Enkele beschouwingen bij het opkomen van de i.s.l.a.m.- partij in Antwerpen

In Antwerpen komt de extremistische Islampartij van R. Ahrouch op. De kranten smeerden het nieuws breed uit en lezers kropen verontwaardigd in hun pen- tenminste: als de redactie en de partijdigheid van de moderator die mogelijkheid openliet.

Zeker is het echter dat het om een fundamentele ontwikkeling in onze samenleving gaat. De greep naar (een deel van) de macht door extremistische moslims heeft zich nooit zo opvallend zichtbaar voorgedaan.

Enig nadenken doet beseffen dat het opkomen bij verkiezingen van een extremistische islampartij toch enkele interessante beschouwingen oplevert.

In wat volgt som ik er enkele op.

Het eerste punt is: mensen worden brutaal uit hun luie intellectuele en morele slaap gewekt. Het is dus toch waar, wat sommigen al zo lang – al dan niet op een verstandige manier – rondbazuinen: er bedreigt ons een gevaar! Want de islampartij zou helemaal geen probleem vormen, als ze zich niet voluit en openlijk zou voornemen om belangrijke verworvenheden van onze verlichte westerse maatschappij terug te draaien: segregatie van man en vrouw, onderschikking van de wet aan de religie, voorrang voor een “heilig boek” op de gerichtheid op wetenschappelijke en maatschappelijke vooruitgang, beknotting van vrijheid van denken, spreken en schrijven, invoering van de sharia.

Dus wordt de vetgemeste, zelfvoldane westerling geconfronteerd met de gedachte dat een maatschappelijke verworvenheid nooit definitief verworven is.

Dat roept een tweede gedachte op. Als we willen erkennen dat onze verworvenheden nooit definitief zijn, moeten we ook een andere houding aannemen dan vandaag om deze verworvenheden te beschermen. Dat geldt overigens ook voor militaire bescherming, want na de aanslagen blijkt ook dat nodig. Jonathan Holslag schreef onlangs dat defensie noodzakelijk is, maar dat we de moed niet meer hebben om dat openlijk onder ogen te zien. We geven meer uit aan onze jaarlijkse reisjes dan aan onze veiligheid! Ik ben het met Holslag niet altijd eens, maar op dit punt geef ik hem gelijk. De verschijning van de politieke islam roept ons daarom op ons te bezinnen over de verdediging van onze maatschappij.

Derde punt: die verdediging moeten we niet gaan zoeken bij kletsmajoors zoals die van de Conseil de l’ Europe. Die hebben kennelijk nog steeds niet begrepen dàt er een maatschappelijk gevaar bestaat. Ter illustratie voeg ik na onderhavige tekst het webadres van een interessante resolutie van deze Conseil bij. Het gaat daarbij zelfs niet eens om immigratie zelf, al is ook dat een buitengewoon heikel punt, zoals Paul Collier al veel eerder uitgebreid heeft laten zien.

Het gaat erom dat ons kostbare maatschappelijke weefsel door geïmmigreerde religieus-politieke krachten voorgoed kapotgescheurd dreigt te worden. We beseffen bovendien onvoldoende dat aan dit gegeven ook zware economische en wetenschappelijke consequenties vastzitten. Als we de veelal politiek geïnspireerde Nobelprijzen voor de vrede buiten beschouwing laten, is er welgeteld één wetenschapper van Arabische komaf die nà WO II de Nobelprijs ontving- dan nog een genaturaliseerd Amerikaan.

Vierde punt: er rijst een taak voor media – blogs zijn ook media – om de brede lagen van de bevolking bewust te maken en openlijk in te gaan tegen de ‘conservatieven’ die wetens en willens op de tot nog toe gevolgde, heilloze politieke weg willen doorgaan. We moeten de opkomst van het door het systeem gehate populisme toejuichen. Er moeten parallele media ontstaan, sterk genoeg om de partijdige, veelal extreemlinks of postmodernistisch ingestelde media te passeren. De opkomst van zo’n islampartij in Antwerpen is hiertoe een bijzondere aanmoediging.

Vijfde vraag: de nieuwe situatie dwingt met name de christendemocratie zich te beraden over de vraag of de tijd van confessionele partijen niet voorbij is. Dit soort partijen is in Frankrijk en Italië al eerder verdwenen. Toch zijn die landen niet ten onder gegaan, noch is er een heksenjacht tegen religieuzen losgebarsten. Een kritisch onderzoek kan ertoe leiden dat de positieve bijdrage van het christendom op nieuwe, andere manieren in onze samenleving vorm krijgt. Hoe kun je een christelijke confessionele partij willen en tegelijk een confessionele moslimpartij verbieden? Voor hoelang?

Ten zesde is de opkomst van deze extreme moslimpartij goed nieuws voor wie in de linkerzijde graag meer verdeeldheid ziet. Groen noch Abou Jahjah zullen het nieuws opgewekt hebben ontvangen. Dat is goed nieuws voor de anderen, omdat – jammer genoeg – partijen als Groen en nog meer Abou Jahah’s groep de polarisatie tussen allochtoon en autochtoon tot hun handelsmerk hebben gemaakt. Integratie speelt zich namelijk af onder concrete mensen, op school, op het werk, in de buurt. Wie integratie tot een electoraal thema maakt, kàn dat slechts door het ontbreken van integratie in de verf te zetten en buitennissig uit te vergroten- anders is het immers geen punt. Al die mensen zouden het boek van Hans Achterhuis – toch ook geen extreemrechtse figuur – moeten lezen: De utopie van de vrije markt. Op blz. 301 pleit hij voor een sterke oikos, een door praktische wijsheid gedreven civil society, die zich heel concreet afspeelt onder concrete mensen die zélf in het gewone dagelijkse leven hun verantwoordelijkheid opnemen.

Overigens is de vraag levensgroot of er wel van integratie sprake is als iemand als Vincent Scheltiens kan verklaren dat de kennis van het Nederlands geen voorwaarde is om in ons land te leven en daarbij verwijst naar Spaanse families die na twee generaties thuis nog altijd Spaans spreken. Zelfs als het Scheltiens voornamelijk te doen is om een knuppel in het hoenderhok te werpen – wat hij wel vaker doet -, dan nog zet zijn opmerking aan tot nadenken. Wat als een moslimpartij het Arabisch officieel wil maken?

Het hele verhaal, ten zevende, laat ook zien dat opvoeding en onderwijs uit de handen van theoritici en politieke ideologen moeten worden genomen en teruggegeven aan die mensen, die echt verantwoordelijk zijn: ouders en leerkrachten. Opvoeding en onderwijs kunnen geen voorwerp van ideologische regulitis zijn. Het zijn integendeel bij uitstek de plaatsen waar de menselijkheid en de wijsheid van generatie op generatie worden doorgegeven. Opvoeding en onderwijs zijn de plaats waar de oikos concrete vorm aanneemt. Daar ontstaat de maatschappij van de toekomst. En daar onluikt ook het verlangen om haar te verdedigen of in stand te houden. We houden Europa dus niet in stand door miljoenen mensen uit vreemde maatschappijen te importeren of door het verzet daartegen in de kiem te smoren door de jonge plooibare geesten van kinderen te mismeesteren. I.s.l.a.m. verzet zich hiertegen en levert ons een voorbeeld.

Tenslotte is het aantreden van een extreme moslimpartij een steenharde kritiek op het beleid van politici en economen die in een postmoderne geest geloofden dat ze samenlevingen naar eigen goedvinden kunnen construeren. Die islampartij steekt immers een levensgrote middelvinger naar hen op. Niet alleen is het mensonwaardig om mensen als goedkope arbeidskrachten naar Europa te halen om sommige groepen in staat te stellen snel heel rijk te worden. Menselijke samenlevingen en volkeren hebben er vaak honderden jaren over gedaan om tot een vorm van leefbare stabiliteit te komen. Wie daarmee aan het knoeien gaat, opent de doos van Pandora. Het is voor alles wijs om de natuur haar werk te laten doen, en zich niet aan hubris te buiten te gaan.

 

Hierbij volgt de beloofde referentie, waarin verwezen wordt naar de officieel goedgekeurde teksten.

 

https://ejbron.wordpress.com/2018/01/07/eu-resolutie-1743-definitieve-versie-2010/

 

Jaak Peeters – mei 2018

Chassidisch en ander fundamentalisme?

Ik ben het zelden eens met de commentator van De Morgen, Bart Eeckhout. Doch bij de zaak Berger – de chassidische Jood die verklaarde dat hij ook als politicus zou weigeren een vrouw de hand te schudden – zie ik me verplicht de kwestie zelfs nog verder open te trekken.

Voor Eeckhout toont deze zaak hoeveel fundamentalisme er in onze samenleving bestaat en heus niet alleen bij moslims. Het is verkeerd, schrijft hij, om fundamentalistische overtuigingen te “criminaliseren”. We moeten ze integendeel telkens weer tegenspreken.

Als we de betekenis van het woordje fundamentalisme goed opvatten kunnen we zeggen dat er onder ons veel mensen leven die sommige algemeen aan te hangen meningen niet delen. Dat is op zich niet mis, maar hoe zit het dan met het politiek correct denken? Politieke incorrectheid wijkt toch ook af van de modaal aan te hangen ideeën? En wanneer is een mening ongewenst of fundamentalistisch?

Omgekeerd toont dit alles dat er in een samenleving zoiets als een common sense nodig is, een algemeen gedeelde basisopinie over een hoop samenlevingsproblemen. Wetenschappers weten al veel langer dat een samenleving maar samen blijft als er zo’n algemene consensus bestaat. Wie daar ooit vaak en fel op gewezen heeft is de Engelse socialist David Miller, die verschillende keren de pertinente vraag heeft gesteld hoe je aan rijken kunt verkopen voor armen te betalen, als er geen besef van gedeelde samenhorigheid bestaat.

Wat we nu met deze zaak tegelijk zien is dat die samenhorigheid niet alleen een kwestie van gevoel, van etniciteit of van nationaliteit is, maar ook te maken heeft met het bestaan van een Leitkultur, waarin één algemeen maatschappelijk normenverhaal door iedereen als vanzelfsprekend aanvaard wordt.

