De kerk in het midden?

Een beschaafd mens hoort kies te zijn in zijn uitspraken. Zeker als er medemensen door religieuze fanaten koelbloedig vermoord werden. Er is gewoon geen verantwoording mogelijk voor wat in Parijs op 7 januari 2015 gebeurd is. Zulke dingen kunnen niet. Niet in 2015, niet in 1940, niet in 1914 en niet tijdens de godsdienstoorlogen.

Commentatoren gaan krampachtig op zoek gaan naar een antwoord op de vraag: hoe kon zoiets gebeuren? Had dit kunnen worden voorkomen?

Nu kun je zeggen dat sommige perslui nogal grof zijn in hun uitingen. Het satirische blad dat nu doelwit was, heeft wel vaker op het randje van het welvoeglijke gebalanceerd.

Dat verandert niets aan de zaak op zich, maar het roept wel andere overwegingen op.

Die overwegingen zijn pijnlijk.

Ik heb op NOS en VRT debatten over de verschrikkingen in Parijs gevolgd. Daarin zijn vele zeer wijze en heel juiste dingen gezegd.

Eén van de uitspraken die beklijft is dat jonge Islamieten in een nihilistisch Europa dat elke identiteit bestrijdt verloren lopen en alleen nog aan een felle kik genoeg hebben om zichzelf een identiteit aan te meten. Ze komen vanuit een cultuur die nog in de premoderniteit vasthangt recht in een laat-moderne en in sommige opzichten zelfs postmodernistische tijd terecht. Er is een onoverbrugbare kloof tussen een wereld waarin de Ultieme Waarheid geldt, met aan het hoofd in een of andere godheid aan de ene kant en een wereld aan de andere kant, waarin een – met permissie – charlatan als Derrida kan zeggen dat er geen waarheid bestaat en mensen in teksten of verhalen leven, die nergens beginnen of eindigen. Of nog: een wereld waarin een Verhofstadt identiteit kan wegzetten als de aanzet tot vijandigheid of zelfs de aanleiding tot de gaskamers.

Wie vanuit Algerije, waar hij op een duidelijke identiteit terug kon vallen, terecht komt in een wereld waarin zulke dingen openlijk verkondigd worden, raakt al makkelijk elk spoor bijster.

Mijn punt is dat wie een probleem wil aanpakken, dat in zijn volledigheid moet doen.

Welnu: na de bovenstaande inleiding wil ik op drie punten wijzen.

Ten eerste: is het niet wat simpel om de aanslag in Parijs en soortgelijke die ongetwijfeld nog zullen volgen in hoofdzaak toe te wijzen aan het nihilisme in onze maatschappij? Is het niet eerder zo dat dit nihilisme – waar ik me helemaal niet mee kan verzoenen – weliswaar de prooi gereed legt, maar dat het bespringen van die prooi toch nog wat méér vereist?

In West-Europa (In Oost-Europa liggen de zaken nog anders) is de godsdienst al decennialang naar de privésfeer gedrongen. We zijn terecht gekomen in een seculiere maatschappij. Dat heeft inderdaad een leegte geschapen, maar de moderne, geëmancipeerde en geschoolde mens wordt geacht die leegte zelf op te vullen. Dat gebeurt vaak wel, zij het niet altijd op de beste manier. Maar zo is de stortvloed van holistische, oosterse en new-agetoestanden wat beter te begrijpen. Men begrijpt waarom mensen op zoek gaan naar hun voorouders en zich op de genealogie werpen. En men begrijpt ook waarom sommigen zich in zacht en nog anderen zich in sterk nihilisme wentelen. De enen gedragen zich als bange mussen, hopend dat ze door hun low-profile de dans zullen ontspringen. De anderen meten zich een identiteit aan door te schoppen, zoals Onno in het verhaal van Harry Mulisch.

Echter: is er onder ons iemand die zich tot het soort moordpartijen zoals in Parijs aangezet voelt?

Daarom is mijn positie dat de aard van de Islam – of sommige delen daarvan – zelf aanleiding is tot dit soort misdaden, op dezelfde manier als het religieus fanatisme in de zeventiende eeuw tot veldslagen leidde.

Is het niet verbazend dat Moslimorganisaties zich haasten om ons uit te leggen dat ‘de’ Islam zulke misdaden niet beoogt? Waarmee ze ons duidelijk maken dat dergelijke uitwassen er wel degelijk zijn. Terwijl er intussen door IS bij de vleet misdaden tegen de menselijkheid worden gepleegd. Bij mijn weten worden dit soort misdaden niet door katholieken of protestanten gepleegd.

Dat brengt me bij mijn tweede punt.

Al enkele decennia lang worden politici en politieke strekkingen die voor dit soort toestanden waarschuwen als extreemrechts weggezet. Wie erop wees dat er agressieve componenten in de Islam verborgen zitten, werd onverdraagzaam genoemd en werd het slachtoffer van wetten tegen racisme – wat dat laatste ook moge betekenen. Hele strekkingen werden in een heus ‘cordon’ opgesloten en de architecten van deze ondemocratische opstelling werden met een staatsministerschap beloond. Ik schrijf ‘wees’. Maar het is nog steeds zo. De Wereld Morgen sluit zich aan bij een Europese vereniging “contre la Islamophobie”. Nog steeds worden autochtonen die waarschuwende geluiden laten horen of hun ongenoegen uiten afgedreigd met straffen door een ad hoc-wetgeving en zijn er persmedia die als een heus systeem het bekladden van autochtonen door allochtonen tot hun mediatieke plicht schijnen te rekenen.

Maar heeft iemand van die geniale journalisten en hun politieke geestesgenoten er ooit al eens aan gedacht dat die waarschuwingen misschien een grond van waarheid zouden kunnen bevatten? En dat men die waarschuwingen dus ernstig moet nemen in plaats van ze weg te honen als xenofobie of racisme? Als het journaille dat nu in zijn hart is getroffen wat ruimdenkender was omgesprongen met mensen wier opvattingen zij zelf niet meteen delen, dan had de politiek misschien de ruimte gekregen om preventieve maatregelen te nemen.

Zo kom ik op mijn derde punt.

Het journaille is in zijn hart getroffen. Dit is wel héél duidelijk. Men name een blad dat zogenaamd de vrijheid van meningsuiting belichaamt is het directe doelwit van een bewuste moordaanslag geworden. Waarom? Omdat dit blad meningen verkondigt die voor extreme Islamieten onaanvaardbaar zijn en dus niet zouden mogen geuit worden.

Doch als de journalistiek op z’n zachtst nogal selectief is bij de uitoefening van zijn mediatieke plichten, ontkomt men niet aan de gedachte dat die vrijheid van meningsuiting vooral de vrijheid is om hun mening te uiten – maar niet die van mensen, met wier mening zij zich niet verzoenen kunnen.

Mutatis mutandis en overtrokken gezegd moet ik dan de moordenaars meegeven dat ook zij die vrijheid voor hun waarheid en hun mening opeisen. Dat verantwoordt hun moordpartij niet, maar het doet wel denken. Hun mening is even onverzoenlijk met de opvattingen in het bedoelde blad als de mening van de journalisten die botsten met wat zij dan maar ‘extreemrechts’ noemen. Als extreme standpunten niet mogen, dan geldt dat voor elk extremisme.

Waarom heeft men de kerk niet veel eerder consequent naar het midden gehaald?

Jaak Peeters

Januari 2015

Komt U ons veroveren? Essay over de positie van Abou Jahjah.

 

Komt U ons veroveren?

Over de visie van Abou Jahjah.

 

 

‘Voor het eerst in de immigratiegeschiedenis ontzegt de gast de gastheer het recht zijn gastland te belichamen’

(A. Finkielkraut, Ongelukkige identiteit. 2014[1])

 

 

Verovering

 

Van Alain Finkielkraut verscheen al heel wat in vertaling in het Nederlands. Niet vertaald is, bij mijn weten, zijn Comment peut-on être Croate?[2], waarin hij tegen de stroom in opkomt voor de Kroaten en hun rechten en daarmee het recht van ieder volk op bestaan zelf. Dat was nodig, tijdens de burgeroorlog in ex-joegoslavië, want naast de Serven kregen ook de Kroaten er in de westerse pers van langs, omdat ze het aangedurfd hadden het kennelijk heilige Joegoslavische staatsverband te verbreken.

Onafhankelijkheid is voor vele verblinde westerse journalisten alleen een recht als je zwart bent.

Toen ik de woorden in het citaat aan de kop van dit stuk las moest ik onwillekeurig denken aan de woorden van D. Abou Jahjah en zijn geestesgenoten, genre Belkacem, die het niet langer wegstoppen wat hun bedoeling is: zij willen tenminste relevante stukken van onze Vlaamse grond veroveren, reserveren voor zichzelf en er de cultuur van hun herkomstland vestigen. Zo schrijft Abou Jahjah in zijn De stad is van ons : ‘Wij allochtonen, hebben daar tegenover de reactie gehad om te pleiten voor een totaal behoud van onze identiteit als in een diaspora.’[3] De schrijver verzet zich ronduit tegen elke vorm van assimilatie.

Ik moet bekennen dat ik toen heb gedacht: ‘Laten we de boeken nu maar dichtslaan. De tijd van praten is voorbij. Daarvoor is het te laat. Dit is een oorlogsverklaring’

Pas toen ik op de laatste boekenbeurs in Antwerpen niet om een ‘debat’ met Abou Jahjah heen kon – en hem dus een hand moest geven – drong de volle betekenis van deze werkelijkheid tot me door: deze mensen komen niet als vrienden. Ze komen niet omdat ze hun vege lijf willen redden. Ze komen niet in dankbaarheid omdat ze in het leven nieuwe kansen krijgen. Ze komen omdat ze zich hier willen vestigen, zoals kolonisten zich in Noord-Amerika hebben gevestigd. Ze komen met een zelfbewustzijn, een betere zaak waardig.

Ze komen omdat ze vinden dat het voor hen hier beter is. Voor hén.

Voor hen, niet voor de autochtonen, voor wie ze veelal slechts misprijzen koesteren.

We weten wat er met de autochtone Amerikanen is gebeurd.

Vroeger noemden we zulks egoïsme. Of kolonialisme. Of imperialisme.

 

Wekt het verwondering dat een man die zijn hele leven zich het lot van zijn eigen volk heeft aangetrokken, schrikt?

Het komt inderdaad allemaal akelig dicht bij het ‘ze komen ons veroveren’.

Ze komen ons veroveren! Ik heb de vraag openlijk gesteld in mijn ‘Vlamingen zijn fatsoenlijke mensen’.

Laten we dat zinnetje vele malen na elkaar herhalen, zodat het eindelijk in onze verstarde, verroeste en door liberalistisch consumentisme dolgedraaide geesten zou doordringen: ze komen ons veroveren.

Misschien ontdekken we dan wel dat er tussen hemel en aarde nog andere dingen belangrijk zijn dat hebzucht en persoonlijke rijkdom, waarvoor onnadenkende stakers in het geweer komen.

 

Vele eeuwen lang hebben de Europeanen de wereld veroverd. Ze gingen overal waar ze kwamen de rijkdommen inslaan om ze vervolgens naar huis te voeren. Ze begonnen met het vestigen van handelsposten. Ze sloten handelsverdragen met plaatselijke machthebbers, die daar op hun beurt meer dan hun voordeel mee konden doen.

De volgende stap kwam toen de Europeanen vonden dat ze hun normen en hun cultuur moesten opleggen: ‘de beschaving’ brengen.

Europeanen zijn altijd goed geweest in het verzinnen van verhullende verhalen.

Nou: het is het niet overal precies volgens dit schema verlopen, maar het is in het algemeen toch meer dan herkenbaar.

Geen wonder dan ook dat Edward Said, zelf van Palestijns-Engels-Egyptische afkomst, de massale immigratie van derdewerelders in het Westen als een vorm van wraak zag[4]. En, moeten we er maar meteen als uitleg aan toevoegen: als weerwraak voor het opleggen van een ‘beschaving’, die we misschien toch maar beter in Europa hadden gehouden.

Nu zijn het ànderen die ons hun beschaving komen opleggen. Dat is inderdaad weerwraak. Vaak met een zelfde misprijzen tegenover de westerse autochtone cultuur als de kolonisten uitten tegenover de cultuur van de volken die ze veroverden.

Het begint bij het scheppen van etnische eilanden. Die vormen met elkaar vervolgens heuse netwerken om tenslotte de resterende autochtone bastions in te sluiten en uiteindelijk plat te drukken.

Zo lijkt het plan wel te zijn.

 

Voor het eerst in de immigratiegeschiedenis ontzegt de gast de gastheer het recht om zijn land te belichamen”.

 

Het zijn woorden die donderend, krakend, bulderend door het uitspansel zouden moeten schallen. Om ons wakker te schudden. Wij, die de ogen sluiten voor de werkelijkheid en vooral bezig zijn met het sussen van elkaar of die elkaar in de ban slaan, dit laatste wegens racisme of vreemdelingenhaat. Of wegens discriminatie. Of nog wegens populisme. Alsof er geen problemen bestaan, die honderd of zelfs duizend maal belangrijker zijn. Zoals de zowat twintig vrouwen dagelijks die verkracht worden. Voor zover we wéten, natuurlijk.

Wij zijn het slachtoffer geworden van een schuldcultuur – wie schreef het onlangs weer? Ik word boos als ik kinderen van zes door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn grote schuld hoor declameren. Op zo’n ogenblikken groeit mijn sympathie voor Nietzsche.

 

Voor het eerst?

 

Wat is veroveren? Volgens het woordenboek betekent het: ‘al dan niet met geweld bemachtigen.’ Dus: het toepassen van een bewuste tactiek om wat van een ander is binnen het eigen machtsbereik te krijgen. ‘Bemachtigen’ wil zeggen dat men het verworvene naar eigen inzicht kan ‘bemeesteren’ oftewel er de macht over uitoefent. Het leunt allemaal aan bij een ander woord, waarover we in onze dagen niet vaak genoeg nadenken: ontvreemden. Het woordenboek spreekt in dat geval over ‘iets afhandig maken’ en verwijst daarbij uitdrukkelijk naar diefstal.

Naar mijn inzicht is het willen inpalmen van Vlaams grondgebied om er zijn eigen etnische eilanden in te vestigen iets als ontvreemden, het bemachtigen van wat de bemachtiger van nature niet toekomt.

Als immigranten de gastheren – de autochtone bewoners van het land – het recht ontzeggen om hun geboorteland te belichamen, dan vindt een ontvreemdingsproces plaats. Er zijn dan namelijk vreemde lieden, allochtonen – ‘van elders afkomstigen’-, die alvast tot op zekere hoogte stukken van het autochtone territorium binnen hun machtsbereik willen krijgen.

Dat is de letterlijke betekenis van ‘ontvreemden’ – en ik weiger de daarmee geassocieerde notie van ‘diefstal’ buiten beschouwing te laten.

En ik vind die betekenissen dus heel uitdrukkelijk uitgeschreven bij Abou Jahjah – één van de lievelingen van de redactie van De Standaard, de krant die eertijds het AVV-VVK voerde. Dat zijn de kringen die spotten en meewarig doen over de bovenstaande zinnen. Ikzelf zie er een vorm van collaboratie in.

Hoe diep kunnen mensen vallen?

 

Alain Finkielkraut lijkt dit soort ontvreemden op te vatten als iets nieuws, een historisch novum.

Doch ontvreemden in ruime zin is van alle tijden en dan bedoel ik niet de simpele diefstal.

 

Marx meende namelijk dat het liberaal-kapitalistische systeem de arbeider de vrucht van zijn arbeid ontneemt en hem dus van zijn eigen werk vervreemdt. Daar is iets van, wat nochtans nog steeds niet betekent dat de rest van zijn analyses altijd met evenveel instemming kan gevolgd worden.

