Beschouwingen over democratie en autocratie naar de visie van Gijsbrecht Kuypers

Wie was Gijsbrecht Kuypers (1921 -2015)?

Gijsbert Kuypers was van 1960 tot 1983 hoogleraar politicologie aan de Faculteit Sociaal-Culturele Wetenschappen van de Vrije Universiteit van Amsterdam. Van oorsprong opgeleid als jurist was hij na de Tweede Wereldoorlog korte tijd werkzaam als journalist bij het dagblad Trouw. Bij de oprichting van de faculteit in 1956 werd hij aangesteld als medewerker van hoogleraar Jelle de Jong. In die tijd promoveerde hij bij de Jong. De titel van zijn proefschrift was typerend voor de Koude Oorlog: De Russische Problematiek in het Sovjet Staatsbeeld.

In 1960 werd hij benoemd tot gewoon hoogleraar politicologie.

Gedurende zijn loopbaan als hoogleraar heeft hij zich vooral beziggehouden met de ontwikkeling van een eigen visie op de politicologie als wetenschap. Centraal stond voor hem dat het beleid ten doel heeft ‘de toekomstige vorming van de samenleving’.

In het hiernavolgende artikel wil ik ingaan op Kuypers’ visie op politieke besluitvorming.[1] De klemtoon ligt hierbij op het principe van de democratie, waarover in onze samenleving een haast chaotische verwarring bestaat. Die chaos is hinderlijk en zelfs gevaarlijk voor een democratische debat, al was het maar dat precies in zulke chaos valsspelers hun bedenkelijk bedrijf kunnen voeren.

Wat democratie NIET is.

Kuypers wijst erop dat het woord ‘democratie’ heel vaak in verkeerde zin gebruikt wordt.

Enkele voorbeelden maken duidelijk wat hij hiermee bedoelt.

Voor sommigen is een samenleving democratisch als ze een gewenste maatschappelijke toestand voortbrengt. Als de vrijheid maximaal gegarandeerd is of de gelijkheid van de burgers zo groot mogelijk is, zou volgens deze opvatting een maatschappij democratisch zijn. Men herkent hierbij respectievelijk de liberale en de socialistische visie op de samenleving. Iedereen ziet onmiddellijk de tekortkomingen van deze opvatting. Als ieders vrijheid maximaal is, bulkt de maatschappij weldra van onaanvaardbare ongelijkheid. De tegenpool is natuurlijk de socialistische visie. Die socialistische visie kan echter uitlopen op een communistische staatsordening. Als het enige democratische doel van een maatschappij is te garanderen dat iedereen voldoende mogelijkheden krijgt om goed te leven, dan is het van geen belang wie of wat concreet deze toestand heeft veroorzaakt. In dit geval konden de communistische staten zichzelf democratisch noemen, want het was toch voldoende dat een bewuste voorhoede voor de sociaal gewenste toestand zorgde?

Kortom: democratie kan niet zomaar afgemeten worden aan de output van een maatschappelijk systeem.

Een andere tegenwoordig veel voorkomende misvatting is dat een democratische maatschappij gekenmerkt wordt door het type van opvattingen dat in die samenleving dominant is. Voorbeeld: een samenleving is democratisch als ze bestaat uit mensen die aanvaarden dat de buurman totaal andere dingen doet dan wat men zelf verkiest. Wie naar onze hedendaagse samenleving kijkt, zal bij deze opvatting behoorlijk wat opmerkingen hebben. Moeten we de drugs tolereren? Moeten we tolereren dat de Islam vrouwen naar een tweederangspositie duwt? Moeten we de woke-cultuur echt toejuichen?

Wat democratie dan wel is

Kuypers is duidelijk: niet wat een maatschappij voortbrengt of het type mens waaruit die maatschappij bestaat, bepaalt of die maatschappij een democratische maatschappij is.

Het enige en uitsluitende criterium om een maatschappij democratisch te noemen is de manier waarop de burgerij bij de politieke besluitvorming betrokken wordt. Dat is een standpunt dat nauw aansluit bij de visie van Locke, hoewel Kuypers die naam niet vernoemt.[2]

‘Democratie’ komt voort uit de Griekse woorden deimos en kratein. Deimos staat voor de mensen die beslissingen nemen, en kratein dat betekent: leiden. In het oude Athene bestond de deimos uit zo’n 10 000 mensen. Dat zijn de lieden die we vandaag burgers noemen. Iets vergelijkbaars bestond er in het Zwitserland van de vrije kantons, waar in vele gevallen de beslissingen werden genomen door de burgers die zich op het marktplein verzameld hadden.