Hier rijst een groot probleem voor de lieden die van deconstructie hun levensopdracht hebben gemaakt. Mensen die geloven dat de hele wereld maakbaar is en dat ze alles naar hun hand kunnen zetten hebben toch geen andere keuze dan het afbreken van een voorafbestaande consensus waarover iedereen het zonder verder nadenken eens was en het vervangen ervan door hun eigen concepten?

Dan is het voor de constructeurs van de nieuwe wereld dus zaak om een hen welgevallig levensvatbaar alternatief in de plaats van de oude consensus aan te voeren.

Dat alternatief evenwel is tot op heden niet zo helder noch overtuigend.

Er zijn de lieden die opkomen voor wat ze superdiversiteit noemen. Onze samenlevingen zouden het goed maken zodra ze een gigantische mengelmoes van mensen van allerlei slag en origine zijn geworden. Zal dan het probleem van het fundamentalisme of het bestaan van ongewenste opvattingen zijn opgelost?

Sommigen willen de zaak in de omgekeerde zin oplossen: we bouwen een civiele samenleving. Dat wil zeggen: we vatten mensen alleen als burgers op en al de rest verwijzen we naar de persoonlijke sfeer. Die mag dus niet aan de maatschappelijke oppervlakte komen. Hoe belet je dat niet-civiele dingen toch aan de oppervlakte komen? Met strafprocedures? Het voorval met de chaissidische jood bewijst dat ook dit geen optie is, want hij verklaart dat hij ook als homo politicus – dus bij uitstek als burger – zijn hoogst persoonlijke overtuigingen niet op het schap zal leggen.

Ook pleit Eeckhout op een opmerkelijke manier voor de idee dat het in beschuldiging stellen van mensen met een fundamentalistische – dus van de common sense afwijkende – mening geen zoden aan de dijk zet. We moeten hen in de plaats daarvan vanuit die common sense telkens weer tegenspreken.

De consequenties van dit standpunt zijn vérgaand. Als ze opgenomen worden, zijn vele opinieprocessen van vandaag overbodig of zelfs fout en zou wat ongewenst wordt geacht door discussie moeten worden gecorrigeerd, dus niet door welke vorm van uitsluiting dan ook.

Of dat kan lukken, hangt dan mede af van de stevigheid van de al genoemde Leitkultuur.

Ik mag hopen dat Eeckhout ook voor deze laatste een lans wil breken.

 

 

Jaak Peeters

April 2018

Wrok, jaloersheid en een ander socialisme.

Ik heb me ooit laten vertellen dat het socialisme zoals we dat kennen gestoeld is op wrok en jaloersheid. Het socialisme gaat uit van een tweedeling: de have-nots versus de haves. Je vindt die tweedeling terug in de fora die de politiek becommentariëren: de rijken tegenover de armen. En dus zijn het de rijken die altijd weer de armen uitbuiten. Die rijken graaien in de pot en halen daar uit wat voor de armen bestemd is.

Het probleem met een dergelijke zienswijze is dat ze geen oplossing toestaat. In de wereld zullen er altijd succesvollen zijn en lieden die maar niet van de grond geraken. Dat is altijd zo geweest en het valt te vrezen dat het altijd zo zal blijven.

Zo gaat het er in de dierenwereld overigens ook aan toe: de sterkeren overtroeven de zwakkeren, die tevreden moeten zijn met de kruimels die de sterkeren over hebben gelaten.

Het socialisme zegt dat het tegen deze natuurlijke tendentie in wil gaan en gelijkheid wil.

Dat oogt mooi – op het eerste gezicht.

Want het resultaat is een nooit eindigende sociale strijd. Die is nodig, want altijd opnieuw moeten er regels uitgevaardigd worden om de steeds dreigende vergroting van de kloof tussen arm en rijk, groot en klein, sterk en zwak onder controle te houden. De politieke en maatschappelijke energie die nodig is om die regels door te drukken, moet worden geput uit de wrok en de jaloersheid om al dan niet vermeende achterstelling.

Zo komen we terecht in een wereld die aan de ene kant gedreven wordt door hebzucht en neiging tot ‘apartheid’en aan de andere kant door wrok en jaloersheid, maar die uiteindelijk uitmondt in een diarree van regels en bepalingen. Immers: alleen met regels en verplichtingen kunnen de rijken ertoe gebracht worden solidariteit op te brengen voor de minder begoeden. Zo denkt men, kennelijk.

Een groot deel van die bepalingen vindt zijn oorsprong bij Europa. De onoverzienbare massa die Europa vormt levert immers zoveel ongelijkheid op, dat iemand als EU-commissaris Frans Timmermans het als zijn plicht ziet om binnen Europa de gelijkheid na te streven.

Het gevolg kan inderdaad niet anders zijn dan een stroom aan regels en verplichtingen.

Al die regels en verplichtingen verhogen uiteindelijk de levensduurte en maken het de minst bedeelden nog lastiger.

De fout die het socialisme hierbij maakt is te geloven dat het mogelijk is om in één klap in héél Europa de zaken ‘socialer’ te maken.

Het socialisme verliest uit het oog dat het niet van politieke structuren moet uitgaan, maar van de menselijke beleving. In plaats van van bovenaf te ageren, moet het socialisme naar de concrete mens toe gaan, en van onderen op werken aan samenhorigheid en menselijk meedogen. Het socialisme zou dus de ziekelijke regeldrift van Europa – dat ons Vlaams onderwijs nu ook al ‘te weinig inclusief’ noemt (en de lat ligt al zo laag!) – moeten aanpakken en Europa terug drijven naar de plaats waar Europa hoort: doen wat de volken niet alleen kunnen.

Dat vergt een diepe mentale aanpassing bij het socialistische kader. Het moet zich aan de ene kant afstand nemen van het oude zwart-witdenken en aan de andere kant terugkeren naar de plaats waar het ooit begon: bij de mensen die het allemaal moeten ondergaan.

Ik geloof dat zelfs het socialisme dan het bestaan van volkeren zal ontdekken.

 

 

Jaak Peeters

Maart 2018

Racisme als politieke vuilniszak: onzindelijk.

Alweer prijs.

 

Het was weer eens volop prijs, enige tijd geleden, toen een plaatselijke politieke partijbons van leer trok tegen het vermeende racisme in het politiekorps van Mechelen-Willebroek. Of er in dat korps wat aan de hand is weet ik niet, maar dat is ook niet wat me dwars zit. Overal waar mensen samenwerken zit er wel eens een haar in de boter en vaak wel meer dan één haar. Dat is bij de politie niet anders.

Wat me ergert is dat iemand die zichzelf meent te mogen catalogeren als Gutmensch weer eens uithaalt naar die anderen, die dus minder ‘Gut’ worden geacht. Enige zelftrots is niet verkeerd, maar je mag wel niet overdrijven.

De zaak zelf is inmiddels alweer opgegaan in de mist van de geschiedenis. De krant bericht vrijwel elke dag over dit soort dingen. Het is dagelijkse kost.

En toch slijt het niet.

 

Dé grote misdaad

 

Waarom slijt het niet?

Omdat racisme tegenwoordig zowat dé grootste misdaad schijnt, die een westerse, blanke mens kan begaan. Telkens weer klinkt de beschuldiging op en wie men in het verdomhoekje wil, associeert men met de term racisme. Guilty by association. Blanken zijn schuldig, punt uit. Omdat ze blank zijn: daarom zijn ze tenminste verdacht.

Het wordt een irriterend gezeur vanwege lieden die de indruk wekken van zeuren hun professie van te hebben gemaakt.

Let wel: ik schrijf de westerse blanke mens, omdat ik nooit iets verneem over racistische uitingen door bijvoorbeeld Aziaten. Of over de racistische politiek van het Zuid-Afrikaanse ANC. Of over de binnenlandse politiek van China – maar dat land is zo groot, dat we het in ons eigen belang ontzien, toch?

De vrouwelijke commentaarschrijfster, die in Gazet van Antwerpen wel eens haar soms ondoorgrondelijk diepzinnnige wijsheid mag etaleren, had het er onlangs ook weer over. Mensen die zich afvroegen of niet ook een “gewone Belg”- wat dat ook moge wezen – tot ’s lands mooiste kon gekroond worden, werden door de genoemde Gazet-commentatrice met pek en veren besmeurd: hoe kom je erbij, bij zulke racistische praat?

Het eerste wat ikzelf in zo’n geval denk is: wat zou er omgaan in het hoofd van iemand die zich zoiets afvraagt? Waaraan denkt hij of zij? Misschien moet ik het maar eens vragen, vooraleer een oordeel uit te spreken? Maar neen hoor: de geachte schrijvelaarster had de twitteraars al als racisten veroordeeld nog voor ze gehoord waren.

 

Ik hou niet van racisme. Dat zal verderop wel duidelijk worden, maar de zaak is echt niet zo simpel.

 

Soorten en rassen.

 

Het paard is een diersoort, daar twijfelt niemand aan. Niemand zal ontkennen dat er verschillende paardenrassen bestaan. Ze zijn allemaal onder elkaar vruchtbaar, maar ze verschillen uiterlijk behoorlijk veel. Niet alle rassen zijn geschikt voor elke taak. Ik denk niet dat het wijs is om een Arabische volbloed een ploeg door de zware Brabantse leemgrond te laten trekken of om een Shetlandpony in een springwedstrijd met een Lippizaner aan de lijn te brengen.

Toch is er niemand die eraan denkt om de gedrongen Shetlandpony te verachten om zijn kleine schofthoogte of de Arabische hengst te verdenken van hovaardigheid, omdat hij met gemak een trekpaard inhaalt.

De biologische natuur steekt in elkaar zoals ze is: met ordes, geslachten en soorten, ondersoorten en binnen de soorten rassen. De mens wordt ingedeeld bij de het geslacht homo en dat geslacht bestaat op dit ogenblik uit één soort. Dit geslacht maakt deel uit van de hominiden, waarvan voorts de Bongo, de Gorilla en Pan deel uit maken.

 

Valt de menselijke soort uiteen in rassen, zoals de paarden? Voor sommigen is het begrip ras verouderd. (Rogers, 2011) Er woeden nog steeds felle discussies over deze materie en de niet-bioloog houdt zich beter verre van deze discussies. ‘Zich verre houden van deze discussie’ betekent dat men geen enkel standpunt inneemt. Vele strijders tegen het racisme doen dat echter wél. Ze ontkennen namelijk bij hoog en bij laag dat er zoiets als mensenrassen bestaat. Dat is toch een heel duidelijk standpunt? Kennelijk weten zij wél wat biologen niet weten.