 

Hierboven gaf ik het voorbeeld van het kolonialisme, die grote schandvlek op de hele Europese cultuur, onuitwisbaar en voor eeuwig in die Europese cultuur ingebrand.

 

Een ander voorbeeld is de verovering door Rome van zowat de hele toenmalig bekende wereld.

Ik heb nooit begrepen waar de Romeinse overweldigers het recht vandaan haalden om overal bij andere volkeren binnen te dringen en hen hun normen, hun wereld en hun macht op te leggen.

Ik heb daar ook nooit een verantwoording over gelezen, ook niet bij de grootste bewonderaars van de Romeinse beschaving. De reden daarvan is eenvoudig: die verantwoording bestaat niet.

En evenmin bestaat er een verantwoording voor het imperialisme van Dzjengis Khan, Attila of Alexander de Grote, noch voor de machtswellust van Karel de Grote, Napoleon of welke van die ‘grote’ geweldenaars ook.

Het patroon is steeds weer hetzelfde: niet het leven en laten leven, maar het inpalmen, bemachtigen, veroveren, het ondergeschikt maken is de regel.

Het patroon keert de hele geschiedenis terug. In militaire, economische, politieke en, tegenwoordig ook in fel-ideologische vorm. Deze laatste is dan van religieuze aard – zoals het verlangen de Sharia te verspreiden – of van Amerikaanse makelij. Tezamen met hun democracy – of wat zij daaronder verstaan – voeren zij de hele wereld hun normen, hun cultuur en hun taal op. Tot meerdere eer en glorie van de economische machten in Amerika. En vooral ter aanvulling van hun rijkdom. Intussen omklemmen zijn de wereld overigens ook militair: zo’n 1000 militaire basissen verzekeren Amerika’s greep op deze planeet. Aldus Karel van Wolferen in De Groene Amsterdammer[5].

De wereld slikt. Een vrijwel machteloze Poetin probeert wat tegen te spartelen, zodat hij tenminste de eer redt, en de Chinezen spelen op de lange termijn. Maar intussen gebeurt het toch maar.

Of neem het gedoe over zwarte Piet. Ontstaan in het getraumatiseerde brein van een of andere UNO-bobo, die niets begrijpt van de wereld van diezelfde Zwarte Piet en daar dan maar gelijk misprijzen voor de zwarte mens in ziet en niet verder komt dan de eis om onze kinderen ‘hun’ zwarte Piet af te pakken.

Een vorm van ideologische machtswellust.

 

De roof van de identiteit

 

Het lijkt me wijs wat nader te onderzoeken wat er precies gebeurt als de ene groep grondgebied ontvreemdt van een andere.

Natuurlijk ontneemt ze de benadeelde groep dan levensmogelijkheden. Dat is verwerpelijk. Een andere beoordeling is daarvoor niet denkbaar.

 

Maar waarom komt die wil om te bemachtigen wat van anderen is zo algemeen voor? Waarom hebben zoveel volkeren en groepen van mensen zich aan imperialisme, veroveringszucht en kolonialisme bezondigd?

 

Biologen zouden kunnen verwijzen naar de wereld van de andere dieren – de niet-menselijke dieren. Ik pas deze laatste kwalificatie toe in navolging van Frans de Waal.

Richard Dawkins zou misschien zeggen dat het in onze genen zit. Die blijken immers nogal zelfzuchtig.

Ik veronderstel dat minder polemisch ingestelde biologen en psychologen de dingen wel wat ruimer zouden willen bekijken. Ze zouden naar Darwin kunnen verwijzen, met zijn survival of the fittest. En naar het feit dat in de natuur dieren zich net zo proberen te verspreiden als mensen dat blijken te doen. Dieren, zeker als te talrijk worden in hun oorsprongsgebied, gaan op zoek naar nieuwe leefgebieden. Daarbij dringen ze onvermijdelijk binnen in het territorium van de in dat nieuwe leefgebied al aanwezige soorten.

Wat er voorts gebeurt hangt van een aantal algemeen bekende factoren af.

Als de nieuwkomers een nieuwe, nog niet aangesproken niche innemen, loopt alles redelijk vredig.

Als ze daarentegen tegen soorten opbotsen die voor de voedselvoorziening rivalen blijken, dan volgt een onverbiddelijke strijd. Wie het best is aangepast, het hardst kan vechten en het langst volhouden, wint uiteindelijk het pleit en neemt het territorium in of behoudt het. In dat laatste geval rest de overgebleven indringers niets anders dan naar hun oorspronkelijke habitat terug te keren.

Maar zelfs als de indringers de strijd in hun voordeel weten te beslechten, is het koren voor hen nog niet binnen. De nieuwe habitat is geografisch anders; het voedsel verschilt en heeft een andere smaak; jachttechnieken horen aangepast; het klimaat stelt nieuwe eisen.

Maar altijd zullen er wel voldoende individuen overleven om tot een nieuwe populatie te

komen.

Het is verleidelijk om deze gedachtegang op de mens toe te passen.

Ik raad dat stellig af.

Niet alleen omdat ons dat in hetzelfde spoor zou kunnen brengen als datgene dat opgeld deed in de jaren twintig en dertig van vorige eeuw. Wat daaruit is voortgekomen oogt niet bepaald fraai.

Een betere reden is dat er met de mens toch nog wel wat meer aan de hand is dan een simpele kopie van het dierlijk gedrag ons zou kunnen doen veronderstellen. Mensen mogen immers geacht worden na te kunnen denken en daarom hun primitieve drang om zich te verspreiden in te ruilen voor een verstandig geboortebeleid. Als je overal kunt constateren dat er geen eten is, waarom kweken mensen dan als konijnen, om hun kinderen zo te dwingen weg te trekken, naar het ‘rijke’ Europa, waar ze de autochtonen van egoïsme beschuldigen als die hen niet met open armen ontvangen? Moet verantwoordelijkheidszin niet van ieder mens, waar ook ter wereld, worden geëist? Moet niet geëist worden dat de problemen zoveel mogelijk worden voorkomen?

Het hoefde tot nu toe misschien niet echt, maar in een stilaan compleet overbevolkt rakende wereld lijkt deze eis een minimum.

En eveneens moet terecht gesteld worden dat het liberaal kapitalisme, dat kritiek- en gedachteloos mensen tot producenten en consumenten herleidt, zwaar bekritiseerd moet worden. ‘Pakken wat je krijgen kunt, want after all is dat het beste voor iedereen’ kan geen goede leidraad meer zijn- als het dat ooit al was. En zo kunnen we niet naast de veroordeling die Gray en vele anderen uitspreken over het brute liberaal-kapitalisme. Of naast de uitspraken van auteurs zoals Loretta Napoleon[6], als die fel uithaalt naar wat zij de schurkeneconomie noemt. Overigens wordt het tijd om het fabeltje uit de wereld te helpen, dat beweert dat Adam Smith de hierboven bedoelde onzichtbare hand zou opgehemeld hebben. In al zijn geschriften komt deze uitdrukking namelijk slechts één keer voor en dan nog in de voorwaardelijke wijs.

 

We moeten nadenken over de vraag of we niet bovenmatig aan het digitaliseren zijn. Ik las in het tijdschriftje van mijn gemeente een pleidooi om voortaan zoveel mogelijk documenten on-line aan te vragen. Als we dat allemaal zouden doen, zouden we dan uitkomen op een overheid die bestaat uit computer en robotten? En willen we zoiets? Ontvreemden we zodoende onze eigen overheid niet? Zijn we niet iets aan het doen dat naar zijn wezen lijkt op het gedrag van immigranten die stukken van ons gebied voor hun eigen gebruik willen inlijven? Die ontvreemden immers ook.

 

 

Laten we deze gedachtegang even verder zetten.

Met kent de experimenten van Milgram. Mensen blijken bereid om anderen een elektrische schok van 450 volt toe te dienen. Wie denkt dat alleen sadisten dit aandurven vergist zich: 65% van de mensen zijn bereid zo ver te gaan.

Een ander experiment is dat van Zimbardo[7], dat in 1971 aan de Stanford-universiteit werd uitgevoerd. Het bleek dat studenten, die vooraf geselecteerd waren omdat ze de normaliteit zelve leken, zich al na één dag volledig inleefden in de rol van sadistische gevangenisbewaker of die van slachtoffer.

In de literatuur is uit deze experimenten afgeleid dat bij de modale mens de grens tussen goed en kwaad flinterdun is. De uitslagen van de experimenten bevestigen het standpunt van Hannah Arendt in haar Eichmann in Jerusalem: om kwaad te doen is geen dispositie vereist.

Dat zijn natuurlijk wel degelijk ontluisterende inzichten en ze zouden ons allen tot grote bescheidenheid moeten aanzetten.

 

Toch is er nog een andere interpretatie van de experimentele resultaten mogelijk. In de beide experimenten doet zich een zelfvervreemdingsproces voor. Het lijkt alsof er een slechte kopie van de proefpersoon wordt genomen, dat deze kopie zich vervolgens in de plaats van het origineel wurmt en dan een heel ander gedrag gaat vertonen dan dat origineel. Als mensen in een bepaalde gesteldheid worden gebracht, dan gedragen ze zich totaal anders. Ze zijn niet langer zichzelf, het is alsof ze van zichzelf vervreemden en ze in de ban van andere krachten komen, waartegen ze zich in gewone omstandigheden met succes kunnen verweren. Ze zijn niet langer zichzelf, ze (her)kennen zichzelf niet.

 

De resultaten van deze experimenten kunnen geminimaliseerd worden met de opmerking dat het hier om zeer ongewone omstandigheden gaat. De experimentatoren betwisten deze opmerking.

Ze is inderdaad betwistbaar.

Bruno Bettelheim doet verslag van de ontmenselijkende effecten van de behandelingen van Joodse gevangen in een Nazi-kamp. Haast wanhopig vraagt hij zich af waarom de gevangen hun ontmenselijking werkeloos ondergingen, hoewel ze veruit in de meerderheid waren. Hij vertelt het verhaal van een Joodse vrouw die danseres was geweest. Toen de beul dat vernam, droeg hij haar op om voor hem te dansen. Terwijl ze dat deed, naderde ze hem steeds meer tot ze zijn pistool kon grijpen en hem neerschieten. Daarna werd ze onmiddellijk zelf doodgeschoten.

Betelheim ziet hierin het bewijs dat mensen uiteindelijk toch nog altijd hun menselijkheid behouden: zelfs in de slechtste omstandigheden en in uiterste ontmenselijking kunnen mensen een sprankeltje zelfcontrole behouden[8].

In het licht van de experimenten van Milgram en Zimbardo valt echter te vrezen dat dit vermogen om enige zelfcontrole te behouden slechts weinigen gegeven is. Auteurs zoals Jan Verplaetse[9], Dick Schwaab[10] en anderen houden vol dat de vrije wil van de mens een illusie is. Als de vrijewilloze mens in de greep van dodende processen kan raken, zonder dat de modale mens dat kan verhinderen, dan is er toch een ernstig probleem. Zelf deel ik het harde standpunt van Verplaetse en co niet – of tenminste: ik hoop dat we nog mogen geloven in bestaan van een sprankeltje greep van de mens over zichzelf. Een wereld waarin zelfs dat ontbreekt, wil ik namelijk niet. En dus verzet ik me tegen een wereld waarin essentiële menselijke eigenschappen – zoals vrije wil – ontvreemd worden, door welke krachten dan ook. Consequent daarmee verzet ik me dan ook tegen élke vorm van ontvreemding.

Zelf heb ik enkele jaren geleden een studie gemaakt over het kwetsen van mensen. Ik vroeg me af wat kwetsen naar zijn diepste aard eigenlijk is. Ik kwam erop uit dat kwetsen neerkomt op het weghalen uit de rangorde van de menselijkheid van mensen op een manier waarbij die machteloos alles moeten ondergaan. En ik heb gezien hoe kwetsen toch zo onwezenlijk massaal voorkomt.

Ook in deze gevallen is er één fenomeen steeds weer aanwezig: een vorm van vervreemding, of noem het: ontvreemding. Essentiële, wezenlijke trekken die de waardigheid van de menselijke persoon en zelfs de mens als soort betreffen, worden door anderen ontvreemd.[11]

De mensen in de experimenten of de kampen verloren hun eigen geschiedenis, hun habitat, hun identiteit en werden daardoor een machteloos en willoos voorwerp in de machtsuitoefening van anderen. Maar in mindere doch aanwijsbare mate gebeurt hetzelfde elke dag weer opnieuw: op de werkplek, in het gesprek, in het openbare debat.

Precies dit alles is het wat Edward Said zo diep heeft aangegrepen en hem partij heeft doen kiezen voor de Palestijnse Zaak, ook toen de Palestijnen overgingen tot het kapen van vliegtuigen met daarin onschuldige reizigers.

Neen: dat ontvreemden is velerlei en van alle tijden. Het is één van de ware demonen, die hun oorsprong vinden in de duistere krochten van de menselijke ziel.

 

In mijn ‘Vlamingen zijn fatsoenlijke mensen’[12] heb ik getracht een nieuwe, werkbaardere definitie op te stellen van identiteit.

Identiteit heb ik gedefinieerd als de aanwezige wereld van betekenissen, die iemand omschrijven.

De ontvreemding waarvan hier sprake is niets anders dan het wegnemen van sommige van deze betekenissen.

Als mensen hun gevoel voor menselijke waardigheid verliezen, om hun zin voor evenwichtig handelen bij het toedienen van elektrische schokken, of erger nog als niet-mensen behandeld worden in gevangeniskampen, dan worden hen grote delen van hun betekenissenwereld ontroofd. Ze verliezen hun identiteit. Dat geldt voor beide partijen.

Sommigen slagen erin om ondanks deze roof toch nog voor zichzelf de ontroofde betekenissen nog te bewaren.

Zij zijn de sterken.

Maar ze vormen een minderheid.

En ze vormen ons aller voorbeeld.

 

Twee reacties.

 

Ik denk nu dat de problematiek van de verhouding tussen allochtonen en autochtonen op deze, hierboven geschetste achtergrond kan worden bezien.

Deze achtergrond dwingt ons verder te kijken en dieper na te denken dan de twee groepen van reacties op het fenomeen van de aanwezigheid in ons land van allochtonen meestal te bieden hebben.

Die twee reacties zijn mijns inziens elk op hun manier fundamentalistisch en moeten dus verworpen worden. We moeten op zoek naar een derde weg.

Ik vat deze twee bedoelde reacties samen als volgt: volstrekt afwijzen of volstrekt omarmen.

Onder volstrekt afwijzen versta ik die standpunten, die het land willen afsluiten voor immigranten. Officieel is deze opvatting nergens welkom. In de praktijk daarentegen hoort men ze nogal eens debiteren. Ze is onhoudbaar.

De andere strekking wil elke staatsgrens afschaffen, de etniciteit zelve opheffen en aan iedereen een onbeperkt vestigingsrecht op de plaats naar hun keuze toekennen. Het komt me voor dat personen zoals Abou Jahjah hier dicht tegen aanleunen. Autochtonen hebben voor deze strekking immers minder spreekrecht dan nodig is om ongehinderde instroom van ongeacht welke immigratie te stoppen. De eis om de eigen immigrantencultuur te behouden vloeit hier logisch uit voort: wie de autochtonie het recht ontzegt om het aantal en het soort immigranten te beheersen, eist in feite voor de immigranten een voorrangsrecht op, dat hen de mogelijkheid geeft de eigen cultuur ongehinderd in het gastland te importeren. Eugeen Roossens zou zeggen dat het primordiale autochtone recht hier geschonden wordt.

Merk op hoe nauw we hiermee aanschurken tegen de uitspraak van Finkielkraut in de titel van dit essay.

Naar mijn oordeel gaat het om twee opvattingen die fundamentalistisch moeten heten.