In onze moderne massastaten gaat het om veel grotere aantallen en moet de concrete besluitvorming anders worden georganiseerd, maar principieel gaat het om hetzelfde procedé.

Een staat is democratisch als de beslissingen die ertoe doen door de verzameling van de burgers genomen kunnen worden – ‘kunnen’, omdat sommige burgers het spel niet meespelen.

Daartegenover staat de autocratie (van autos -zelf- en kratein – zie hoger). Een autocratie is dus een maatschappij waarin principieel niet alle burgers de beslissingen die ertoe doen kunnen nemen. In de praktijk neemt een kleine besturende groep de beslissingen. Dat was bijvoorbeeld het geval in de communistische ‘volksdemocratieën’.

Het regime in Moskou kun je dus autocratisch noemen; het bestuur van Zwitserland democratisch. Het bestuur van Iran en Turkije is autocratisch. België heeft autocratische trekken wanneer we kijken naar de positie van de vakbonden of sommige economische groepen.

Al bij al rijst wel de vraag of er echt een democratie bestaat die aan de eisen van Kuypers voldoet.

In een autocratie wordt dan weer de macht gehanteerd door financiële of andere elitaire groepen, maar meestal houdt men de democratische schijn wel hoog. Het dus niet een simpel of-of-verhaal, hoewel zulks in de dagelijkse discussie zelden aan bod komt.

Men kan ook heel goed argumenteren dat de geglobaliseerde wereldeconomie sterke autocratische trekken heeft.[3] Dat gegeven wordt vaak over het hoofd gezien en er is niet zo veel toegankelijke literatuur beschikbaar over de verhouding tussen democratie en autocratie binnen deze sfeer.[4] Sommige auteurs wijzen bijvoorbeeld op het gelijkschakelend effect van de internationalisering van de economie. Markten worden gelijkgeschakeld om geglobaliseerde producten te kunnen ‘ontvangen’. Daardoor verdwijnt de specifieke eigenheid van nationale of regionale systemen, wat wil zeggen dat die systemen onder druk staan van geglobaliseerde economische machten, die bestuurd worden door een kleine internationale elite. Zo vindt men reclame voor Carlsberg in Malawi en Pepsi in Indonesië – telkens in het Engels en worden de benamingen voor allerlei apparaten en hun bediening universeel gemaakt. Ook wetgeving en jurisdictie worden onder economische druk op wereldschaal gelijkgeschakeld.

De meest actieve actoren daarbij zijn de zogenaamde multinationals, die vanuit kleine groepen leidinggevenden gestuurd worden. Die groepen lijken wel in hun eigen wereldje te leven – dat zij nochtans presenteren als ‘modern en ruimdenkend’.[5]

Deze materie is echter veel te wijdlopig om even ‘in het voorbijgaan’ te behandelen. Daarom beperk ik me hier voornamelijk tot de klassieke politieke democratie resp. autocratie en houd ik de hogergenoemde globalisering in het achterhoofd. Een ander, hierbij terloops (maar niet onbelangrijk) te vermelden element is de maatschappijordening die berust op een meritocratische visie, zoals in het huidige China.

De moderne staat: problemen

Het door Kuypers besproken democratisch beginsel gaat uit van het beeld van een bewuste, geëngageerde burger. De democratie beoogt dan ook de erkenning van een bepaald mensbeeld als een waarde op zich: de democratie heeft allereerst te maken met menselijke waardigheid.[6] Volgens sommigen put de democratie precies uit die erkenning haar legitimiteit.

Dat lijkt hooggestemd en het is dan ook zorgelijk hoe in onze tijd velen afhaken en ‘de politiek’ links laten liggen.

De moderne maatschappij maakt het de democraat niet gemakkelijk. Ik noem in navolging van Kuypers een aantal factoren, zonder volledig te zijn.

Er is de informatieve overprikkeling: we lijden niet alleen aan een tekort aan informatie, maar nog meer aan een teveel van (onnodige) informatie onder de vorm van een kakafonie van halve en hele waarheden, emoties en fake news. Een normaal mens krijgt het heus moeilijk om zijn weg nog te vinden doorheen die informatiestorm, die nog eens verergerd wordt door een steeds storender en agressiever commerciële reclametsunami. Dat doet de informatie die er écht toe doet verzuipen. Dit alles leidt dan weer tot onverschilligheid.

