamentalisme, maar oog moet hebben voor de talloze moslims die de democratie onderschrijven? Dat de democratie moet verdedigd worden door ze sterker te maken, door de banaliteit te bestrijden, door via opvoeding en onderwijs inzicht en kennis te helpen verspreiden?

Zeg me eens, beste Jonathan: waar leid jij uit af dat De Wever uw wensen niet onderschrijft? Hoe hij denkt staat in zijn geschriften te lezen. Maar die heb jij in je drukke academische bezigheden natuurlijk niet gelezen. Ik zal even helpen: werkbare waarden en Het kostbare weefsel.

 

Zelf heb ik geleerd dat je altijd de meeste aandacht moet geven aan de grootste gevaren. Nogal wiedes, overigens. First things first. Wat weet Jonathan trouwens te vertellen als ik zeg dat Afghaanse ‘vluchtelingen’ hun onaangeroerd eten in de afvalbak kieperen wegens niet halal en vlakaf zeggen dat een vrouw die de hand geeft om seks vraagt? Wil Jonathan zijn academische gouden kooi even verlaten en met de mensen in het werkveld gaan praten?

Neen: het zijn niet de moslims die de democratie genegen zijn die 35 mensen opblazen in Brussel. Het zijn niet de moslims die de gendergelijkheid aanvaarden die in Nice 84 mensen doodrijden. Het zijn niet de moslims die in Parijs de redactie van een – naar mijn mening – onbenullig schotblaadje afmaken.

Dus, zou ik zeggen, daar moet je dan ook niet mee bezig zijn. Of toch niet in het bijzonder, want voor zover mij bekend is De Wever hard bezig om de integratie van allochtonen in zijn stad te bevorderen.  Sommigen vinden zelfs dat hij daar te ver in gaat.

Dan moet je inderdaad de deugnieten aanpakken, ze opjagen, ze grijpen en ze in de gevangenis draaien. En je moet van ieder weldenkend mens eisen dat hij of zij daaraan meewerkt. Ook als die Jonathan Holslag heet en professor is aan de VUB. Want een democratie kan niet bloeien in een sfeer van onveiligheid. Vraag het maar aan IS: die kunnen hun politiek haarfijn uitleggen.

 

Of de vergelijking met Xenophon correct is, weet ik niet. Maar het is een zwakke, doorzichtige retorische truc om een politieke tegenstander op die manier onder de gordel te slaan. De retorische trucs die hij zijn tegenstander verwijt zijn hemzelf dus niet vreemd.

 

De Wever is een politiek verantwoordelijk man, burgemeester van de belangrijkste stad van Vlaanderen. Hij moet zijn stad besturen en voor haar bewoners leefbaar maken. Daar wordt hij op afgerekend. Precies door zo te handelen versterkt hij de democratie veel meer dan door wat verwaten en hoogdravend geneuzel over het versterken van die democratie. Want wie resultaten voorlegt, is gerechtigd zijn medeburgers op te roepen hun verantwoordelijkheid concreet en effectief op te nemen en de democratie in de praktijk te verdedigen. Als democratie berust op zin voor het algemeen belang, dan is De Wevers politiek dienstbaarheid aan de democratie. Het is niet mijn taak De Wever te verdedigen, maar zijn opstelling is heus wat anders dan laten wegteren in gezapigheid.

Misschien kan Jonathan Holslag de ogen openen en zijn eigen nogal gekleurde beeldvorming wat bijstellen – en De Wever vervolgens misschien toch een beetje gelijk geven in plaats van zich aan vuilbekkerij te buiten te gaan en hem een volksverlakker te noemen.

 

Ik kan niet geloven dat een intelligent man als Holslag dat alles niet ziet.

Waaruit ik afleid dat hij de problemen misbruikt in zijn oorlog tegen een politieke tegenstander.

Jammer genoeg draagt zulks nergens toe bij.

 

Jaak Peeters

2 augustus 2016

 

Een echt migratiedebat. Essay over de etnische dimensie in het debat over de migratie.

In Pjotr’s Dwarsliggers verscheen op 28 juli 2016 een tekst van Gert De Beuckelaer onder de titel: Pleidooi voor een echt migratiedebat.

De auteur trekt in zijn essay van leer tegen de soms bewust kwaadaardige en misleidende oppervlakkigheid van het debat zoals dat in de media en door hen, die door die media worden beïnvloed, gevoerd wordt.

Ik gebruik deze bijdrage in Doorstroming om in te gaan op zijn voorstel (en dat van ’ t Pallieterke) om eens eindelijk te beginnen met een ernstig debat over migratie en ik doe dit op het thema dat mijzelf alvast wat beter bekend is: dat van de etniciteit.

Kern van De Beuckelaers gedachtegang

De hedendaagse mens weigert al te veel belangrijke fundamentele feiten onder ogen te zien, ook inzake migratie. Die migratie maakt deel uit van een stel blinde natuurwetmatigheden, die met onze soort hun eigen ding doen, ongeacht onze menselijke wil.

Tenzij wij bereid zijn om de (historische en andere) feiten realistisch onder ogen te zien, staat onze beschaving hetzelfde lot te wachten als de Romeinse: de ondergang. En laten we wel wezen: het heeft 1400 jaar geduurd om weer recht te staan na de puinhoop van de voor Rome dodelijke migraties.

Als we dat niet willen moeten we eindelijk moed tonen, het politiek-correct gekrakeel opzij duwen en de dingen zeggen zoals we denken dat ze zijn.

Door deze houding dienen we de belangen van mensen, volken en beschavingen veel meer dan door de struisvogelpolitiek die zo kenmerkend is voor het politiek correcte geklets van de heersende politieke, mediatieke en morele klasse.

Het komt er dus op aan een correct debat te voeren. Een correct debat is een debat waarvan de materie door de feiten geleverd wordt en dat door de Rede gestuurd wordt. Niet door het verlangen Gutmenschen te wezen.

Het eerste echter wat we voor ogen moeten houden is de historische, biologische en psychologische feitelijkheid waarin wij allen ondergedompeld zijn.

Enkele bemerkingen vooraf

Over een deel van die psychologische feitelijkheid wil ik het nu hebben: dat is mijn bijdrage in het debat. Met mijn Vlamingen zijn fatsoenlijke mensen (Pelckmans) had ik al een poging ondernomen. Helaas moet ik constateren dat de zichzelf elite noemende troep die ons volk denkt te mogen aanvoeren, zich niet kan bezig houden met zulke banaliteiten als een onderbouwde redenering op basis van een sociologisch onderzoek.

In de zuiverste politiek-correcte stijl wordt immers morsdood gezwegen wat ingaat tegen de eigen heilige opinies, waarvan men zich voorstelt dat ze door iedereen zouden moeten gedeeld worden.

Er wordt immers wel degelijk gegronde en geïllustreerde materie aangevoerd: het debat kàn dus worden gevoerd. Ik denk hier ook aan het boek van Wim van Rooy (Waarover men niet spreekt – De Blauwe Tijger) of dat van Paul Collier, onder de titel Exodus, uitgekomen bij Het Spectrum. Hebben onze kranten daar uitvoerig en vooral eerlijk over bericht? Is de analyse van Collier een aandachtspunt geweest in een of ander parlementair debat? Ik zou het graag vernemen, maar ik vrees dat het oorverdovend stil zal blijven… Toch kan ik wel zonder meer zeggen in welke zin Colliers boek door de politiek correcten behandeld werd: de originele Engelse editie werd beoordeeld als “ethisch eng, verwerpelijk en onhoudbaar.” Een verantwoording voor deze beoordeling was nauwelijks te vinden. Gewoon maar een morele afwijzing, door lieden die kennelijk de pastoors van de kansel hebben verdreven en daar nu zelf plaats hebben genomen om den volke kond doen hoe het hoort te denken. Een andere recensent had het over “dunnetjes versluierde xenofobie”. Alleen The Telegraph had het héél kort over een moedig pleidooi voor minder in plaats van voor meer immigratie.

Je moet dus tegenwoordig al moedig zijn als je de feiten wil vermelden…

Ik moet dus, helaas, Gert De Beuckelaers aanklacht tegen de politiek correcte pastoors herhalen. Ik heb Colliers boek zelf gelezen: het is een naar mijn oordeel zeer objectieve poging om voor- en nadelen van immigratie te beschrijven.

Dat een dergelijke beschrijving tegelijk waarschuwingen inhoudt, lijkt de redelijkheid zelve. We zien het toch dagelijks rondom ons, ja?

Maar dààr schuilt nu net het probleem: elke redelijkheid is zoek in een wereld waarin een gewezen Zweeds premier doodleuk kan verklaren dat hij het helemaal niet erg zou vinden als Zweden door een ander volk bewoond zou worden.

De waarheid is, bovendien en om de zaak nog wat scherper de stellen, dat de meute van de politiek correcte pastoors zich ingegraven heeft met een batterij moralistische stellingen, dada’s, die ik beschreven heb in een korte opsomming van hun geliefkoosde terminologie: wij/zij-denken, multiculturalisme en diversiteit, integratie versus assimilatie, identitair en etnisch denken, cultuurrelativisme, egalitarisme, nationalisme, vooruitgang, racisme, discriminatie, negationisme en mensenrechten. Wie hierop dieper wil ingaan kan mijn eigen Worsteling met de moderniteit (Pelckmans) raadplegen.

Etnisch denken en ideologie

Zelfs halfblinde pastoors kunnen niet verhelen dat etniciteit altijd een essentiële dimensie is geweest in het leven van mensen en volken.

Toch hoef ik het hier eigenlijk niet te herhalen: etnisch denken is uit den boze, des helle of des duivels – naar keuze – en in ieder geval door-en-door verwerpelijk. Het is de oorzaak van zovele conflicten en het is principieel een discriminatoire houding.

Hoe ‘onze’ pastoors met dit niettemin onontwijkbare etnische feit omgaan? Ze veroordelen het – zoals al vermeld. Hetzij met morele bewoordingen: het is de oorzaak van conflicten en het is discriminatoir. Hetzij door er hun eigen ideologie van de modernisering tegenover te plaatsen of etnisch denken tot gevolg van verkeerd bewustzijn te verklaren.