Waarom zijn ze fundamentalistisch?

 

Omdat het telkens gaat om het vernietigen van werelden van betekenis van één of meerdere groepen of tenminste het vernietigen van die betekenissen op belangrijke delen van het territoriaal gebied, waar die betekenissen voordien wel van toepassing waren en dit vanuit een totaal onbegrip voor de rechten van de benadeelden.

Het gaat dus om ontvreemden. Tot op het bot. Het fundament.

Nu is de mens een gesitueerd wezen. Heidegger heeft ons geleerd naar het leven zelf te kijken: het leven te bezien als een gang doorheen de tijd en de geschiedenis. Daardoor is de mens omschreven en tegelijk beperkt want afgepaald.

Dat nu lijkt in tegenspraak met sommige ideeën van de Verlichting. Die heeft namelijk De Universele Mens uitgevonden. Zo’n Universele Mens moet noodzakelijk leeg zijn, ontdaan van wat hem tot een concreet, herkenbaar menselijk individu maakt en is daarom per definitie terroristisch. Dat concrete moet immers onderdrukt worden of, in de terminologie van hiervoor: ontvreemd. Dit soort Universele Mens trekt zich terug uit de bepaaldheid van het bestaan, schrijft zichzelf een universele en tegelijk ahistorische identiteit toe, en verwijst meteen alle andere facetten van zijn bestaan naar de tweede orde.

Daardoor wordt een structuur aangebracht in de wereld van betekenissen van mensen, zonder dat die mensen dat wellicht weten of zelfs zouden willen.

 

Die Universele Mens geniet veel aanhang, doch is een ernstige misvatting.

 

Het deel van de werkelijkheid dat voor ons, mensen, toegankelijk is wordt omschreven door de mogelijkheden van ons mentale systeem. Ik leg uit. Als ik tegen mijn kat een exposé begin over de theorie van Maslow, dan kijkt ze me onbegrijpend aan, geeuwt eens, draait zich om en slaapt voort. De structuur van het brein van mijn kat is gewoon niet toegelegd om open te staan voor de theorie van Maslow. Dit is een simpele weergave van Kants opvattingen en van Schellings verzoek om zich niet alleen door analytische maar eveneens door synthetische oordelen te laten leiden[13]. Anderen zouden zeggen dat we ons niet door dogma’s mogen laten leiden maar open oog houden voor de werkelijkheid van het leven.

 

Aan de andere kant worden we gedreven door krachten en mentale inhouden, waarvan we ons niet bewust zijn.

Sigmund Freud was de eerste die deze stelling voluit poneerde. Hij leerde dat er in ons onbewuste krachten en driften aan het werk zijn die ons ertoe brengen dingen te doen of te zeggen, die we vanuit ons bewuste bestaan niet eens kunnen begrijpen of plaatsen. De Amerikaanse auteur Leonard Mlodinow schreef een boek dat in het Nederlands de titel Stiekeme signalen draagt[14]. Ons gedrag wordt mede bepaald door signalen en informatie, waarvan we niet eens weten dat ze er zijn. Sommige neurofysiologen houden vol dat het ons brein is, dat ons leeft – niet omgekeerd. En zoals eerder gezegd leiden sommigen daaruit af dat de mens niet over een vrije wil beschikt. Ik ben het daar niet mee eens, doch het betekent wél dat we ons mensbeeld zoals dat vanuit de Verlichting tot ons is gekomen moeten bijstellen.

De mens van de Verlichting is een illusie. Dat mensbeeld houdt ons immers voor dat de mens 100 % meester is over zichzelf en daarom ook bij machte om zichzelf te maken of te hermaken. Maar wij zijn hopeloos gesitueerd en geconditioneerd. Het is een illusie te denken dat wij ‘De Universele Mens’ zouden kunnen zijn. Ik heb daar uitvoerig over geschreven in mijn Worsteling met de Moderniteit[15].

 

Hierdoor ontstaat echter gelijk een morele positie: welke reden kan er dan bestaan om de ene vorm van gesitueerd-zijn te verheffen boven de andere? Als wij allemààl gesitueerd zijn, wat verschaft ons dan het recht om de ene vorm van gesitueerdheid boven een andere te stellen?[16]

We kunnen daarom niet anders dan élke gesitueerde positie naar haar eigen waarde te schatten. En waarnaar wijst zo’n ‘gesitueerde positie’ uiteindelijk anders dan…. naar onze eigen, specifieke wereld van betekenissen?

We moeten dus de illusies van de Verlichting bijstellen, enkele treden van onze illusoire ladder afdalen en onszelf bekijken zoals we echt zijn.

Maar dat volstaat niet, want we moeten ook onze moraal bijstellen. We moeten elkaars identiteit respecteren, ook al vinden we die van de ander maar niks. Als we dat niet doen, loert om de hoek de oorlog van allen tegen allen. Moslims moeten onze cultuur niet decadent noemen en westerlingen moeten de Islam niet achterlijk noemen. Die kwalificaties komen voort uit onze gesitueerde standpuntelijkheid. Ze hebben geen universele waarde.

Het is dus niet aan de fundamentalistische Islamiet om anderen met geweld te willen bekeren tot zijn overtuigingenwereld. En het is niet aan de Westerling om overal ter wereld zijn visie op de ideale politieke staatsvorm op te leggen. Het is evenmin aan de Franstalige om zijn taal en zijn wereld van betekenissen op te leggen in de Vlaamse randgemeenten rond Brussel.

 

Alle vormen van des-indentitering moeten dus worden verworpen. Alleen een radicaal doorgetrokken respect voor de identiteit van mensen en volken rondom ons is kan de toets van de kritiek doorstaan. De enige juiste houding is wat ik elders heb genoemd: een esthetische levensbeschouwing.

Natuurlijk vloeit hier ook een radicale diversiteit uit voort, maar niet de diversiteit die Blommaert, Maly, Abou Jahjah en co voor ogen staat.

In het geval van Blommaert en zijn geestesgenoten beduidt diversiteit dat de Vlaamse gemeenschappelijke identiteit verkruimelt tot een haast grenzeloos aantal individuele of groepsmatige identiteiten. De gemeenschappelijkheid van de wereld van betekenissen in Vlaanderen wordt gewoon weggesneden. Vlaanderen wordt een verzameling individuen en groepjes zonder gemeenschappelijkheid. Daardoor wordt een identiteit vernietigd. Dat is een louter negatief proces.

Maar een gemeenschap heeft het recht haar identiteit te beschermen – anders blijft er van de individuele identiteit evenmin wat overeind. Dat is het wat mensen als Finkielkraut ertoe bracht in 1994 een brief te schrijven naar François Bayrou, de Franse minister van onderwijs. In die brief stelden zij dat de natie meer is dan allen maar een verzameling gemeenschappen die voorts onverschillig staan tegenover elkaar. Een natie is een gemeenschappelijke lotsbestemming. Ter wille van deze laatste moet verbieden mogelijk zijn, anders levert men de toekomst van de gemeenschap uit aan de uitkomst van een eindeloze machtsstrijd tussen rivaliserende groepen.

In het geval van Abou Jahjah wordt geen verkruimeling nagestreefd, maar wordt in een gedeelte van het Vlaamse grondgebied de autochtone identiteit weggedrukt ten voordele van de wereld van betekenissen van immigrantengroepen. Deze laatste krijgen dan voorrang op de originele identiteit.

Echter: er bestaat geen intrinsiek criterium voor de voorrang van sommige werelden van betekenis op andere. Al die werelden zijn op dezelfde manier het product van een gesitueerdheid van de mens en kunnen vanuit zichzelf geen criterium leveren dat hen toestaat aanspraak op voorrang te maken. Als we dat toch doen, trappen we in de analytische val waarvoor Schelling al waarschuwde.

 

 

Als er een voorrang bestaat, dan vindt die haar grond in het recht om gesitueerd te zijn. Of nog: in het recht te zijn wie we zijn, zoals we gewonnen en geboren werden en zoals we, doorheen de ervaringen van onze eigen levensgang, geworden zijn tot wat we vandaag zijn: één van de vele mogelijke vormen die het menselijk erzijn kan aannemen, maar wel de enige die voor ieder van ons afzonderlijk concreet is. Wie daar mooie zinnen over wil lezen, raadplege Erik Erikssons Het kind en de samenleving.[17]

 

Universaliteit kan dus niet bestaan uit het vestigen van een soort universele menselijke identiteit, als men daarmee bedoelt: die betekenissen die bij alle mensen voorkomen beschouwen en vervolgens alleen aan die algemeen voorkomende betekenissen belang te hechten en de andere te misprijzen.

Met de betekenissen in verband met seks, eten, drinken, honger naar kennis, genegenheid en liefde is niet de hele menselijke bestaansconditie omschreven. Die omvat ook betekenissen die niet bij alle mensen voorkomen of die verschillend zijn.

 

Wie spreekt over universele rechten, moet derhalve eerst uitgaan van een universeel recht om – met de woorden van V. Havel – in de waarheid te leven,[18] en dat is, zoals duidelijk is, altijd een gesitueerde waarheid. Voorrangsrechten kunnen dus alleen ontleend worden aan het universele recht van ieder mens en dus ook ieder volk om in zijn waarheid te leven. En het recht om in de waarheid leven, onderstelt het behoud van levensmogelijkheden in de volle betekenis en plooit zich niet naar territoriaal of politiek imperialisme. Respect is een en ondeelbaar en geldt dus ook de concrete zijnswijze – lees: het territorium – van de ander. Vervreemding en ontvreemding hakken nu net op dit respect in.

Het komt mij, als Westerling, niet toe een oordeel uit te spreken over de zijnswijze van de mensen in de jungle, in Afrika of in de Islamwereld. En omgekeerd. En we moeten de handen afhouden van wat van een ander is. Punt, uit.

Déze regel is universeel.

 

Als deze gedachtegang enige grond bezit, dan vloeit hieruit inderdaad een radicale plicht tot respect voort. Dan heeft Abou Jahjah helemaal niet het recht om te pleiten voor etnische eilanden in Vlaanderen en dan hebben de Amerikanen niet het recht om hun democracy over de wereld te verspreiden. Dan heeft Blommaert niet het recht om de verkruimeling van de Vlaamse gemeenschap na te streven, gewoon maar omdat hij zulks nuttig vindt voor de vestiging van zijn proletarische heilstaat. Dan hebben we als Vlamingen het recht om het communautarisme van allochtone groepen ondergeschikt te maken aan de trouw aan de hele gemeenschap. Dan heeft de gemeenschap die zich ‘Vlaanderen’ noemt een voorrangsrecht in het territorium dat ‘Vlaanderen’ heet.

Wie verandering in de zaak wil brengen, heeft geen andere uitweg dan het overleg en het maatschappelijk debat, in de hoop anderen van zijn inzichten te overtuigen.

Eisen stellen, zoals sommige immigranten en hun autochtone medestanders doen, is er dan ook niet bij.

Wie het daar niet mee eens is, past niet in een wereld die mede door de emancipatie van mensen en volkeren is gevormd. Hij moet dan zijn conclusies trekken.

 

Laten we dan ook maar duidelijk zijn:

er is niets mis met een persoonlijke, groepsmatige of nationale identiteit;

er is niets mis met identiteit zelf;

er is dus ook niets mis met etniciteit, want dat is slechts een stuk van de identiteit.

 

Evenwel: dit principe geldt voor iedereen, over de hele planeet!

Vermoedelijk is het mede zoiets wat Ludo Abicht mede heeft bezield toen hij schreef dat patriottisme geen grenzen kent[19].

 

Links?

 

De vraag is of hiermee alles is gezegd over de positie die mensen als Abou Jahjah innemen. Moeten we misschien zeggen dat zij bezig zijn met het formuleren van een moderne linkse positie? Dat wordt in sommige middens namelijk verkondigd.

Zelfs als we de ‘nationalistische’ houding van Abou Jahjah moeten veroordelen, omdat ze imperialistisch is en een loopje neemt met de ware doelstellingen van nationalisme, nl. het verschaffen van politiek spreekrecht aan naties die daarvan verstoken zijn, dan nog zouden we moeten oog hebben voor wat nog verder ligt: een maatschappelijke ordening in de toekomst.

 

Is de positie van mensen als Abou Jahjah wel links, zoals hij zelf beweert?

Alles hangt van de definitie af.

In de Groene van 27/11/14 Schreef Merijn Oudenampsen een essay waarin hij probeert uit te zoeken waarom links niet langer ‘gaaf’ is en niet aanslaat. Volgens hem is het traditionele eisenpakket van links zo ongeveer verwezenlijkt. De socialistische partijen breken dan ook met de marxistisch geïnspireerde ideologie van weleer en schuiven op naar een politiek midden, waar een technocratische beleidsvoering van toepassing is. Zo komen ze van links terecht in een middenpositie. Ze raken dan aan wat Oudenampsen het ‘neoliberalisme’ noemt. Dat definieert hij als een beleid tegen de inflatie, het aanvaarden van enige conjuctuurwerkloosheid, het snijden in de overheidsuitgaven, de versterking van de concurrentiepositie en tenslotte het wederkerigheidsbeginsel: geen recht zonder verantwoordelijkheid.[20]

Zonder er verder op door te gaan: de kern zit naar mijn aanvoelen in het feit dat het subject van de socialistische strijd niet langer bestaat. De modale ‘socialist’ gaat in Aruba of de Dominicaanse met vakantie, rijdt per auto en heeft vaak een klein spaarpotje. De modale socialist is een gewone middenklasser geworden – een ‘bourgeois’, zou Marx hebben gezegd. Dat werd ook al door iemand als M. Hroch opgemerkt[21].

En wat meer is: die middenklasser wil dat zo houden. Business as usual. Als hij zich al kant tegen het neoliberale beleid, is dat omdat hij dit ervaart als een bedreiging van de welvaartstaat, waarin hij zich best goed voelt.

Laten we op deze achtergrond even nader kijken naar het verhaal dat Abou Jahjah brengt.

 

Dat verhaal is namelijk niet links, maar bourgeois.

 

Als links betekent: emancipatie, dan kan hij wel stellen dat hij links is omdat hij zijn allochtonen in Vlaanderen het recht wil geven zich aan apartheid te buiten te gaan en dus aan feitelijke gebiedsontvreemding te doen, maar dan is hij tegelijk onrechtvaardig, respectloos en schendt de universele rechten van mensen en volken op een eigen leven in waarheid. Dat is het verkeerde links.

Daarbij wordt hij tegengesproken door mensen als Montasser Alde’emeh en Abou Bouzerda. De eerste vindt dat allochtonen zich maar eens dankbaar moeten tonen omdat ze in Vlaanderen kansen kregen, waarvan ze in hun thuisland verstoken bleven[22]. De tweede pleit ervoor dat allochtonen zich voluit in het autochtone verhaal inschrijven en mee werken aan de verdere uitbouw van datzelfde verhaal[23]. In werkelijkheid sluiten beide standpunten naadloos op elkaar aan.

Als links een voornamelijk sociaal-economische betekenis heeft, dan spreekt Abou Jahjah zichzelf tegen, want hij eist voor ‘zijn’ allochtonen het recht op om middenklasser te worden, want in de steden – zo meent hij – is die ontwikkeling al volop aan de gang, en ik wil hem daarin nog volgen ook. Maar die middenklasser is niet het te emanciperen individu: hij is hooguit nog iemand die zichzelf verder moet emanciperen, zonder daarbij op paternalistisch-achtige hulp van buitenaf te moeten rekenen. Dat zou namelijk vloeken met de emancipatie zelf. Die veronderstelt immers maximale zelfredzaamheid. Hij is niet langer het machteloze, inzichtloze, arme sukkelaartje dat voor zijn emancipatie assistentie behoeft. Dat is een andere manier om te zeggen wat Bourzerda zegt: hou op met het gezeur en zet uw schouders mee onder dat project, dat u nou net de kans biedt voluit middenklasser te worden! Kortom: het linkse individu dat Abou Jahjah voor ogen staat zal, als hijzelf ook maar enigszins gelijk krijgt, binnenkort ophouden te bestaan. Dat is dan immers een bobo, geworden, een wat eigenzinnige, koppige bourgeois-figuur, maar niettemin een bourgeois die van de geneugten des levens wil profiteren.

