“Wij zien niet het individu”. Herwaardering van het etnische.

Wij zien niet het individu, niet de staat, maar de gemeenschap als belangrijkste gegeven. Wij zijn niet alleen voor onszelf geboren.

Dit zijn de woorden van Bart De Wever die de redactie van De Morgen op de eerste bladzijde van zijn katern plaatste, de dag van zijn interview met die krant.

Het is, naar mijn aanvoelen, de interessantste uitspraak in deze hatelijke en smerige, maar voor het overige compleet voorspelbare verkiezingscampagne.

Niemand moet De Wever en zijn partij verdedigen: Ze zijn daartoe zelf wel in staat en het is bovendien niet de opdracht van deze artikelenreeks om een partij te verdedigen.

Dat onderwerp kan hier dus achterwege blijven.

De draagwijdte van De Wevers woorden gaat de waan van onmiddellijkheid van een verkiezingscampagne verre te boven.

Ze zijn een programma op zich, maar meer nog vormen ze een visie, of tenminste de uiting daarvan.

 

Het is bekend dat de Verlichting het individu en zijn rechten voorop stelde. De rechten van de burgeres van Olympe De Gouges, de rechten van de mens van Paine – weliswaar geen Fransman, maar wel van dezelfde geest doordrongen: het gaat telkens over individuele rechten. Aan dat menselijke individu komen niet alleen alle rechten toe: datzelfde individu is ook het centrale ijkpunt voor elke vorm van beleid en het centrale doel van dat beleid. Alles, maar dan ook letterlijk alles moest en moet wijken opdat dit centrale doel bereikt zou kunnen worden. Alles wat de mens onderneemt heeft bijgevolg maar één enkel doel: het belang van het menselijk individu.

 

De gaten en ogen in deze opvatting werden al vroeg opgemerkt. Joseph de Maistre – al wel eens een reactionair genoemd, al vind ik die term onrecht aandoen – had wel wat redenen om de Franse Revolutie satanisch te noemen. In de Nederlandse vertaling van diens Considérations sur la France staat de volgende korte passage te lezen: Maar wij, zwakke en blinde mensen, wie zijn wij? En wat is dat flakkerende lichtje dat wij ‘rede’ noemen? Zelfs al hebben wij alle kansen berekend, de geschiedenis aandachtig bestudeerd, en alle twijfels en belangen bediscussieerd, dan nog vermogen wij, in plaats van de waarheid, slechts een bedrieglijke nevel te ontwaren. (blz. 139)

Hier spreekt de wijze mens die tot bescheidenheid oproept. Hij matigt de aanspraken van de revolutionair, die in zijn blinde overmoed met het onkruid tegelijk de goede planten verbrandt en daarmee verder van huis uitkomt dan toen hij aan zijn onderneming begon.

De Maistre vraagt bedachtzaamheid, net zoals Burke, door wie hij erg werd geïnspireerd.

Deze mensen kwamen tot hun inzichten mede door wat zij rondom zich zagen gebeuren: de terreur van het linkse regime in Parijs, de inval en later annexatie van Savooien in 1792, het bloedig neerslaan van de contrarevolutionairen, die eerder de linksen op een bloedige manier uit de macht hadden verdreven. Extremisme roept extremisme van tegengestelde natuur op, zo leerde de Maistre, en de geschiedenis heeft hem nadien helaas vaak gelijk gegeven.

 

Hoe komt het toch dat een land met een zo hoge, oude cultuur plots in de grootste wandaden vervalt die, alles wel beschouwd, zelfs als een voorbeeld voor de latere Nazipraktijken zouden kunnen gezien worden? Er vallen ongetwijfeld historische redenen aan te wijzen waarom terreur en repressie en nadien onbegrensd imperialisme met name in Frankrijk tot voordien ongekende hoogten werden opgezweept.

Doch wellicht is verstandig om veeleer de aandacht te richten op de denkbeelden die onderhuids tot stand waren gekomen in een Frankrijk, dat niet alleen Voltaire en Diderot, maar ook Descartes had voortgebracht, die door velen als de vader van het subjectivisme wordt beschouwd. Zijn verwerking van de dertigjarige oorlog had ertoe bijgedragen dat hij het individuele bewustzijn als uitgangspunt van denken en handelen zag. Het Je pense, donc je suis is niets anders dan het samentrekken van het hele mentale universum in dat éne subjectieve, individuele punt. Een soort geestelijke singulariteit. Alles wat buiten dat individuele bewustzijn valt, wordt dan object. Het is interessant de etymologie van dat laatste woordje even in herinnering te brengen: het komt van het Latijnse obicere, dat ‘voor-werpen’ betekent. Een object ligt daar, voor ons op de grond geworpen, machteloos afwachtend tot wij het oprapen of, zoals in de Franse Revolutie, brutaal vertrappelen.

 

Laten we nu even terugkeren naar de woorden van De Wever. Ik ken hem en zijn gedachtewereld al langer, maar wie hem van op afstand volgt beseft dat hij iemand is met veel meer inhoud dan sommige van zijn critici wel denken.

“Wij zijn niet alleen voor onszelf geboren”. Dat is wellicht het belangrijkste zinnetje uit het citaat. Het is een stelling die regelrecht ingaat tegen het individualisme dat door Descartes werd voorbereid, in de Revolutie werd gepraktiseerd en heden ten dage algemeen verspreid is. Ten gronde zegt De Wever dat niet het individuele subjectieve bewustzijn het ultieme referentiepunt is en zelfs dat dit individuele referentiepunt niet eens echt individueel is. Anders gezegd: dat zogenaamd individuele subject is niet denkbaar zonder tegelijk en onmiddellijk – dus zonder bemiddeling van wat dan ook – daar de omgeving bij te betrekken. Dat individuele subject bestààt dus niet. Wat bestaat is een ervaring van een er-zijn–in-een-omgeving door één centrale, ervarende instantie, die wij het individu noemen.