Zelf zie ik weinig verschil tussen een Zeeuws trekpaard en zijn Brabantse collega, maar specialisten beschouwen ze toch als twee verschillende rassen. Rassen zijn daarom in grote mate een product van menselijke classificatie. Er zit dus een stuk willekeur in de rasaanduiding en dat is ook wat men in de literatuur over dat onderwerp voortdurend tegenkomt.

Dat is het eerste punt.

 

Het rasbegrip als uiting van geloof in een hiërarchie.

 

Het tweede punt gaat uit van de vraag: als we het eigenlijk niet echt goed weten, waarom zeuren we er dan zo over?

Het antwoord luidt: omdat in het menselijke geval het begrip ras verbonden is geraakt met huidskleur, met slavernij en in de voorgaande eeuw met sociaal-darwinisme. “Geraakt”, want dat was lange tijd niet zo. Pirenne bijvoorbeeld sprak over het Germaanse en Romaanse ras die samen de “Belgische beschaving” vormden. De zwarte kameraad van Robin Hood kan met geen middel als de mindere van Robin Hood worden gezien.

Toch waren velen in de vorige paar eeuwen ervan overtuigd dat zwarten minder menselijk zijn dan blanken. In de Verenigde Staten werd een zwarte lange tijd voor een halve blanke gerekend.

Wie zo handelt neemt niet alleen voor vast aan dat mensenrassen bestaan, doch ook dat er een hiërarchie is onder deze rassen.

Hiermee stoten we op ons tweede punt. Er zouden hogere en lagere mensenrassen bestaan.

Hoe weten we dat het ene ras hoger staat dan een ander? Daartoe moeten we een criterium kiezen. Die keuze is een arbitraire zaak. Dat criterium hangt namelijk van de omstandigheden af.

Als ik mijn eigen leesvermogen vergelijk met dat van de modale bewoner van Zoeloeland, zal ik er waarschijnlijk met kop en schouders bovenuit steken. Maar wat heeft een mens aan leescapaciteit in een land waar het lezen van geen enkel nut is? Wij westerlingen geloven dat kunnen lezen heel erg belangrijk is, maar Zoeloes zouden daar wel eens heel anders over kunnen denken. Voor hen zal het vermoedelijk veel belangrijker zijn goed vee te kunnen hoeden. In de westerse stad is dat laatste dan weer niet erg zinvol.

Intelligentie misschien? Laten we voorzichtig wezen! Niemand onder ons weet zelfs maar of dieren bewustzijn hebben en hoe intelligent – op een àndere manier, wellicht – die zijn. Wie Frans de Waal leest wordt sowieso voorzichtiger. Hoe kan een criterium dat we zelf niet eens goed doorzien geschikt zijn om verplichtende ordeningen op te stellen?

 

De menselijke vooringenomenheid

 

De waarheid is dat de gemiddelde West-Europeaan in de negentiende en twintigste eeuw andere mensengroepen beoordeelde vanuit zijn eigen leef- en zijnswijze en vanuit zijn eigen machtspositie. Negers stonden lager in rang, want ze hadden geen cultuur zoals de westerlingen die zich voorstelden. Nog in de jaren vijftig van vorige eeuw gingen artsen en paters de negers in Congo “de beschaving” brengen.

Natuurlijk zien we hierin de vooringenomenheid van de blanke westerling. Doch ik zeg er meteen bij dat er geen mens bestaat, die niet vooringenomen is. Dat komt omdat mensen standpuntelijke wezens zijn en dàt is dan weer het gevolg van het feit dat we niet alles in één klap kunnen weten of waarnemen. Zwarten kunnen dus net zo vooringenomen zijn als blanken. Alleen wordt dat niet gezegd. Het is de blanke zich zich schuldig moet voelen. Zo zegt ook Alain Finkielkraut het.

 

Rasdenken komt algemeen voor

 

Er bestaat zachte, enigszins verhulde manier om met het fenomeen ras om te gaan. Medewerkers van het toenmalige Centrum voor Racismebestrijding deelden me mee dat zij het racisme van autochtonen naar allochtonen moesten bestrijden. Daaronder verborgen zit de mening dat er op hetzelfde grondgebied verschillende rassen leven en dat men moet ingrijpen in de onderlinge machtsverhoudingen, omdat anders allochtonen systematisch zouden benadeeld worden. Direct racisme – waarover zo dadelijk meer – is dat niet, maar het schurkt er wel tegenaan.

Enige tijd geleden zei een Turkse zelfstandige dat hij een getinte kandidaat voorrang zou geven op een blanke. Zoiets is bewuste discriminatie op rasgronden.

Maar er bestaan wel degelijk hardere vormen. Mensen uit het veld getuigen dat er in de Arabische wereld lieden genoeg zijn die vinden dat zij zelf tot een superieure categorie behoren, en dat het de blanken zijn die zich aan hén moeten aanpassen. Een andere concrete uitspraak luidt: “tot nog toe waren de blanken de baas, nu komt de tijd dat wij de lakens uitdelen.” Alweer zit hier hiërarchisch op rasdenken gebaseerd redeneren achter, ditmaal wel degelijk gekoppeld aan machtsstreven.

Rasdenken komt dus in alle groepen voor. Het toont echter dat rasdenken niet op een universeel, absoluut vast te stellen criterium steunt doch een relatieve waardebepaling is waaraan macht gekoppeld wordt.

 

Drie noodzakelijke elementen

 

Als we geen vast, absoluut criterium hebben om menselijke rassen in een rangorde te plaatsen, wordt het hanteren van het begrip ras zelf knap lastig. Dan weten we immers niet welk ras ‘bovenaan’ moet staan. Waar de macht zit: dat is het wat bovenaan komt.

Dat brengt ons meteen middenin punt drie: als er geen rangorde onder menselijke rassen aangewezen kan worden, weten we evenmin welk van die rassen het recht zou kunnen opeisen de andere rassen te domineren – in de veronderstelling dat uit het bestaan van zulke hiërarchie ook tegelijk een recht op heerschappij over de ander zou voortvloeien, hetgeen op zich al om meer uitleg vraagt.

 

De literatuur is dan ook duidelijk: om over racisme te kunnen spreken moeten er drie elementen aanwezig zijn. Ten eerste: je moet geloven in het bestaan van onderscheiden mensenrassen. Ten tweede: die rassen zijn opgenomen in een hiërarchie. En ten derde: dit klassement kent aan het hoogst geklasseerde ras het recht tot domineren toe. Racisme is dus altijd verbonden met machtsverhoudingen (Fenton,2010; Meer,2014; Gracia,2007)

 

Van racisme is slechts sprake als er sprake is van rangschikkende waardeoordelen en machtsverhoudingen onder erkende rassen. Als dat ontbreekt, is het gebruik van de term racisme onterecht.

 

Fenotype en genotype

 

Alles wat tot nog toe gezegd werd, gaat over het begrip ras als een vastliggend genetisch potentieel. Een dergelijk potentieel heet: genotype. Maar is er wel sprake van zulke vaste, afzonderlijke genotypische patronen? Dat betwisten, zoals gezegd, in ieder geval althans vele deskundigen. We zouden ons kunnen afvragen wat er tevoorschijn zou komen als, plots, door één af ander wonderlijk toedoen, zwarten, aziaten en blanken massaal met elkaar zouden kruisen. Zou er één mengras verschijnen of zou gebeuren wat Mendel bij de erwt constateerde: A en B geven één AA, één BB, één AB en één BA? We weten het niet eens!

Maar iets dergelijks kun je ook bedenken bij paarden. Toch zeggen we allemaal dat er paardenrassen bestaan.

Dat laatste is dan wat uiteindelijk telt. Het genotype kun je toch niet zien en het heeft dus geen invloed op de menselijke belevingswereld. Wat je wél ziet is het fenotype: de uiterlijke verschijningsvorm.

Omdat de wetenschap er kennelijk zelf niet uit is, is het begrip ras in de genetische betekenis lastig om hanteren. Doch dat ligt anders als we over fenotypen spreken. Je hebt vanzelfsprekend altijd hele risten tussenvormen, maar globaal genomen ziet iedereen dat je een zwarte, een aziaat of een blanke bent. Al moet er meteen bijgezegd worden dat Blake in 1796 sprak over het Europese, het zwarte en het Amerikaanse ras. Van de aziaten: geen spoor toen. Dus ook dat fenotypische denkmodel is veranderlijk en tijdsgebonden. Maar alles wat tot de menselijke belevingswereld behoort is veranderlijk en tijdsgebonden.

Een groot stuk van de discussie handelt dus over de belevingswereld van mensen onder elkaar. Dat is géén wetenschap en je moet het ook niet op die manier voorstellen.

 

Racisme en immigratie

 

Als je die verschillende, onderscheiden uiterlijke mensenvormen ziet, wat ben je daar dan mee? Zonder waardeoordeel blijft alles immers bij constateringen.

Je kunt bijvoorbeeld zeggen: “de Vlamingen zijn blanke mensen.” Idem dito voor Aziaten: China is een aziatisch land. Ja, en dan? Draagt dit bij tot de oplossing van bijvoorbeeld het onveiligheidsprobleem? Dat is niet duidelijk. Is het een racistische uitspraak? Op zich niet, want niemand zegt dat de blanken ‘hoger’ zouden staan en het recht hebben zwarten te overheersen.