Dat laatste is precies wat Fatima Elatik ons meedeelt: Marokkanen zijn ook individuutjes die studeren en naar hun werk gaan, hun leven leven en met rust gelaten willen worden. Ze gaan niet meer elk jaar naar Marokko met een volgepakte auto, even langs alle familieleden. Neen: ze boeken een reis naar de Dominicaanse republiek, Curaçao of naar Aruba, lekker tien dagen op het strand liggen bakken.[24]

Natuurlijk hebben allochtonen het volste recht uit te groeien tot dezelfde middenklassers als autochtonen. Alleen moeten ze dat doen met respect voor de gemeenschap die hen die kans überhaupt bood. In inpalmen van Vlaams grondgebied om er etnische eilandjes op te construeren is daar dus niet bij en het is overigens niet eens nodig. En dan moeten Abou Jahjah en zijn geestesgenoten beseffen dat het, uiteindelijk, na afloop van het proces, ook voor allochtonen westerse business as usual is geworden en dan volgt, onvermijdelijk, de gehate assimilatie.

 

 

Martin Schulz en zijn Europese demonen

 

In een interview deelt de Duitse socialist Martin Schulz, inmiddels voorzitter van het Europees ‘parlement’ geworden, ons mee dat volgens hem de demonen van het begin van vorige eeuw wel eens sneller zouden terugkeren dan we denken. ‘Luister naar de retoriek van zij die de Europese structuren willen vernietigen: nationalisme, xenofobie, antisemitisme, racisme’.[25] Vreemd is dat hij de vijfde term van de intussen klassiek geworden vijfkant over het hoofd ziet: het populisme, dé grote vijand van al wie vindt dat hij- of zijzelf best geschikt is om de grote beslissingen te nemen en daar de stem van ‘het volk’ bij kan missen. De heer Schulz wil overigens best wel ver gaan in het verbieden van uitingen die volgens hem demonisch zijn. Zo wil hij de uitspraken van Nigel Farage ( die van Rompuy met een natte dweil vergeleek) verbieden. Mooie democratie wordt dat! Het lijkt me veeleer de wereld van Orwell, met zijn Nieuwspraak en al. En overigens geldt dat de term ‘retoriek’ net zo makkelijk op Schulz’ verhaal kan worden toegepast…

 

Bestaan er dan geen demonen?

Jawel, doch zij klinken anders dan Schulz zich in zijn benepen eurofiele wereldje voorstelt.

Europa, zo zou de heer Schulz kunnen bedenken als hij de moeite zou nemen om überhaupt na te denken, is volop bezig met het vinden en institutionaliseren van een communautair evenwicht. Een Europese constructie, waarin elk volk zijn rechtmatige plaats heeft en waarin de oude revendicaties verdwenen zijn, omdat de noodzaak ervan is weggenomen.

Om dat te bereiken is niet minder, doch méér nationalisme nodig, maar dan het nationalisme van de volkeren, het nationalisme dat Schulz, als hij goed geïnformeerd zou zijn, kan terugvinden bij ervaringsdeskundigen zoals de hiervoor al genoemde M. Hroch. Om in Europa communautaire rust te brengen, is het nodig de toestand te scheppen die Michael Ignatieff voor ogen stond, toen deze schreef: Voldane mensen kunnen het zich veroorloven kosmopolitisch te zijn (…) Maar onder de Krimtartaren, de Koerden en de Cree-indianen ontmoette ik de hongerigen.(…).[26] Zolang de Vlamingen, de Catalanen, de Schotten en andere volkeren ‘hongerig’ blijven, zal de spanning niet uit Europa wijken en zal de politieke energie die zo ontstaat onverwachte uitwegen zoeken, om het op z’n Freudiaans te stellen.

De honger van deze volkeren is nochtans terecht: zij eisen slechts wat hen toekomt in het land dat al door hun voorvaderen bewoond werd. En als de Vlamingen, de Catalanen en de Schotten voldaan zijn, zullen zij eerbare leden van de Europese volkerengemeenschap worden.

Schulz, Verhofstadt en Van Rompuy ,wier retoriek ik in mijn Vlamingen zijn fatsoenlijke mensen op de korrel heb genomen, zouden dan moeten weten.

 

Sinds de komst van Abou Jahjah en zijn geestesgenoten doemen evenwel heel andere demonen op. Deze demonen werden door Schulz kennelijk nog niet waargenomen, maar ze zijn er niettemin wel.

Het zijn de demonen in de groepen die hun eigen communautarisme voorrang geven op de autochtonen rechten van de volkeren in Europa. Het zijn de groepen die een verkeerd, mismaakt nationalisme voeren, dat in zijn praktische uitwerking nauwelijks verschilt van het oude imperialisme en soms zelfs kolonialisme, zoals in het geval van figuren zoals Belkacem.

Het zijn de groepen die de noodzaak aan respect voor de integriteit en de identiteit van de autochtone volken in Europa niet aanvaarden. Het zijn de groepen die aan ontvreemding willen doen. Het zijn de groepen die, naar te vrezen valt – en er zijn vele tekenen daartoe -, bovendien de spanningen uit hun herkomstlanden in Europa importeren.

De demonen van Schulz zijn niet de strevingen van de autochtone volkeren, die slechts vragen waarop ze recht hebben, maar de eisen van allochtonen, die immers eisen waarop ze géén recht hebben.

Er kunnen verontschuldigingen worden aangevoerd voor de houding van deze allochtonen. Misschien moeten we maar meteen erkennen dat zij het slachtoffer zijn van een proces van vervreemding. Vervreemding van hun eigen oorsprong. Zo bekeken hebben ze recht op hulp – maar ze moeten die ook willen aanvaarden en daar dan vervolgens mee aan de slag gaan, in plaats van op zichzelf terug te plooien of tegen autochtonen ten aanval te trekken.

En bovendien geldt dat de allochtonen die ik hier op het oog heb naar alle waarschijnlijkheid slechts een minderheid vormen: Elatik heeft vermoedelijk gelijk.

Doch die kleine minderheid is erg luidruchtig en zeer actief. Ze is vindingrijk en vindt bij sommige autochtonen onverantwoord grote bijval, dit om de meest diverse redenen.

Wie het boek van Abou Jahjah leest, voelt de woede uit elke bladzijde in het gezicht walmen. Wie op de loop moet uit zijn land doet dat niet voor zijn plezier en houdt daar diepe frustraties en zelfs trauma’s aan over. Dat is zeer menselijk en daarom begrijpelijk.

En er is niets mis mee tot middenklasser te willen uitgroeien. Integendeel. Alleen: Abou Jahjah en zijn vrienden horen dat bij voorkeur in hun eigen land te doen. Door op de vlucht te slaan ontvreemden ze hun eigen land van een stuk potentiële middenklasse, terwijl die zo nodig is voor de ontwikkeling van hun eigen land. Ze kiezen, dunkt me, een wel erg makkelijke weg, hetgeen hen het recht om zich morele superioriteit boven autochtonen aan te meten ontneemt. Ze gedragen zich als bourgeois, nog voor ze dat voluit zijn geworden. En vooral: nog voor ze dat zijn geworden op de plaats waar ze dat hadden moeten worden.

Bijgevolg is er voor Europa reden te over om de kwestie van de allochtonie met andere ogen dan tot nog toe te bekijken.

Europa zou overigens ook, in plaats van zijn volkeren dwars te zitten, hen in tegendeel moeten vooruithelpen. Dat kan. Bijvoorbeeld kan de EU haar ambtenaren verplichten in de Vlaamse Rand Nederlands te hanteren. Maingain en co zouden zodoende voorgoed staan te blinken.

En daarom begrijp ik niet waarom met name socialisten zoals Schulz niet naar de oorzaken zoeken, in plaats van de gemakkelijke weg van de klassieke beschuldigende retoriek te volgen.

In werkelijkheid is het daarom ook voor de EU kennelijk business as usual. De oude trein dendert voort, zonder doel, zonder sturing. En vooral zonder plan.

Want de EU zou het duidelijk kunnen stellen: gastheren blijven … heren. Hoezeer de gast ook met eerbied hoort behandeld: hij moet niet in de plaats van de gastheer treden.

Want bij die gasten: dààr huizen de demonen van Schulz en co. Bij de woede, de frustraties, het conflictueuze in de wereld van lieden die uit noodzaak of onder druk maar in ieder geval wel met veel boosheid de kans ontnomen werd in eigen land middenklasser te worden. Zodat de boosheid van de onvoldane Europese volkeren nu wordt aangevuld en deels vervangen door de boosheid van mensen die woedend zijn om wat hen in hun herkomstlanden, ver buiten Europa, werd aangedaan. Of beter nog, en menselijk begrijpelijker maar daarom nog niet het voorwerp van goedkeuring: het is een boosheid die machteloos is tegenover de ware veroorzakers van de vaak terechte wrok, het zicht beneemt op de juiste orde der dingen en de rechten van de volkeren in het algemeen, en daarom in staat is tot plaatsvervangende wraak op volkeren, die met de oorzaak van hun situatie geen uitstaans hebben. Daardoor scheppen zij nieuwe onvoldaanheid en nieuwe gekwetste volkeren. Verovering, ver- en ontvreemding, respectloosheid, desindentitering, woede en boosheid: het behoort allemaal tot het conflictueuze mentale universum dat veel te veel van de allochtonen van vandaag kenmerkt. Ook al is deze situatie menselijk begrijpelijk: het is onze plicht te voorkomen hun woede ons continent nogmaals in brand steekt.

Daartoe bestaat er maar één weg: deze van de assimilatie of, met Paul Collier, deze van de versmelting maar in ieder geval: het beletten dat er ‘nieuwe volken’ op Europese bodem ontstaan.[27] Wie zich daar niet kan bij neerleggen, moet beseffen dat er voor hem op dit continent geen toekomst is. En, zoals ik in mijn Vlamingen zijn fatsoenlijke mensen uitgelegd heb: dat alles is géén eenrichtingsproces. Het is gewoon niet waar dat de opoffering alleen van de kant van de allochtonen moet komen en het is evenmin waar dat elk menselijk begrip alleen van de kant van de autochtonen moet komen.

 

Besluit

 

De politieke positie die de strekking Abou Jahjah inneemt, moet ik verwerpen. Ze is imperialistisch, neokolonialistisch en veroveringszuchtig.

Er valt geen morele verantwoording voor te bedenken. Ze sluit aan bij al die verschijnselen die we veelal samenvatten onder de termen vervreemding en ontvreemding. Ze ontrooft identiteit.

In een overbevolkte wereld kunnen we de oude paden niet verder bewandelen. Iedereen moet zijn verantwoordelijkheid nemen, ook de bewoners van de emigratielanden. De links-rechtsdiscussie wekt in dat verband toch een aftandse indruk, vooral omdat dat ‘links’ een nogal vreemde vorm aanneemt. Er vallen andere katten te geselen.

Ik ben niet ingegaan op de sociologische stellingen van Abou Jahjah. Voor zover ik ze kan beoordelen lijken sommige ervan me betwistbaar. Doch ze worden vooral ingegeven door een geloof in een lineaire ontwikkeling die vanzelfsprekend voert naar het wereldbeeld, dat overeenstemt met de wensen van de auteur. Hineinraisonieren. Ik geloof niet in een dergelijke lineaire wensontwikkeling. Dat is te simpel.

Ik veroordeel ook de houding van vele autochtonen, zowel in de media als in het hoger onderwijs of in de politiek. In werkelijkheid voeren ze een vorm van collaboratie uit – al geef ik toe hiermee een wel heel zwaar woord uit de kast te halen.

Nog feller veroordeel ik de kliek die ons continent in haar greep heeft en die in dit stuk vertegenwoordigd wordt door Martin Schulz. Zij blijft voortdenderen in hetzelfde soort denkbeelden als die van de 20 – 25 ware verantwoordelijken voor de eerste Wereldoorlog. Hun oogmerk, het centrale thema uit hun politiek universum heet ‘heersen’. Zoals Mark Grammens dat eens uitdrukte: ‘ ze heersen over de hoofden van mensen en volkeren heen’.

We leven in een era waarin we alvast een beetje democratie hebben veroverd. We hebben echt geen behoefte aan lieden die zichzelf geroepen voelen om zich boven de plebs, de verzameling inmiddels vaak hooggeschoolde burgers, te verheffen en hen te commanderen of op te dragen wat ze te doen en te laten hebben. Wij zullen Europa zélf wel maken, net zoals Hans Magnus Enzesberger dat zo mooi verwoordde. Die sprak terecht over ‘het zachte monster Brussel of Europa in de klem’.[28]

Het ziet er op de koop toe waarlijk niet naar uit dat de huidige spraakmakers van de EU diegenen zijn, van wie we met goed vertrouwen een evenwichtige aanpak van de nationale problemen mogen verwachten.

 

[1] Alain Finkielkraut. Ongelukkige identiteit. De ontsporing van de multicultuur. De Bezige Bij, Antwerpen, 2014, blz. 87.

[2] Alain Finkielkraut. Comment peut-on être croate? Gallimard, 1992.

[3] D. Abou Jahjah. De stad is van ons. Manifest van de nieuwe meerderheid. Pelckmans, 2014. Blz. 122.

[4] Edward Said. Cultuur en imperialisme, Atlas, 1993 en Edward Said. Denker over grenzen, Boom, Stichting internationale Spinozaprijs, 1999, met voorwoord van Lolle Nauta.

 

[5] Karel van Wolferen. Het Atlantisch geloof. De groene Amsterdammer, 20/8/2014.

[6] Loretta Napoleon. De Schurkeneconomie. Nieuw Amsterdam, 2008.

[7] Phil Zimbardo. Het lucifereffect. Lemniscaat, 2010.

[8] Bruno Bettelheim. Massificatie en zelfbehoud, Aula, 1965.

[9] Jan Verplaetse. Zonder vrije wil. Een filosofisch essay over verantwoordelijkheid. Nieuwezijds, 2011.

[10] Dick Swaab. Wij zijn ons brein. Contact, 2010.

[11] Jaak Peeters. De gekwetste mens. Damon, 2006.

[12] Jaak Peeters. Vlamingen zijn fatsoenlijke mensen. Pelckmans, 2014.

[13] Friedrich Wilhelm Joseph Schelling. Filosofische brieven over dogmatisme en criticisme. Agora editie, 1992. Inleiding door Antoon Braeckman.

[14] Leonard Mlodinow. Stiekeme signalen. Je wordt beïnvloed en je weet het niet. Maven, 2013.

[15] Jaak Peeters. De worsteling met de moderniteit. Pelckmans, 2009.

[16] Men herkent hierin de oude en nooit bevredigend opgeloste discussie over de relativiteit van culturele inhouden en de onderlinge ‘waarde’ van culturen. Zelf geloof ik dat die zogenaamde universele waarden slechts neerkomen op de waarden die gelden in de dominante spraakmakende groep op dat ogenblik van de geschiedenis.

[17] Erik Eriksson. Het kind en de samenleving. Aula, 1967.

[18] Zie diens prachtige Poging om in de waarheid te leven. Van Gennep, 1991.

[19] Ludo Abicht. Patriottisme kent geen grenzen. Pelckmans, 2014.

[20] Merijn Oudenampsen. Links is de deur dicht, rechts staat ze open . De Groene Amsterdammer, 27/11/2014.

[21] Miroslav Hroch. How much does nation formation depend on nationalism? In: idem, Comparative studies in Modern European History. Ashgate, 2007, blz. 101 e.v.