Democratische praktijk moet men leren. Een volk kan pas democratisch functioneren, als het dat doorheen zijn geschiedenis geleerd heeft, zoals in Zwitserland. Democratisch denken en handelen vraagt wilskracht, oefening en ervaring.

Democratisch gedrag moet bovendien constant ondersteund worden, net zoals elk ander gedrag dat moeilijk is: men moet de democratie actief willen.

Daar komt nog bij dat een democratie moeizamer functioneert naarmate de massa deelnemers toeneemt: een zekere mate van wederzijdse herkenbaarheid is vereist. In massastaten en ipso facto in monsterstructuren als de EU is een democratie derhalve zeer moeilijk. Daarom hebben de staten in de VS grote bevoegdheden, omdat de Amerikaanse grondwet zich uitdrukkelijk tegen autocratie kant.

Te veel ervaren burgers dat hun tussenkomst er weinig toe doet en dat doet hen afhaken (“het zijn allemaal dezelfden”).

De democratische besluitvorming duurt doorgaans ook lang en velen hebben dat geduld niet: ze willen onmiddellijk resultaat.

Tegenover die moeilijke democratische praktijk staan er een aantal factoren die de democratie bewust aantasten of zelfs actief bestrijden. Ook hier weer geef ik slechts enkele voorbeelden. En ook hier laat ik de gevolgen van de globalisering buiten beschouwing.

Een eerste element is de complexiteit van de materie, wat onvermijdelijk voordeel biedt voor een geïnformeerde elite. Daardoor ontaarden sommige maatschappijen tot elitaire autocratieën.

Rik Torfs vermeldt in zijn Waarheid hoe een pleiade van fact-checkers, experts en hoeders van de wetenschappelijke consensus zich tot een nieuwsoortige elite aaneensluiten en hun rangen voor vreemden ondoordringbaar maken.[7] Deze nieuwe elite springt in het vrijgekomen gat van een verzwakte democratie.

Door de complexiteit van de moderne staatsvoering – zeker in grote politieke structuren – ontstaat als vanzelf een grote groep ambtenaren en deskundigen, wier bezigheden aan het zicht van de modale burger onttrokken zijn, maar die niettemin een grote invloed uitoefenen op het beleid.

Als laatste element worden deze groepen bovendien aangevuld door de talrijke wokenaars, de strijders tegen een inmiddels hopeloos overleden fascisme en de ijveraars voor gender-nummer-zoveel.

Het geheel wordt een enigszins wazige elitaire troep, die de feitelijke macht naar zich toetrekt. Macht doodt het vrije denken en spreken, de essentiële eigenschappen van een democratie.

Voor al de genoemde groepen geldt dat het vrije woord niet in hun belang is. Het is voor autocratische groepen veel handiger een algemeen geldend narratiefje te verkopen. Omdat iedereen het deelt, onderdrukt het de behoefte om vragen te stellen. Wie vragen stelt plaatst zich in een psychologisch moeilijke positie, want je moet sterk in de schoenen staan om een algemeen verteld verhaal te willen betwijfelen, goed wetend overigens dat precies door de kracht van dat geruststellend narratief nog minder mensen geneigd zijn om de twijfel te aanhoren.

Tenslotte: in ruil voor het inleveren van hun democratisch medebeslissingsrecht kunnen mensen onder meer via sport en spel allerlei alternatieve activiteiten volgen, waardoor de deelneming aan de democratische besluitvorming, die tenslotte moeite kost, niet langer nodig is voor de persoonlijke zelfontplooiing.

Dissidenten en dwarsliggers

Het vervangen van een autocratie door een democratische besluitvorming is een moeilijk proces. Daarbij wordt altijd weer de kar getrokken door dissidenten en dwarsliggers.

Hun rol wordt het best omschreven door de uitspraak van Nicolas Boileau (1636-1711): “Du choc des idées jaillit la lumière”. Deze uitspraak, die Rik Torfs in zijn Waarheid aanhaalt, wijst naar een filosofisch element in het gesprek over democratie. Democratie is het open laten van een plaats waarin het (nog) onbesprokene kan verschijnen. Autocratie (en ipso facto dictatuur) is het dichtslaan van de deur naar alles waaraan nog niemand had gedacht. Autocratie is dan ook een besluitvormingstechniek die op den duur vastloopt, omdat ze huiverig staat tegenover verruiming.

Kuypers’ argumentatie ten voordele van de democratie sluit hierbij aan: democratie duurt langer maar is uiteindelijk beter voor iedereen, al was het maar dat iedereen zijn zeg heeft kunnen doen en het eindresultaat toch nog altijd ruimer van geest is.