Ik zal kort antwoorden op deze morele en ideologische verwerping van etniciteit.

Een eerste kritiek op etniciteit luidt dat etniciteit de bron van wrede conflicten zou zijn. Men verwijst daarbij – natuurlijk – naar ex-Joegoslavië. Professor Adrian Guelke legt in zijn bijdrage in The Study of Ethnicity and Politics (Barbara Budrich Publishers) uit hoe de beschrijving en het onderzoek van wat doorgaans als een etnisch conflict wordt omschreven mank loopt met betrekking tot de beschrijving van de oorzaken van zulke conflicten. Anders gezegd: men noemt een conflict etnisch als de politieke breuklijnen zich voornamelijk via etnische lijnen lijken te manifesteren, maar doet vervolgens helemaal geen recht aan de verscheidenheid van oorzaken. Hij verwijst naar Giley (2004) die zich keert tegen de algemene tendentie om conflicten als etnisch voor te stellen, hoewel het etnische element slechts één van de vele facetten van het probleem is. Een auteur als Michael Banton in 2000 verklaart dat, in tegenstelling met wat de hogergenoemde pastoors beweren, het etnisch conflict niet eens een aparte categorie van conflicten mag genoemd worden. Wat ex-Joegoslavië betreft verwijst Guelke naar Lake en Rothchild die schrijven dat het uiteenvallen van Joegoslavië het gevolg is van een staatkundige constructiefout. Maar in hun verblinding om de grenzen tussen menselijke groepen ‘heilig’ te noemen (H. Van Rompuy!) verwarren de politiek-correcte pastoors oorzaak en gevolg. Hoe zouden we hun gedachtegang overigens op de Vlaams-Waalse spanningen moeten toepassen? Is ook de Belgische staat niet verkeerd geconstrueerd, namelijk als een unitaire staat op maat van de Francofone etnie in dat land? Simpel gezegd: mensen vermoorden elkaar niet zomaar omdat ze tot een andere etnische groep behoren. Daar zijn veel meer, pregnanter motieven voor nodig. Het is niet omdat we die motieven niet kennen, dat ze niet werkzaam zijn. En als er ondanks een goede staatsorganisatie toch etnisch gekleurde botsingen zijn, dan zijn die niet alleen niet zo fel dat ze meteen tot moord en doodslag leiden, maar is het resultaat ervan vaak een vorm van apartheid – federalisme is een vorm van apartheid! – maar ook dat laatste is voor de pastoors vloeken in hun kerk.

Je kunt de zaak overigens omdraaien: wie blindweg en kritiekloos elke botsing verwerpt die als een etnisch conflict kan worden voorgesteld en daarmee de bestaande staatsgrenzen en dito ordening heilig verklaart, maakt elke bevrijdingsbeweging onmogelijk. Voorbeelden te over: Catalonië, Baskenland, Vlaanderen, de Kanaken, de Mapuches, de Oost-Timorezen, de Tsjechen onder de Duitse bezetting en ga zo maar door… Er bestaan immers niet veel staten die op een volkskundig verantwoorde basis werden opgebouwd. Meestal zijn ze het gevolg van wat de Gentse historicus Raoul van Caenegem in diens Over koningen en bureaucraten (Elsevier) ooit omschreef als “ dynastieën die pakten wat ze konden krijgen”. Neen: we komen er niet met deze simplistische morele veroordelingen.

Anderen beweren dat etnisch denken principieel discriminatoir is. Dat is: etnisch denken is misschien niet discriminerend op zich, maar schept wel de basisconditie voor discriminerend denken. Deze nogal curieuze filosofie vindt men ten overvloede bij links en extreemlinks, zoals blijkt uit de verklaringen van politieke hemelbestormers in een zichzelf groen noemende kiesvereniging. Die hebben namelijk de mond vol over stigmatisering. Minister Jan Jambon weet er alles van. Dat intussen het gelijk van Jambon honderdvoudig bewezen werd, volstaat niet om de groene linkerzijde de schellen van de ogen te doen vallen.

Maar meer ten gronde: etniciteit is een vorm van groepsbeleving, een klassiek onderwerp in de sociale psychologie. Wanneer het simpele feit van etniciteit zelf voorwerp van morele veroordeling moet zijn, zogenaamd omdat het in aanleg discriminerend is, zitten we bovenaan op een helling, die kwistig is ingesmeerd met vettig smeer. Wie dat standpunt inneemt, kan immers niet verhinderen dat hij of zij verplicht wordt elke vorm van groepsbeleving als discriminatoir te bestempelen. Wie zichzelf ervaart als lid van een omschreven groep kan niet anders dan anderen, die geen lid zijn van de groep, op te vatten als buitenstaanders. Dit als crypto-discriminatie te willen verwerpen doet bijvoorbeeld de vraag rijzen waarom een man het recht zou hebben om een ander zijn echtelijk bed te weigeren…En laten we dan maar meteen ook een paar hoofdstukken van de sociale wetenschappen schrappen..

Bangelijk, zeggen ze in Antwerpen.

In de meer sociologische zin worden tegen etniciteit doorgaans twee ‘argumenten’ aangevoerd.

Het eerste luidt dat etniciteit iets uit het verleden is, dat door de modernisering wordt weggeveegd, iets achterlijks dus. Dat is een nogal denigrerend-kolonialistische houding tegenover vele Afrikaanse volken, bij wie, blijkens de woorden van Hameso, het etnisch denken nog altijd een heel belangrijke dimensie in hun leven is. Ik verwijs naar diens Ethnicity in Africa: Towards a Positive Approach. (iUniversity Press)

De modernisering zou, bijvoorbeeld, leiden tot meer verstedelijking en mobiliteit en daardoor de grenzen onder etniciteiten doen vervagen of ze zelfs opheffen. Met andere woorden: de maatschappij van de toekomst zal zeer divers (‘superdivers’) zijn en etniciteiten zullen daar niet langer in thuishoren.

Ik geloof niet dat een simpele blik naar de werkelijkheid van de modale West-Europese stad van vandaag ook maar één spaander heel laat van deze ideologische illusie. Integendeel: Professor Glazer heeft al in de jaren tachtig van vorige eeuw geschreven dat hét grote model van de geroemde modernisering, de fameuze Amerikaanse meltingpot, één groot kenmerk draagt: dat hij niet bestaat. Ook Eriksen (in Ethnicity and Nationalism – Pluto) haalt deze frappante uitspraak uitvoerig aan. Roland Barth publiceerde in 1969 al een boek waarin hij aantoonde hoe precies de confrontatie van menselijke groepen het bewustzijn van groepseigenheid oproept en etniciteit dus telkens weer opnieuw opgeroepen wordt. Zijn inzichten zijn inmiddels algemeen aanvaard. Kort gezegd: het verhaal van de modernisering heeft meer weg van een ideologie dan van de beschrijving van de werkelijkheid.

Een laatste klassiek afwijzend commentaar komt uit marxistische hoek: etniciteit zou berusten op een verkeerd bewustzijn. Mensen worden volgens die ideologie immers gedreven door hun materiële bestaansvoorwaarden en daaruit menen de partijgangers van die leer te mogen afleiden dat de andere mogelijke gedragsmotieven ‘dus’ niet belangrijk zijn. Peter Singer heeft in zijn boekje over het Marxisme – ook in het Nederlands vertaald en uitgegeven bij Lemniscaat – heel helder uitgelegd hoe de marxistische ideologie op verschillende punten compleet fout zit.

Maar meer algemeen is de idee dat mensen alleen door materiële factoren worden gedreven onhoudbaar. Waarom blijken vooral de meer geschoolde allochtonen, die uitgerekend toch de beste kansen krijgen in onze samenleving, het meest vatbaar voor wat eufemistisch ‘radicalisering’ wordt genoemd? Omdat ze door materiële overwegingen worden gedreven? Als de marxistische ideologie zou kloppen, zou de evolutie waarover Gert De Beuckelaer uitvoerig schrijft overigens niet eens denkbaar zijn: als de toch niet-materiële sexualiteit geen oersterke drift zou zijn, hoe zou dan die evolutie zelve in haar werk gaan? En ik meen te mogen geloven dat liefde en drift geen materiële grenzen kennen, toch? Mensen plegen moorden uit eerzucht, uit rivaliteit, vanuit een godsdienstwaan of uit pure wraakzucht. Een tragisch voorbeeld van deze laatste moorden zijn de zogeheten familiedrama’s. Kan de complexiteit van zo’n drama echt samengevat worden in het simpele idee van bezitsverhoudingen?

Een definitie

Etniciteit is een natuurlijk verschijnsel dat zich voordoet bij het contact van menselijke groepen met elkaar en dit onderscheidend gedrag doet zich bij àlle groepen voor.

Etniciteit heeft wel een apart karakter. De Londense schrijver Anthony D. Smith heeft een mooie verhandeling geschreven over The Ethnic Origins of Nations ( Blackwell-1986). Het is hoogst vreemd dat dit merkwaardige boek nooit in onze taal vertaald werd, maar wel het afwijzende boek van de marxist E. Hobshawm, onder de titel Natie en nationalisme sedert 1780 (Mets).

Wie enigszins thuis is in de betreffende literatuur ziet dat etnische groepen vooral gekenmerkt worden door een gemeenschappelijke oorsprongservaring. Etnische Nederlanders zijn Nederlanders waarvan men kan zeggen (terecht of ten onrechte) dat hun verre voorouders ook al bewoners waren van Nederland. Surinamers zijn dus geen etnische Nederlanders, want hun oorsprong ligt nu eenmaal in Suriname. Hetzelfde geldt voor Molukkers, waarvan Maykel Verkuyten (in The Social Psychology of Ethnic Identity – Psychology Press) heeft vastgesteld dat ook de jonge Molukkers van vandaag – terwijl ik dit schrijf, dus – nog altijd een etnische beleving kennen die hen onderscheidt van etnische Nederlanders. Zo maken zij zélf een onderscheid tussen echte Molukkers – waarvan beide ouders Molukkers zijn – of onechte, waarvan één van de ouders geen Molukker is. Hier zien we dus hoe zelfs in de moderne omstandigheden van een hedendaagse civiele staat – Nederland is toch geen achterlijk land? – etniciteit ook door jongeren concreet wordt beleefd. Hetzelfde fenomeen doet zich voor bij Marokkanen en Turken – zoals we onlangs konden constateren bij de woelmakerij te onzent naar aanleiding van de staatsgreep in Turkije – en alle andere groepen. Tegenwoordig is er veel sprake over transnationalisme en diaspora’s. In de beide gevallen gaat het om groepen van mensen die hun originele etniciteit behouden, ook al leven ze ver weg van hun eigen oorsprongsland.