[22] In Knack, 2014.

[23] Abou Bouzerda. Ik weet nu dat Jodenhaat verkeerd is. In Trouw, 13/9/2014.

[24] Fatima Elatik. Ik wil niet hoeven liegen. De Groene Amsterdammer, 3/7/2014

[25] In De Zondag, 2/11/2014.

[26] Michael Ignatieff. Waar het bloed kruipt. Contact, 1993, blz. 214.

[27] Paul Collier. Exodus. Hoe migratie onze wereld verandert. Spectrum, 2013.

28 Hans Magnus Enzesberger. Het zachte monster Brussel of Europa in de klem. Cossee Essay, 2011.

 

 

Jaak Peeters

December 2014

Een walgelijke vertoning

Mijn oom Jan werd in 1940 opgeroepen voor wat eufemistisch heet “de 18-daagse veldtocht”. Het werd veeleer een loopkoers, maar dat terzijde.

Na zijn terugkeer uit Frankrijk werd hij lid van het gewapend verzet in zijn geboortestad Geel. Lang bleef hij dat niet, want de bezetter zat hem op de hielen. Hij ging in de koolmijn werken, waar hij door de Duitsers met rust werd gelaten. Die hadden immers kolen nodig voor hun oorlogsindustrie. Mijnwerkers waren kostbaar.

Veel heeft mijn oom Jan me over die periode nooit verteld. Dat is typisch voor mensen die echte gruwelen meegemaakt hebben.

Eén keer heeft hij me verteld over een bombardement. Over jongemannen die doelloos in het rond lopen te brullen, hun kapotgeschoten kinnebak met nog slechts een dun een velletje aan hun gezicht bungelend. Over nog dampende darmen die in de struiken hangen en wanhopige officieren die met pistolen op aanvallende vliegtuigen schieten.

En over het verzet, op het einde van de oorlog, toen iedereen de afloop van die oorlog al kende. Over de afrekeningen, de vetes en de hatelijke jennerij van lieden die door datzelfde verzet als collaborateurs werden weggezet, omdat ze het aangedurfd hadden als schoolmeester de kinderen “Vlaamse stapliedjes” aan te leren. Mijn eigen schoonvader was in dat geval. Er waren er die het op zijn post als onderwijzer voorzien hadden. Een hoge pet had hij over die verzetslieden van het laatste uur niet op en een grijns van misprijzen trok over zijn gezicht als hij dan toch eens over die lieden sprak.

Aan hem moest ik denken naar aanleiding van de heisa bij de regeringsverklaring van Michel.

Collaboreren met een vijand is altijd fout. Het is een door-en-door asociale daad, die zelfs niet eens met “vaderlandsliefde” van doen heeft, ook al omdat vele “vaderlanden” die liefde gewoon niet waard zijn.

La Belgique heeft nog veel te veel goed te maken om het in lengte van jaren tot de status van geliefde vaderland te kunnen brengen.

Volgens het woordenboek betekent collaboreren: in een oorlog samenwerken met een vijand die het eigen land militair bezet heeft. De term komt van het Franse collaborer, wat “samenwerken” betekent. Derhalve kan het begrip collaboreren een ruimere betekenis worden toegeschreven: samenwerken met krachten of machten die hun gezag willen vestigen op gebieden die hen niet toebehoren. In die zin waren lieden die samenwerkten met de kolonialen collaborateurs en in vele gevallen werden ze, na het einde van de koloniale periode, door de plaatselijke machthebbers ook zo behandeld.

Als deze gedachtegang juist is, luidt de vraag of er niet nog andere vormen van collaboratie moeten aangewezen worden. Die vinden vandaag plaats. De vraag is of het bewust en zonder de voorafgaande goedkeuring van de meerderheid van de burgers afstaan van soevereiniteit aan de EU niet ook als een vorm van collaboratie moet worden opgevat. En of het doorgeven van gevoelige nationale informatie aan Amerika dat niet eveneens zou kunnen zijn.

De meerderheid in het Belgisch parlement heeft die vragen niet op tafel gesmeten, maar dat had de zaak toch wel een ander karakter kunnen verschaffen. Vermoedelijk heeft niemand de zaak helemaal in een voor Franstaligen lastige hoek willen drijven, wetend dat de stemming meerderheid tegen minderheid de discussie toch zou beslechten.

Doch voor een essayist volstaat deze politieke opportunistische berekening niet en dus blijft de vraag gesteld.

Nu zijn er talloze redenen waarom iemand tot collaboratie besluit. Er kunnen politieke redenen zijn, zoals de Franse partij met Parijs collaboreerde tijdens de Franse bezetting (1794 -1815). Er kan puur opportunisme in het spel zijn – en de grootste opportunisten kwamen er na 1945 best wel mee weg.

Er kunnen morele redenen zijn.

Zo is bekend dat vele jongemannen, daartoe door hun collegeleraren aangemoedigd, naar het Oostfront trokken. Ze kozen voor een minder kwaad – dienst nemen in het Duitse leger – om een groter kwaad – het goddeloze communisme – te bestrijden. Diegenen die hen aangemoedigd hadden hun leven hiervoor te riskeren, waren later, toen de afrekening kwam, in geen velden en wegen te bekennen – met enige forcerie op te vatten als een houding van collaboratie met de nieuwe machthebbers toch? De vraag is overigens of Oostfronters wel als “collaborateurs” pur sang kunnen aangeduid worden, al opent dat meteen een nieuwe discussie…

Wat doen ouders als collaboratie de enige weg is om aan het geld te komen dat nodig is om de levensreddende medicijnen voor hun kind te kopen? Of alleen maar: om de honger in de magen van hun kinderen te stillen? Werd collaboratie doorheen te tijden door machthebbers niet gehanteerd om de bevolking onder de knoet te houden?

Ik alvast heb mijn oom Jan deze laatste soorten collaboratie nooit weten veroordelen. Hij sprak evenmin een veroordeling uit over de jongelui die het communisme waren gaan bestrijden. Hij, de verzetsstrijder van het eerste uur, was zelf anti-communist en fervent IJzerbedevaarder: op zijn schouw prijkte een houten maquette van de IJzertoren.

Dit nu werpt een fel en totaal ander licht op de woorden van Jan Jambon, die de collaboratie in algemene zin veroordeelde, doch eraan toevoegde dat iedereen zijn redenen had om te collaboreren.

Deze woorden getuigen van een wijsheid, die de razende furie van de PS te enenmale ontgaat: de nuancering die bij dergelijke kiese en vaak dramatische momenten van menselijk onvermogen en bij vaak na aarzeling en in diepe ellende genomen beslissingen past. De Jambon die ik persoonlijk ken, heeft ongetwijfeld aan dit soort nuances gedacht toen hij iedereen zijn eigen redenen toeschreef om te collaboreren. Hij begreep dat miserie, armoede en noodtoestanden allerlei mensen tot het uiterste kunnen drijven en dat het daarom onrechtvaardig is alle vormen van collaboratie op een grote hoop te smijten.

Dat men in “het zuiden des lands” voor dergelijke nuancering geen oog heeft, al was de collaboratie daar naar het getal minstens even groot, bewijst dat er twee Belgiës bestaan. Quod erat demonstrandum.

De confederatie zal er hoe dan ook komen…

Nu is de felle feeks Onckelinx verstandig genoeg om zelf dat onderscheid te maken. Precies dàt gegeven doet me walgen van haar optreden. Goed wetend dat Jambon heel wijze en menselijke dingen zegt waar een redelijk mens kies mee omspringt, misbruikt zij de miserie en de nood waarop Jambon doelt om sfeer te scheppen, keet te schoppen en een hele partij, ja een heel regeerprogramma, die beide met de hele collaboratie totaal geen uitstaans hebben, in de verdoemenis te jagen.

Jambon heeft niets verkeerds gezegd en die krijsende hysterica Onckelinx wist dat. Maar ze wist ook dat ze dit onderwerp kon gebruiken om de misleide en op dat punt erg gevoelige Franstalige zielen op te zwepen tegen de nieuwe regering en tegen de Vlamingen. Dezelfde Vlaamse koe nota bene, waarvan ze tegen haar eigen achterban zei dat die nog een tiental jaren moest worden uitgemolken. Maar dààrover zweeg ze wijselijk.

Niet dat opzwepen niet mag. Daar niet van. Maar niet door er nogmaals op een totaal ongenuanceerde manier de miserie uit de oorlogsjaren voor te misbruiken. Niet door politieke munt te willen slaan uit de diepe menselijke ellende van zovele sukkelaars, ook in Wallonië. Iemands ellende gebruiken voor eigen politiek gewin is walgelijk.

Dat het CDH daar nog een schepje bovenop deed, door ook de jonge Francken onder vuur te nemen, maakt de zaak nog pijnlijker. Als het gerecht een inmiddels 90-jarige Bob Maes zelf gerehabiliteerd heeft, dan betekent dit dat de officiële daartoe aangestelde instanties ons verzoeken de spons over het verleden te vegen en samen gemeenschap te vormen. Wat er “humanistisch” is aan het weer openscheuren van wonden die intussen officieel geacht worden te zijn genezen, is mij een raadsel. Ik was van oordeel dat wie zijn straf heeft uitgezeten, nadien weer kritiekloos zijn plaats in de samenleving mag opnemen. Dat is toch een verworvenheid van ons democratisch rechtsbestel? Maar sommige “humanisten” kennen het begrip vergeving kennelijk niet, hoewel het toch centraal staat in hun eigen christelijk genoemd gedachtengoed.

Als zelfs het verkrachten van dergelijke grondprincipes van het menselijk samenleven toegestaan is om de politieke vijand te belasteren, dan is alleen walging en afkeer op zijn plaats. Dat is meer dan alleen maar verspillen van politieke energie, zoals Bruno Dewever zei.

Het is een walgelijke vertoning.

Jaak Peeters

Oktober 2014

Mijn nieuwe boek….

cover_vlamingen_vlVlamingen zijn fatsoenlijke mensen

Onder deze titel is zopas mijn nieuwe boek verschenen, bij uitgeverij Pelckmans in Kalmthout.

Vanuit een ongenoegen over de bij herhaling steeds weer opklinkende beschuldiging dat onze mensen een racistische ingesteldheid zouden hebben, ben ik op onderzoek gegaan om uit te zoeken wat mensen nu echt denken. Ik heb daarover dus een indicatief sociologische onderzoek gedaan. Meestal immers formuleert men zomaar stellingen, zonder die te onderbouwen. Daarom is mijn boek meer dan alleen maar een pamflet.

Het blijkt dat onze mensen helemaal niet de racisten zijn waarvoor een bepaalde groep lui hen wil houden.

Wel blijkt de modale Vlaming te hechten aan het behoud van zijn land voor zijn eigen kinderen. Mij lijkt daar niks mis mee. Daarmee treedt echter een duidelijk etnisch principe in het discours. Ik maak duidelijk dat etniciteit in deze zin veel meer in het geding is, dan vaak wordt aangenomen. Ik heb het begrip zelf nader toegelicht, aan de hand van internationale literatuur.

Ook het begrip identiteit behoeft bijstelling, want het wordt heel vaak slordig en zonder verdere definiëring gehanteerd. Zo betekent dat begrip voor ieder wat anders en uit zoiets kan alleen maar spraakverwarring en oplosbare discussie voortkomen.

Ik stel een duidelijk werkmodel voor om met identiteit om te gaan.

Voorts confronteer ik enkele maatschappelijke groepen met de duidelijke constatering dat de modale Vlaming helemaal geen racist is. Ik vraag hen om uitleg over hun ware bedoelingen. Ook de Europese Unie neem ik onder handen, want de politieke doelstellingen van de groepen die de Europese Unie dragen en belichamen lijken niet altijd even zuiver.

Tenslotte formuleer ik een aantal paden om alvast een concrete politiek op het getouw te zetten met het oog op de aanpak van het probleem van de verhouding tussen allochtonen en autochtonen.

Jaak Peeters, Vlamingen zijn fatsoenlijke mensen. Uitgeverij Pelckmans, 2014, 216 blz., ISBN 978-90-2898-7886-7, € 19,50

Het boek kan besteld worden bij de boekhandel of via klantendienst@pelckmans.be.

 

Jaak Peeters

Dat verdomde staatsnationalisme!

In de Groene Amsterdammer van 24 juli 2014 verscheen een bijdrage van Marcel ten Hooven onder de nogal uitdagende titel Geschreven in bloed.

Daarin brengt de Groene-redacteur een verslag over de opvattingen van de Amsterdamse historicus Marc Jansen, die een boek schreef over Oekraïne, onder de titel Grensland – een woord dat de vertaling blijkt te zijn van Oekraïne, net zoals Belgium de vertaling is van Het Nederland.

 

Poetin-doctrine.

 

Ten Hooven, wiens verslag ik voor zijn rekening laat, vangt zijn stuk aan met een beschrijving van de stellingen van de bekende Britse historicus Timothy Gordon Ash. Die beweert namelijk dat er zoiets bestaat als een Poetin-doctrine. Die doctrine zou inherent gewelddadig zijn. Kortweg komt die doctrine volgens Ash hierop neer: Poetin wil de Russen, die sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie aan de andere kant van de grens wonen, terug in het moederland brengen. Desnoods wil hij daarvoor de grens verleggen. Ash meent dat Poetin zelf wil bepalen wie Rus is en daarbij de neiging heeft de normen steeds wijder te omschrijven.

Voor Ash is deze doctrine gevaarlijk, omdat ze een directe bedreiging vormt voor de stabiliteit van het statensysteem dat zich na 1945 heeft gevormd. Deze stelling wordt door verschillende leidinggevenden in Europa onderschreven, zoals onlangs nog door Carl Bildt, de Zweedse minister van Buitenlandse Zaken.

Volgens ten Hooven treedt de Amsterdamse historicus Marc Jansen deze opvattingen bij. Ten Hooven gaat op diens standpunten uitvoerig in.

Volgens Jansen heeft Poetin het uiteenvallen van de Sovjet-Unie altijd betreurd – hetgeen volgens diezelfde Jansen op de aanwezigheid bij Poetin van een imperialistische inspiratie wijst. Hoewel Poetin tot 2013 nooit de indruk zou hebben gewekt dat hij grondgebied wou heroveren, weet Jansen toch dat hij de oude Sovjet-machtssfeer wil behouden. Hij leidt dat af uit het optreden in 2008 van Rusland in Georgië. Maar ‘met de annexatie van de Krim in maart 2014 heeft hij de bakens verzet. We weten nu dat hij voor het heroveren van land niet terugschrikt.’

Poetin heeft altijd zijn afgrijzen uitgesproken over het uiteenvallen van wat hij de Slavische Natie noemt. Hij pleitte altijd al voor een Slavische Unie, waarvan in ieder geval ook Oekraïne deel zou uitmaken.

Maar volgens Jansen gaat Poetin nog verder: hij zou gezegd hebben dat het een Russiche plicht is alle Russen te beschermen, waar dan ook en zeker in de directe omgeving of invloedssfeer van Rusland. Zo bedoelt hij ook uitdrukkelijk de Russischsprekende Oekraïeners.

Gordon Ash neemt het Poetin kwalijk dat hij heimelijk de Russen in Oost-Oekraïne steunt, want dat zou volgens Ash getuigen van een negentiende-eeuwse visie op een Natie van Russischsprekenden.

Volgens Jansen dan weer zou Poetin nog tegen George W. Bush hebben gezegd: ‘George, je begrijpt toch dat Oekraïne niet eens een staat is?’