Waarom nemen sommige mensen bijvoorbeeld aanstoot aan de stelling dat Vlaanderen een blank land is (Dalilla Hermans in Femma, november 2017)? Daar valt (heel) veel over te zeggen, maar heel vaak zijn de mensen die aan het ‘witte’ karakter van Vlaanderen aanstoot nemen van mening dat Vlaanderen ook voor zwarten (of Aziaten cq) toegankelijk moet zijn[i]. Dat is een bediscussieerbaar standpunt, maar op zich heeft dat allemaal niets met racisme in eigenlijke zin van doen. Dan moet je die term ook niet gebruiken. Als ik Vlaanderen niet mag reserveren voor blanken, dan zeg ik eigenlijk: reserveren voor autochtonen, die immers geacht worden van oudsher (sterk) overwegend blank te zijn. De ‘blankheid’ is dan het symbool van de autochtonie. Als het land reserveren niet mag, welk argument heb ik dan nog om überhaupt welke immigratiebeperkingen dan ook te hanteren of zelfs maar de integriteit van Vlaanderen te verdedigen? We herinneren ons toch dat het Front Démocratique, onzaliger gedachtenis, de Vlamingen van racisme beschuldigde, omdat ze de faciliteiten – horresco referens – niet wilden veralgemenen? Vlaanderen het recht te ontzeggen het land voor de eigen kinderen te reserveren omdat dit racistisch zou zijn, is een oneigenlijk gebruik van een onbepaalbare term om tegenstanders in een slecht daglicht te stellen. Als je iemand racisme kunt aansmeren is hij toch buitengewoon slecht en daar hoef je verder geen rekening meer mee te houden? Zoiets is echter puur machtsdenken.

Is de genoemde immigratiebeperking racisme zoals Hermans suggereert? Helemaal niet: het is een etnische denkwijze en mogelijk zelfs een vorm van goed ordelijk bestuur, dat laatste mede omdat het fysisch onmogelijk is alle Afrikanen die naar Europa willen komen te huisvesten. Ons eigen land zou onleefbaar worden. Het zou één grote stad zijn en elke natuur zou vernietigd zijn. Ik weet niet zo goed hoe ‘groenen’ zoiets verantwoorden…

Sommigen vinden dat de hele wereld van iedereen is en iedereen zich ‘dus’ mag vestigen waar hij wil: een mundiaal anarchisme dus. De vraag is of dit vol te houden valt en of zoiets niet onverbiddelijk voert tot het recht van de sterkste.

Maar dit moet duidelijk zijn: het willen beperken van immigratie (of emigratie!) is op zich geenszins racistisch.

 

 

Racisme en discriminatie

 

Dikwijls verwart men bovendien het begrip ‘discriminatie’ of zelfs gewoon maar ‘onderscheid’– in het voormelde geval ging het om een verschil in de huidskleur – met dat van racisme. Je kunt je afvragen of het gemaakte onderscheid in het bij de aanvang aangehaalde geval de fatsoensregels overtrad. Maar onfatsoen is nog altijd geen racisme.

 

Je land te willen reserveren voor je eigen kinderen en dus niet alle deuren open te willen gooien voor de instroom van de halve niet-westerse wereld, is zelfverdediging, zoals het zich bewapenen tegen een mogelijke inval door de voormalige Sovjet-Unie zelfverdediging was.

Het is mijn heilige recht te zeggen dat ik aziatische vrouwen in het algemeen mooier vind dan negerinnen: ik spreek dan alleen maar mijn mannelijke esthetische voorkeur uit. Wel moet ik aanvaarden dat er ook over mijzelf oordelen worden uitgesproken. Maar ook dat alles is nog steeds géén racisme.

 

Onderscheid maken is helemaal niet verkeerd. Selecteurs doen dat zelfs beroepshalve. Verschil maken op oneigenlijke gronden is dat wel, en dat noemen we dus discriminatie.

Het is discriminatie – in de ongewenste betekenis – om iemand met een andere huidskleur een functie te weigeren om diens huidskleur. Als deze discriminatie plaats vindt omdat men gelooft dat die anderen van een minderwaardig ras zijn, krijg je discriminatie om racistische redenen. Als de betrokkene te maken krijgt met een extra-strenge selectieprocedure, is dat niet noodzakelijk een uiting van racisme of discriminatie, want er kunnen heel objectieve redenen bestaan om, bijvoorbeeld, te twijfelen aan de waarde van een diploma uit een minder onderwikkeld land. Maar als je iemand uit een andere cultuur eerst toegestaan hebt zich in je land te vestigen en er op te groeien, moet je je niet langer op zelfverdediging beroepen en kun je je geen discriminatie of racisme veroorloven.

Dit moet dus even duidelijk zijn: discriminatie is echt niet hetzelfde als racisme, al gaan beide vaak samen.

Racisme is een ideëen- en gedragscomplex. Het verwijst naar machtsverhoudingen. De aanwezigheid van een emotionele houding is onvoldoende om over racisme te spreken.

Dat al deze dingen veel te vaak door elkaar worden gehaspeld, zelfs door officiële personen, moet dus met klem worden afgekeurd.

Laten we maar eens wat kariger omspringen met de beschulding van racisme.

 

Een vervelend kantje

 

Er zit nog een vervelend kantje aan al dat antiracistisch gedoe.

Steunend op de resultaten van een half miljoen (!) respondenten rapporteerden Bernadette Gray-Little en Adam Hafdahl in 2000 dat zwarte Amerikaanse kinderen, volwassenen en adolescenten een systematisch positiever zelfbeeld hadden dan blanke Amerikanen. De hogere zelfwaardering van Afro-Amerikanen werd nadien nog bevestigd[ii]

Wat gebeurt er nu als men blijft doorzwetsen over al dan niet vermeend anti-zwart racisme? Dat er verschuivingen optreden in het zelfbeeld van respectievelijk zwarten en blanken, uiteraard. Daarbij kan het superioriteitsgevoel bij zwarten toenemen en het schuld- en schaamtecomplex van blanke Amerikanen dermate aanzwellen, dat een explosie volgt. Het onnadenkend in het rond slingeren van beschuldigingen van blank racisme zou dus tot gevolg kunnen hebben dat de amplitude van de sociale spanningen onbeheersbaar groot wordt.

 

Inhoudsloos en schadelijk

 

Het racismeprobleem is voornamelijk van Amerikaanse oorsprong. Wij, West-Europeanen, hebben (gelukkig) niet dat Amerikaanse slavernijverleden. We moeten dat Amerikaans probleem – waaruit we moeten leren – dan ook niet blind en kritiekloos overplanten naar onze streken en onterecht gaan implementeren als mensen vragen stellen bij de massale instroom van personen uit andere, onder meer midden-oostelijke culturen- die doorgaans overigens als blanken geklasseerd worden!-, of zich ergeren aan onaangepast gedrag. Maar als het over immigratie gaat slaan bij sommigen alle stoppen door en dan wordt de inmiddels lachwekkend geworden strijd tegen het fascisme vervangen door deze tegen het racisme. De maatschappij moet immers van alle kwaad gezuiverd worden, zonodig met alle geweld. Ze vinden daar nog nuttige helpers voor ook. René Girard zou hier de handen wrijven.

Ik acht uitspraken zoals die van de genoemde partijbons, het te pas en te onpas uiten van de beschuldiging van racisme, zonder meer schadelijk. Dat schept verwarring, het maakt van een gevoelige doch belangrijke term een inhoudsloos en dus intellectueel onbruikbaar en zelfs verwarrend containerbegrip, vergroot een grotendeels geïmporteerd probleem uit en het verhoogt de spanning binnen de samenleving.

 

Maar misschien is het sommigen precies daar om te doen…

 

 

Jaak Peeters

maart 2018

 

 

[i] In het geval van Hermans ligt de zaak nog anders: zij is een zwarte, die als kind geadopteerd werd. Toch wordt ook zij gegrepen door het raciale machtsdenken.

[ii] Sharon S. Brehm et al. Sociale Psychologie, Academica Press, Gent, 2006, blz. 72.

Eindeloos torent een afzichtelijke gigantische macht hoog boven ons uit…

Ik zie dan voor me een ontelbare massa van in alle opzichten gelijke mensen, die heel egocentrisch bezig zijn met het rusteloos najagen van de onbeduidende, burgerlijke genoegens waarop zij hun hart hebben gezet. Ieder op zichzelf genomen vormt een eigen wereldje waarbuiten het lot van de anderen zich voltrekt. Zijn gezin en zijn kennissen betekenen voor hem de mensheid, want ofschoon hij zich beweegt onder zijn medemensen, neemt hij ze nauwelijks waar. Hij is met hen in voortdurende aanraking zonder dat zij hoegenaamd iets voor hem betekenen.(…) Boven al deze egocentrische individuen torent een enorm bevoogdend machtsapparaat als enige instantie die hun welzijn garandeert en hen van de wieg tot het graf begeleidt. Het is allesomvattend, voorziet en regelt alles tot in details en wel met fluwelen handschoenen.

En elders:

De overheid zal een net spannen van ingewikkelde, gedetailleerde en eenvormige verordeningen waardoor zelfs de meest originele en wilskrachtige geesten zullen worden gelijkgeschakeld.

Deze citaten komen uit Alexis De Tocqueville (1805 -1859) in zijn Democratie in Amerika.

Ieder zou deze citaten uit het hoofd moeten leren, want anders dan De Tocqueville meende, vinden we dit bevoogdend machtsapparaat niet zozeer in Amerika, doch vooral in ons eigenste Europa, dat zelfs zijn laarzen aan de VN-resoluties veegt, zoals in de Catalaanse kwestie is gebleken.

Wie opgegroeid is en gevormd als bewust mens die tracht zelfstandig te denken en die zichzelf onafgebroken bijschoolt door lezing en zelfstudie, voelt als vanzelf het verzet in zich opborrelen. Onrecht en onoprechtheid, bedrieglijke listigheid en allerlei valsheid schreeuwen om verzet.

Jong en zonder ervaring werpt men zich in het gewoel, vastbesloten om het verzet vol te houden tot de tijden keren. Wie jong is koestert zich immers in de illusie dat er na slechte betere tijden komen, omdat men wil blijven geloven in de goede krachten in de mens.

Niet zozeer materiële toestanden roepen verzet op, al is op dit punt voorzeker niet alles in orde.

Veel erger, veel ingrijpender, veel snijdender zijn de aanslagen op de eerbaarheid en de integriteit van mensen, welke vorm deze aanslagen ook mogen aannemen. Daarbij vergeleken zijn materiële misstanden weliswaar erg, doch minder stekend – tenzij ze precies de uiting zijn van misprijzen voor de waardigheid van de mens.

Zoals Multatuli gelezen wilden worden, zo wil de in een democratische geest gevormde mens gehoord worden. Hij schruwelt als hij dingen leest zoals: interessant, doch niet relevant. Dixit niettemin H. van Rompuy, door sommigen nog steeds met een waas van onaantastbare heiligheid omgeven. Was Lucifer ooit niet ook een engel?