De strijd tussen de verschillende visies – of ‘waarheden’- heeft ook Peter Scholl-Latour beziggehouden toen hij schreef dat de huidige wereld een onbegrensde oorlog is tussen onverzoenbare visies op leven en dood, op geluk en ongeluk, op vrede en vriendschap. Waarmee hij aangaf dat alleen de openheid naar ‘het andere’ de beste kans op vrede biedt.[8]

Altijd weer rijst dezelfde gedachte: er moet openheid blijven voor wat op een bepaald ogenblik als dissidentie wordt omschreven. Zonder die openheid komt er uiteindelijk alleen maar verval.

Deze openheid op gang krijgen of houden: dat is de rol van dissidenten en dwarsliggers. Hun taak lijkt op eindeloos zagen en klagen, maar opent, hier en daar, traag maar zeker, ogen. Ze werpen licht op wat verborgen bleef, verdronken in de maalstroom van officieel autocratisch geweld en meeheulende media[9]. Ze bekritiseren de experts die een kritiekloze navolging van hun vaccinatie-adviezen eisen of bevragen de oorlogsretoriek van machtige leden van de autocratie die de politiek tegenover Rusland bepalen.

Democratie smeekt om dissidentie: die is het die de mens in zijn volle waardigheid erkent.

Twee stekelige vragen.

Wat moeten we denken over het democratisch gehalte van de EU en – heel concreet – het Vlaams Belang als we de gedachtegang die door Kuypers wordt geïnitieerd toepassen?

De EU

In een wereld waarin dingen zoals de Digital Services Act of de automatische controle op de inhoud van digitale systemen (Chatcontrole) door de EU tot algemene regel worden verklaard, wordt de censuur als principe ingebouwd: de surveillancestaat wordt ingevoerd met het argument ‘veiligheid’ – een argument dat altijd bruikbaar is.[10] Censuur is niet verzoenbaar met een democratische besluitvorming.

We beseffen het misschien niet voldoende, maar de EU kenmerkt zich door een enorm democratisch deficit (de term circuleert al jaren!).[11] Dat deficit verergert door een verdere explosie van juridisering en bureaucratie. De EU Commissie, die niet direct verkozen wordt, initieert 80% van de wetgeving, vaak via zogeheten richtlijnen, waardoor de democratische nationale parlementen omzeild worden.

Het gaat hier om technocratische autonomie: de commissie en het hof van justitie interpreteren hun eigen ‘wetten’ expansief vanuit een technocratische input[12], voeren een activistische jurisprudentie en ondermijnen heel bewust de nationale soevereiniteit. Hoewel deze feiten het euroscepticisme en de polarisatie opzwepen, weigeren de betrokkenen bewust in eigen boezem te kijken en drijven ze integendeel met nog meer drift de EU-autocratie door.

De EU is een enorme bureaucratische structuur met een hele vloot aan adviserende deskundigen, maar ze hangt heel hoog in de wolken, ver boven het plebs waarover ze heerst. Er is geen maatschappelijk debat over de dingen waar de EU mee bezig is. Over zoiets belangrijks als de invoering van de euro werd nooit een maatschappelijk debat gevoerd. Hoezo, democratie?

Men denke voorts aan de strijd tegen de klimaatverandering, waarmee de EU in Brazilië zowat alleen stond. Of nog aan de strijd tegen stikstof – een element dat 78 % van onze atmosfeer uitmaakt. Of het systematisch van racisme beschuldigen van mensen die wijzen op de gevaren van een overdreven want onbeheerste immigratie. Wat moeten we denken als een ex-EU commissaris als Thierry Breton verklaart dat als de verkiezingsuitslagen in Duitsland niet naar de zin van de EU-bonzen zijn, ze ongeldig moeten worden verklaard, zoals in Roemenië gebeurde? Overigens: voor Breton zijn alle strekkingen die niet ‘centrum’ – in gewone taal: links – zijn, extreemrechts en dat is ook zo voor K. Starmer- die vooral de strijd tegen het zogeheten populisme in Groot-Brittannië wil voeren. Dit is een heuse mode die in EU-kringen heel geliefd blijkt.

Hoe rijmt met dit soort dingen in hemelsnaam met het recht van burgers om de beslissingen die ertoe doen te nemen?