Hoeveel Russen wonen er buiten het huidige Rusland? Jansen spreekt over 25 miljoen. ‘Het is een riskante ondermijning van het statensysteem, dit irrendentisme van Rusland, de overtuiging dat het recht heeft op de gebieden buiten zijn grenzen waar een deel van de bevolking tot dezelfde natie behoort (…). De naoorlogse orde in Europa is gebaseerd op de onaantastbaarheid van de grenzen. Die moeten te allen prijze onaangeroerd blijven. Als het onontkoombaar blijkt dat een land uiteenvalt, zoals gebeurde met Tsjechoslowakije, Joegoslavië en de Sovjet-Unie, is het nog te accepteren dat staatsgrenzen veranderen. Maar het wordt anders als dat het gevolg is van een bewust imperiale daad (…).’

Jansen verwijt Poetin dat zijn regime de mensen systematisch verkeerd inlicht.

Ten Hooven spreekt voorts over de rol van die Jansen de EU toedicht en het feit dat het opschuiven van de NAVO in oostelijke richting volgens Jansen de oude Russische omsingelingsvrees helemaal niet heeft aangewakkerd.

Vooral deze laatste uitspraak is zo lachwekkend, dat een mens zich afvraagt hoe ver de verblinding van sommige intellectuelen wel gaan kan.

Ik ga er hier dan ook niet op in.

Wat met interesseert is het denkpatroon dat schuilgaat achter de standpunten van mensen als Ash en Jansen.

 

Deconstruerende vragen.

 

 

Eerst wil ik enkele deconstruerende opmerkingen maken bij de standpunten van beide historici.

De eerste heeft te maken met de mening dat het verlangen om de Russen die buiten Rusland wonen binnen Rusland te brengen inherent gewelddadig zou zijn. Is dat zo? Wat als de aanwezigheid van die Russen buiten Rusland zelf nou eens het gevolg is van gewelddadigheid? (Ik laat vrijwillige emigratie buiten beschouwing.) Dan zou het willen in standhouden van de bestaande toestand eigenlijk neerkomen op het laten voortduren van het originele geweld. Nieuw geweld zou dat de gevolgen van het origineel geweld opheffen en dus tot normale toestanden voeren. Men kan, bijvoorbeeld, argumenteren dat de Russische bevolking in het oosten van Oekraïne per abuis buiten Rusland terecht gekomen is, net zoals de Duitse bevolking van de Belgische oostkantons per abuis – of als oorlogsbuit – buiten Duitsland terechtkwam. Voor deze gedachtengang zijn namelijk nogal wat historische gronden aan te voeren. Vast staat immers dat al eeuwen autochtone Russen in dat gebied leven. De huidige bevolkingscijfers laten Russischsprekende meerderheden zien in Oost-Oekraïne, al is dat onder verwijzing naar de Franstaligen in de Vlaamse rand en met in achtneming van de import door Stalin van Russen in dat gebied geen referentie. Overigens: de Franstaligen waren in de Vlaamse rand nooit autochtoon. Nu is deze kwestie veel te ingewikkeld om even tussendoor te behandelen, maar precies dààrom ook is het hanteren van de term ‘inherent gewelddadig’ op z’n zachtst voorbarig. Er zijn overigens ook democratische volksbewegingen die de hereniging met het moederland op het oog hebben: Zuid-Tirol is een bekend voorbeeld. Moet men dat streven per definitie als inherent gewelddadig omschrijven? Dat streven wil nochtans hetzelfde doel bereiken als wat Poetin ten aanzien van de Russen buiten Rusland wordt toegeschreven: bijeenbrengen in één land. In West- en Oost – Limburg (Vlaams en Nederlands Limburg) bestaan er belangrijke groepen die Limburg willen herenigen en de scheiding van 1839 ongedaan maken. Is dat ‘inherent gewelddadig’? Alvorens die harde kwalificatie te gebruiken is, dunkt me, toch eerst wat meer uitleg nodig.

Volgens Jansen en co kan een volk gerust bewust over verschillende staten verspreid worden. Dan is er niks aan de hand. Ho neen? Nederlanders worden over drie staten verpreid en dan is er niks aan de hand? Waarom waren de Duitsers dan zo happig om Oost- en West-Duitsland te herenigen? Duidelijk is dat de opvattingen van Jansen erg betwistbaar zijn.

Men kan voorts betwisten dat een grootmacht het recht heeft om haar invloedssfeer te beveiligen. De waarheid is dat alle grootmachten dat altijd al hebben gedaan. Niemand zal hen daarvan weerhouden en wat meer is: als diegenen die nu zo heftig voor politieke onbaatzuchtigheid pleiten zelf aan het roer komen, doen ze precies hetzelfde als wat zij hun voorgangers verwijten. Ook kleinere landen bewaken overigens hun belangen. Poetin mag dat dus niet? Alsof men de Amerikaanse aanwezigheid in Europa niet kan opvatten als belangenbehartiging!

Maar los daarvan: kan men een president van Rusland kwalijk nemen dat hij het opneemt voor de belangen van een minderheid van miljoenen in belangrijke mate autochtone Russen in Oekraïne? In een land waar die toch wel héél grote minderheid helemaal geen rechten blijkt te krijgen? Zelfs de taal werd niet erkend. Het doet toch zo fel aan de negentiende-eeuwse toestanden in Vlaanderen denken! Als Oekraïne ‘zijn’ Russen even goed zou beschermen als de autochtone Oekraïeners, zou men misschien nog anders kunnen redeneren – hoewel: zelfs die gedachtengang is betwistbaar. Maar zo blijkt het niet te zijn. En zoals Pjotr in zijn weblog Anders nieuws extra schrijft is het minoriseren van een minderheid van 40% niet bepaald verstandig: het is zonder meer destabiliserend. Dat lijkt me pas inherent gewelddadig. De schuld van dit laatste dan op Poetin werpen is dan ook onrechtvaardig. Obama komt zo vaak op voor benadeelde groepen in zowat de hele wereld – daarbij nageblaat door figuren in Europa die zich ook al tot het bedrijven van wereldpolitiek geroepen voelen. Alsof het Amerikaanse leger niet alles doet om bijvoorbeeld in Irak landgenoten te bevrijden! Waarom zou Poetin dan zijn eigen volksgenoten niet mogen steunen? Wat is er mis met het in bescherming nemen van volksgenoten als daar nood aan blijkt te zijn? Ik herinner me overigens de uitspraken van een Zweeds minister dat als de Zweedstalige bevolking in Finland last zou krijgen, Zweden niet werkeloos kan blijven toezien. En als ik het goed heb bestaan er zelfs verdragen die bedoeld zijn om het lot van minderheden te verlichten. Maar als Russen in Oekraïne – ‘dat niet eens een staat is’ – gemolesteerd worden, mag Poetin niets ondernemen? Welk mens met een ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel zal zoiets aanvaarden? Zeker omdat we moeten constateren dat ‘de internationale gemeenschap’ (wat dat ook moge zijn) zich verschuilt achter de ideologie van de onaantastbaarheid van soevereine staatsgrenzen om de andere kant op te kijken als miljoenen mensen achtergesteld worden en bijgevolg geen hand uitsteekt- met gevolgen zoals in Ruanda. Wat komt er het eerst: de belangen van mensen en de solidariteit onder mensen die elkaar het meest nabij zijn, zoals volksgenoten, of de theoretische staatsconstructies van de westerse elites?

Als Jansen Oekraïne wegzet als een schokzone tussen Oost en West, als een multi-etnische trefplaats van volkeren, culturen en religies, dan deelt hij ons hiermee toch zijn politieke waarde-oordeel mee en het is niet zeker dat dit oordeel door iedereen wordt gedeeld, noch dat zijn beeld niet veeleer een geïdealiseerde voorstelling is van een werkelijkheid die veel rauwer is. Alweer die ideologie van de diversiteit! Alsof homogeniteit haast een misdaad zou zijn.

Ook het idee van de ‘Slavische Natie’ kan kennelijk niet op instemming van de geciteerde Amsterdamse historicus rekenen. Toch komt hij hier, meen ik, vooringenomen uit de hoek. Ik zou namelijk wel eens willen weten wat zijn oordeel is over de Europese Natie – door hem toch wel gewenst? Of over de Moslimnatie die door Erdogan en Saudi-Arabië wordt aangehangen?

Als Jansen de wens om alle Russischsprekenden als één Natie op te vatten – en bijgevolg in bescherming te nemen – opvat als een bijna-negentiende-eeuwse opvatting, dan moet hij ons toch eens uitleggen hoe hij staat tegenover Frankrijk, dat met zijn Francophonie alle Franstaligen in de wereld bijstaat, of, in zachtere mate, het Duitse Goethe-instituut. De schroomvalligheid van dat laatste zou zonder een Duitse nederlaag in 1945 zeer zeker heel wat minder opvallend zijn geweest. En bevorderen de Amerikanen niet hun Angelsaksisch levensmodel (hun Democracy) en propageert Marokko niet de dubbele nationaliteit om zijn eigen natie buitengaats in stand te houden? En dan zwijgen we maar over de Joden…

En dan: is er niks mis met de uitspraak: ‘hij schrikt niet terug voor het heroveren van land’? Als iemand iets her-overt, werd het eerst ontnomen. Was die eerste actie dan niet de fout van alles?

Voorts deelt Jansen ons mee dat hij het onterecht vindt dat Poetin bepaalt wie Rus is. Wie moet dat dan bepalen? De Oekraïense regering? Moet de Belgische regering bepalen wie Vlaming is? Misschien doet Poetin gewoon niets anders dan…de aanwezigheid van een identiteit constateren en daar vervolgens de conclusies uit trekken. Misschien ontsnapt onze identiteit ons wel grotendeels- zoals heel sterk gesuggereerd wordt door het gedrag van talloze jonge immigranten, die hun echtelijke partner bij voorkeur in hun thuisland gaan zoeken. Kennelijk worden die jongelui gedreven door krachten die hen te boven gaan. Het is dus echt niet zo simpel als Jansen schijnt te denken.

Over de vraag hoe autochtoon de Russen in Oost-Oekraïne zijn, kan eindeloos worden gediscussieerd. De zaak ligt in ieder geval erg ingewikkeld. Doch: voor zover de autochtone Russen in het Oosten van Oekraïne een historische groep vormen, moeten ook hun nationale rechten worden erkend.

Over Jansens’ verwijt dat Poetin zijn mensen verkeerd inlicht kan ik kort zijn: waarom vernemen we in het westen niet dat de vluchtelingen uit Oekraïne allemaal richting Rusland vertrekken? Is dat omdat het in Rusland levensgevaarlijk is? Waarom vernemen we niets van de Oekraïense uitspraken op TV over de aanwezigheid in de Donbass van 1,5 miljoen ‘overbodigen’? Ja: ik verwijs naar de feiten uit de jaren veertig van vorige eeuw. Waarom toch die selectiviteit? Begrijpt men niet dat zulks de mensen achterdochtig maakt?

 

Het is inderdaad allemaal een beetje argwaanwekkend. Doorzichtig ook, vooral voor mensen van 2014 die niet de ongeschoolde onwetenden van 1930 zijn. Zowat alle volkeren en volkerengroepen in de hele wereld komen op voor hun volksgenoten die buitengaats wonen. Alleen ‘wij’, in Europa, doen zoiets negentiende-eeuws niet. Dat spreekt toch, nietwaar? Wij staan daar boven, weet u wel? Daarmee rijst alweer het vermanende moreel superieure domineesvingertje de hoogte in. Alleen valt te vrezen dat dit oprijzen slechts een compensatie moet voorstellen voor de eigen machteloosheid om hetzelfde te doen als de Russen…

Kortom: de kritische houding tegenover de Russische politiek ten aanzien van Russen buiten de grenzen is op zijn beurt toch wel aan aan kritiek onderhevig.

Ik neem geen stellingen in. Ik deconstrueer slechts. Ik stel vragen.

 

Een meer fundamentele kwestie.

 

Er is echter een andere kwestie. Die heeft van doen met het denken van westerse elites over staten en volkeren en hun onderlinge verhoudingen. Met name de onaantastbaarheid van staatsgrenzen – zowat een dogma van deze elites – blijkt daarbij een bedenkelijk punt te wezen.

 

Volgens mensen zoals Ash en Jansen is het verkeerd te eisen dat leden van de natie, die buiten de eigen staat leven, tot die staat moeten kunnen toetreden. Staatsgrenzen zouden immers onaantastbaar moeten zijn. Zoniet dreigt algehele destabilisatie en wordt het hele statensysteem zoals dat sinds de oorlog ontstaan is, op de helling gezet.

Maar wat als dat statensysteem zelf inherent onrechtvaardig is- en in die vorm dus nooit had mogen bestaan? Ik suggereerde het al eerder: is het rechtvaardig dat er grote delen van een volk buiten de staatsgrens leven, alleen maar omdat de grens daar werd getrokken waar ze nu ligt? Is een dergelijk statensysteem niet de neerslag van onrechtvaardige machtsverhoudingen? En moeten we niet anders gaan denken over staten en hun soevereiniteit? Is een staat niet veeleer een instrument, een constructum, in plaats van een haast heilig, onaantastbaar Hoger Wezen? Kun je spreken over ‘Russischsprekende Oekraïeners’, alsof het predikaat Oekraïne primordiaal is? Moet je niet eerder zeggen: ‘Russen binnen de grenzen van de staat Oekraïne’? Zijn de meeste staatsgrenzen in Afrika niet totaal willekeurig en vaak onrechtvaardig? Ze lopen soms dwars door dorpen heen! Kan het dan verbazing wekken dat mensen aan de andere kant van het dorp én de staatsgrens die laatstgenoemde grens willen verleggen? Moeten we niet erkennen dat de staatsgrenzen in Afrika nooit op deze manier hadden mogen getrokken worden – de stelling van Basil Davidson?

Men moet niet komen vertellen dat Afrika een speciaal geval is. Hoe is de Belgische staatsgrens tot stand gekomen? Tot in 1839 bleef het onduidelijk waar de grens tussen het nieuwbakken ‘België’ en Nederland lag. Zo werd ze tussen Reusel en Arendonk getrokken. Totaal willekeurig, want het dialect is langs beide kanten vrijwel identiek. Idem dito met, bijvoorbeeld, het Nederlandse Clinge en het Vlaamse De Klinge. Waarom ligt de Franse noordgrens waar ze nu ligt? Het is toch bekend dat de Franse elite alvast nog tot in 1918 die noordgrens wenste te laten samenvallen met de westelijke Rijnoever? Waarom werd Duitsland het land dat we thans kennen en niet het Groot-Duitsland dat mensen zoals Bismarck wilden?

 

De waarheid is dat staatsgrenzen de uitkomst zijn van de debatten, discussies en soms heuse gevechten onder de leidinggevende groepen op een bepaald moment in de geschiedenis – een standpunt dat door de Rotterdamse rechtsgeleerde Wim Couwenberg in een wat ander kader gehuldigd wordt. Ook de huidige EU is niets anders dan de uitkomst van deze discussies.

Staten zijn helemaal geen ‘natuurlijke’ of hogere werkelijkheden. Ze zijn slechts tijdelijke consolidaties van machtsverhoudingen en ze zullen dus in de toekomst veranderen.

 

Brutaal gezegd: ‘wij’, dat is de bevolking die niet tot de hoger genoemde discussies is toegelaten oftewel de leden van de volkeren, hebben met dat hele staatkundig gedoe van de elites nauwelijks wat te maken. Ze moeten veeleer machteloos hun spelletjes ondergaan. Mensen hebben gewoon niets met de onderlinge machtsgevechten onder elitegroepen noch met de uitkomsten daarvan. Zeker niet voor wie democratisch redeneert, zoals schrijver dezes. Mensen willen een fatsoenlijk en efficiënt bestuur, zodat hun belangen goed beveiligd zijn. De persoonlijke macht van een stel heersers interesseert de modale mens terecht geen barst.