 

Dat lijken cryptische woorden, maar dat zijn ze helemaal niet.

 

We ervaren ons bestaan niet, zoals de individualisten – revolutionairen en liberalen – dachten en denken, als “het ik tegenover de wereld”. Dat dit zo zou zijn, is interpretatie achteraf, of beter nog: ideologie achteraf. We vermalen de ervaring van ons er-zijn zodanig, dat wij het begrijpen als een contrapositie van een ik tegenover een daartegenover en daarbuiten staande wereld.

Maar dat is, zoals ik zei, interpretatie achteraf.

Je hoort de mensen al eens zeggen tegen iemand die erg ziek is geweest: “je bent er nog!”. Daarmee zeggen ze eigenlijk: je leeft nog. Maar eigenlijk zeggen ze iets meer: je bent nog onder ons. Je bent nog op de wereld. Mensen beleven het “er zijn” als een samen met anderen in de wereld zijn. De allereerste ervaring is dus deze van “in de ons bekende omgeving vertoeven”. Nadien sluipt een element van mogelijke vijandigheid in onze geest binnen. We koppelen aan de ervaring dat we in een bekende omgeving vertoeven het gevoel van een mogelijke dreiging vanuit die omgeving of delen daarvan. We doen dat veelal vanuit de ervaring van het verleden, omdat we geleerd hebben dat uit sommige hoeken inderdaad gevaren kunnen opduiken.

Maar dat is een vertroebeling van de oorspronkelijke ervaring.

 

Psychologen zullen zeggen dat deze emotionele lading meteen al met de ervaring verschijnt, maar dat is niet wat mij hier bezighoudt: het gaat erom in te zien dat de ervaring van het er-zijn en de emotionele lading van sommige elementen uit de omgeving die dit er-zijn kleurt, twee verschillende dingen zijn.

Dat onderscheid is nodig voor een zuivere manier van denken.

Als we namelijk toestaan dat de emotionele verkleuring van ons er-zijn ons enige uitgangspunt is, kunnen we alleen nog maar uitkomen op ideologie en dus op politieke keuzen.

Zo wordt ons gezicht op ons wezenlijke er-zijn echter verduisterd. En zo dreigen allerhande ‘extremistische’ ontsporingen, want er is dan niet langer de wijze correctie die zegt: “je bent er nog!”, wat betekent: “dit is het essentiële: dat je nog op de wereld bent, onder ons.” Precies daar ligt, naar mijn aanvoelen, de grondslag van de waarschuwingen van Burke en de Maistre. Triviaal gezegd: mensen vallen niet te vertrouwen omdat ze overal en altijd hun belang najagen, maar we horen nooit het menselijke samenzijn zelf uit het oog te verliezen.

 

Waarom ik dat allemaal zo zeg?

 

Ik had onlangs een gesprek met mijn moeder. Het mens is hoogbejaard maar nog goed ter tale, zeker als het over de dingen uit haar jeugd gaat.

In dat gesprek sprak zij een zin uit, die me goed is bijgebleven. Telkens ik aan de Ganzenstraat denk, dat zie ik die huizen in die straat, en de mensen die daar woonden. Ik zie Jan van Dictus en An van den Dikke en Door van Jef van ’t Speen. Ik zie de straat, een zandstraat vol stof in de zomer en slijk in de winter en ik zie de weide voor onze deur, met daarin onze Pol, onze pony, waarop ik soms, in de wei en als ik dacht dat niemand het zag, al eens ritje reed.

De Ganzenstraat is de straat waar ze geboren is en haar jeugd heeft doorgebracht.

 

Wat is de ervaring van mijn moeder, zoals ze die hier beschrijft? Zij geeft hier haar ervaring van haar er-zijn weer, in de omgeving zoals die in haar jeugdjaren op haar netvlies gebrand stond. Die ervaring omvat niet een individueel ik, geïsoleerd en los van de rest van de wereld, maar een centraal ervarend ik, dat direct in haar wereld – omgeving – ingeplant staat. Omgeving en ik zijn tegelijk gegeven en kunnen niet van elkaar worden gescheiden. Ik kan me niets voorstellen bij mijn moeder die daar “staat te zijn”, zonder dat tegelijk ook de huizen van An van den Dikke, die wei en de Pol gegeven zijn.

Mijn moeder zou aan die wereld dus niets kunnen veranderen, zonder ook die omgeving te veranderen. Het is allemaal tegelijk, of helemaal niets.

 

En dat brengt ons bij de voorzichtigheid die De Maistre bepleit. Je kunt je gewoon niet opstellen alsof wij los van de wereld rondom ons staan om die wereld dan vervolgens vrijelijk naar onze hand te zetten. Dat gaat helemaal niet als we inzien dat we al te gemakkelijk voorbijgaan aan wat die eerste, originele ervaring van het er-zijn is: namelijk het in-onze-omgeving-staan, “onder ons zijn”, en gelijk toestaan dat emotionele betekenissen die ervaring al meteen beginnen te kleuren. Ons optreden achteraf, dat hierop is gebaseerd, is dan ook gekleurd.

Op zich is deze verkleuring geen ramp en menselijk zelfs onvermijdelijk, maar je moet die verkleuring wel in de gaten houden.

Als dat niet gebeurt voert de combinatie van een subject dat gelooft ongestoord zijn omgeving te kunnen veranderen met de gekleurde ervaring van het er-zijn tot satanische toestanden.