En wat te denken als we constateren dat kolonel op ruste Jacques Baud, die bij zijn analyses ook Oekraïense bronnen betrekt, door de EU een blokkade van al zijn rekeningen opgelegd heeft gekregen, zodat zelfs online-winkels niet meer op zijn adres kunnen leveren. Hij mag ook niet meer reizen binnen de EU. Dat alles zonder beroepsmogelijkheid. Dat dergelijke dingen echt gebeuren wordt bevestigd door iemand als Michael von der Schulenberg, een gewezen adjunct-secretaris-generaal van de VN voor politieke en vredesopbouw. Deze gepensioneerde diplomaat verklaart openlijk dat de EU wetteloos is geworden doordat ze haar burgers illegaal en zonder juridische procedure sanctioneert.[13]

Al dat soort dingen zou voorwerp van maatschappelijk debat moeten zijn. Pas dan is een eerste voorwaarde vervuld om naar een democratische maatschappij te evolueren waarin de burgerij in de mogelijkheid is de essentiële beslissingen te nemen, zoals Kuypers stelt.

Na alles wat hierboven uitvoerig werd gezegd, is het moeilijk om een andere dan een negatieve conclusie uit te spreken over de EU-autocratie. De EU ontwikkelt zich in generlei opzicht tot een democratische maatschappij – gesteld dat die in dit continent met zijn veelvoudig onderscheiden volkeren mogelijk zou zijn. De EU ontwikkelt zich in de volle zin tot een strakke technocratische autocratie die veel weg heeft van de voormalige volksdemocratieën.

Ook de (door links verguisde) Nederlandse auteur en politicus Thierry Baudet, zelf opgeleid als jurist, concludeert dat de ontwikkeling naar een supranationale EU-staat zonder meer onverenigbaar is met de democratische rechtstaat.[14]

Neen: de EU heeft een indrukwekkend groot parlement maar ze is zeer zeker geen democratie. Ze is een harde autocratie en soms zelfs een dictatoriale macht.[15]

Het Vlaams Belang.

Het zal vooraf duidelijk zijn dat hier geen enkel standpunt wordt ingenomen over de politieke visies van het Vlaams Belang. Ik tracht alleen maar te oordelen of die partij volgens de opvattingen van Kuypers een democratische partij is of dat niet is.

Als een partij democratisch is als ze de politieke besluitvorming in de handen van de kiezer legt, dan is het Vlaams belang zonder meer democratisch. Dat er binnen die partij mensen zijn die kritiek hebben op de democratie is geen argument, want kritiek op de werking van de democratie kan die democratie ten goede komen. Het uiten van kritiek is eigen aan een gezonde democratie en is dus een argument ten voordele van het democratisch karakter.

Dat het Vlaams belang geen heil ziet in het voortbestaan van de Belgische staat, heeft als zodanig niets met democratie te maken, omdat een onafhankelijke Vlaamse staat voor het Vlaams belang een democratische besluitvorming moet krijgen.

Er is binnen het Vlaams belang wel eens felle discussie en dat niet alleen met betrekking tot de politieke posities van sommige leden. Dat is echter een democratische praktijk. Dat die partij met betrekking tot immigratie voor sommigen ongewenste standpunten inneemt, is geen reden om ze als ondemocratisch te klasseren: ze heeft alleen een andere mening over een belangrijk maatschappelijk onderwerp. Het doel van een democratie is niet het vestigen van bepaalde opvattingen, maar het verspreiden van politieke zeggenschap over de burgers. Dat soort discussies hoort dus bij de democratie.

Het besluit is dan ook ondubbelzinnig: ook het Vlaams Belang zoals het vandaag functioneert is zonder twijfel een democratische partij.

Besluit

Het loze gepraat in de media en de dagelijkse politiek over democratie leidt helemaal niet tot een verhoging van de kwaliteit van onze democratie. Het schermen met woordbetekenissen is zelfs een bedreiging voor de democratie. Met Hannah Arendt vraag ik me af of het verlies van een voor iedereen duidelijke betekenis van politieke begrippen de maatschappelijke verwarring niet nog groter maakt. Het zou de kwaliteit van onze democratische samenleving ten goede komen als men wat meer aandacht zou schenken aan analyses zoals deze van Prof. Kuypers.[16]

Jaak Peeters

Januari 2026.


[1] Prof. Dr. G. Kuypers. Grondbegrippen van politiek. Het Spectrum, 1973. Het boek is tweedehands nog verkrijgbaar.

[2] Locke. Over het staatsbestuur. Boom, 1988, blz. 166.