Om die relevantie: daar gaat het om.

Doch ouder geworden en in besef dat de krachteloosheid uiteindelijk onvermijdelijk is, dringt heel scherp zich onverbiddelijk het besef op dat het verzet dat men zolang heeft geboden vrijwel vruchteloos blijkt te zijn geweest. De strijd die men zovele jaren lang met vuur heeft gestreden lijkt op niets uit te lopen. Het lijkt allemaal zinloos. Of men vraagt zich verwoed af of men z’n hele leven lang niet de verkeerde tegenstander heeft bestreden en het werkelijk gevaarlijke beest ongemoeid heeft gelaten.

Gaandeweg, naarmate men ouder wordt, ervaart men dat het net zich steeds verder sluit. Heel deskundig worden alle gaten dichtgeplamuurd. De pers, die plaats bij uitstek waar het verzet vorm zou kunnen krijgen, komt in de handen van dezelfden die mee de touwen van het net aantrekken. Waar de kranten voorheen vrije stukken opnamen, wordt dit voorrecht thans alleen nog toegemeten aan een kleine schare gelukkigen, waarvan nochtans verwacht wordt dat ze uiteindelijk binnen de lijntjes blijven kleuren, zodat het systeem zelf geen gevaar loopt. Waar tot voor kort mensen hun hart konden luchten in lezersrubrieken, zijn deze nu afgeschaft. Omdat het modereren ervan te duur is, omdat er teveel onzin in staat of er teveel gescheld in voorkomt of nog: omdat het altijd weer dezelfden zijn. Niet relevant.

Vervolgens worden we verondersteld aan verkiezingen deel te nemen. Dat lijkt dan de laatste uitwijkplaats voor een mens die, doortrokken van de geest van de democratie, tenminste de hoop koestert enige invloed te kunnen doen gelden opdat de wereld waarvoor hij zijn hart vasthoudt alvast nog een tijdlang buitengaats zou kunnen worden gehouden.

Maar ook hier weer geldt de afschuwelijke uitspraak van van Rompuy: interessant, doch niet relevant.  De staatsregeringen waarvan wij zoveel verwachtten zijn niet langer relevant. De laatste wijkplaats waar de democraat zich kon op terugtrekken, werd hem ontnomen.

Blijft alleen nog een  afzichtelijke gigantische macht die eindeloos hoog boven de bewuste modale mens uittorent. De wereld van George Orwell, diens Big Brother, neemt nu onweerstaanbaar plaats in onze wereld en weldra stellig ook in onze geesten. Een machtig conglomeraat van een zich eindeloos ver verheven wanende politieke elite en een duister kluwen van economische machten, waarvan de kracht ieders verbeelding ontglipt: ziedaar waartegen het verzet moet gericht worden.

Verzet is nooit zinloos. Albert Camus putte er de zin van het leven uit in een wereld die voorts veeleer absurd is en zijn positie verdient wel meer dan gewone aandacht. In het verzet toont zich namelijk de bewuste, democratisch handelende de burger, de burger die door Hannah Arendt zo lyrisch werd beschreven.

Dit is de geest waarin ik recent een kort werkje heb geschreven onder de titel: De valse belofte. De ondertitel luidt: Waarom de burger de EU niet vertrouwt.

Maar net zo goed had ik kunnen schrijven: waarom de EU de burger niet vertrouwt, want die EU blijkt gebouwd op het wantrouwen tegenover die burger en tegenover de positieve krachten in die burger. Zodoende werkt de EU driftig mee aan het dichtpappen van alle uitwegen die de democraat mogelijks zouden kunnen resten om zijn verzet vorm te geven.

Het boekje (77 blz.) kan verkregen worden bij Uitgeverij Polemos en kost 12,5 eur. Ofwel bij de auteur, dit laatste door storting van 14 eur. (portkosten inbegrepen) op rekening BE97 4132 0628 9149, met vermelding van naam en adres.

De Valse Belofte (Jaak Peeters)

Jaak Peeters

Okt. 2017

Een aaneenrijging van trauma’s

De westerling beseft niet hoezeer hij opgenomen is in een geschiedenis die je kunt omschrijven als een aaneenrijging van traumatische ervaringen.

Ongewoon is zulks in het menselijk leven niet. Opgroeien is op zich een aaneenrijging van kleine trauma’s, die je vervolgens te boven leert komen. Freuds – wetenschappelijk betwistbaar – Oedipoescomplex illustreert dit evenzeer.

Ook een collectiviteit moet met zijn historische trauma’s leren omgaan en ze te boven komen. Zoiets als de Hegeliaanse Aufhebung. Zoniet verziekelijkt de samenleving.

In mijn boek De worsteling met de moderniteit heb ik beschreven hoe de trauma’s van de godsdienstoorlogen de geschiedenis van het denken over mens en maatschappij in Europa grondig hebben ge- of misvormd.

Elke generatie die getuige is van afschuwelijke gebeurtenissen wil nadien maar één ding: alles in het werk stellen opdat zulke gruwelen zich nooit meer zouden herhalen.

In het boek van Dirk Rochtus, van Reich tot Republik, beschrijft de auteur hoe de vernietiging van de oude Pruisische geest zowat het hoofdoogmerk was van de zegevierende geallieerden in 1945. De toenmalige DDR deed er nog een schepje bovenop door zoveel mogelijk alle tekenen van het oude, “valse” bewustzijn uit te wissen. Zo sloopte het communistisch regime van de DDR de oude Garnisonskirche, een architectonisch waardevol bouwwerk. De monumentale toren van bijna 90 meter beheerste het stadsbeeld. Dat was niet naar de zin van de communisten, want hij riep constant de herinnering op aan de tijden dat de religie de geesten van de mensen beheerste.

Later wilde een Stichting die oude Garnizonskirche heropbouwen. Onmiddellijk kwamen actiegroepen tegen dit plan in verzet. Die bedoelde kerk was namelijk exact de plaats waar de nieuwe rijkskanselier Adolf Hitler met geveinsde eerbied het hoofd boog voor de grijze rijkspresident en Pruisische topofficier Hindenburg.

De Kirche mocht dan een architecturaal meesterwerk zijn: ze herinnerde volgens actiegroepen te veel aan het nationaalsocialisme. Omdat die geschiedenis daarvan zo snel mogelijk moest worden uitgewist en vergeten, was het heropbouwen van die kerk dus geen optie. Dat ze daarmee precies hetzelfde deden als de communistische DDR ontging hen kennelijk.

Maar ook hier weer wordt duidelijk hoezeer de trauma’s uit het verleden de geesten van latere generaties in bezit blijven houden. Dat kerkgebouw draagt immers geen enkele schuld: ze is slechts een stenen massa zonder geheugen. Maar de mensen geven er een betekenis en een belang aan. En belangrijk is wat in het verleden tot traumatische ervaringen heeft geleid.

Onlangs stond in een Vlaamse krant een vraaggesprek te lezen met Frans Timmermans, de EU-bons die door sommige kwatongen als Baas Ganzendonck betiteld wordt. De EU is voor hem nodig om twee redenen.

Ten eerste om de economieën van Europa dichter bij elkaar te brengen. Deze gelijkschakelingsmythologie kan hier even onbesproken blijven, behalve deze opmerking: rechtvaardigheid ook moet betekenen dat wie hard werkt, de vruchten mag plukken.

Maar zijn tweede reden is weer eens heel verhelderend. Voor Timmermans rijst tegenwoordig alweer het grote gevaar van het nationalisme op. Hoewel hij dat, naar algemene gewoonte, niet nader definieert, is het duidelijk dat hij het nationalisme bedoelt dat hij in de periode 1933 -1945 meent te hebben gezien.

Alweer dus bepalen historische frustraties en trauma’s de agenda van de mensen van vandaag.

Zoals ik in mijn De Valse Belofte *heb geconstateerd, is hier sprake van een negatieve motivatie. Een Europa dat gemaakt wordt om sommige toestanden uit het verleden – hoe erg op zich ook – in de toekomst te voorkomen, is fundamenteel een negatief project. Zulke negatieve projecten zijn nooit een lang leven beschoren. Ze blijven maar gemotiveerd zolang de herinnering aan de gruwelen voldoende levendig is. Nadien verliezen ze hun motivatie of slaan zelfs om in hun tegendeel. En ze komen het verleden nooit écht te boven.

Alleen positieve projecten, die iets nieuws tot stand willen brengen, kunnen generaties lang doorwerken.

Een dergelijk fenomeen doet zich in het Verre Oosten voor: daar zit men ongeduldig op de toekomst te wachten. In West-Europa vecht men nog steeds tegen de demonen uit het verleden.

De Chinezen worden voortgetrokken door de toekomst. West-Europa wordt voortgeduwd door het verleden.

Jaak Peeters

11 oktober 2017

* De valse belofte verschijnt op 15 oktober ’17 bij  Uitgeverij Polemos.

Hallo, Vlaanderen?

Enkele jaren geleden wist Catherine Moerkerke ons op VTM te vertellen dat de zoveelste IJzerwake had plaatsgevonden. Ze vertelde erbij dat die IJzerwake een radicale afscheuring was van de IJzerbedevaart, bewerkstelligd door mensen van extreemrechtse signatuur.

Of ze die uitleg overeenstemde met haar eigen overtuiging, dan wel of ze die tekst gewoon voorlas, weet ik niet.

Ik weet in ieder geval dat het vanaf de jaren negentig van vorige eeuw op de IJzervlakte serieus rommelde. Er waren, naar verluidt, mensen in het IJzerbedevaartcomité die de jaarlijkse IJzerbedevaart wilden ‘moderniseren’. De Stem van Suid-Afrika moest verdwijnen, wegens de vermeende verwijzing naar de apartheid – een vroege oprisping van politiek correct denken – en het Wilhelmus hoorde eigenlijk ook niet langer. Ook de erg geladen woorden Nooit meer oorlog, godsvrede en zelfbestuur moesten er voor de nieuwlichters aan geloven.

Daar stonden mensen tegenover die vonden dat je de handen moet afhouden van erfenissen waaraan niet alleen veel symboliek kleeft, maar ook veel bloed, zweet en tranen – in het geval van de IJzerbedevaart letterlijk.