 

Welnu: Wat De Wever in zijn interview uitspreekt is, alles wel beschouwd, een pleidooi om onze eigenlijke ervaring van ons er-zijn-in-onze-omgeving niet te laten ondersneeuwen en politiek te laten doorkinken.

 

Maar er is iets anders, en daar wijst De Wever niet op – wellicht omdat het hem niet gevraagd werd.

 

Mensen als Anthony Smith en Christine Stallaert wijzen er in hun studies over nationalisme en etniciteit op, dat de ervaring van een eigen homeland, een thuisland, een centraal en kenmerkend deel van het etnisch beleven is. Dat homeland is weinig anders dan de wereld, de omgeving waarin men zichzelf geplaatst ziet, op dezelfde manier als mijn moeder haar jeugdherinneringen aanbrengt – het weinige dat verschillend is, is dat de gedachte van een homeland voor een hele gemeenschap wordt toegepast.

Zoals het verhaal van mijn eigen moeder duidelijk maakt leven wij allemaal in ons eigen, kleine homeland. Zoals mijn moeder zichzelf ervaart midden in haar omgeving, vol met huizen, mensen, weiden en paarden, zo ervaart ieder van ons zijn er-zijn als een geworpen zijn in een omgeving, die we helemaal niet zelf hebben gemaakt, maar waar we wel onverbrekelijk mee verbonden zijn. Zoals hoger gezegd is het zelfs niet denkbaar dat we ons daaruit mentaal zouden kunnen isoleren. We zouden niets zijn, als we dat zouden kunnen, we zouden “leeg” en inhoudsloos zijn en dus geen identiteit hebben. Als we aan onszelf denken, denken we onmiddellijk ook aan de omgeving waarin we verkeren. We zijn heus niet voor onszelf alleen geboren. We worden geboren in een wereld waarin we ingroeien en waarmee we vergroeien.

 

Laat dat homeland nu de kern van het etnisch ervaren zijn. Mensen ervaren de omgeving waarin ze geboren zijn en opgegroeid als intrinsiek met henzelf verbonden. Ze horen in die omgeving thuis en het andere zal altijd enigszins vreemd blijven – een onoplosbaar probleem voor dromers van een kosmopolitische wereld.

 

Trek de ervaring van mijn moeder – iedereen kan zo’n ervaring voor zichzelf wel oprakelen – eens door?

Door van Jef van ’t Speen was getrouwd met een zus van Fons Bens, wiens eerste vrouw, bij wie hij twee kinderen had, vroeg overleden is. Fons hertrouwde met Anna Aerts, dochter van een buurman, en met haar had hij nog vier kinderen. Zijn oudste is dan getrouwd met iemand van over de vaart en is bij haar huwelijk bij haar schoonouders gaan inwonen, waar ze meehielp in de boerderij, terwijl haar echtgenoot naar de fabriek ging werken.

Je ziet op deze manier zo een hele gemeenschap verschijnen, als een groot spinnenweb aan elkaar hangend, bestaande uit individuele mensen, die in hun ervaring van hun er-zijn hun kleine eigen omgeving onmiddellijk mee ervaren en samen delen.

 

Dit is mijn aanvoelen: er loopt een strakke lijn van de erkenning van de wezenlijk diepe sociale aard van mensen naar de erkenning van een etnische beleving in het bestaan in een gemeenschap.

En ik zie rondom mij dat diegenen die het individualisme onder al zijn vormen prediken, van revolutionairen tot liberalen, tegelijk de oorlog aan de etniciteit hebben verklaard.

Het wordt duidelijk waarom deze verbanden zo liggen.

 

Op deze ideeën bouw ik mijn standpunt dat het verketteren van de etnische gedachte, zoals men die tegenwoordig overal pleegt uit te voeren, verwerpelijk is en bestreden moet worden.

Hetgeen nog niet zeggen wil dat we er niet alles aan moeten doen om vele, vele dingen te verbeteren. En die dingen: dat betreft meteen de hele gemeenschap, het hele spinnenweb van hierboven. Ook de sukkelaars, want die maken deel uit van het spinnenweb. En ook het open oog voor voortijdige verkleuring van de werkelijkheidservaring waar Burke en de Maistre voor waarschuwden.

 

Ik geef het toe: het is puur toeval. Maar in de Groene Amsterdammer van 24 april 2014 stond te lezen dat de talentenjacht die nu overal ter wereld gaande is onder grote bedrijven, deze laatste vaak niet verder helpt. Het blijkt dat niet de individuele talenten een organisatie sterk maken, maar veeleer het omgekeerde: precies in een goed functionerende organisatie ontwikkelen talenten zich het best. He individu komt dus niet eerst. De ongemakkelijke waarheid is dat die analyse ook wel eens kan gelden voor landen, dixit De Groene.

Dat betekent dat landen die volgens het gemeenschapsprincipe zijn georganiseerd het niet alleen beter kunnen doen, maar ook voor het individuele lot beter uitpakken. Opnieuw wordt het alomtegenwoordige individualisme door de mangel gehaald.

Socialisten zouden naar mijn smaak in déze gedachtewereld nieuwe inspiratie moeten puren.

Dat zou hen in plaats van tegenstanders net de grootste voorstanders van gemeenschapsdenken maken – zeg maar van nationalisme en etniciteit. Overigens zijn vele nationalismen in de wereld links.

Als ze hun vooroordelen en oude, inmiddels versleten taboes achterwege laten en de oude ideeën op de schop leggen, is een ander, hedendaags socialisme mogelijk.

Noem dat nu een conservatief socialisme.

Een interessante combinatie toch?