 

Maar de politieke gevolgen van deze machtsverhoudingen zijn wel heel ernstig. Want de staten die op deze manier ontstaan berusten niet op een stabiele, etnisch gefundeerde basis. Het is dus constant zaak om die staten aan elkaar te houden. Daartoe moeten separatische bewegingen worden bestreden en alle technieken worden toegepast, zoals die welke door Gellner en Hobshawm als ‘nationalisme’ werden beschreven. Precies omdat deze staten toevallige constructies zijn, is het noodzakelijk het principe van de onaantastbaarheid van de grenzen tot een dogma te verheffen.

 

Maar de feitelijke praktijk ondermijnt dat dogma de hele tijd. Ook iemand als Jansen moet erkennen dat die praktijk het fictieve karakter van die onaantastbaarheid aantoont. Anders hoeft hij niet te schrijven dat het uiteenvallen van staten aanvaard moet worden zodra dat ‘onontkoombaar’ is. Waarom zou het uiteenvallen van een correct geconstrueerde staat onontkoombaar zijn? Vanwaar die onontkoombaarheid?

De theorie van de onaantastbaarheid van de staatsgrenzen wordt door de staatselites verder ondersteund door de schepping van een civiele burgerlijke maatschappij. De bewoners van een staat zouden dan burgers zijn, die allemaal gelijkelijk gekenmerkt worden door de deelachtigheid aan een stel abstracte rechten en plichten, die zij samen als burgers van dezelfde staat delen. Alle andere aspecten van de menselijke existentie komen dus in onderschikking. De mensen worden leeggemaakt om te kunnen dienen als burgers van de staat die de dames en heren in elkaar hebben geknutseld. Alvast gelovigen zullen dit zeker niet appreciëren- en ze hebben nog gelijk ook. Want opnieuw staan we hier voor een fictie: die ‘abstracte gelijke burger’ bestaat namelijk nergens. Ik alvast ben er nog nooit een tegengekomen. Als ik iemand ontmoet, dat is dat altijd een concreet mens, met zijn eigen geschiedenis, zijn eigen voorkeuren, zijn eigen wensen en met vaak opvattingen die ik niet deel. Sommigen onder hen zijn afkomstig uit verder gelegen windstreken. Anderen daarentegen zijn geboren in hetzelfde dorp waar ikzelf ooit het levenslicht zag. Allemaal concrete mensen, deelgenoten van eenzelfde etnische gemeenschap – de ene wat meer dan de andere, weliswaar. Maar De Burger? Die kom ik niet tegen, net zomin als Maxima Zorregieta De Nederlander heeft gevonden. Ik weet dat er wat politieke kwalificaties zijn die mij als staatsburger om de hals worden gehangen, maar bén ik ook werkelijk die burger of is dat veeleer een façade, een kapsel dat ik draag bij sommige gelegenheden, een overjas die bedekt wat ik werkelijk ben zodat ik in werkelijkheid oneindig veel meer ben dan alleen maar een burger van een toevallige staat?

 

Twee staatsopvattingen.

 

Op die manier verschijnen in de Oekraïense kwestie, met enige vereenvoudiging bekeken, twee staatsopvattingen als regelrechte antipoden.

Aan de ene kant is er de westerse staatsnationalistische opvatting. Deze staten zijn ontstaan als het product van de onderlinge worstelingen van de elitegroepen. Om het product van hun gevechten en tegelijk hun eigen belangen te consolideren, roepen ze de fictie van de absolute onaantastbaarheid van de staatsgrenzen in het leven. Vervolgens scheppen ze de fictie van de abstracte staatsburger, omdat het tot aanschijn laten komen van de werkelijkheid van de volkeren hun eigen staatsconstructies als kaartenhuisjes in elkaar zou doen zakken. Daarom moet in deze staatsopvatting de mens naar de staat worden gemodelleerd.

Aan de andere kant is er de Russiche droom van het Russische Volk, dat eigenlijk thuishoort bij Moedertje Rusland : de figuur bij uitstek in de grote familiemetafoor. Hier is de staat de veruitwendiging van de Russische volksziel en komt de abstractie van het staatsburgerschap op de tweede plaats, als verfijning van een basis die er al is en er ook blijft. De cohesie van de gemeenschap berust niet op abstracte beginselen die zogenaamd een teken van hogere beschaving zijn, maar op de erkenning van de concrete werkelijkheid van het menselijk bestaan in een kosmos die de kenmerken van een familiemetafoor bezit. In dit geval wordt de staat gemodelleerd naar de maat van de concrete mens.

In mijn visie nu heeft de volle, concrete menselijke werkelijkheid echter altijd voorrang. Elke andere aanpak houdt een inbreuk in op de menselijke waardigheid- als ik Hannah Arendt goed begrepen heb. Menselijkheid betekent de concrete, de werkelijk bestaande individuele persoon met zijn volledige identiteit primordiaal stellen, niet de abstracte ficties die gepropageerd worden door de elites die het op een bepaald ogenblik voor het zeggen hebben.

 

Toegegeven: een politiek die uitgaat van de volksgemeenschappen mondt uit in staatkundige lappendekens. Dat vereist de aanpassing van de staatkundige structuren aan vaak uiterst grillige volkskundige werkelijkheden. Voor wie van eenvoud en doorzichtigheid houdt, valt zoiets moeilijk te bemeesteren. Zulke ‘landen’ zijn ook een nachtmerrie voor traditioneel denkende landsverdedigers. Het besturen ervan kan niet van boven uit. Het vereist immers de uitdrukkelijke medewerking van de betrokken gemeenschappen. Maar dat is nou net wat me aanstaat! Een dergelijk bestuur zal namelijk democratisch zijn of zal niet zijn. Het is buitengewoon vreemd te moeten constateren dat de linkse partijgangers van de multiculturele maatschappij op dit punt nooit het voortouw hebben genomen.

In ieder geval: voor wie bereid is dit alles onder ogen te zien, rijst het idee dat de vijanden van de politieke stabiliteit niet de volken zijn, noch het irrendentisme van die volken, maar de koppige eigenzinnigheid van de elites die tegen alle redelijke tekenen in vasthouden aan hun staatsnationalistische ficties.

Hun stijfhoofdigheid doorkruist het gerechtvaardigde streven van zovele etnische gemeenschappen naar een eigen, politiek volwaardig thuisland: de ware en enige juiste definitie van ‘nationalisme’- hoe geografisch grillig dat thuisland ook zijn moge. Pas als het etnische streven weerstaan wordt ontstaan frustraties en zullen de felsten uit die gemeenschappen naar hardere methoden grijpen. Deze laatste daad wordt door de onbegrijpende staatsnationalisten opgevat als het signaal om ‘in te grijpen’ en de nationale beweging te onderdrukken. Net zolang tot het niet langer houdbaar is en er geen andere uitweg meer is dan de volken toch maar hun zin te geven. Onontkoombaarheid noemt men dat dan.

Barbara Tuchman had gelijk: de politieke geschiedenis is een mars der dwaasheid.

 

 

Naschrift.

 

Dezer dagen blijkt hoezeer de spraakmakende elites opgesloten zitten in oude, zogenaamd nationalistische denkpatronen en hoe ze de problemen van onze dagen benaderen vanuit een hopeloos verouderde visie.

Ze leren het maar niet.

De Oekraïense kwestie heeft namelijk tegelijk de afhankelijkheid van Europa van het Russische gas geïllustreerd.

De reacties daarop zijn illustratief. Men kan ze overal lezen. ‘We’ moeten onafhankelijk worden van het Russische gas, klinkt overal op. Het valt tevens op hoe hier een ander collectief wordt gehanteerd: ‘we’ staat niet langer voor Belgen of Fransen, maar voor de EU. In de oude terminologie zou een dergelijke houding gewoon nationalistisch heten, maar als het om Europa gaat is dat kennelijk geen punt. EU-staatsnationalisme is in de mode en wordt daarom terecht geacht in plaats van het oude natiestaat-nationalisme. Deze opeenvolging in denkmodes gelijkt op de manier waarop de anti-apartheidsideologie door die van het multiculturalisme is afgewisseld.

Merk voorts op dat hier hetzelfde streven naar autarkie gaande is als wat de oude natiestaten manifesteerden. In dat laatste geval werd autarkiestreven door de spraakmakende groepen nochtans weggehoond.

Het ontgaat evenwel velen te enenmale dat Europa slechts een schiereiland is van de Euraziatische landmassa. Die omvat zowat 54 miljoen km2, waarvan Europa 4 miljoen, zo’n 7,5 % met slechts 10% van de bevolking van Eurazië, zonder noemenswaardige delfstoffen. Niet autarkie, maar interdependentie, samenwerking en verdere verknoping met de rest van Eurazië zouden dus de ordewoorden moeten zijn, alvast voor een groep landen die er beter zou aan doen de ware geografische verhoudingen onder ogen te zien en zich te bevrijden van de illusie dat ze het centrum van de wereld vormen.

 

 

Jaak Peeters

Augustus 2014

 

De spinsels van een zelfverklaarde visionair

“ De tijd van de natiestaat is voorbij, net zoals die van de stadstaten ooit voorbij ging. De toekomst is aan de grote gehelen, die multicultureel en veeltalig zullen zijn. Het nationalisme dat het principe van één staat = één volk huldigt is voorbij én gevaarlijk, omdat het de noodzakelijke evolutie naar nieuwe tijd hindert.”

Ziedaar de samenvatting van Verhofstadts opvattingen over nationalisme, zoals hij die verwoordde in de ‘toonaangevende’ krant van Vlaanderen – niet toevallig gepubliceerd enkele dagen voor de verkiezingen van 14 oktober 2012.

Verhofstadts ideeën zitten fout en dit op historische, conceptuele én politieke gronden.

Eerst het conceptuele. Voor Verhofstadt is de natiestaat een staatstype, onderscheiden van de stadstaat en dat wat hij “grotere gehelen” noemt, doch die niets anders zijn dan imperia.

Net zoals een bedrijf gedragen wordt door een leidinggevend kader dat de belichaming van de ziel van dat bedrijf is, moet elke staat berusten op het bestaan van een “natie”, dit is: een verzameling mensen – naties zijn op de eerste plaats verzamelingen van mensen – die zich in die mate verenigd voelen dat zij een gemeenschappelijke lotsbestemming politiek vorm willen geven. Zonder een dergelijke dominante natie ontstaat er strijd om de ultieme macht. Dat leidt of tot het vestigen van een soort dictatuur of tot het uiteenvallen van de staat, zoals in het geval van Tsjecho-Slowakije.

Daarom is een staat altijd een natiestaat – maar niet altijd de goede.

Een natiestaat kan een volksstaat zijn, wanneer het beginsel van één staat = één volk dicht benaderd wordt. In de literatuur spreekt men dan over een verticale structuur: de dominantie wordt gevoerd door leden van de eigen etnie. Dat schept de grootste democratische kansen. Het kan ook een imperium zijn, waarbij één groep de dominantie voert en de bestaande staat belichaamt.  Dat is het laterale geval. Een imperium is een laterale staat waar één, veelal territoriaal af te bakenen groep dominant is over nog andere etnische groepen. Dat is het Belgische geval en was ook het geval in voormalig Joegoslavië. In het Belgische geval waren de Franstaligen en die Vlamingen die zich daarmee associeerden de dominante groep. In het Joegoslavische geval werd die rol door de Serven vervuld. Bij de Ottomanen waren het Islamitische Turken.

Een stadstaat is een natiestaat, alleen is die van beperkte territoriale omvang.

China, een voorbeeld van zo’n “grotere structuur” dat Verhofstadt aanhaalt, is een natiestaat, die voor 92% uit Han-Chinezen bestaat. Vlaanderen zal nooit homogener zijn.

Bovendien leven vele mensen die nochtans één natie zouden kunnen vormen toch in verschillende natiestaten: zo is het in Afrika.

Verhofstadts begrippenapparaat is hopeloos slordig en bovendien veel te strak hiërarchisch. Zo ontgaat het hem dat de Vlamingen een natiestaat kunnen vormen – dus gedragen door een in Vlaanderen dominante groep mensen die zich prioritair Vlaming noemen – maar toch steun kunnen geven aan een Europese natiestaat, die gedragen wordt door àndere mensen, die zich prioritair Europeaan noemen. Alles hangt af van de wederzijdse verhoudingen, waarvoor we het moeilijke woord “subsidiariteit” gebruiken. Voor hem sluiten stadstaten, natiestaten en datgene waarvan hij de ware aard verzwijgt, droogweg elkaar uit en staan ze in een lineair opgaande reeks, waarbij het laatste, de zogeheten “grotere structuren” de hoogst ontwikkelde vorm zou zijn. De complexiteit van de werkelijkheid ontgaat hem helemaal.

Het onderscheid moet zijn: de volksstaat versus het imperium, dat zo mild kan zijn dat weinigen het herkennen, oftewel volksnationalisme versus staatsnationalisme. De stadstaat is slechts een territoriaal beperkte versie van één van beide.

Hier priemt gelijk ook de klassieke utopische eindtijdgedachte en de illusie dat alles in de wereld altijd “vooruitgang” zou zijn. Als die theorie juist zou zijn, dan is de EU in ieder geval geen lang leven beschoren, wat dan volgt nà de “grotere gehelen” het planetaire stadium.

Dat brengt ons bij het historische.

Hier slaat Verhofstadt de plank zo mogelijk nog meer mis.

Niet alleen bestaat de stadstaat ook vandaag nog (Singapore), maar de antieke Griekse stadsstaten leefden niet op zichzelf: getuige is de Attische Bond. Meer nog: de imperiale staat, die voor Verhofstadt kennelijk de eindfase van de politieke ontwikkeling is, bestond ook in de antieke tijden, onder vorm van het Perzische Rijk.  We vergeten dan voor het gemak de Rijk van de Inca’s, de Azteken, de Tolteken, om over de Babyloniërs en de Assyriërs maar te zwijgen.

Daarmee maken we dus tegelijk komaf met dat utopische denken van Verhofstadt: het geloof aan een heerlijke toekomst. Frank van Dun heeft enkele jaren geleden het gevaar daarvan laten zien. Er bestaat geen politieke eindtijd.

Imperia hebben altijd bestaan. Altijd opnieuw werden ze belichaamd door een machtsgroep die zich met die imperiale staat vereenzelvigde: het Engelse koloniale rijk, het Ottomaanse imperium, Joegoslavië. Overal gingen die imperia weer ten onder, waarbij ze vaak volgens etnische grenzen uiteen vielen. Sommige imperia waren zelfs volgens etnische grenzen georganiseerd. Een recent voorbeeld was de Sovjet-Unie. Waar de etnische principes niet werden gerespecteerd was het hommeles: vraag het maar aan de Koerden!

Het idee dat de EU iets nieuws zou zijn, slaat dus nergens op en evenmin is het waar dat het iets visionairs zou zijn: het is de heruitgave van een oud refrein. Dat refrein luidt dat wie macht heeft, die altijd wil vergroten. Daarom proberen rijken zich altijd uit te breiden en willen rijker altijd rijker worden. Het is een middel om zich te onderscheiden en dus zich beter te voelen, hetgeen wijst op de existentiële aspecten ervan.

Maar Verhofstadt is ook een gevaarlijk man.

Ten eerste om Vlaamse redenen.

Vlaanderen heeft gestreden voor het Nederlandse karakter van Vlaanderen en het scheppen van legitieme en relevante structuren om het leven volgens eigen vormen mogelijk te maken. Door het homogeniteitsprincipe naar de scheurmand te verwijzen, haalt hij een vette streep doorheen de hele culturele en politieke emancipatiebeweging van de laatste tweehonderd jaar.