Waarom die modernisering er moest komen is ons nooit goed uitgelegd, tenzij de melding dat de IJzerbedevaarten minder volk begonnen te trekken. Nieuwlichters dachten dat door het aanpassen en vooral verzachten van de boodschap de jaarlijkse bedevaarten weer meer aanwezigen zouden lokken.

Zelf zou ik geneigd zijn eerder het omgekeerde te denken.

De discussies tussen beide kampen liepen uit op een scheuring, die uitmondde in het ontstaan van de IJzerwake. Die bestaat inmiddels al 16 jaar, terwijl de Bedevaart zelf ter ziele is gegaan.

Omdat ik niet houd van ruzies onder mensen die samen voor één ideaal zouden moeten staan, heb ik, zoals zovele anderen, verschillende jaren Diksmuide gelaten voor wat het is. Ik beken dat ik bij de aanvang zelfs enige boosheid voelde tegenover de initiatiefnemers van de Wake.

Doch het bloed kruipt waar het niet gaan kan en dit jaar ben ik, voor de eerste keer, naar de IJzerwake gegaan.

Mijn conclusie? Die is samen te vatten in één simpele vraag: “waar zitten die andere Vlamingen?”

Want voor zover ik kan oordelen is de IJzerwake niets anders dan de voortzetting van de traditie van de IJzerbedevaarten uit de tijd dat er nog geen openlijke ruzie was. Het monument van de Van Raemdonckgebroeders is bescheiden, vergeleken met de wat trotserige 80-meter hoge IJzertoren. En de plechtigheid zelve vindt weliswaar plaats op het grondgebied van de gemeente Diksmuide, maar dan wel tussen de weiden en velden, ver van het centrum van Diksmuide. D’ er valt daar niks te beleven. Dat is zowat het énige verschil met de IJzerbedevaarten van vroeger: je kunt na afloop geen glas bier gaan drinken in één van de cafés aan de oever van de IJzer.

Voor het overige: dezelfde kraampjes, dezelfde colportage, dezelfde eucharistieviering, dezelfde spreekbeurten, hetzelfde stramien, dezelfde schreeuw om vrede en dezelfde uithaal naar de dwaasheid van de oorlog. En dezelfde oproep voor Vlaanderens vrijheid. Alles onder dezelfde oude slagwoorden: nooit meer oorlog, godsvrede, zelfbestuur. En ook, ja hoor: een bede aan de politiek om de identiteit van Vlaanderen in stand te houden en de dringende vraag om onze politieke zelfstandigheid niet helemaal door de Europese Unie te laten opvreten.

Wat daar extreemrechts aan is, is mij een volstrekt raadsel. Als de IJzerwake opgezet is door mensen die door de tegenpartij extreemrechts worden genoemd, dan hebben ze zich die dag in alle geval niet extreemrechts gedragen.

Daarom is mijn vraag: waar zit dat goedmenend Vlaanderen? Waarom blijft het afwezig op een plechtigheid die slechts in naam van de geroemde IJzerbedevaarten verschilt?

Als de IJzerwake volgens sommigen extreemrechts is, dan ligt dat voor alles aan de afwezigheid van Vlamingen die niet extreemrechts genoemd willen worden.

Niet aan de initiatiefnemers van de IJzerwake.

Jaak Peeters

Open brief aan Marino Keulen

Mijnheer Keulen,

Via de krant vernemen we dat u het niet eens bent met de eis van minister Homans om lieden die een sociale woning toegeschoven krijgen, met aandrang te verzoeken Nederlands te leren.

Dat te eisen zou, volgens u, aanschurken tegen ongrondwettelijkheid.

Onder het voorbehoud van de juistheid van het krantenbericht – de betrouwbaarheid van de pers is de laatste jaren pijlsnel gedaald – en dus aangenomen dat u zoiets inderdaad gesteld hebt, rijst bij mij de vraag wat uw ware bedoelingen zijn.

Het schijnt u te ontgaan dat de ervaren voorrang, ook al is die laatste beperkt, die pas ingekomen vreemdelingen krijgen bij het verwerven van een sociale woning, bij de bestaande bevolking veel kwaad bloed zet.

Kom me niet vertellen dat die bestaande bevolking het mis heeft.

Ten eerste betekent democratie wat het betekent: de bevolking beslist over de grote lijnen die het politieke beleid moet volgen. Zulks weg te zeggen als ‘populisme’, zoals sommige windmakers inmiddels volgens de nieuwe mode gewoon zijn geworden te doen, is niet alleen beledigend. Het is ook fundamenteel in tegenspraak met de grondprincipes van een democratische samenleving.

Als bijgevolg velen wrange gevoelens hebben omdat hun eigen kinderen moeten opschuiven bij het verwerven van een sociale woning ten voordele van nieuwkomers uit het buitenland, dan hoort men die kritiek niet weg te lachen of met allerhande sofismen te lijf te gaan. Dan hoort men integendeel te onderzoeken of er toch niet wat aan de hand is. En of het eisen dat van lieden, die een soms stuitende voorkeursbehandeling krijgen, tenminste die minimale tegenprestatie mag verwacht worden – namelijk de landstaal te leren – niet bijzonder redelijk is.

Ten tweede, meneer Keulen,  zijn er onder die bestaande bevolking intussen vele, vele duizenden ingeburgerden. Dat zijn lieden die uit zichzelf wél de moeite namen om Nederlands te leren en die, als tegenprestatie vanwege de autochtonen, door deze laatsten nu als volwaardige medeburgers aanvaard werden.

Door nu botweg de taalkennisvereiste weg te willen strepen, geeft u al die ingeburgerden een heuse kaakslag. U geeft hen het idee dat ze zich nodeloos in het zweet hebben gewerkt en dat andere, nieuwe vreemdelingen, een gunstiger regime mogen verwachten dan zij zelf.

Hoe u zulks met het principe van de gelijkheid van de burgers kunt rijmen, is alvast mij een raadsel.

Dat u ‘ongrondwettelijkheid’ aanvoert, is derhalve hoogst vreemd.

Als die ongrondwettelijkheid inderdaad van toepassing zou zijn, zou zulks betekenen dat deze grondwet het een regering onmogelijk maakt om werk te maken van sociale cohesie en van maatschappelijke samenhang. Een dergelijke grondwet is contraproductief. Meer zelfs: ze is ronduit schadelijk en moet dus verdwijnen.

Uw houding is in ieder geval kwetsend zowel voor autochtonen als voor mensen, die de moeite namen om zich te integreren.

Een en ander, mijnheer Keulen, roept bij de vraag op wat u en uw partij in de Vlaamse regering komt uitrichten?

Uw partij is wiskundig overbodig. De twee andere regeringspartijen hebben samen een meerderheid. Waarom is uw partij dan in die regering ingebroken? Wat zijn de afspraken en vooral: welke drukkingsmiddelen – ik gebruik het woord ‘chantage’ met opzet voorlopig niet –  heeft uw partij gebruikt om deze inbraak te forceren?

Als ik nu zie dat u gedrag vertoont dat naar sabotage neigt, begin ik me steeds scherpere vragen te stellen. Eigenlijk moet ik zelfs gaan hopen dat de krant uw woorden verkeerd heeft weergegeven. Dat zou de last om uitleg te verschaffen bij de pers leggen.

Het is dus de hoogste tijd om duidelijkheid te verschaffen over de ware doelstellingen van VLD in de Vlaamse regering.

Het is niet minister Homans die wat uit te leggen heeft, maar wel degelijk uw eigen partij.


Hoogachtend,

Jaak Peeters

Publicist

 

N-VA boer: let op uw cultuur’ganzen’!

Zopas lanceerde de nieuwe lieveling van de media, de fotogenieke liberale minister van cultuur, Sven Gatz, zijn nieuwe quote: cultuur dient eigenlijk tot niets. Tenminste: zo luidde de titel van zijn interview in De Tijd.

Gatz, die zich kennelijk tot het liberalisme heeft laten bekeren maar wel een volksunieverleden heeft, moet aanvoelen dat deze uitspraak van hem voor heel wat kritiek vatbaar is.

Nu is Gatz niet van gisteren. Meesterlijk verzorgt hij zijn persoonlijke PR, meet zichzelf een eigen, no-nonsense, directe maar tegelijk soepele stijl aan, op zo’n manier bovendien dat je moeilijk op hem boos kunt worden.

Een sympathieke knul, zoals men dat zegt.

Ik weet dus echt niet of zijn uitspraak dat cultuur tot niets dient, naar de woorden moet worden genomen of nog eens, zoals wel vaker, een lapsus is met de bedoeling de aandacht te trekken.

Laat ons uitgaan van de onderstelling dat hij meende wat hij zei: “cultuur dient eigenlijk tot niets”.

Dan is de eerste vraag natuurlijk wat de nieuwe minister onder cultuur verstaat. Nu is die vraag niet moeilijk te beantwoorden. Cultuur is voor hem niets anders dat wat al zijn voorgangers daaronder ook al verstonden: kunsten, theater, muziek en dat soort toestanden. Van Hoge Cultuur tot, laat ik in het geval van Gatz maar aannemen, populaire cultuur. Van Bach en Stravinsky tot De Kreuners en de plaatselijke toneelbond De Kromme Sigaar.

Op die definitie van cultuur valt echter heel wat af te dingen. In de psychologie en de antropologie wordt het begrip cultuur namelijk veel ruimer omschreven. Vaak staat cultuur voor al die menselijke levensuitingen die niet natuurlijk zijn. Alles dus wat de mens vanuit zijn eigen levensbeleving aan de natuur toevoegt. In deze betekenis volgt men de oorspronkelijke betekenis van de woorden: cultuur is afkomstig van het Latijnse colere, dat “bebouwen” betekent. In die zin spreken landbouwingenieurs van een maïscultuur, antropologen van een veeteeltcultuur en historici van de trechterbekercultuur.

Nu valt er, mijn inziens, wel wat voor aan te voeren om het begrip cultuur ook in de politiek op deze ruimere manier op te vatten.

Cultuur zou dan slaan op de wijze waarop wij leven, hoe we bouwen, hoe we onze ruimte inrichten, hoe we ons geld besteden, hoe de verhouding tussen mannen en vrouwen zich in onze maatschappij ontwikkelt. Enzovoorts, enzovoorts.

Zou het niet wijs zijn om een minister te hebben die ervoor zorgt dat er in onze samenleving ten gronde wordt nagedacht over al die dingen die ik hiervoor heb opgesomd – en nog vele andere?