 

Jaak Peeters

Mei 2014

 

 

Grenzeloos cynisme

Dezer dagen zijn we getuige van een heuse orgie van machtsdenken. Wie de gebeurtenissen in Kiev heeft gevolgd, kan moeilijk anders dan walgen van het volkje dat Europa van zijn burgers en volken heeft overgenomen. Oekraïne bevindt zich ongetwijfeld in een moeilijk periode van zijn geschiedenis. Bovendien moet het land zich nog altijd losmaken uit de oude Russische overheersing. Zulks loopt niet over een leien dakje en het gaat met schokken gepaard.

Men zou nu denken dat een EU, die in haar ‘verdrag’ toch de democratische principes heeft ingeschreven en zegt bezorgd te zijn om de mensenrechten, haar invloed zou aanwenden om de Oekraïners rond te tafel te brengen en hen ertoe zou aanzetten om samen en onder elkaar voor hun problemen een oplossing te zoeken.

In werkelijkheid zien we echter een brutale inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van een soevereine buitenlandse staat. Maandenlang heeft de EU, dixit De Morgen op 24/2/2014, de Oekraïense oppositie “aangemoedigd”. Als men weet dat diezelfde Oekraïense oppositie in belangrijke mate eurofiel is en er belangrijke stromingen zijn die aansturen op een aansluiting bij de EU, dan wordt het plaatje meteen duidelijk. De EU stookt in Oekraïne, draagt er bewust, wetens en willens, toe bij om het land nog meer overhoop te zetten, in de hoop dat land in zijn eigen machtsimperium in te lijven. Waarom zouden we niet mogen zeggen dat sommigen van die toch wel curieus uitgeruste ‘betogers’ die we op TV aan het werk zagen in werkelijkheid agenten van de EU zijn?

Franse agenten hebben de Belgische revolutie van 1830 in elkaar gestoken en gestuurd. Amerikaanse agenten zijn in het buitenland zo vaak ‘tussengekomen’ om regimes die hen niet welgevallig waren ten val te brengen.

De EU is dus niets anders. Het is een cenakel waarin de oude machtspolitiek wordt bedreven. Machtspolitiek zoals die al duizenden jaren door alle heersers en potentaten wordt bedreven.

Naar buiten uit uitbreiding van hun territorium. Naar binnenuit consolidatie van hun macht.

Hoe anders is uit te leggen dat op korte tijd zowel de Schotten als de Catalanen en de Vlamingen de boodschap hebben gekregen dat ze er niet op moeten rekenen lid van de EU te worden, als ze zichzelf onafhankelijk verklaren?

Kan iemand het verschil van deze EU-houding met die van de oude grote mogendheden aanwijzen?

Er is veel erger.

De EU draait er haar hand niet voor om hele volken in de miserie te duwen, zoals de Grieken ondervonden hebben. Als de Grieken de euro hadden kunnen opgeven, zouden ze kunnen hebben devalueren en intussen tijd winnen om in eigen huis orde op zaken te stellen. Ook dat is oude praktijk.

Maar zelfs die tijd wordt hen niet gegund. De Grieken moesten op de knieën. Ze moesten herstructureren, hier en nu, ongeacht de sociale gevolgen daarvan. Ziedaar het sociale beleid van de EU. Geen mens begrijpt wat de socialisten in die EU gezien hebben….

En nog is het niet gedaan.

De EU-bonzen weten best dat er in België zoiets als een taalgrens bestaat. Die taalgrens raakt hun kouwe kleren echter niet: ze vegen er lustig hun laarzen aan. Ik zou wel een willen weten hoeveel eurocraten in de winkels in Grimbergen hun brood in het Nederlands bestellen. Heel bewust dus helpt Europa de Vlaamse randgemeenten verfransen.

En als dat alles was!

Van Rompuy, die zichzelf ‘president’ van Europa laat noemen – hoewel hij nooit gekozen werd – verklaarde nog onlangs, bij de viering van de val van de muur in Berlijn, dat de mobiliteit in de EU niet groot genoeg is. Slechts twee tot drie procent van de burgers in een lidstaat zijn tegelijk burger van een andere lidstaat. Volgens Van Rompuy, die econoom is en dus best weet dat sociale dumping het gevolg is van die EU-mobiliteit, moeten er dus in Vlaanderen nog meer Roemenen en Bulgaren in het straatbeeld verschijnen. De EU wil de volken door elkaar mengen om hun nationaal volksbesef te vervagen en opening te kunnen maken voor een Europees nationaal besef.

Tegelijk fulmineren die EU-bonzen tegen ‘het nationalisme’, waarmee natuurlijk het nationalisme zoals dat van de Vlamingen wordt bedoeld. Zij waarschuwen niet alleen voor de ‘gevolgen van nationalisme’, maar ook voor vreemdelingenhaat en racisme.

Je moet niet slim zien om dat gestook van de EU-bonzen te doorzien. Wie een beetje de geschiedenis kent ziet een perfecte herhaling ervan. Naar buitenuit altijd maar expansie, met alle daartoe ter beschikking staande middelen. Naar binnen datgene wat sommigen nation building noemen: homogenisering en opstuwen van een Europees nationaal gevoel.

Imperialisme van het zuiverste water.

Met een cynisme dat werkelijk onvergelijkelijk is, gieten ze over hun imperialisme nog een vals moreel sausje heen.

De volken van Europa worden op de meest cynische wijze door eurocratië bedrogen.

De partijen die op 25 mei een eurofiele positie innemen hebben ons heel wat uit te leggen.

Jaak Peeters

Feb 2014

Verkiezingsstunt?

Econoom Paul De Grauwe publiceerde zopas een boek, waarin hij volgens de kranten denkt te kunnen bewijzen dat Vlaanderen niet beter werd van de opeenvolgende staatshervormingen.