Bestrijden of inbouwen?

Etniciteit moreel afwijzen of zelfs bestrijden zoals vele pastoors van het politiek correcte denken doen is, zoals de lezer zal begrepen hebben, een weinig zinvolle bezigheid – en dan druk ik me omzichtig uit. Ik kan daar hier niet op ingaan, maar mensen zijn van nature etnische wezens. Ze hebben gewoon behoefte aan een collectieve oorsprongsbeleving. Zoiets te zeggen is evenwel als vloeken in de individualistische kerk van de postmodernistische linkerzijde, die bij ons de dans bepaalt. Maar het etnische verschijnsel valt niet te ontkennen. Ik zie het als een vast deel van onze blinde natuurlijke habitus.

En dan kun je twee dingen doen, die elk op een eigen historische traditie teruggaan en ook een eigen politieke naam dragen.

De eerste is de permanente oorlog tegen de menselijke natuur. De realistisch denkende mens fronst bij zulk voornemen de wenkbrauwen en geeft kortweg niet thuis. Nochtans wordt die oorlog volop gevoerd. Naar mijn smaak is dat al gaande sinds de godsdienstoorlogen van de zestiende eeuw, zoals ik uitgelegd heb in mijn Worsteling met de moderniteit, en misschien zelfs nog eerder. Het is de dromerij van de schepping van de Nieuwe Wereld – de hemel op aard, waarin alle kwalen die de mensheid sinds het begin der tijden teisterden voorgoed tot het verleden behoren en waarin zoiets afschuwelijks als de godsdienstoorlogen die men pas had beleefd nooit meer denkbaar zou zijn – waar horen we dat nog, sedert 1945? Daar moet dan vanzelfsprekend ook een Nieuwe Mens bij horen. Om die Nieuwe Mens te scheppen moet de oude worden ‘leeggemaakt’, en daartoe precies dient het politiek correcte denken. Het gaat hier om de illusie van de totale maakbaarheid, die zo kenmerkend is voor de linkse wereld – of voor een groot deel daarvan.

De tweede benadering erkent de natuur van de mens, de begrensdheid ervan en de opname van de mens in natuurlijke processen, waarvan de meeste hem te boven gaan. In deze benadering is de maakbaarheid beperkt en is voorzichtigheid altijd geboden, aangezien de ervaring van aeonen een schat aan informatie bevat en één generatie zoveel wijsheid niet kan opbrengen dat ze zich alles kan permitteren. Deze benadering ziet de mens zoals hij is: een groepswezen, maar tegelijk een individu en dus met de eeuwigdurende spanning tussen de collectieve en individuele pool in de menselijke existentie. Alexis de Tocqueville schreef hierover een beroemde passage in zijn Democratie in Amerika en Edmund Burke leerde dat we vooral niet te hoogdravend moeten zijn.

En de maatschappij? Die organiseer je op mensenmaat. Dat is al moeilijk genoeg.

Wat te leren? Welke conclusies trekken we?

Ik wil nu terugkeren naar de debatmodus waarover Gert De Beuckelaer het in zijn essay heeft. De vraag die rijst is: wat doen we nu, als we weten wat hierboven geschreven staat? En vooral: hoe moet onze houding zijn tegenover de politiek-correcte meute van de moderne kanseldrijvers?

Eerst een inhoudelijke positiekeuze.

Als etniciteit zo belangrijk is in het menselijk bestaan, moet het een leidend element zijn bij het scheppen van rechtvaardige verhoudingen tussen volken. Wie etniciteit onder de mat wil vegen begaat derhalve een zeer zware fout. Wie het schoentje past, trekke het aan, maar ikzelf zou me bij dit inzicht ongemakkelijk voelen als ik tot het hoger genoemde pastoorsgild zou behoren.

Etniciteit moet één van de centrale structurerende factoren zijn van de rechtsverhoudingen tussen volkeren.

Daar is ook moreel reden toe. Een etnie heeft, zoals hiervoor gesteld, een stamland. Dat kan haar niet ontnomen worden, want dan heeft die etnie in de meest letterlijke zin geen thuis meer. Dat betekent dat een etnie in haar eigen stamland primordiale rechten moet hebben. Wie de etnische Vlamingen deze voorrang ontzegt, ontneemt hen in werkelijkheid hun stamland en maakt van hen in de volle zin ontheemden: zij hebben immers geen ander stamland waarop ze kunnen terugvallen. Hetzelfde geldt, bijvoorbeeld, voor Koerden. Koerdistan is het stamland van de Koerden en zij zijn de dragers van de primordiale rechten in Koerdistan.

Dit onderwerp is veel te omvangrijk om in kort bestek even te worden aangehaald, maar deze korte positiekeuze toont het belang aan van de aandacht voor etniciteit en dwingt ons daarom de antinationale diversiteitsideologie zoals ons die door de strot wordt geduwd met passend misprijzen te bejegenen. Het is nota bene het respect voor de menselijkheid zelve, die ons tot dit misprijzen dwingt. De menselijkheid, waarop precies de protagonisten van de diversiteit een beroep beweren te doen. Men leze de geschriften van Eugeen Roosens, bijvoorbeeld diens Eigen grond eerst (Acco).

Vervolgens zie ik drie gedragswijzen. Ze sluiten op elkaar aan.

Ten eerste: we doen wat we denken te moeten doen. We kunnen dat, want sinds de komst van Internet hebben we hun gedrukt papier niet langer nodig. Weliswaar houden de meesten onder ons nog altijd liever papier in de hand en schrijver dezes vormt daarop geen uitzondering. Maar de klassieke media zijn niet langer noodzakelijk. Elektronische media bieden het voordeel dat ze vrijwel kosteloos de hele wereld rond gestuurd kunnen worden: naar politici, naar leraren, naar bedrijfsleiders, naar buren, bekenden, naar iedereen die wat dan ook in de samenleving zou kunnen betekenen. Daarom refereren we aan elkaars publicaties – ook in onze eigen elektronische media.

Ten tweede: niet ingaan op de aanvallen. Noemen ze ons extreemrechts? Ze doen maar wat ze niet laten kunnen. Noemt men ons discriminerend? Ook goed! Maar reageren: dat doen we zeker niet, want zo tonen we dat ze ons kunnen treffen en dat plezier gunnen we ze lekker niet. We doen met hen zoals velen tegenwoordig met echte pastoors doen: er schouderophalend aan voorbij gaan.

Voor me ligt een brochure van de hand van een zekere H. Pors, die destijds een functie bekleedde in de Nederlandse D.S.’70. Onder de titel Nationalisme, Neo-nazisme, Racisme – ziedaar het klassieke trias – beschrijft dit politiek genius de “Barrières op weg naar een verenigd Europa”. Het onooglijke dingetje belandde terecht in vele scheurmanden, maar zijn bestaan is toch maar een signaal bovenop. Wat doe je met zo’n ondingen? Ze lezen, dat zeker, maar een antwoord op zijn schotschrift mag de heer Pors van mij niet verwachten. Dat zal er nooit komen.

Ten derde: voortgaan met onze zoektocht naar meer inzicht. Inzicht kan nooit het product zijn van vooringenomenheid of ideologische voorkeuren. Alleen studie, observatie en de Rede – met een hoofdletter – leveren ons enigszins betrouwbare bronnen van inzicht. Het grote punt van onze Rede is dat we altijd “neen!” kunnen zeggen. Er zijn mensen, zoals Dick Swaab (Wij zijn ons brein – Contact), die volhouden dat ons bewuste leven slechts een gevolg is van wat zich op een onbewust, biochemisch niveau in ons brein afspeelt. Of dat waar is, weet ik niet. Maar zelfs als ik verslaafd ben aan roken, kan ik, ondanks de sterke signalen vanuit mijn brein, toch koppig besluiten met roken op te houden. Ik heb dat persoonlijk ervaren. Misschien is er maar weinig in ons bestaan dat we op die manier met onze eigen Rede kunnen bemeesteren. Maar precies dààrvoor is openheid van denken en vrije verspreiding van gedachten noodzakelijk en dat laatste schijnt niet altijd gegarandeerd. Wat ik niet heb gezien, heeft wellicht iemand anders wel gezien. Gert De Beuckelaer noemt dat het synthetisch denken. Deze manier van handelen biedt ons het enorme voordeel dat we collectief makkelijker gelijk hebben en mogen hopen dat we dat soms ook zullen krijgen. Op dat ogenblik overtreffen en overwinnen we de politiek-correcte pastoors die immers in hun eigen ideologische netten verstrikt zitten en we doen dat dan vanuit een volstrekte, onderbouwde superioriteit. We hoeven hen dan zelfs niet van antwoord te dienen en we kunnen doen wat zij zo graag met ons doen: hen doodzwijgen.

Conclusie: als de spraakmakende dames en heren niet langer bereid zijn om ons land, onze cultuur, onze beschaving te verdedigen, dan rust de plicht om de verdedigingsoorlog te voeren op ons.

Of we slagen of niet: ons geweten zal gerust gesteld zijn.

En dat is een heerlijk gevoel.

 

Jaak Peeters

Augustus 2016

 

 

 

 

11 juli 2016 – anders bekeken.

Vandaag is het 12 juli 2016. Doorstroming heeft de kans om zijn lezers op voorhand een prettige Vlaamse feestdag te wensen dus laten voorbijgaan. Laat die wensuiting hierbij alsnog geschieden.