Niet dàt er niet nagedacht wordt: natuurlijk wel. Maar dat nadenken gebeurt te gefractioneerd, te gespreid, te weinig resultaatgericht. Er zit te weinig orde, structuur en doelgerichtheid in.

Of een minister van cultuur daar moet voor zorgen? Geloof nu niet dat ik plots bekeerd ben tot het geloof in de volstrekte maakbaarheid van de wereld. Dat is niet het geval, al was het maar omdat elke oplossing nieuwe vragen oproept, zodat het proces eigenlijk nooit af is. Doch aan de andere kant is duidelijk dat we leven in een wereld waarin techniek, economie en jacht naar welvaart centrale doelstellingen zijn geworden en ons leven zijn gaan beheersen, in plaats van omgekeerd. Ton Lemaire, de Rijksnederlandse filosoof die zich in de Dordogne heeft gevestigd tussen de natuur en de dieren, maakt er zijn levenswerk van kritiek uit te oefenen op onze westerse maakbaarheidsillusies en, vooral, de idee dat het westers samenlevingsmodel het enige zinvolle is.

Neen: er bestaan andere modellen.

Dat alles neemt evenwel niet weg dat er een beperkte maakbaarheid bestaat. En omdat deze bestaat, is het onze plicht om van die mogelijkheid gebruik te maken om de misstanden, de fouten, de scheve toestanden weg te werken. En omdat de samenleving eigenlijk onze hele menselijke habitus omvat, moet deze samenleving zelf en haar verschijning het voorwerp zijn van intense bevraging. We moeten alles wat we in huis hebben inzetten, opdat die samenleving zo goed mogelijk zou zijn.

 

Hiermee open ik vanzelfsprekend een nieuw hoofdstuk: wat is een goede samenleving?

Als ik kort door de bocht ga zou ik kunnen beweren dat een goede samenleving deze is, waarin wie werkt rijk kan worden. Of nog: een samenleving is goed als ze de persoonlijke mogelijkheden van elk individu zodanige kansen biedt, dat wie de kansen grijpt, materieel goed zit.

Doch: dat is veel te simpel. Immers: waarom wil iemand veel geld bezitten? Ongetwijfeld bestaan er mensen die door een verzamelwoede gedreven worden. Ze putten hun genoegen, hun zelfvertrouwen, hun zelfwaardegevoel uit de omvang van hun financieel patrimonium.

De meeste mensen echter zullen deze doelstelling maar magertjes vinden. Geldbezit dient ook om veiligheid te garanderen, als levensverzekering voor de toekomst, als middel om onder de anderen een voornamere plaats in te nemen, enzovoorts. Sommigen worden door altruïsme bezield en gebruiken een deel van hun overvloedige middelen om goede werken te financieren. Geld dient vele heren.

Door zo te redeneren komen we erop uit dat een goede samenleving veel meer moet zijn dan een maatschappij waarin je rijk kunt worden.

Nationalisten moeten zich op dit punt aangesproken voelen. Nationalisme is immers, zoals ik eerder al schreef, veel meer dan het scheppen van een passende politieke structuur. Nationalisme is op de eerste plaats het scheppen van een warme, veilige thuis in deze grote, geglobaliseerde wereld. Zo kunnen mensen zich goed voelen. En dat goed voelen betekent op de eerste plaats orde op zaken in de wereld van de eigen psychologische en existentiële gevoelens en belevingen. Niet voor niets vroeg Geert Bourgeois, toen hij nog “gewoon” minister was, zich wanhopig af waarom er in Vlaanderen zoveel zelfmoorden voorkomen. Een echt nationalistische vraag!

Ik denk dus dat nationalisten tot taak hebben de definitie van wat een goede samenleving is voldoende open te trekken, opdat die existentiële en psychologische behoeften van mensen voldaan kunnen worden.

Ik nader nu het punt waarop een positie mogelijk wordt tegenover de stelling van Gatz, namelijk dat cultuur tot niets zou dienen.

Ik ga er namelijk, mét Ton Lemaire, van uit dat kunstenaars – ik heb het over échte kunstenaars, die waar je vaak niets over leest, niet de overtalrijke charlatans en windmakers – de taak hebben om de vanzelfsprekendheid waarin we ons dagelijks wentelen te doorbreken. Ze moeten ons laten zien dat je ànders naar de dingen kunt kijken, dat wellicht onze westerse doenwijze zelfs niet eens de beste is. Door aan de samenleving nieuwe, onverwachte gezichten aan te bieden, kan de kunst ons helpen een juister, evenwichtiger beeld te krijgen over onze samenleving als geheel en oplossingen te vinden voor wat verkeerd gaat. Ze kan ons dus bijstaan in onze opdracht om dat beetje maakbaarheid dat we in onze greep hebben, op de best mogelijke manier te bemeesteren. In dat geval is cultuur dus wel nuttig: zij dient wel degelijk tot iets – maar meestal wel niet op de korte termijn.

En dan verschijnt de rol van een ministerie van cultuur.

Dat ministerie moet niet alleen bestaan, het moet ook niet botweg bezuinigen, zoals in Nederland het kabinet-Rutte doet. Dat laatste is een liberale aanpak. Maar zo bezuinigen, dat cultuur toch bijdraagt aan de verbetering van ons bestaan als gemeenschap, dàt past in de nationalistische houding.

NVA moet goed toekijken dat de cultuurpolitiek niet ongemerkt in liberale richting doorschuift.

 

 

Jaak Peeters

Augustus 2014

Individualisering schaadt het collectief niet. (Sylvain Ephimenco)

Ik heb het zinnetje, dat de titel van deze bijdrage vormt, twee keer moeten lezen. Het stond bovenaan een stuk van de bekende Rijksnederlandse columnist Sylvain Ephimenco, dat te lezen stond in Trouw van 27 juli 2014.

Ephimenco, die op het ogenblik van de nationale rouw in zijn land naar aanleiding van de ramp met de Boeing in Oekraïne in Italië zijn vakantie doorbracht, zegt aangenaam verrast te zijn door de waardige manier waarop Nederland de slachtoffers van de raketinslag geëerd heeft.

Dat was in ieder geval beter dan wat in België is gebeurd, waar Philippe Cobourg het niet eens nodig vond zijn bezoek aan Tomorrowland (of zoiets) af te gelasten – hoewel er ook ‘Belgische’ slachtoffers zijn gevallen. En zelfs als dat laatste niet het geval zou zijn geweest, dan zou het een daad van goed nabuurschap zijn geweest om alvast voorlopig niet te opzichtig te feesten.

Het commentaar van Ephimenco heeft mij in ieder geval doen denken. Hoewel hij zelf enkele dagen voordien zijn begrijpelijke boosheid niet had kunnen verbergen, blijken enkele dagen afstandelijke rust en het toekijken op de manier waarop zijn gemeenschap met de rouw en het verdriet om is gegaan, hem tot rustiger en wijzer gedachten te hebben gebracht.

Dat is op zich een verademing midden al het oorlogszuchtige gekrijs en wraakzuchtige getier van leiders die al meteen Poetin tegen de muur spijkerden en hem met sancties overlaadden, lang voor enig onderzoek zelfs maar een idee van de ware of volledige toedracht had kunnen brengen, en nog minder een duidelijke schuldige had kunnen aanwijzen – tenzij hulp verlenen aan volks- of bondgenoten fout is, maar dan zijn vele landen schuldig. Waarom overigens doet me dit onwillekeurig aan Irak denken, waar tot op de huidige dag nog steeds geen massavernietigingswapens werden gevonden? Nochtans was deze beschuldiging de aanleiding op het land binnen te vallen – een inval door een land dat zelf zowat de grootste massa ter wereld aan vernietigingswapens in zijn arsenalen opgestapeld heeft.

Mezelf staat de cynische manier waarop politieke machthebbers misbruik hebben gemaakt van de dood van bijna 300 mensen om te interveniëren in een conflict waar ze kennelijk niets van begrijpen me erg tegen.

Dat in een oorlog vliegtuigen worden neergehaald is van alle tijden – tenminste zolang er vliegtuigen bestaan. Dat het neerhalen van een burgervliegtuig onverdedigbaar is, betwist niemand. Dat het zonder meer roekeloos is om burgertoestellen een oorlogsgebied te laten overvliegen is evident. Dat het hier om ontoelaatbare roekeloosheid gaat is zelfs stuitend evident, omdat we weten dat verschillende vliegtuigmaatschappijen eerder al hun vluchten uit dat gebied hadden verlegd en er al eerder vliegtuigen waren neergeschoten.

In plaats echter van meteen te slingeren met onbewezen beschuldigingen en de vinger naar het Oosten te richten, ware het wijzer geweest om éérst en vooral naar de originele feiten zelf te kijken, om dan wellicht te constateren dat er zonder de hogergenoemde roekeloosheid nooit wat zou zijn gebeurd.

Ik wil Poetin niet verdedigen: dat moet hij maar zelf doen. Maar hij is niet slechter of niet beter dan die andere leiders, als die zich zo voortvarend beschuldigend uiten en daarmee een spanning scheppen die aan oorlogsstokerij doet denken, met name ook vanuit een EU die duidelijk op expansie uit is. Natuurlijk dat Rusland ongerust wordt met een NAVO aan de voordeur! Het is allemaal een beetje ontmoedigend dit te moeten zeggen, net nu we de honderdste verjaardag ‘vieren’ van de Eerste Wereldoorlog.

Velen gaan overigens voorbij aan het feit dat inmiddels zo’n 100 000 Russen uit Oost-Oekraïne naar Rusland zijn vertrokken. Die mensen doen dat niet voor hun plezier. Het is daar echt oorlog en bovendien: in een oorlog gebeuren altijd vreselijke dingen – bij àlle partijen, zoals we inmiddels wel weten. Wat nog meer is: ook de Russen in Oost-Oekraïne hebben hun nationale rechten.

Neen: met wat simpele slogans komen we er echt niet. Den volke wat wijsmaken om het eigen onvermogen om op een evenwichtige manier met de dingen om te gaan te verdoezelen en daarbij bewust sommige aspecten buiten beschouwing te laten: dat noem ik cynisme.