“Beter” blijkt voor hem “rijker”, hetgeen erg betwistbaar is, want economische groei kan in de politiek echt niet de enige doelstelling zijn. Er zijn mensen die goede gronden denken te hebben om de economische groei aan milieubehoud op te offeren.

Misschien begrijp ik er allemaal geen barst van, maar een hoop vragen rijzen toch op.

De groei nam in Vlaanderen dus niet merkbaar toe tijdens al die staatshervormingen. Kan het aan de internationale conjunctuur hebben gelegen, die de enigszins gespecialiseerde Vlaamse economie sterker trof?

Soms groeide Wallonië zelfs meer dan Vlaanderen. Wallonië zou volgens hem bij die staatshervormingen dus meer voordeel hebben gehad dan Vlaanderen. Mooi toch? Als de Walen voordeel hebben bij staatshervormingen, waar wachten we dan op? Als het voor ons niet schaadt en het de Walen baat, waarom zouden we het die mensen dan niet gunnen en meteen doorstoten tot het eindpunt?

Dat Vlaanderen in de periode dat de staatshervormingen plaats vonden niet méér groeide dan Wallonië bewijst op zich evenwel niets. Zonder die staatshervormingen was Vlaanderen misschien zelfs achteruit gegaan.

De echte vraag zou moeten luiden: is Vlaanderen in die periode van staatshervormingen beter vooruitgegaan dan de landen in onze omgeving die in een vergelijkbare situatie en conjunctuur zitten? En àls dat het geval is, ligt dat dan aan die staatshervormingen, of is dat het gevolg van nog andere factoren? Want hoe bewijs je de samenhang van staatshervormingen en economische groei?

Er is dus maar één methode om enig bewijs aan te voeren dat staatshervormingen er economisch toe doen: nl. door te vergelijken met een ander land zoals België, maar waar die hervormingen niet plaats vinden. Dat land moet zich in een vergelijkbare situatie bevinden. Als staatshervormingen er toe doen, moet de groei in Vlaanderen hoger zijn dan in de deelgebieden van dat andere land.

Die vergelijking kan De Grauwe niet maken, want zo’n tweede België bestaat er niet.

Zodoende kan De Grauwe dan dus ook niet bewijzen dat de staatshervormingen schade aanrichtten. Want dàt zou pas een argument tegen de staatshervormingen kunnen zijn.

Het enige wat De Grauwe ons weet te vertellen is dus dat hij geen wiskundig verband ziet tussen de staatshervormingen en de economische groei. Al vraagt een mens zich af hoe die twee te vergelijken vallen, aangezien staatshervormingen in belangrijke mate ook àndere doelen dan economische nastreven.

Maar misschien doen staatshervormingen er gewoon nooit toe en is de structuur van een staat onbelangrijk voor de economie. Er is vermoedelijk niemand die dat gelooft, waarschijnlijk ook De Grauwe zelf niet.

Maar onderstel dus dat een staatsstructuur er economisch niet zou toe doen, bijvoorbeeld omdat de economie te internationaal zou zijn, wat belet ons dan om er voluit mee door te gaan? Waarom zouden we België dan niet gewoon afschaffen? Er zijn immers nog steeds de transfers van Vlaanderen naar Wallonië. De cijfers verschillen naargelang de bron. Waalse studies spraken enkele jaren geleden over 6,7 miljard per jaar. Sommige Vlaamse bronnen hebben het over 12 miljard. Laat ons het houden op een compromis: 9 miljard.

Als België verdwijnt, komen dus op termijn 9 miljard ter beschikking. Wat zouden we daar al niet mee kunnen doen!

Bovendien besparen we gelijk een hoop geld en misschien – wie weet – kunnen we met Rijksnederland een hoop dingen samen en dus goedkoper doen.

De Grauwes boek kan dus net zo goed bezien worden als een pleidooi tégen het voortbestaan van België.

De transfers kosten de modale Vlaamse belastingbetaler zowat 2200 eur per jaar. De Grauwe beweert nu dat Vlaanderen helemaal niet door Wallonië afgeremd wordt. Wil hij nu zeggen dat een systematisch verlies van 2200 eur per belastingbetaler en per jaar er niet toe doet? Dan verwacht ik toch wel wat meer uitleg, want 2200 is meer dan wat een gemiddeld werknemer per maand netto incasseert. En àls Vlaanderen dan toch niet door Wallonië wordt afgeremd, volgt daar dan uit dat wij ons zelfbeschikkingsrecht moeten opgeven?

Dan is er een volgend punt: staatshervormingen moeten degelijk zijn. Dat zijn ze in België niet. Van de 5 resoluties van het Vlaams parlement is er één verwezenlijkt. Die mensen die deze resoluties hebben opgesteld wisten best wat ze deden: die 5 resoluties hangen samen. Afzonderlijk betekenen ze niets. Voorbeeld: als Vlaanderen fiscale bevoegdheden heeft, moet het ook de controle daarop kunnen uitoefenen en behoeft het dus een eigen Hoog Gerechtshof, want ergens moet er een ultieme uitspraak mogelijk zijn. Dat Vlaanderen dus bij die Belgische staatshervormingen niet meteen een zichtbaar voordeel heeft in vergelijking met Wallonië zou dus wel eens in de lijn van de verwachtingen kunnen liggen, al moet ook dat onderzocht worden.

Johan van Overtvelt zei dat de staatshervormingen veel te gebrekkig zijn om economisch effect te kunnen hebben. Om economisch effect te hebben, moet je bijv. de loonlasten kunnen beïnvloeden. Maar die bevoegdheid blijft onverkort Belgisch! De Grauwes boek ondersteunt dus de positie van N-VA, waarvoor die partij best wel dank zal zeggen.