De 11e juli van 2016 is dus voorbij. Goed maar ook, want dit was zowat het dieptepunt van de lange rij 11-julivieringen die ik heb meegemaakt. Eén dubbelzinnig interpreteerbaar woordje was voor de verzamelde meute voldoende om wat een dag van bezinning voor àlle Vlamingen zou moeten zijn in één klap te verknoeien tot een vulgaire scheldpartij aan het adres van zowat ieders politieke vijand van vandaag, vertegenwoordigd door de persoon van de Minister-president. Wie deze man ook maar een klein beetje kent weet wat hij bedoeld heeft en men moet over een heus behoorlijke dosis boosaardigheid beschikken om zijn hele boodschap te laten verdrinken in een bewuste misinterpretatie van één enkel woord.

Ik heb slechts diep misprijzen voor de media, die het vuige partijpolitieke spelletje meespelen van enkele gefrustreerde partijbonzen uit een formatie die ooit de lakens uitdeelde. Of die de kwakende belgitude van enkele zogeheten politicologen tot in het extreme uitvergroot. Of voor een ‘socialistische partij’, die zelfs niet eens begrijpt dat zijzelf vanuit haar eigen sociale visie een 11-juiviering zou moeten organiseren.

Toppunt was de uitspraak van Calvo. Terwijl die kerel lustig de vunzige onwelriekende pap mee oproerde, bestond dat sujet erin Bourgeois op de roepen om van 11 juli de feestdag van alle Vlamingen te maken – nadat hij dus eerst alle denkbare verdeeldheid had helpen stichten.

Als staaltje van cynisme kan dit tellen.

Men zou geneigd zijn 11 juli 2016 te karakteriseren als één om snel te vergeten. Laten we dat vooral niet doen. Laten we de verzamelde anti-Vlaamse vijand scherp in de gaten houden en terugslaan, zodra we daartoe een kans krijgen.

Eén overweging moge hierbij bemoedigend zijn. Men hoeft geen aanhanger van N-VA te zijn om te beseffen dat de strijd van allen tegen één die thans op de rug van Vlaanderen gevoerd wordt alleen maar de partij die door iedereen geviseerd wordt ten goede kan komen.

 

Terwijl eerlijke Vlaamsnationalisten zich ergeren aan de valse kwaadaardigheid van de lui die onze media misbruiken voor hun eigen mineure doelen, spelen zich in de buitenwacht grootse dingen af.

Wat in Doorstroming nog nooit is gebeurd, doet zich daarom in 2016 wel voor: Doorstroming neemt een artikel over uit een ander medium. Dat is in dit geval met een tekst van Gerard De Beuckelaer, die op 10 juli 2016 verscheen in Pjotr’s Dwarsliggers.

Gerard De Beuckelaer is ingenieur, was directeur bij BASF en is auteur van het boek Vlaanderen sterft. Dat boek hangt een angstwekkend doch helaas niet onrealistisch beeld op van onder meer de biologische neergang van Vlaanderen.

In het stuk dat in Doorstroming wordt overgenomen, schrijft hij op een indringende manier over zijn visie op de Brexit.

Ook uit zijn beschouwingen mag weer eens blijken welke intellectuele lichtgewichten onze media én politiek bevolken.

Doorstroming wenst zijn lezers veel genoegen bij het doornemen van dit zeer lezerswaardige stuk.

 

 

Europa quo vadis?
Onze elites zijn geschokt. Nu hebben ze het toch echt gedaan, die dekselse Britten! Wie had dat nu ooit gedacht? Mijnheer Cameron alvast niet! Hij had misschien in Oxford beter eens Goethe gelezen, meer bepaald de “Zauberlehrling”, in plaats van – overigens samen met zijn latere rivaal Boris Johnson – zijn tijd te verprutsen in een clubje van baldadige rijkeluiszoontjes. Enkel de twee lijnen “Die ich rief, die Geister werd ich nun nicht los” (de geesten die ik riep raak ik nu niet meer kwijt) hadden hem, indien begrepen, bakken ellende kunnen besparen. Maar gedane zaken nemen geen keer.

Inderdaad, de Britten laten zich niet zo gemakkelijk bang maken als ze met de rug tegen de muur staan. Ook al is dat vaak niets meer dan hooghartige pose, toch zou ons dat niet zo mogen verwonderen. Ergens moeten de Engelsen toch eigenschappen hebben die kunnen verklaren hoe dit relatief kleine volk ooit de wereld – minus Europa – kon regeren.

Nu woedt natuurlijk Europawijd de slag om de verklaring van het onverklaarbare. Daarin zijn wij Europeanen wereldkampioenen. We gaan de realiteit weer eens zo lang door de molens van onze rationaliseringsmachine draaien tot drie dingen perfect duidelijk zijn:

  1. Het is eigenlijk allemaal een misverstand.
  2. Het is niet onze schuld.
  3. Het komt wel in orde.

De hoofdzaak daarbij is dat gênante vragen en pijnlijke antwoorden tot ieder prijs vermeden worden.
Vanzelfsprekend is dat loepenreine bezigheidstherapie: het produceert geen spoortje resultaat, maar het werkt misschien wel therapeutisch… Nogal duidelijk dat wij dwarsliggers aan dat debat niet gaan deelnemen, maar proberen een beetje dieper te graven.

Wij weigeren weg te kijken van gênante vragen en pijnlijke antwoorden, en moeten dus noodgedwongen tot een iets afwijkende vaststelling komen:

  1. Het is absoluut geen misverstand.
  2. Het is heel zeker – ook – onze schuld.
  3. Het komt gegarandeerd niet in orde.

Hoezo?

Een beetje geschiedenis

De Europese geschiedenis is, in essentie, verschrikkelijk simpel. Bij het verdrag van Verdun, in 843, werd het rijk van Karel de Grote onder zijn drie kleinzoons verdeeld. Karel de Kale kreeg het Westelijk, sterk geromaniseerd stuk. Ludwig de Duitser heerste over het Oostelijk deel, waar de Franken hun oorspronkelijke Germaanse cultuur behouden hadden. In het midden bleef dan nog een onmogelijk smalle en lang gerekte rest, waar de culturele situatie niet zo duidelijk was. Dat kreeg de gedupeerde Lotharius, die eigenlijk de wettige erfgenaam was, en ter compensatie de – in die situatie waardeloze – keizerskroon mocht opzetten. Van toen af hebben het Oostelijk en het Westelijk rijk gestreden om het middenstuk te kunnen opsnoepen en om de Europese suprematie te verwerven. Het eerste is al heel gauw gelukt, maar het laatste nooit. De strijd tussen de vijandige broers bleef dus duren, ook lang nadat het middenstuk volledig verdwenen was. De kemphanen hebben zich daarbij onomkeerbaar zelf tot onbeduidende spelers op wereldniveau gereduceerd. Einde verhaal!

Maar… er was dan toch nog een derde. 32,3 km voor de Franse kust ligt een eiland. Het wordt bewoond door de afstammelingen van Angelen, Saksen, Schotten, Picten, Normandiers en nog meer Keltische en Germaanse volkeren. Het werd sterk door de Romeinen beïnvloed – maar niet echt geromaniseerd – en zowel direct als indirect (1066: invasie der Normandiërs) ook door de Vikings. Engeland verloor, na lange verbitterde oorlogen, zijn van de Normandiërs geërfd bruggenhoofd op het continent en scheen zich dan in ‘splendid isolation’ terug te trekken. Het land werd, ook in de middeleeuwen, op het continent zonder meer ernstig genomen, en dat niet enkel als wol exporteur. Reeds Karel de Grote heeft zijn munthervorming doorgevoerd in enge samenwerking met de Angelsaksische koning Offa. Maar niemand had, bij voorbeeld in de 15de eeuw, kunnen denken dat dit land nog eens ooit een heel belangrijke rol zou gaan spelen.

Dan moest ook het eiland zijn weg vinden uit de middeleeuwen naar de moderne tijd. Zonder dat we over een echte isolatie kunnen spreken werd dat toch een uitgesproken eigen weg, met heel specifieke, zelfs unieke accenten in de ontwikkeling van de maatschappij, de instituties en het zelfbeeld van de bevolking. Het had zijn heel eigen sociale problemen en reacties daarop. Dit werd de bakermat van een innovatieve zeevaart technologie, en uiteindelijk van de industriële revolutie. De ‘afstand’ tot het continent groeide. Die 32,3 km zijn gezichtsbedrog. Engeland ligt veel dichter bij Boston dan bij Calais!

Hoewel verregaand onbemerkt ligt het grootste onderscheid misschien op sociaaleconomisch vlak. Daar waar het continent zich bijna volledig aan Rousseau oriënteerde, volgden de Britten eerder John Locke. Rousseau gebruikt ‘rede’ en abstractie om de problemen te beschrijven en oplossingen te formuleren. Locke kijkt eerder naar de intuïtieve, zelfs instinctieve reactie van de mens in de maatschappij. Of noem het misschien gezond boerenverstand. Bij Rousseau vreest en volgt het volk de wijze overheid die de ‘volonté générale’ kent en vertegenwoordigt. Bij Locke vreest en volgt de overheid het volk, en van wijsheid is nauwelijks sprake, eerder van pragmatisme. Een groter verschil is moeilijk denkbaar. Daardoor ontwikkelden de Britten niet enkel de democratie zoals wij ze nu kennen, maar ook een soort radicaal liberalisme, zoals wij het op het continent nooit gezien hebben.

Vanaf het ogenblik dat Engeland een factor van betekenis werd in de Europese machtsstructuren hebben ze bestendig dezelfde strategie gehanteerd. Ze hebben bij Europese conflicten consistent de zwakste partij ondersteund. Met geld, als dat volstond, en met troepen als het niet anders ging. Daardoor konden ze, meestal met de inzet van relatief bescheiden middelen, beletten dat zich één macht in Europa kon doorzetten en eventueel hun insulair bestaan bedreigen.

Die typisch Britse, extreem pragmatische aanpak heeft honderden jaren goed gewerkt en Engeland de mogelijkheid geboden op bijna ieder gebied een enorme wereldwijde superioriteit uit te bouwen. Zowel financieel, bestuurstechnisch als industrieel stonden ze ver voor. Vooral op het water, logistiek en militair technisch, waren de Britten met grote afstand nummer één. Maar in de twintigste eeuw begon het te wringen. Het werd al vrij duidelijk in de Eerste Wereldoorlog, maar overweldigend klaar in de tweede: er was nu een niet Europese macht nodig om de Europese conflicten te beslechten. De flink uit de startblokken komende USA speelden die rol met bravoure.