[3] De jonge Nederlandse historicus Diedert de Wagt wijdt in zijn momumentaal geschrift Bij gebrek aan beter. De andere kant van het verhaal een hoofdstuk aan de rol van de Rothschilds onder de titel I Care Not who Makes its Laws waarin hij illustreert hoe ‘het geld’ als een middel tot onderdrukking van de vrijheid kan gezien worden. Blz. 516. Uitgave 2024. Eigen publicatie. www.bgab.eu. Deze auteur wijst er terecht op dat door de eindeloze stroom aan tegenstrijdige informatie het voor de goedwillende burger steeds moeilijker wordt om de wereld nog te begrijpen. Ook hij beklemtoont de desintegrerende en anti-democratische rol van desinformatie en dubbele agenda’s van heersende machten.

[4] Zie hiervoor o.m. Carroll Quigley. Histoire Secrète de l’oligarchie anglo-américaine. Culture & Racines, 2015.

[5] Hannah Arendt vermeldt dat als begrippen hun gemeenschappelijke betekenis hebben verloren, de mens in verschillende van elkaar gescheiden werelden gaat leven. Dat is kennelijk het geval als het gaat om de gedachtewereld van het globalisme of autocratie tegenover die van de democratie. Hannah Arendt, Tussen verleden en toekomst. Garant, 1994, blz. 27. Het is interessant dat Rousseau’s opvattingen over de onvervreemdbaarheid van de soevereiniteit in dit verband kunnen worden toegepast. Zie ook: Rousseau. Het maatschappelijk verdrag. Boom, 1995, blz. 62 en passim.

[6] Kuypers maakt dit soort overwegingen niet. Hij behandelt de politiek vanuit een technische gezichtshoek. Er bestaat een beperkte literatuur over het vraagstuk van de verhouding tussen menselijke waardigheid en democratie. Zie https://nl.linkedin.com/pulse/democratie-heruitgevonden-waardigheid-en-zelfbestuur-balans-moors-zglse. Een cruciaal concept is de “dignitarian democracy: een democratie waarin alle burgers worden erkend in hun waardigheid en in staat zijn betekenisvolle politieke bijdragen te leveren. Die erkenning geeft de democratie legitimiteit en bindt burgers aan de gemeenschap. Ik ga op deze ingewikkelde materie hier niet verder in.

[7] Rik Torfs. Waarheid. Ertsberg, 2025, passim.

[8] Peter Scholl-Latour. Onbegrensde oorlog. Arbeiderspers, 2002.

[9] Filosofisch geïnteresseerden zullen hier aan Martin Heidegger denken.

[10] Natuurlijk moet men optreden tegen systemen die misbruik maken van de menselijke zwakheid, maar als dat uitmondt in systemen waardoor in principe iederéén verdacht is, is de remedie even erg als de kwaal. De EU verklaart dat ze de waardigheid van de mensen wil beschermen door ‘desinformatie’ te bestrijden, maar beslist vervolgens zelf wat desinformatie is.

[11] Zie: https://en.wikipedia.org/wiki/Democratic_legitimacy_of_the_European_Union. Men constateert een steeds dalende interesse van het publiek voor de Europese verkiezingen, wat wijst op een kloof tussen het volk en de Europese technocratie.

[12] Derk-Jan Eppink vermeldt hoe een belangrijke toespraak voor Zweedse leidinggevenden duidelijk kon verondersteld worden geschreven te zijn door een of andere directeur-generaal. Derk-Jan Eppink. Achter de schermen van de Europese Commissie, Lannoo, 2007, blz. 201. Dit toont de technocratie aan het werk.

[13] Tijdens een gesprek met Prof. Dr. G. Diesen op 8 januari 2026. Ook gemeld door Drieu Godefridi. In feite is deze straf de vroegere en intussen verboden ‘burgerlijke dood’.

[14] Thierry Baudet. De aanval op de natiestaat. Bert Bakker, 2012, blz. 244.

[15] Volgens Prof. van Putten kunnen binnen één systeem democratische regels samen met dictatoriale regels bestaan. Zie Doorstroming 27/9/2024.

[16] Zie ook Lambert J. Giebels. Ontwikkeling van het democratisch denken. Bress, 1987. Er is ook het leerzaam het boekje van Kees Paling, De wereld als halve waarheid. BZZTôH, 1991. Op blz. 137 wijst deze erop dat in een sociale wereld die bol staat van niet doorgeprikte ballonnen, mensen de neiging hebben om alleen nog op zichzelf te vertrouwen, waardoor de maatschappij verkruimelt.