Voorts is er de vraag of de Vlaamse regeringen wel doeltreffend gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheden die de staatshervormingen boden. Misschien heeft men in Wallonië de hand beter aan de ploeg geslagen. Met als opmerking dat dit laatste wel erg gemakkelijk is, als je vanuit het buitenland elk jaar een smak geld toegeworpen krijgt…

Tenslotte nog dit: als Vlaanderen noch Wallonië voordeel doen met de opeenvolgende staatshervormingen, bewijst zulks dan ook de meerwaarde van de staat België?

Het is mogelijk dat de kranten die het bericht brachten, de plank volkomen misslaan en de boodschap van de Grauwe totaal mismaakt aan hun publiek voorschotelen.

Maar als we niet kwaadaardig doen dreigt dit boek, dat heel toevallig net voor het congres van NVA verschijnt, bezien te moeten worden als een verkiezingsstunt…

De Grauwe is te verstandig om niet in te zien dat hij een berg vragen moet beantwoorden, omdat zijn argumentatie anders aan alle kanten rammelt en hij moet weten dat hij sommige vragen zelfs niet eens kàn beantwoorden. Het is mogelijk dat zijn boek op sommige vragen een antwoord geeft en dat is dat op zich nog maar eens een sneer in de richting van onze media. Die hebben er dan voor de zoveelste keer nog maar eens een potje van gemaakt. Of ze gebruiken De Grauwe in het kader van hun eigen verkiezingsengagement. Het zou niemand verbazen.

Jammer zou het namelijk zijn dat een man van dat kaliber zich voor de kar van reactionaire krachten zou laten spannen. En dus zou bereid zijn de suggereren dat al dat gehervorm de schop op moet en we terug moeten naar het oude unitaire België.

Jaak Peeters

Januari 14

Op zoek naar zichzelf

Dezer dagen congresseert de SPA, de socialistische partij van Vlaanderen. Het is meteen al het tweede congres van deze partij op één jaar tijd. Dat is opmerkelijk, want een partij die het nodig heeft om binnen één jaar twee keer te congresseren, kan niet langer ontkennen dat ze een levensgroot existentieel probleem heeft.

En ondanks dit gecongresseer lijkt het er nog steeds niet op dat de Vlaamse socialisten zichzelf hebben teruggevonden. Het is zelfs de vraag of deze zoektocht niet hopeloos te laat komt.

In een zichzelf hoogachtend weekblad, waarvan ik hier om fatsoensredenen de naam niet vermeld, verklaarde de grote ideoloog van de SPA, Carl Devos, dat deze partij de morele plicht heeft weer bij het gewone volk aansluiting te vinden.

Volgens de geleerde politoloog uit Gent is de SPA teveel een bestuurderspartij geworden, die haar eigen ideologische “fond” is kwijt geraakt. Ze is vervreemd van haar eigen achterban, zeg maar, en , meer nog: van haar eigen bestaansreden. Daarom pleit Devos ervoor om out of the box te gaan denken.

Ik moet zeggen dat bij dergelijk gegoochel met Engelse termen mijn wantrouwen tot op de grootste hoogten wordt opgevoerd. Wie immers stelt dat er “out of the box” moet worden gedacht, geeft meteen te kennen dat het van geen kanten goed zit met zijn gekoesterd object.

Het is niet de eerste keer dat Devos zin partijgenoten oproept om eens écht en diep na te denken. Enkele maanden geleden pleitte hij er zelfs voor om de naam te laten vallen: “ de SPA moet op de schop”, liet hij optekenen. Toen verklaarde deze geleerde heer dat de SPA naar zijn smaak veel te defensief optreedt en het hele gebied van de solidariteit en gelijkheid met veel meer durf en enthousiasme voor zichzelf moet verdedigen. De linkerzijde, verklaart Devos, is te veel versnipperd over een SPA, PVDA en Groen. Voor de enen te links, voor de anderen te rechts, lijkt de SPA wel geplet te worden en meteen naar de tweede linie gespeeld door partijen als CD&V en N-VA.

Tja: zo’n analyse is geen kattenpis.

Ze komt neer op het neersabelen van het partijbeleid tijdens het laatste decennium.

Ze is de erkenning dat de SPA gewoonweg met de verkeerde dingen bezig is geweest.

Oh ja: de SPA werd geplaagd – zo zegt men dat – door een wel héél lange rij schandalen. Iemand heeft zich eens geamuseerd met het oplijsten van deze schandalen. Wie de man of vrouw die deze oefening deed concreet is, weet ik niet, maar hij of zij kwam aan het ronde getal van 150 schandalen en schandaaltjes sinds 1973.

Persoonlijk vind ik een aantal items uit deze lijst nogal wat bij de haren getrokken: het lijkt erop dat de auteur alles uit de kast heeft gehaald om het ronde getal van 150 te bereiken. 150 klinkt immers veel indrukwekkender dan 50 of 70. Sommige van deze schandalen hebben niets met het socialistische karakter van de deugnieten te maken. Onterecht onkosten inbrengen komt overal voor, en niet alleen in politieke partijen. Medewerkers in het zwart betalen is inderdaad asociaal, maar niet specifiek socialistisch. Een kabinet verbouwen voor een te hoge prijs is onfatsoenlijk, maar gebeurt helaas wel vaker en niet alleen in de openbare sector.