De Eerste Wereldoorlog was voor iedereen een hallucinante ramp, ook voor Engeland. Het zag wel geen gevechten op eigen bodem, maar verloor in ‘Flanders Fields’ een complete generatie. Dit conflict, dat de wereldwijd leidende rol van Europa met een paukenslag beëindigde, begon eigenlijk eerder per ongeluk, door het complete falen van de Europese machtselite. De Tweede Wereldoorlog was een onnodige en onzinnige voortzetting van de eerste, met nieuwe en nog ergere verschrikkingen. Men kan hier eigenlijk niet over twee verschillende conflicten spreken: het waren enkel maar opeenvolgende fasen van hetzelfde proces. Er zullen nog altijd mensen zijn die deze zienswijze verontwaardigd van de hand wijzen, maar naarmate de afstand groeit komen de historici ieder jaar een beetje onverbiddelijker tot die overtuiging. Wij zien de geschiedenis wel graag als een epische strijd tussen goed en kwaad, maar naarmate, met de tijd, de realiteit de overhand krijgt op de emoties blijkt het allemaal minder simpel. Het is misschien betekenisvol dat ook hier weer Britse historici (bij voorbeeld Niall Fergusson) aan de kop van de beweging staan.

Europa ontwaakt

Na de Tweede Wereldoorlog lag er een verlammende angst over het continent. In een Europa waar het altijd al moeilijk geweest was over gelijk wat een brede overeenstemming te bereiken verscheen plots een zeer sterke door iedereen gedragen gedachte: zo iets verschrikkelijks mocht nooit meer gebeuren. Bovendien suggereerde de desolate puinhoop die was overgebleven de mogelijkheid, zelfs de noodzaak, van een radicaal nieuw begin. Daar was een breed draagvlak voor: ook bij de bevolking zat de schrik er flink en diep in.

In het universum beweegt niets zonder dat het wordt aangedreven door een potentiaal. En als er iets beweegt zijn er altijd weerstanden. Die twee samen, potentiaal en weerstand, bepalen de beweging volledig. Dat geldt even goed voor de vorming van een politieke wil als voor de beweging van een biljartbal. Het potentiaal dat de Europese consolidatie aandreef was oorspronkelijk hoog: het bestond namelijk uit angst voor nog eens een Europese oorlog. Daar is niets mis mee: angst is een zeer betrouwbare drijfveer. De weerstanden waren aanvankelijk relatief gering: de tijdsafstand tot de apocalyptische verschrikkingen was nog te kort om al een volledige heropbouw van de slechte gewoontes der politieke klasse toe te laten. Dat zou natuurlijk allemaal niet zo blijven.

Iedere tijd produceert de ideeën en de leiders die hij nodig heeft. In dit geval traden vooral Konrad Adenauer, Jean Monet en Robert Schumann op het voorplan. Ik noem ze de ‘founding fathers’ van het nieuwe Europa. Deze inschatting is natuurlijk aanvechtbaar, daar nog een tiental andere toppolitici ook belangrijke bijdragen leverden. Adenauer was een Duitser, meer precies een Rijnlander, met sterke Anglofiele instelling en het bij alle Rijnlanders sinds enkele eeuwen ingebouwde wantrouwen tegenover Pruisen. Hij had ook sterke banden met Frankrijk, en wist zelfs de iets of wat moeilijke De Gaulle – die van Anglofilie echt geen last had – in te palmen. De beide anderen waren Fransen, de eerste met een zeer sterke Britse beïnvloeding en de tweede met diepe Duitse achtergrond en oriëntatie.

Dat waren geen oppervlakkige dromers, maar ervaren, erudiete mensen. Ze wisten natuurlijk heel goed wat Bismarck in 1862 gezegd had: “…nicht durch Reden und Majoritätsbeschlüsse werden die großen Fragen der Zeit entschieden … sondern durch Eisen und Blut.“ (niet door redevoeringen en meerderheidsbesluiten worden de grote problemen van de tijd beslecht, maar door ijzer en bloed). Ze wisten ook wat daarvan gekomen was: eerst Königgrätz, dan enkele jaren later Sedan en uiteindelijk Verdun. In de context van hun eigen tijd moesten ze natuurlijk ‘ijzer en bloed’ vervangen door ‘kolen en staal’, want dat waren nu de grondstoffen zonder dewelke ieder gewapend conflict onmogelijk was. Dus werd in 1952, als eerste Europese institutie, de EGKS (Europese gemeenschap voor kolen en staal) opgericht. De partners waren: Duitsland, Frankrijk, Italie en de drie Benelux landen. Dat was een eerste grote en belangrijke stap, maar het was duidelijk dat het daarbij niet mocht blijven. Aanvankelijk ging de zaak goed vooruit. In 1957 kwam het verdrag van Rome tot stand. Daarmee werd de EEG (Europese Economische Gemeenschap), een echte vrije markt, geschapen. Bovendien werd Euratom opgericht. De EEG begon zich intensief met landbouw te bemoeien. Het resultaat was dat vrij spoedig niet enkel iedereen voldoende te eten had, maar er zelfs grote overschotten aan voedsel ontstonden die dan weer hun eigen problemen meebrachten. Daarbij verschenen – toen al – de eerste tekenen van de latere grote problemen. Dat nu iedereen voldoende te eten had viel niet verder op: dat was toch maar ‘normaal’. Eigenlijk een beetje bizar, nauwelijks tien jaar na de grote nood, maar zo kort is het geheugen van de massa. De melkzeeën en boterbergen die daarbij ontstonden echter, werden als exponenten van absurd wanbeheer verkocht en gezien. Ik heb toen vanwege onze regering geen enkele poging geregistreerd om de dingen te verklaren of in perspectief te stellen. De EEG bureaucratie praatte sowieso niet met ons burgers. Daardoor ontstond, toen al, de misschien niet helemaal maar toch wel gedeeltelijk correcte perceptie van een hooghartige elite die alles wilde regelen maar over niets echt ernstig nadacht.

De speciale situatie van de Britten

Vanaf het begin werd gekeken naar een deelname van het Verenigd Koninkrijk. Winston Churchill was daar een sterke voorstander van. Hij ijverde voor een ‘United States of Europe’. Maar de situatie van de Britten was niet eenvoudig. Het ‘Commonwealth’ was alles wat ze van hun vroeger imperium hadden kunnen redden en ze gingen daar dan ook heel voorzichtig mee om. Het Verenigd Koninkrijk was – in grote tegenstelling tot b.v. Frankrijk – al lang geen landbouwland van betekenis meer en importeerde traditioneel veel landbouwproducten uit het Commonwealth.  Botsingen met de Europese landbouwpolitiek waren voorgeprogrammeerd, een voor de meeste Europeanen volledig onbegrijpelijke Britse behandeling van die problemen eveneens. Bovendien hadden ze het financieel niet breed. Ze hadden wel – dachten ze – de oorlog gewonnen, maar daar een verpletterende schuldenlast aan over gehouden.

Het zou ons te ver voeren het volgend thema hier ten gronde uit te werken, maar het is toch te interessant om het gewoon over te slaan. Suikerriet is al eeuwen de Nemesis die boven de Britse politiek hangt! Het ongenoegen van de Noord Amerikaanse kolonisten over de richtlijnen van Whitehall dat uiteindelijk tot de Amerikaanse opstand en onafhankelijkheid leidde, had zich gedurende een flink stuk van de 18de eeuw langzaam opgebouwd over de handel in (suikerriet)molasse tussen de West Indische eilanden en het Amerikaanse continent. Het Britse parlement werd toen praktisch gecontroleerd door de ‘suikerbaronnen’ die schaamteloos hun eigen profijt maximeerden zonder enige aandacht voor ‘neveneffecten’. Sir Edmund Burke, jawel de filosoof, die toen ook in het parlement zetelde, waarschuwde in zijn nooit mis te verstane duidelijkheid voor de desastreuze gevolgen en pleitte voor een meer redelijke aanpak. Natuurlijk tevergeefs! De ruzie over bijkomende taksen op thee was dan enkel nog maar de vonk die het kruitvat in Boston deed ontploffen.

Net zo brisant bleek enkele eeuwen later het belangenconflict tussen de moderne Britse suikerbaronnen (Tate & Lyle) en de suikerbietboeren van het continent. De geschiedenis herhaalde zich dus, maar deze keer was er zelfs geen Burke om te waarschuwen.

De Engelsen zochten in 1960 een uitweg met EFTA (European Free Trade Association). Ze gingen daarbij een partnerschap aan dat, met de tijd, Zwitserland (inclusief Liechtenstein) en de Scandinavische landen (inclusief IJsland) en zelfs Oostenrijk omvatte maar ondertussen zeer gekrompen is. EFTA is een vrijhandelszone en geen tolunie zoals de EEG. Daardoor konden de Britten verder hun (riet)suiker tolvrij uit het Commonwealth blijven importeren, zonder dat de Zweden dat daarom ook moesten doen. Economisch is EFTA eigenlijk een succesverhaal. Desondanks bleven de Britten naar het Europees, meer politiek project lonken. Oorspronkelijk toonde vooral de conservatieve partij interesse.

Van het continent kwamen gemengde signalen. Duitsland was zeker aan een Britse deelname geïnteresseerd maar De Gaulle wilde er eigenlijk niet van weten, zonder dat ooit met zoveel woorden te zeggen.

In 1973 – De Gaulle was toen al overleden – onder de conservatieve regering Heath, trad dan het Verenigd Koninkrijk toe tot de EEG. Denemarken ging mee. Daarbij moesten ze natuurlijk de EFTA verlaten. Dat bleef in Engeland een omstreden thema. De socialistische regering Wilson organiseerde dan ook al in 1975 een referendum. Een ruime (?: 65% ) meerderheid stemde voor de EEG. Daarmee leek de zaak definitief beslecht, maar schijn bedriegt.