Ten tweede voert zijn denken naar de 19 eeuw. De veeltaligheid waarover Verhofstadt spreekt houdt geen rekening met de realiteit van het leven. Als verschillende talen door elkaar op één gebied worden gesproken, zal één ervan snel dominant worden. Men vrage het maar aan de Afrikaanssprekenden. Daarmee wordt de mogelijke dominantie van één klasse heringevoerd en grijpt men terug naar de maatschappelijke ordeningsprincipes van voor de sociale revoluties. Het wordt een wereld van rijke, dominante vreemdetaalsprekers die heersen over het gewone, autochtone volk. Verhofstadt is duidelijk een uitdetijdse retrofiguur met veel te veel invloed. Zijn “visie” veegt zowaar de hele emancipatie van de kaart.

De visionair, waarvoor Verhofstadt zich kennelijk houdt, blijkt bij nader toezien een gevaarlijke reactionair te wezen, die, zoals hij al heeft meegedeeld, niet zou aarzelen om “zijn” EU op verre slagvelden oorlog te laten voeren.

Daar is niks visionairs aan.

Dat heeft niks met verandering te maken.

Het is een verwerpelijk jazelfs: macaber staatsimperialisme van het ergste soort.

 

Jaak Peeters

Okt 2012

 

Een moderne leer en veel werk.

Sinds het verschijnen van Ernest Gellners naties en nationalisme wordt deze auteur in nationalistisch denkende milieus nogal eens ingedeeld bij de tegenstanders van het nationalisme. Zelf heb ik dat ook zo altijd aangevoeld. Misschien is zijn naties en nationalisme wat militanter geschreven, want in zijn Culture, Identity and Politics, dat enkele jaren later verscheen en waarvan voor zover bekend geen Nederlandse vertaling voorhanden is, klinkt hetzelfde verhaal veel neutraler en aanvaardbaarder.

Ik zal trachten zijn verhaal hierna kort samen te vatten.

Daarna zal ik trachten wat kritische noten aan te brengen.

Het geheel brengt ons tot enkele enigszins verrassende conclusies.

 

Dat wat men nationalisme noemt, is het pure gevolg van de moderniseringsprocessen sinds de ontplooiing van de technische beschaving, dus: sinds zowat de achttiende eeuw. Gellner, die kennelijk nogal taalkundig gericht is, licht deze stelling toe door het verhaal van de dialecten te vertellen. In een wereld, waarin mensen opgesloten zitten in een vast traditioneel maatschappelijk patroon, kunnen dialecten zich handhaven. Zodra echter een wereldbeeld postvat waarin economische en wetenschappelijke groei centrale waarden zijn, wordt vernieuwing en innovatie een belangrijk principe. Vervolgens komt daaruit dan weer voort dat mobiliteit – in zowat alle betekenissen – sterk toeneemt, en die mobiliteit veegt de kansen van de dialecten van tafel. Standaardisatie wordt immers noodzakelijk, temeer daar een dergelijke cultuur algemene scholing vereist en omgevormd wordt tot een literaire cultuur. Tegelijk worden de oude, traditionele banden verbroken, ook weer als gevolg van de mobiliteit. Op die manier wordt de cultuur, die voorheen als vanzelfsprekend en daarom voor het zicht van de mensen verduisterd was, nu een punt van bijzondere aandacht. Wie in de vigerende, gestandaardiseerde cultuur goed mee is, verhoogt zijn kansen. Cultuur wordt dus een waarde op zich. Nationalisme is geboren, stelt Gellner.

Alles wel beschouwd brengt de modernisering dus een scherpe selectie onder de plaatselijke idiomen. Er zijn er immers veel te veel. Welnu, zegt Gellner: slechts enkele idiomen overleven, maar worden vervolgens goed gedefinieerd en afgelijnd. Heel vaak wordt het winnende idioom door hun aanhangers gekozen.

Zodoende, zegt Gellner, heeft Renan gelijk: er bestaat een soort onafgebroken plebisciet, vermits het volk beslist welk idioom zal vigeren.

Omgekeerd is er ook een soort geheugenverlies werkzaam: de herinnering aan de oude dialecten en bijhorende tradities slijt en gaat verloren.

Gellner verklaart dat een cultuur zichzelf in het leven kan roepen zonder de steun van een dynastie of een staat – en iedereen herkent hier het Vlaamse geval. Maar elke cultuur, hoe die ook is ontstaan, zal ernaar streven de noodzakelijke politieke instituties te scheppen opdat de culturele infrastructuur, die een moderne cultuur nodig heeft om te bestaan, zou kunnen worden ontwikkeld.

 

Er zitten verschillende vragen en kritische opmerkingen verborgen in deze nogal brutale samenvatting van Gellners leer over het nationalisme.

Hierna worden er enkele gegeven, zonder volledigheid na te streven.

Ten eerste: Gellner maakt weinig onderscheid tussen twee ontstaansbronnen van de moderne nationale staat. De eerste is welke door Gellner wordt beschreven en die door nationalisten nogal eens volksnationalisme wordt genoemd. Een cultuur gaat vooraf aan de staat, die nadien vorm krijgt op basis van de eisen die de centrale cultuur stelt. De tweede bron is die waar een centrale, al bestaande staatsmacht haar cultuur oplegt aan andere, perifere culturen. Nationalisten spreken dan van staatsnationalisme. Dit laatste is het Belgische geval in 1830, waar een  Franstalige natie haar cultuur aan de Vlamingen wou opleggen en de Vlaamse cultuur uitroeien.

Maar is daarmee alles gezegd?

Neem het Franse geval. Frankrijk wordt vaak het voorbeeld van een staatsnatie geheten. Weber heeft echter aangetoond dat deze visie verre van vanzelfsprekend is. De Franse staatsnatie is namelijk een imperialistische uitbreiding van een reeds bestaande proto-natie in Ile-de-France. Omstreeks 1850 sprak niet eens de helft van de Franse staatsburgers Frans! Dus is die fameuze Franse staatsnatie in haar oorsprong eigenlijk een… volksnationale staat, die zich te buiten gegaan is aan imperialisme.

In het Belgische geval is er een evolutie van één staatsnatie naar twee staatsnaties, die beide berusten op één centrale cultuur, en die elk wars zijn van een perifere positie.

Het komt me voor dat over deze kwestie het laatste woord verre van gezegd is. Nationalisten zouden, hier aangeland, nu aan de slag moeten en deze materie verder uitspitten.

Ten tweede: Wat is de betekenis van het zogeheten selectieproces waarover Gellner spreekt? Als de Vlamingen besloten hebben om naast hun dialect tenminste een standaardtaal te leren, gaat het hier dan om een selectie pur sang? Of moeten we eerder spreken over iets dat als een deken bovenop het bestaande wordt gelegd? Zodoende gaat er minder verloren dan Gellner suggereert. Daarbij zouden we dan oog in oog komen te staan met een zuiver democratisch proces – een bewuste beslissing. Met andere woorden: welk is de rol van de grotendeels onbewuste processen die Gellner schijnt te veronderstellen? En wat betekent het dat een winnend idioom wordt gekozen? Wat is de rol van machtsprocessen? Brengt de aandacht die het culturele zelf krijgt in de periode van de modernisering niet uit zichzelf mee dat de rol van onbewuste processen afneemt? Is dat specifiek voor wat als nationaal geldt? Als dat zo is, in het zaak te weten hoe de beslissingprocessen zelf verlopen en hoe de uiteindelijke beslissing tot stand is gekomen. Alweer een taak voor nationalistische theoretici.

Ten derde: Gellner beweert terecht dat een cultuur zichzelf in het leven kan roepen zonder de hulp van officiële machtsstructuren. Hoe gaat dat precies in zijn werk? Maar vooral rijst dan de vraag of nationalisten dan niet het gelijk fundamenteel aan hun kant hebben, als ze beweren dat een natie uit de verre nevelen van de oudheid opdoemt.

Als het begrip ‘natuurlijk’ namelijk iets betekent, bijvoorbeeld zoiets als: “ wat zonder bewuste ingreep van mensen tot stand kwam”, dan steekt er een natuurlijk element in élke vorm van nationalisme – ook in het staatsnationalisme, zoals het voorbeeld van Ile-de-France laat zien. De vraag is dan: wat betekent het als we zeggen dat België een kunstmatige staat is en Vlaanderen iets natuurlijks? Het antwoord lijkt iets te moeten zijn zoals: België is een kunstmatige staat voor de Vlamingen, omdat hij niet het politieke uitvloeisel van hun eigen cultuur is. België is echter een natuurlijke staat voor de Franstaligen.

Als dit juist is, is hiermee het doodvonnis van de staat België getekend.

Bovendien zit er toch nog een andere ‘knoop’ in Gellners verhaal. Dat suggereert namelijk een breuk met het verleden bij het ontstaan van een nieuwe cultuur. Oude, gegroeide banden verdwijnen als gevolg van de toegenomen mobiliteit. Maar niettemin slagen sommige culturen erin zichzelf te vestigen als een moderne, volwaardige cultuur. Hoe moeten we dit allemaal verstaan?

 

De op zichzelf interessante analyse van Ernest Gellner roept dus tal van nieuwe vragen op. Vele van deze vragen hebben een reële betekenis voor het concrete politieke leven. Daarom dringt zich de conclusie op dat de afwezigheid van nationalistische denkers en auteurs in het debat over deze kwesties niet mag blijven voortduren.

Er is nog een tweede, hoogst verrassende conclusie.

Als Gellner gelijk heeft met het verband dat hij legt tussen de modernisering en de opkomst van de nationale gedachte, dan is het nationalisme niet een relict uit het verleden, zoals sommige schrijvers beweren, maar dan is het nationalisme een hoogst moderne leer.

Ten derde rijst de vraag hoe de toekomst er zou kunnen uitzien, als de planetarisatie die we vandaag meemaken verder doorgaat. Zal er een soort wereldcultuur ontstaan, zoals Toulmin beweert? Of zal de wereldmassa van 7 miljard mensen veel te groot zijn om ook maar enigszins overzichtelijk te zijn, zodat die wereldcultuur zich beperkt tot coördinatie en de gevolgen van de commercie, doch voor het overige uiteenvalt in verschillende …jawel: nationale culturen?

Nationalisten hebben, me dunkt, nog veel werk voor de boeg.

 

 

Jaak Peeters

Dec 11

van 25 naar 20.000

Het weze me voor één gegund een ontboezeming te brengen over mijn persoonlijke politieke ‘carrière’. Nou ja, het woord ‘carrière’ is niet meteen de juiste term, maar kom. Nu ik mijn politiek pensioen heb opgenomen is het mogelijk wat afstandelijker te kijken naar een project waaraan ik zelf zoveel tijd heb besteed.

Toen  de partij die nu de grootste van Vlaanderen heet te zijn boven de doopvont werd gehouden onder de vorm van een ‘project’, namelijk het ‘Project Vlaams-nationaal’ van Geert Bourgeois, leenden 25 personen hun handtekening om de start van wat later een partij is geworden mogelijk te maken.

Van ‘leden’ in de strikte zin van het woord was toen niet echt sprake. De 25 bedoelde personen waren de officiële indieners van het genoemde Project. De vergelijking van deze 25 met het huidige aantal van zo’n 20.000 leden voor de betrokken partij klopt dus niet helemaal.

Maar voor wie, zoals schrijver dezes, zijn handtekening in het lijstje van de originele 25 weet prijken, is het moeilijk om deze twee cijfers niet met elkaar in verband te brengen.

Wat dreef ons, die 25? Achteraf bekeken blijkt dat niet zo makkelijk om zeggen. Zonder in de naam van anderen te willen spreken: er was sprake van een mengeling van boosheid en een hardnekkige wil tot doorzetten. Het grondthema was de ontvoogding van dit deel van het volk van de Nederlanden, het bewaren van de integriteit van zijn gebied en de geestelijke en culturele verheffing van de bevolking. De Volksunie was in handen van lieden geraakt die geen echt eigen project meer hadden. Daarom ontbrak ook de noodzakelijke basis waarop de samenhang van een partij steunt. Met enige overdrijving: ieder deed zo maar wat aan. De Volksunie was haar droom kwijt geraakt.

Dat laatste was de oorzaak van de boosheid die zich gaandeweg steeds meer meester had gemaakt van velen onder ons. We begrepen maar niet dat een partij, wier bestaansreden nu net het wel en wee van deze gemeenschap had moeten zijn, wegdreef van haar oorspronkelijke doelen en deed alsof voor Vlaanderen alles al in orde was. Zoals we vandaag allemaal wel weten was dat op verre na niet het geval.

Als ik daaraan nu terugdenk, komt in me het gevoel op dat onze boosheid wel degelijk terecht was. Nieuwlichters hadden zich genesteld in de rangen en hadden de Volksunie van binnenuit vleugellam gemaakt, terwijl buiten enorme uitdagingen lagen te wachten. Hoe kunnen mensen zo zwaar verstek laten gaan?

Zodoende werd onze hardnekkigheid om met nog meer volharding terug te keren naar de kern van wat wij als onze maatschappelijke opdracht aanvoelden nog aangevuurd: wij voelden ons de bewaarders van een erfgoed. En het verhuizen naar andere oorden van wat ik hier dus nieuwlichters noem, voelde veeleer deugddoend aan. Eindelijk terug aan het werk!

Men noemde ons in de pers hardliners. Weerom: zoals iedereen nu wel merkt hadden we gelijk.

Als ik nu kijk naar wat de partij die uit ons Project Vlaams-nationaal is voortgekomen, dan is het niet zozeer het enorm gestegen aantal leden dat imponeert. Het is vanzelfsprekend een mooie prestatie om twintigduizend mensen te verzamelen rondom een programma dat nog steeds niet wegstopt dat Vlaanderen net zoveel rechten heeft als elke andere natie en dus het recht heeft om op eigen gelegenheid aan het wereldconcert van de volkeren deel te nemen.

Wat het meest van al indruk maakt en blijft verbazen is het feit dat de wil om grondig in te grijpen in het bestel van dit als een historisch accident ontstane land tot op vandaag ongeschonden is. Het valt de betrokken waarnemer telkens weer op hoe ‘De Twintigduizend’ nog steeds behept lijken met iets wat lijkt op de vastbeslotenheid die de originele 25 heeft bezield.

Dat die onverzettelijkheid en hardnekkigheid nog steeds goed voelbaar is, heeft vanzelfsprekend van doen met de recente electorale successen van de partij: men voelt dat men met z’n twintigduizend eigenlijk een soort voorhoede is en uitspreekt wat heel velen denken. Zoiets sterkt een mens en verschaft de wilskracht om voort te werken en men hoopt vruchten te plukken.

Op dit punt aangekomen rijst bij de ‘originele’ Vlaamsnationalist enige onrust. De 25 van weeleer waren niet alleen hardnekkig en vastbesloten. Ze wisten zeer goed waarom ze zo beslist optraden. Ze waren – en zijn nog steeds – doordrongen van een bezorgdheid om het lot van dit deel van onze oude Nederlanden Maar de vraag die oprijst is: hebben die vele duizenden, die zich de laatste jaren hebben aangemeld, op dezelfde manier hetzelfde doel voor ogen?

Het verdere lot, dunkt me, van N-VA hangt niet zozeer af van haar electorale succes, want de partij heeft voorlopig wel stevig de onderstroom van de Vlaamse maatschappij te pakken en elke partij moet wel eens electorale tegenslagen verwerken. Realisme is dus de boodschap. De vraag is echter of die partij, waarin de originele 25 naar het getal intussen hopeloos verdrinken, bij machte is om die onderstroom te blijven vasthouden én te blijven verbinden met de droom van de 25.

 

Jaak Peeters

Juli 2011

Waar staat Doorstroming voor?

Doorstroming is een webstek van en voor kritische, Nederlandsbewuste intellectuele dwarsliggers. Geen politiek correct denken kan ons bekoren. Het is onze overtuiging dat de democratie – de grote verovering van de Westerse werkende mens!- geen censuur van welke aard ook verdraagt. Daarom stromen we door, altijd maar verder voortgaande op onze eigen weg: die van het respect voor mens, volk en natie.

 

actuaidentiteit democratie solidariteit