Maar er zijn wel een aantal dingen gebeurd die echt niet hadden mogen geschieden. De Agusta-affaire was er zo een. De fraudereeks in Charleroi is een ander. Guy Mathots parcours was niet altijd even kosjer. De benoeming door Onckelinx van bepaalde allochtone figuren tegen het dringende advies van de Staatsveiligheid in, kàn niet, evenmin als het exclusief toewijzen van allerlei juridische overheidsopdrachten aan een “verwante” van een socialistisch minister. En dan is er het lege Zilverfonds – al is die zaak voorzeker niet uitsluitend voor rekening van de SPA. En de gedragswijze van “de Keizer van Oostende” geeft ook al kwalijke geuren af.

Die lijst is natuurlijk te lang.

Op dezelfde manier als het onafgebroken onderling vechten van kopstukken van het Vlaams Blok deze partij onnoemelijk veel stemmen heeft gekost, heeft de veel te lange rij schandalen vele sociaaldenkende mensen ertoe gebracht de SPA de rug toe te keren.

Ik weet echt niet of “out of the box”- denken zal volstaan om deze mensen terug te winnen.

Naar mijn oordeel zit het probleem van de SPA overigens veel dieper.

De partij wordt verweten alles en nog wat door staat en overheid te willen regelen. Daartoe is eindeloze controle nodig. Een deel van de linkerzijde heeft het kennelijk moeilijk met het aanvaarden van het feit dat de meeste mensen wel degelijk positieve impulsen tonen. Het lijkt er sterk op dat dit deel van de linkerzijde de modale mens niet vertrouwt en zich daarom verplicht ziet om de samenleving met hele resems controlemechanismen te overladen.

Ik begrijp niet zo goed dat een verstandig man als Carl Devos op dit punt niet door wil boren. Immers: wie de samenleving bombardeert met controlesystemen, bouwt op een structurele manier het wantrouwen in. Achterdocht wordt een centrale drijfveer van het politiek beleid en een onuitwisbare kleur van het onderlinge menselijke verkeer. In die omstandigheden pleiten voor solidariteit en voor warmte in de samenleving, lijkt op z’n zachtst contradictorisch.

Niettemin is er voor links wel degelijk een groot werkterrein weggelegd.

Vooraf moet het begrip “links” dan goed worden gedefinieerd. Ik volg hier de definitie van Ludo Abicht: links wil emancipatie.

Zoals bekend komt dit laatste begrip voort uit de Romeinse praktijk, waar het betekende dat de familievader zijn zoon officieel “ontvoogde”, waarna vader en zoon voortaan dus op dezelfde maatschappelijke hoogte stonden.

De gelijkheid waarover Devos spreekt moet dus niet zijn gericht op de nivellering, de gelijkschakeling naar onderen, zoals de socialistische praktijk al te veel is, maar op het optrekken naar het hoogst mogelijke niveau van iedereen die daar rijp voor is. Bij de Romeinen werd niet iedere zoon op dezelfde leeftijd ontvoogd: de familievader oordeelde of zijn zoon daartoe rijp was geworden. Gelijkheid kan namelijk ook worden gevonden in het optrekken van iedereen tot op het hoogste niveau, ongeacht zijn afkomst.

Een tweede element in de term emancipatie dat beklemtoning verdient, heeft te maken met het afleggen van de uitsluitend materiële dimensie van emancipatie. Kortweg: wie niet op elk terrein van het menselijk er-zijn ontvoogd is, is niet ontvoogd. Socialisten zijn al te lang opgesloten geweest in de zorgelijkheden om de materiële kansen van hun publiek. Emancipatie stond gelijk met politiek burgerschap en vervolgens met sociaal-economische positie.

Doch dat is maar een klein deel van het verhaal.

Mensen zijn namelijk existentiële wezens. Ze leven voornamelijk in een wereld van geestelijke betekenissen. Mensen strijden voor ideeën net zo goed als voor materieel voordeel. Een typisch – en meteen pijnlijk – voorbeeld zijn de godsdienstoorlogen, zoals er thans een woedt in Syrië. Miljoenen zijn gevallen voor de illusies die hen door hun geestelijke leiders werden voorgespiegeld.

Een ander voorbeeld is de hedendaagse golf van zelfmoorden. Hoeveel procent van de zelfmoorden zou het gevolg zijn van financiële problemen? Iedereen kent het antwoord, weliswaar niet cijfermatig: de overgrote meerderheid van de zelfmoorden vindt plaats omdat men “het niet meer ziet zitten”: vanwege de zinloosheid van het bestaan. Enkele jaren geleden verscheen van Edwin Ysebaert een boekje, dat naar mijn gevoel veel te weinig aandacht kreeg: “Wij, Vlamingen zijn eenzame mensen”. Als er één zaak duidelijk is na het lezen van dit boekje, is het wel dat zelfmoorden veelal nauwelijks wat met geldzaken vandoen hebben.

De zorgen van de hedendaagse mens liggen dus helemaal niet op het materiële vlak. De menselijke emancipatie moet zich dus voortaan in een andere richting bewegen.

Het socialisme heeft op dit punt de boot gemist.

Nationalisten weten dit maar al te goed, want groot is het verlangen bij vele nationalisten om sociaal denkende mensen in hun rangen te verwelkomen. Eidoch: die komen niet. Die zitten opgesloten in hun materialistisch verhaal. Alsof culturele en nationale ontvoogding niet ook emancipatie zijn.

In zekere zin zijn nationalisten daarom betere socialisten dan de SPA zelf.

Nochtans is er, alweer, stof genoeg.

Ik heb in deze reeks eerder al uitgehaald naar het economistische denken in de zorgsector. Sedert de privatisering verspreidt deze ziekte zich sneller dan ooit. Verpleegkundigen en zorgverstrekkers worden beschouwd als “kosten”. Op hen moet bespaard worden, want anders versmalt de winstmarge van het ziekenhuisbedrijf te zeer. Een ziekenhuis is een bedrijf geworden, dat, zoals onlangs met rusthuizen is gebeurd, door buitenlandse groepen kan worden opgekocht.