Gemiste kansen

De Europese beweging was nu 20 jaar oud en er waren ernstige alarmsignalen. Het oorspronkelijk elan was verdwenen. Er was ook geen duidelijke consensus meer over de richting. Wat moest het nu worden: een Europa der naties (vaderlanden), of een der volkeren, of een der Europeanen? Ook vandaag bestaat daarover absoluut geen eensgezindheid. Maar wat het ook zou worden; de nationale politici zouden macht moeten inleveren. In 1950 ware dat misschien mogelijk geweest: het potentiaal (de angst) was toen nog enorm groot en de nationale politici hadden zich nog niet zo knus in de zetels van de macht genesteld dat ze een onoverkomelijke hindernis gevormd zouden hebben. Bovendien werd de Europese idee door de bevolking toen breed gedragen. Nu, twintig jaar later, was het potentiaal gekrompen en de weerstanden waren enorm gegroeid. Het volk begon aan de vrede in Europa te wennen en ze voor een vanzelfsprekendheid te houden. Het gevolg was – natuurlijk – stagnatie.

Eigenlijk was de ramp toen al gebeurd. We hadden van het hoog aanvankelijk potentiaal gebruik moeten maken om snel een Europese grondwet te formuleren, democratische structuren te scheppen met een echt, uit Europese lijsten verkozen, Europees parlement (in contrast met een duur reizend circus zonder belang). We hadden een Europese Defensie, een Buitenlands politiek apparaat en een gemeenschappelijke munt, natuurlijk in combinatie met een gemeenschappelijk fiscaal stelsel, kunnen scheppen.

We ‘hadden’, maar we ‘hebben’ dus niet. Iedere zin met ‘hadden’ erin is eigenlijk bij voorbaat tot volkomen belangeloosheid veroordeeld. Zo ook hier! Enkel al door dat parlement, met hoge kosten verbonden, voortdurend tussen Straatsburg en Brussel te laten pendelen toonden we eigenlijk al dat we het geen moment ernstig meenden, dat we bereid waren de toekomst te verkopen voor het vrijwaren van vage symbolen uit het verleden.

Leven met stagnatie

De Europese overheid reageerde op de stagnatie zoals iedere overheid die de richting en het momentum kwijtgeraakt is: met koortsachtige – en dure – activiteit rond thema’s die er niet toe deden. Ze bouwden een immense bureaucratie op die zich, in detail, met alles en iedereen begon te bemoeien. Bij de historisch geïnteresseerden komt hier ongetwijfeld een herinnering aan de Oostenrijkse keizer Josef II, de keizer-koster, op. Die bemoeiingen hadden deels ergerlijke, deels bespottelijke resultaten. De dames en heren bepaalden onder anderen precies hoe een banaan er hoort uit te zien om ‘banaan’ genoemd te mogen worden. Het gevolg was dat de bananen die al eeuwen op Madeira geteeld worden nu plots – in Europe – geen bananen meer waren.

Een voorbeeldje dat ons grappig mag lijken maar waar veel Britse boeren niet om konden lachen vinden we bij het longhorn vee. De Europese bureaucraten laten wel de werkelijk belangrijke kernproblemen ongemoeid, maar proberen verder ieder detail te regelen, en dus ook het leven van ons vee. Ze hebben precies bepaald wanneer een koe ten vroegste mag geslacht worden, en ook wanneer dit ten laatste gebeurd moet zijn. So far so good! Ongelukkigerwijze heeft de evolutie, toen ze de longhorns vormde, vergeten inzage te nemen van de Europese regelgeving. Daardoor heeft de longhorn een ander, trager, levensritme dan ons gebruikelijk vee. Het gevolg daarvan was dat de longhorns – volgens de Europese richtlijnen –  nooit geslacht konden worden. Nogal vervelend voor een veeboer die slachtvee fokt. Natuurlijk is dat ondertussen rechtgezet, maar dat zijn van die fouten die een overheid nooit mag maken.

De ramp van 1968

Er gebeurden ondertussen ook nog andere rampzalige dingen. 1968 kwam en ging. De tijdsgeest veranderde drastisch en begon aan de postmoderne ziekte te lijden: weg van de realiteit, op naar een postmoderne definitie van de werkelijkheid, namelijk dat wat wij allemaal samen voor werkelijkheid houden en als dusdanig declareren. Waarheid en gerechtigheid werden ‘sociaal’ gedefinieerd en waren nu kwesties van ‘communicatie’. Perceptie is alles, inhoud onbelangrijk. Die evolutie ging binnen de ‘Eurocratie’, ver af van het soms heel heilzaam gezond verstand, annex wantrouwen, van het volk natuurlijk nog veel sneller dan elders.

De moderne ‘topics’, die na 68 bij een wild expanderend groen-links populair werden, kregen nu alle aandacht. Ecologie, mensenrechten (maar dan wel exclusief zoals wij ze zien), de kwaliteit van voedsel en huishoudapparaten en meer recent ook het klimaat kregen de steeds bedilleriger wordende aandacht van een gestadig groeiende Europese bureaucratie. Een ware vloedgolf van voorschriften rolde over Europa. Verkocht werd dat allemaal onder het label ‘goed voor de mensen’ (kon van Stevaert zijn). Wat een absurde grap! Eigenlijk werden we gewoon tot onmondige kinderen verklaard en ook zo behandeld. Dat pedant gekrijs moest overal in de nationale wetgeving ingepast worden, of het nu knarste of niet. De lokale heersers waren daar niet rouwig om. Het ging meestal om dingen die ze zelf ook wel wilden, maar uit schrik voor het gezond verstand van hun electoraat niet durfden invoeren. Nu konden ze met een onschuldig zuinig gezicht naar Europa wijzen. Dat deden ze met veel overtuiging, en ook wel eens in gevallen waar Europa er niets of nauwelijks mee te maken had

Soms vorderde Europa ook dingen die wel zinvol waren, bij voorbeeld budgettaire discipline. Dat was voor de lokale baronnen geen hinderpaal. Het was enkel nodig voor flagrante overtredingen een goede uitleg te vinden en de zaak werd door Europa met de mantel der liefde bedekt. Natuurlijk lieten onze dorpspolitiekers het niet na luid te verkondigen dat ze het – ruim voorhanden??? – geld wat graag over de hoofden van hun plebs zouden uitstrooien, indien daar niet die weerbarstige achterlijke Eurocraten waren, die meenden streng op soberheid te moeten aandringen.

Daardoor stookten ze onder de bevolking afkeer tegen Europa. En er was geen mogelijkheid die afkeuring via de stembus te tonen. Daarvan profiteerden dan natuurlijk populisten, die soms nogal lichtvaardig ‘rechts’ genoemd worden.

We zien hier al duidelijk een onmiskenbare decadentie van de Europese gedachte, maar het wordt nog erger als je aan het leidend personeel van dat circus denkt.

 

Personeel

Straatsburg en Brussel hebben zich ontwikkeld tot de containerparken van de Europese politieke partijen. Alles wat lokaal onverkoopbaar geworden is wordt daar gedumpt en gerecycleerd tot Europese beleidsmaker, die dan gedurende zijn tweede leven ongegeneerd kan besturen zonder de hinderlijke inmenging van de kiezer. Hier komen de hondsbrutale jochies van 68 aan, na hun ‘lange mars door de instituties’. Hier kunnen ze, door een odium van respectabiliteit omgeven, hun driftige regelwoede ongeremd botvieren.
De resultaten zijn grotesk en de omgang van de machtigen met iedere spoor van kritiek huiveringwekkend. Nog onlangs zegde Herman Van Rompuy: “Ik moet altijd lachen als men over het democratisch deficit van de EU begint“. Zo kunnen we het natuurlijk ook zien: als protesteren en klagen niet meer helpt kunnen we nog altijd – een beetje wrang – lachen. Of zou Van Rompuy het toch anders gemeend hebben? Waarschijnlijk wel! Mijn vrouw woonde enkele maanden geleden een lezing van hem bij. Volgens hem was alles in Europa in de best mogelijke orde: “tout va bien dans la meilleure des mondes”; Panglos in topvorm! Natuurlijk vindt Van Rompuy het niet erg als zijn pedante gezellen het vermogen van stofzuigers beperken: hij zelf zuigt wel nooit stof, dat doet zijn werkvrouw. Ondertussen zijn ze weeral bezig het design van … broodroosters ingewikkelder, duurder en gevoeliger voor mankementen te maken. Echt waar beste lezer: dit is geenflauwe grap maar bittere realiteit.

De vlucht vooruit

Einde der jaren 80 werd het zelfs voor de door de macht benevelde Eurocraten duidelijk dat het momentum van de Europese beweging door hun vingers glipte en bijna verdwenen was. Er moest dringend iets concreets gebeuren. Het verdrag van Maastricht moest de grote stap vooruit worden. Daar werd de Europese Unie boven de doopvont gehouden. Dat betekende een drastische uitbreiding van de bevoegdheden van Europa. Ergens moeten ze toch aangevoeld hebben dat er een democratisch probleem was: ook aan de bevoegdheden van het parlement werd gesleuteld. Maar dat bleef verregaand cosmetisch.

Natuurlijk was er vooral nood aan iets tastbaars. Het vrij personenverkeer binnen de unie (Schengen) was al een heel goede zaak waar de burgers direct iets aan hadden. Het prestigeproject echter werd de gemeenschappelijke munt: de Euro. Dat was natuurlijk een uitstekend idee. De Euro bracht zowel belangrijke voordelen voor de handel als een direct voelbare vereenvoudiging van het leven van de burgers. Maar… ik weet nu werkelijk heel weinig over economie. Dat beetje volstaat echter volkomen om te begrijpen dat een gemeenschappelijke munt zonder gemeenschappelijke fiscale politiek gedoemd is om tot grote problemen te leiden. Het was niet zo dat de protagonisten van toen dat niet beseften. Ze zagen heel goed dat ze bezig waren één munt te scheppen voor twee totaal verschillende werelden: Noord en Zuid Europa. Ze wisten perfect dat ze de middelen niet hadden om het Zuiden de noodzakelijke discipline op te leggen. Door mijn toenmalige contacten heb ik persoonlijk kunnen observeren dat de samenhangen zowel kanselier Helmuth Kohl als de Duitse ‘haute finace’ glashelder voor ogen stonden. Maar ze trokken er verschillende conclusies uit. De ‘haute fincance’ bleef sceptisch en Kohl koos voor ‘verstand op nul, blik op oneindig, en avant la musique’. Hij gokte erop dat, als de eerste problemen zich manifesteerden, de nationale leiders de noodzaak zouden zien om een deel van hun macht in te leveren en dat het dan snel zou gaan. Kohl geloofde in het scheppen van voldongen feiten. Natuurlijk kreeg hij – zoals altijd – zijn zin. Europa volgde hem. Maar hij heeft zich vergist: het debat dat – volgens hem – rond 2006 tot veranderingen had moeten leiden is zelfs vandaag nog niet eens ernstig begonnen. De Britten besloten niet mee te doen. We willen ze het voordeel van de twijfel geven en aannemen dat ze, na hun vijf met Europa afgesproken testen, de bui zagen hangen.