 

Het wordt dan ook tijd dat de balans wat meer in evenwicht raakt en wat minder onderhevig aan propagandistische manipulatie.

Een dergelijke oproep kun je evenwel elk jaar enkele keren herhalen.

Is een dergelijke evenwichtige houding menselijkerwijze wel mogelijk? Worden we niet altijd weer in het emotionele gewoel opgenomen, zodat we zelf telkens weer de greep op onszelf kwijt spelen?

 

Ephimenco heeft het rouwgebeuren aangegrepen om dieper naar de ziel van de mens in Nederland te tasten. Op die manier levert hij zijn eigen bijdrage tot het scheppen van wat meer evenwicht.

Hij doet een opmerkelijke constatering: ondanks het fel toegenomen individualisme – zelf schuwt hij het woord cynisch niet – blijkt Nederland één en ondeelbaar te zijn als een groot onheil toeslaat.

Het is een gedachte die veel verder reikt dan de grenzen van het kleine Rijksnederland. Het heeft van doen met de mentale en psychologische gesteldheid van de hedendaagse westerse mens in het algemeen.

Wanneer we over individualisme spreken, dan krijgen we heel vaak een wat wrange bijsmaak in de mond. Individualisme roept de gedachte aan egoïsme op. En niet zomaar egoïsme, maar een egoïsme van cynische aard.

Men kent het verhaal van de Griekse cynici, met Diogenes op kop. Nadat hij twintig jaar lang in de betere milieus van Athene had rondgehangen nam hij afstand van dat leven en koos voor een leven in simpele goedheid – het woord is van Bertrand Russell. Hij predikte een terugkeer naar de natuur, verwierp persoonlijk eigendom, verwierp instituties als een regering en ging een eenvoudig leven leiden, ‘als van een hond’ – vandaar de naam ‘hondachtige’ of ‘cynicus’.

In onze dagen roept het begrip ‘cynisme’ het idee op van oneerlijkheid en volstrekte onbetrouwbaarheid, ja zelfs van leugenachtigheid. Ja: ik denk hier onder andere aan de Irakkwestie. Cynisch is ook iemand die volgevreten constateert dat zijn buurman honger lijdt en dan vervolgens verklaart dat men in het leven nou eenmaal geluk moet hebben, om dan ongestoord zijn weg te vervolgen. Cynisme achten we verwerpelijk, onmenselijk en hard en niemand houdt ervan cynisch genoemd te worden.

En zo zou de Nederlander, verklaart Ephimenco retorisch, een cynisch mens zijn geworden: egoïstisch, individualistisch en gericht op persoonlijk eigenbelang.

Als dat juist zou zijn, hoe is het dan mogelijk dat Nederland kennelijk diep oprecht één minuut lang gewoon helemaal stilvalt uit respect voor de 300 doden van het neergeschoten vliegtuig?

Inderdaad welt onweerstaanbaar de titel van Ephimenco’s stuk zo op.

 

Maar misschien is dat allemaal toch niet zo verwonderlijk als het lijkt.

Een paar jaar geleden reeds heb ik in deze reeks een stuk geschreven over het historische proces van individualisering. Mijn stelling luidde dat de menselijke bestaanshabitus – althans in West-Europa – doorheen de eeuwen steeds individualistischer is geworden.

In de Middeleeuwen lag dat helemaal anders. Mensen waren toen een deel van een als natuurlijk ervaren orde, door God gegeven en daarom ongenaakbaar. Maar geleidelijk aan, tegelijk met het langzaam doorkomen van de Moderne Tijden – dus zo vanaf de vijftiende eeuw, ongeveer – is stilaan het individu op het toneel verschenen. Op het einde van de achttiende eeuw vierde dat individu zijn grote bevrijding: de Franse Revolutie is de triomf van de individualistische mens.

Vandaag is het individualistische principe niet meer weg te denken. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, opgenomen in de preambules van de Verenigde Naties, legt daar krachtig getuigenis van af.

Maar zo krijgen we tegelijk twee verschillende betekenissen van het begrip ‘individualisme’ voor ons.

De eerste betekenis is de negatieve, haast synoniem met egoïsme en verwijzend naar een totaal gebrek aan belangstelling voor de anderen.

De tweede, naar mijn mening originele betekenis beklemtoont het loskomen van de individuele persoonlijkheid uit de greep van de collectiviteit.

Deze tweede betekenis is het die Ephimenco voor ogen staat, als hij schrijft dat individualisme en collectief besef best samen kunnen gaan.

Ik denk dat de schrijver een punt heeft.

 

Wat betekent immers: loskomen uit de greep van de collectiviteit? Het betekent niets anders dan dat de moderne, hedendaagse mens in staat is om verschillende rollen te spelen – of moet ik zeggen: ‘zijn’? Individualisering zou dan gelijk staan met het vermogen resp. de vrijheid verschillende, van elkaar onderscheiden rollen op te nemen. Een individu speelt doorheen het leven en beurtelings verschillende rollen: die van echtgenoot, vader, moeder, kerkganger, bijzitter in een kiesbureau, werknemer, kantoorhoofd, amateur-tuinier, lid van een duivenbond, lid van de gemeenteraad, lid van een staatsgemeenschap, lid van een volksgemeenschap en ga zo maar door.

Het verschil met de Middeleeuwen zit dan in het feit dat het heen-en-weer springen van de ene rol naar de andere in die tijden veel moeilijker was of zelfs onmogelijk. Individualisering is dus tegelijk losser komen, meer vrijheid maar ook meer verantwoordelijkheid krijgen.

Welnu: Ephimenco heeft gelijk dat dit losser komen staan tegenover de verschillende onderscheiden rollen die een mens doorheen het leven opneemt zijn solidariteit met zijn landgenoten niet hoeft te ondermijnen. De mens neemt immers telkens andere rollen op. Meteen wordt ook solidariteit over de grenzen heen mogelijk, zonder zichzelf op te geven. Vrijheid en verantwoordelijkheid gaan samen.

Die evenwichtige balans, vrij van propagandistische manipulatie, waarover ik het hierboven had, komt hier weer voor de dag. Immers: het is niet het één of het ander, maar het één én het ander, beurtelings, afhankelijk van de omstandigheden van het ogenblik. Zo kan de balans weer in evenwicht. Zonder propaganda.

Van rol verwisselen vergt afstandelijkheid en die is pas mogelijk vanaf een zekere graad van vrij individualisme en vereist, tegelijk en niet minder, het vermogen om binnen elke rol verantwoord te denken en te handelen. Alweer kunnen we propaganda als kiespijn missen. Afstand nemen van de propaganda lijkt dan erg veel op het loskomen van de mens uit zijn Middeleeuwse knellende banden. Dit soort individualisme en vrij en zelfstandig handelen gaan hand in hand.

 

Door dit alles zo te stellen nemen we tegelijk afstand van de maatschappelijke strekkingen die elke vorm van nationale samenhorigheid verwerpen, omdat die een wereldwijde solidariteit in de weg zou staan. Wie dat beweert geeft te kennen geen of alleszins veel te weinig vertrouwen te hebben in de goede krachten in de menselijke natuur en in het vermogen van de normale, modale mens om zowel het één als het ander hoog te achten, dit wil zeggen zich in verschillende rollen correct te gedragen. Deze gedachtegang brengt ons ook terug bij de manier waarop de leiders van oost en west omgaan met de gebeurtenissen in Oost-Oekraïne: de ander valt van geen kanten te vertrouwen en moet daarom onder de knoet gehouden worden.

Dat is echter een oorlogslogica, de logica waarin vele westerse leiders verzeild zijn geraakt. Wie daarin verstrikt geraakt riskeert in een dodelijke spiraal terecht te komen, omdat men aan zijn eigen consequentie verplicht is het goede in de andere te verdonkeremanen en zijn hele gedrag op de gepercipieerde slechtheid van die ander af te stemmen. Als de ander per definitie slecht van inborst is, dan zijn tegenmaatregelen immers absoluut noodzakelijk. Niet praten, overleggen, luisteren naar elkaar – àlle partijen vrijuit hun rol te laten spelen – is dan de boodschap, maar de harde hand, waarbij de ander moet ‘boeten’ – een primitief mechanisme dat door René Girard met zoveel verve bloot werd gelegd. Het is een terugkeer naar de prangende banden van de Middeleeuwen, omdat er een verbod wordt uitgevaardigd om vrijuit verschillende rollen te vervullen: deze van onderzoeker, waarnemer, ethisch denkende mens, bezorgde westerling maar ook even bezorgde aardbewoner.

 

Op een indrukwekkende manier heeft de modale Rijksnederlander ons getoond dat de en-endenken nochtans mogelijk is: je kunt diep meeleven met slachtoffers en toch nationaal denken. Een balans in evenwicht is dus mogelijk. Mensen zijn bij machte om zowel het één als het ander in ogenschouw te nemen en diverse rollen naar behoren spelen. Ze kunnen zowel het individu als de collectiviteit hoog achten, zowel het eigen belang nastreven als oog hebben voor de belangen van anderen en, in het Oekraïense geval, zowel het neerschieten van burgervliegtuigen ten gronde veroordelen en als aandacht te schenken aan de nationale beweegredenen van de Russen in Oost-Oekraïne, zonder te vervallen in primitieve wraakredeneringen – op voorwaarde natuurlijk dat ‘men’ niet knoeit met de informatie, hetgeen het democratisch gehalte van Europa helemààl onder het vriespunt zou brengen. Nederland toont dat we terecht mogen geloven in de goede vermogens in de mens, dat evenwicht mogelijk is en primitieve oorlogslogica niet hoeft.

Nederland spot zodoende met de kortzichtigheid van politieke leiders.

Immers: solidariteit met het collectief kan samengaan met een grotere mate van individualiteit. En waarom zou het collectief te allen tijde tot de eigen natie beperkt moeten blijven? Waarom zou solidariteit niet met àlle gekwetste groepen mogelijk zijn?

Dit is onze hoop voor de vrede: we leveren onszelf, onze identiteit, ons gezin, onze natie niet uit en we vragen evenmin dat iemand anders dat doet. Het enige wat we vragen is de vrijheid en de mogelijkheid achtereenvolgens de rollen op ons te nemen, die bij de omstandigheden passen en almeteen dus te geloven in de positieve krachten in de mens.

 

 

Jaak Peeters

Juli 2014