Wat moest gebeuren gebeurde dan ook en de crisis die voorgeprogrammeerd was verscheen heel stipt op de afspraak. Ze is – ook vandaag – noch verteerd noch zelfs maar opgelost. De Euro ‘vliegt’ nog altijd, maar kent geen natuurlijk evenwicht. Hij moet doorlopend door kunstmatige ingrepen in leven gehouden worden. Die ingrepen gaan soms wel eens over de rand van de werkelijke gekende wetmatigheden en zijn dus ronduit gevaarlijk. Indien we het stuur ook maar één seconde loslaten stort het ding neer. De Euro, die de grote moraal booster had moeten worden, leverde de Europeanen dus minstens gedeeltelijk weer een ontgoocheling en een lopende zorg op.

Een Europese grondwet

Ongeveer terzelfder tijd begonnen onze grote leiders te merken dat we nog geen Europese grondwet hadden, wat misschien toch wel nodig was. Dat is natuurlijk waar. Om een politieke eenheid te kunnen vormen is iets meer nodig dan handelsverdragen en het verbod van gloeilampen. We moeten daarvoor een gemeenschappelijk beeld ontwikkelen dat niet enkel toont wie en wat we zijn, maar ook wie en wat we willen worden. Daarvoor moeten we weten waar we vandaan komen, hoe onze cultuur zich ontwikkelde, wat onze – gemeenschappelijke – waarden zijn en de principes waar we samen voor willen staan, waar onze prioriteiten liggen etc. Dat allemaal samen kan dan een grondwet vormen, een concept, een soort ontwerp. Daaruit kunnen we dan afleiden wat we allemaal samen willen doen en hoe we dat willen aanpakken. Maar we moeten ook even duidelijk zeggen wat we gescheiden willen houden en waarom. Pas dan kunnen we ons gaan organiseren om op een democratische manier wetten en regels te maken, en ze door een overheid te laten uitvoeren. Wij hebben dat echter in de omgekeerde volgorde aangepakt, en dus zaten we in de jaren tachtig met hopen regels en een overheid, maar zonder grondwet. Daar moest dus verandering in komen. Dat bleek echter allerminst eenvoudig. Wij Europeanen hebben inderdaad veel en belangrijk erfgoed dat ons verbindt. Bij voorbeeld de klassieke pijlers: Griekse filosofie, Romeinse wetgeving en – als sterkste element – Joods Christelijke cultuur. Maar er is ook veel dat ons scheidt, individueel verschillend maakt. Dat hoeft geen probleem te zijn, helemaal in tegendeel! Je hoeft maar naar het jaarlijks volksdansfestival van Schoten te gaan om de bonte verscheidenheid van onze culturen te genieten en als echte rijkdom te ervaren. Maar die diversiteit vereist wel een kiese, omzichtige behandeling. Pas als we ieders identiteit werkelijk respecteren kunnen we tot een eenheid groeien. Dat blijkt niet eenvoudig. Het grootste probleem daarbij vormen niet de nationalisten met oogkleppen, maar de zelfvoldane ‘wereld open’ postmoderne denkers. Om te beginnen willen die van geen Joods Christelijke cultuur weten. Daarmee sluiten ze al meteen het sterkste bindmiddel voor hun constructie uit. Verder hechten ze, als fanatieke volgelingen van Rousseau, een totaal overdreven belang aan die ‘égalité’. Ze gaan wel – verbaal – de diversiteit loven, maar ze streven naar de kleurloze smakeloze eenheidsbrei: de nieuwe mens die ze denken te moeten maken. Dat laatste is ook een nogal pretentieuze ambitie die geen schijn van kans heeft om in de praktijk te werken. Al het etnische en tribale verfoeien ze. Ze vinden dat achterlijk Ze willen het allemaal doen zonder het cement dat gedurende tienduizenden jaren de maatschappij bijeenhield. Van hoogmoed gesproken… Van een identiteit willen ze helemaal niet weten: dat is het reinste fascisme. Maar ogenblikje! Na de schok van de Brexit blokletterde de Financial Times: “Brexit: Identity trumps economics.” (Brexit: identiteit overtroeft economie). Tja, als zelfs de Financial Times iets meer belangrijk vindt dan economie, dan moeten we daar toch echt eens over nadenken.

Ook met het verleden hebben ze een zeer gestoorde verhouding: vroeger was alles slecht, waarom daar nog een gedachte aan verspillen? Onze ex-premier Guy Verhofstadt, een van de protagonisten van de postmoderne Europese elite formuleerde het zo: “Het is niet interessant te weten waar we vandaan komen. Belangrijk is enkel te weten waar we naartoe willen.” Hij miste hier een kleinigheidje. Iemand die niet weet waar hij vandaan komt kan ook niet echt weten waar hij nu is, en nog minder waar hij heen gaat. Hij zal dat natuurlijk eerst merken als hij denkt dat hij aangekomen is… Nu, volgens Verhofstadt en zijns gelijken is dat nog altijd ruim op tijd.

Het klinkt paradox, maar nuchtere analyse toont het genadeloos: onze grote postmoderne geesten schijnen zelf iedere dwaasheid die hun luid verkondigde visie in de weg kan staan te mobiliseren.

Het werd dus niets met die grondwet. Maar niet getreurd: onze Eurocratie is vindingrijk. Ze bundelden een aantal besluiten en besluitjes die vroeger genomen waren, noemden dat Grondwet en presenteerden het in 2007 in Lissabon aan 27 regeringsleiders die deden of ze het geloofden. De Ieren begingen, door hun eigen grondwet gedwongen, de duidelijke onvoorzichtigheid die ‘Grondwet’ in de vorm van een referendum aan hun volk voor te leggen. Die schoten het ding prompt af, omwille van de verkeerde redenen maar volkomen terecht. In Hongarije was er ook nog een debacle. Dat is dan maar niet meer geprobeerd. Tot zover de democratie, die wij voor alle anderen zo sterk aanprijzen en in het Midden Oosten zelfs met bommen willen afdwingen.

Dan werd het stil rond die grondwet. Zoals zoveel in Europa verdween ze geluidloos uit het schijnwerperlicht. We hebben er nochtans dringend een nodig. Dat is laatst nog duidelijk gebleken toen de Europese Commissie stappen ondernam tegen de Hongaren en Polen, die vermetelheid hadden regeringen te kiezen die zich tegen de postmoderne trends van Brussel verzetten.

Dan maar in de breedte

De situatie werd verergerd doordat de EU besloot koortsachtig in de breedte te groeien, nu de weg in de diepte zo duidelijk versperd bleek. Dat was zowel voor het EU lidmaatschap als de Eurozone het geval. Alsof dingen die we met zes niet voor elkaar kregen met 28 ineens wel zouden gaan! Die ‘uitbreiding’ had vaak ook doelen die niets met Europese belangen te maken hadden. Boze tongen beweren dat Roemenië en Bulgarije, die langs geen kanten klaar waren voor een lidmaatschap ‘beloond’ moesten worden voor hun steun aan de USA in Afghanistan en Irak, en bovendien een bijdrage moesten leveren aan de expansie van de NATO in richting Zwarte Zee. Ook de ‘onderhandelingen’ met Turkije, die zelfs een kind als cynische smakeloze grap kan ontmaskeren zijn in dit kader te plaatsen.
Bij die ‘uitbreidingen’ zijn we er zelfs niet in geslaagd ook maar de meest primaire zorgvuldigheid aan de dag te leggen. Toen de Grieken in 1981 de EEG bijtraden hebben ze al met de boeken geknoeid. Ze werden betrapt en speelden voor een jaar hun subsidies kwijt. De Grieken leerden daar iets uit, namelijk dat ze bij het vervalsen van de boeken professioneel te werk moesten gaan. Toen het erop aankwam de Eurozone bij te treden huurden ze Goldman Sachs in om de fraude door te voeren. Iedereen wist dat, ook in de Verenigde Staten waar ik op dat moment woonde. We wisten zelfs wat de Grieken voor dat ‘advies’ betaald hadden: 63 miljoen $. De Europeanen echter hadden, in tegenstelling tot de Grieken, uit de incidenten van de jaren 80 niets geleerd. Bovendien vinden de postmoderne voordenkers dat men niet mag stigmatiseren. Stereotypes en profielen zijn helemaal uit den boze, wat ons ook met ons terreurprobleem niet bepaald helpt.  Bijzondere aandacht voor de Griekse boeken leek dus ongepast, op de rand van het racisme. Zo kon het dan gebeuren dat de Europese Commissie en de Europese nationale regeringen waarschijnlijk de enige mensen op de wereld waren die niet merkten dat de Grieken de goegemeente belazerden. Didier Reynders, die toen de Belgische minister van financiën was, heeft in een opmerkelijke vlaag van oprechtheid achteraf, nadat de Griekse bom gebarsten was, toegegeven dat hij het wél wist. Maar hij had het blijkbaar niet belangrijk genoeg gevonden om het in het kabinet ter sprake te brengen. Guy Verhofstadt, die toen Belgische premier was, beweert namelijk bij hoog en bij laag dat hij nooit kennis van die dingen had. En wie zou nu aan het woord van Verhofstadt durven twijfelen? Waar hadden we dat al eens eerder gehoord: “Wir haben es nicht gewußt”? Ik vertel U deze anekdote enkel om te tonen hoe ‘ernstig’ Brussel (zowel Belgisch als Europees) zijn bedrijf beheert.

Maar pas helemaal over boord gegaan zijn we met Oekraïne. Een groepje EU bonzen, daaronder – weer eens – even onvermijdelijk als prominent onze onvolprezen nationale ramp Verhofstadt, trok naar Kiev om de daar putschende oligarchen een hart onder de riem te steken en gouden bergen te beloven, onder anderen in de vorm van een associatieverdrag. Rusland heeft nu al tientallen jaren een sluipend indrukken van zijn invloedssfeer verdragen, maar ik denk toch niet dat iemand die nog volledig bij zijn verstand is ook maar één moment kon aannemen dat de Russen de gedachte aan een NATO basis in Sebastopol zonder meer zouden wegsteken. Poetin nam dan ook onmiddellijk effectieve maatregelen. Dat associatieverdrag is ondertussen door de Nederlanders, die via de ramp met MH 17 directe slachtoffers van de Oekraïense situatie geworden zijn, met klank afgewezen. Ik ben erg benieuwd wat voor slimmigheden ze daar nu weer uit de kast gaan halen om die niet mis te verstane democratische uitspraak onder de mat te vegen. De cijfers waren hier namelijk veel duidelijker dan bij de Brexit afstemming. In ieder geval zijn we daarmee tegenover de Russen ver over de rode streep gegaan en dat heeft ons een verzuring van de betrekkingen opgeleverd die we echt niet konden gebruiken. Onze pers, die zo dociel systeem horig is dat ik hem niet meer vrij of democratisch kan noemen, haalde de oude film van ‘de goeden tegen de slechten’ onder het stof vandaan en speelde die zo onvermoeibaar af dat een aanzienlijk deel van de bevolking inderdaad weer begon te geloven dat wij – zoals altijd – aan de goede kant staan. Weliswaar met lege handen en lege zakken, maar we staan er.

De geschiedenis herhaalt zich: politieke systemen die thuis hun zaakjes niet in orde krijgen proberen dat te verdoezelen door ergens anders onrust te gaan stoken. Europa is de laatste jaren dus een offensief begonnen om zich op het internationaal vlak te profileren. Vooral onze recente ‘tussenkomsten’ in verband met het Midden Oosten (Libië, Syrië) getuigen van een schrijnend, bijna onbegrijpelijk realiteitsverlies. Onze extreem wereldvreemde ingrepen hebben daar problemen gecreëerd en verergerd die ons dan in de vorm van een immense migratiegolf bitter terugbetaald werden. Verstaanbaar is dat natuurlijk allemaal: toegepast postmodernisme. Maar als een Europese buitenlandse politiek er zo uit moet zien kunnen we er misschien toch maar beter geen hebben.

De knal

Na dit zondenregister zouden we kunnen denken: Europa heeft gefaald en blijft maar falen. De Britten hebben dat duidelijk gezien, en besloten hier niet verder energie in te steken en het lot van hun land weer volledig zelf in handen te nemen. Ze kunnen maar beter hun traditionele banden met de USA weer sterker aanhalen. Het zou mooi zijn indien de wereld zo rationeel ineen zat, maar de werkelijkheid is jammer genoeg anders.

Het proces zelf van het Brexit referendum was democratisch, daarover kan geen twijfel bestaan. Maar over de opportuniteit van een referendum valt heel zeker te discussiëren. Nog onlangs las ik in Der Spiegel een artikel van de columnist Jacob Augstein, zo’n link(s)e jongen. Hij schrijft daarin: ”Wer Demokratie will, darf die Menschen nicht direkt befragen.“ (Wie democratie wil mag de mensen niet direct vragen). Dat is de typische elitaire minachting van de linkse intellectueel die vanuit zijn ivoren toren op het volk neerkijkt. Ik ben het daarmee grondig oneens en denk dat we de soeverein, het volk, toch ook een beetje moeten vertrouwen. Maar dat kan natuurlijk ook verkeerd aflopen, en tegenwoordig, in onze moderne, van ‘communicatie’ bezeten, maatschappij, nog veel gemakkelijker dan vroeger.

Bij ons concreet voorbeeld Brexit is zowat alles scheef gelopen wat kon scheeflopen. Om te beginnen was de motivatie niet zuiver. Het doel van dat referendum was niet de mening van het Britse volk over het lidmaatschap in de EU te vragen, maar de strijd binnen de Conservatieve Partij te beslechten, zodat ze eindelijk zouden kunnen beginnen met regeren. Alleen al omdat mijnheer Cameron om geen betere reden lichtvaardig een zo zwaar risico nam verdient hij het uit Downing Street verjaagd te worden.

Bovendien zijn de kiezers driest belogen en bedrogen. Vooral het ‘leave’ kamp heeft luidsterk cijfers en ‘feiten’ gehanteerd die kant noch wal raken, wat ze al vlak na de verkiezing ook nog openlijk toegaven. Sommigen noemen dat populisme, maar ook dat is listige manipulatie. Bedrog is gewoon bedrog, punt!

Mijnheer Augstein zal nu zeggen: “Zie je wel: het volk kan te gemakkelijk misleid worden.” Maar ogenblikje: die Boris Johnson is inderdaad een hondsbrutaal, ziekelijk ambitieus en gewetenloos jochie. Maar het was niet alleen het volk dat erin trapte. Hoe kon die man binnen de Conservatieve Partij opstijgen tot burgemeester van Londen en als kandidaat premier gehandeld worden als hij niet, naast het volk, ook de partijelite – professionele politici dus en volgens mijnheer Augstein competenter en minder gemakkelijk te bedriegen –  in zijn ban had gebracht?

Nigel Farage is ook zo’n clown, maar nog veel primitiever en giftiger. Alhoewel… toen hij zijn collega’s Europese parlementsleden toeriep “Jullie hebben nooit een ernstige job gehad” was hij – per grote uitzondering – misschien wel dichter bij de waarheid dan ons allen lief is. Bij die bullebak kan men eigenlijk niet redelijk verwachten dat hij iets objectiefs ventileert. De statistiek dicteert dat er altijd een aantal mensen zijn die daar desondanks achter lopen. Dat feit aanvaarden hoort ook bij goed begrepen democratie.

Dan waren er ook bij de ‘leave’ stemmers zeker veel die eigenlijk niet bereid waren echt in het koude water te springen, maar “het die in Brussel eens duidelijk wilden tonen”, er vast op rekenend dat het ‘remain’ kamp toch zou winnen. Die hebben gekregen wat ze verdienden. Postmoderne listigheid (eigenlijk een pleonasme) in democratische processen moet bestraft worden.

Maar het is niet redelijk te stellen dat, indien alles eerlijk en rechtlijnig afgelopen was, er een andere uitslag geweest zou zijn. Het zondenregister van de EU is, hoe je het ook draait, tamelijk indrukwekkend.

Dit was dus – weer eens – geen strijd van goed tegen kwaad, maar van dom tegen boosaardig. Er is nu geen weg terug, en of dit voor de Britten een historische miskleun was of net een verstandige zet nog zal moeten blijken.


En nu?

Theoretisch is het mogelijk hier nog een positief effect uit te halen. We zouden nu, geschokt, kunnen vaststellen dat we met Europa op de verkeerde weg zijn, ons bezinnen over wat er beter had gemoeten en een nieuw begin uitwerken. Maar ‘zouden’ in een zin is al even erg als ‘hadden’; we ‘zullen’ namelijk niet! De eerste reacties tonen dat al duidelijk aan. Er formeert zich al een kamp van revanchisten die zich vast voorgenomen hebben de Britten, in de onderhandelingen die nu wel moeten komen, ‘eens duidelijk op hun plaats te zetten’. Eigenlijk een zonder meer te verwachten reactie van het postmoderne grote gelijk. Uit Frankrijk komen al stemmen om het Engels nu niet langer als een der drie officiële Europese talen te hanteren. Het Romaans cultuurimperialisme is weer terug van – heel eventjes – weg geweest. Niets geleerd uit 1200 jaren Europese geschiedenis!

Die onderhandelingen worden overigens een nachtmerrie voor iedereen, maar vooral voor de nog-EU leden. Het grootste probleem zal blijken dat wij met 28 zijn. Vergeet niet dat de Britten er eeuwen ervaring mee hebben tweedracht onder de continentale machten te zaaien. En ze hadden niet altijd de luxe dat die met 28 waren.

Onze Eurocratie weet ondertussen wat nu nodig is: meer van hetzelfde, meer Europa. Over democratische legitimatie hoor ik geen piep. Ook niet over manieren om met de Europese diversiteit (en ik bedoel hier niet de geïmporteerde, waarvoor meer dan voldoende aandacht is, maar wel de oorspronkelijke), de verschillende culturen en mentaliteiten verstandig om te gaan. Niets geleerd uit 65 jaar Europese beweging!

Europa ligt ‘dood in het water’ en we hebben het bitter nodig, meer dan ooit. Een intra-Europees gewapend conflict is inderdaad onwaarschijnlijker geworden. Niet omdat we verstand zouden gekregen hebben, maar omdat wij ons zelf met ons postmodern beleid zo verzwakt hebben dat we gewoon niet meer kunnen vechten. Maar er zijn nu nieuwe elementen, onder anderen de globalisering, die zich zullen doorzetten, volledig onafhankelijk van wat wij denken of willen. Bovendien is daar ook nog altijd de wereldwijde opmars van een militante Islam. Het is vandaag meer dan ooit een waarheid als een koe: we zullen Europees zijn of we zullen niet zijn. Maar niemand schijnt dat echt te begrijpen, de voorstanders van de EU even min als de opponenten.

We kunnen alleen nog geduldig wachten en hopen op een mirakel. Dat lijkt me geen bijzonder beloftevolle strategie, maar ik zie geen andere.

Bij het begin van dit stukje heb ik mijn inschatting van de Brexit samen gevat als volgt:

  1. Het is absoluut geen misverstand.
  2. Het is heel zeker – ook – onze schuld.
  3. Het komt gegarandeerd niet in orde.

Q.E.D.

Uw dwarsligger