Niemand schijnt het perverse karakter van dergelijke manipulaties in de gaten te hebben. Ziekenhuizen worden namelijk door de Sociale Zekerheid betaald, dit is: door de belastingbetaler. Door ziekenhuizen te privatiseren en daarmee in handen van buitenlandse kapitaalgroepen te spelen, scheppen we de mogelijkheid dat diezelfde buitenlandse kapitaalgroepen zichzelf verrijken met ons zuurverdiende belastingsgeld. Kan iemand hiervoor een aanvaardbare argumentatie bedenken?

De hele golf van privatisering is er mede op aanstoken van de EU gekomen, die zelf beheerst wordt door liberaal-kapitalistische principes.

Omdat ze uitgaan van het belang van de hele volksgemeenschap is voor nationalisten de zaak duidelijk: een maatschappij moet opkomen en zorg dragen voor haar kinderen, zieken, ouden van dagen. Als ze dat niet doet, is ze ziek. Zwaar ziek. Ze moet dus tenminste het beheer over zorginstellingen voor zich houden.

Nu kan ik over dat liberalisme kort zijn.

Het liberalisme is bedrieglijk en verdraait de feiten.

Liberaal-kapitalisten halen altijd weer Adam Smith van de stal. Diens “onzichtbare hand” zou, bij terugtreding van de overheid, ervoor zorgen dat de dingen in de samenleving uiteindelijk in hun beste plooi vallen.

Dat is niet alleen niet waar, zoals de negentiende eeuw ten onzent en de schrijnende sociale misstanden in landen als Bangladesh vandaag laten zien. Het is ook maar één kant van het verhaal. Smith hééft inderdaad zijn fameuze “Wealth of Nations” geschreven. Maar hij heeft ook nog àndere boeken geschreven, waarin hij met name en met grote klem pleit voor een streng optreden met het oog op sociale rechtvaardigheid. Ik zie liberalen nooit naar deze laatste geschriften verwijzen.

Een andere figuur is John Locke, die verklaarde dat zoveel land als iemand bewerkt en bewint door hem als zijn eigendom mag worden beschouwd.

Vissers weten wat hier bedoeld wordt: wie aan de waterkant een visplaats bouwt, heeft het recht om die plaats ook nadien te gebruiken. Juristen hebben daar een term voor. Maar dat betekent helemaal niet dat de visser in kwestie deze plek ook “bezit”, zoals Locke beweert. Meer nog: de gronden waarover Locke spreekt waren niets anders dan de weidegronden voor de buffels van de Noord-Amerikaanse Indianen. Het ging er dus niet om deze gronden “te bewerken en te bewinnen”, want ze waren al in gebruik. Ze werden aan de Indianen met gebruik van valse methoden ontnomen.

Het hedendaagse liberaal-kapitalisme heeft zich nooit aan deze oneerlijke grondslagen kunnen onttrekken. Het blijft daarom doordesemend van onoprechtheid in het najagen van persoonlijk gewin.

Heel terecht is hiertegen het socialisme opgestaan, slechts schoorvoetend – en dan nog veel later – hierin door het katholicisme bijgetreden.

Socialisten zouden dus trots moeten zijn – het tegendeel dus van de huidige onzekerheid en onrust over de eigen bestaansreden waarvan Devos gewag maakt.

Het is een historisch gelukkige ontwikkeling dat de proletarische massa waarover Engels en Marx het hadden verdwenen is. Ze heeft plaats gemaakt voor een min of meer gegoede burgerij. Maar ook die burgerij is het slachtoffer van de malversaties van het moderne liberaal-kapitalisme, dat zelf ontspruit aan de eeuwige menselijke drang naar macht en bezit en dus nooit definitief verslagen zal zijn.

Als de heer Devos dus verklaart dat de SPA aansluiting moet zoeken bij het gewone volk, dan gaat het om deze middenklasse, die inmiddels gevormd wordt door artsen, advocaten, leraren, kleine ondernemers, goed betaalde arbeiders, vertegenwoordigers, bedienden en leidinggevenden in bedrijven.

Wat voor de SPA het ergst van al is, is dat dit terrein thans al stevig bezet is, en wel door N-VA en CD&V, die met elkaar strijden om de suprematie op precies dit terrein van deze middenklasse die Devos dus voor zijn SPA wil reserveren.

Dat de SPA op zoek is naar zichzelf is duidelijk.

Als ze deze zoektocht met succes wil afronden, zal ze nog heel vaak moeten congresseren. Want, voor zover ik kan zien, strijden de nationalisten voor de allereerste keer voluit en met gelijke wapens op het sociaal-economisch terrein, waar niemand tot voor kort voor hen een plaats had toebedacht.

Voor de SPA zou het dus wel eens definitief te laat kunnen wezen.

Jaak Peeters

December 2013

De ware inzet van de komende verkiezingen?

In de Groene Amsterdammer van 24 oktober ’13 schreef Marcel ten Hooven een opmerkelijk artikel over een ontwikkeling in Rijksnederland die te onzent aan de aandacht ontsnapt. Nochtans gaat het om een uiterst interessant fenomeen dat veel meer zou moeten bijdragen tot het opschudden van het stoffige Vlaamse politieke wereldje.

De nieuwe partijvoorzitter van het CDA, de Rijksnederlandse Christendemocratie, zet namelijk radicaal in op “een kleinere overheid, lagere lasten en geen nivellering”. De overheid moet zich zo ver mogelijk uit het maatschappelijke leven terugtrekken. Die overheid blijkt namelijk te veel een sta-in-de-weg, “te traag, te groot en te machtig”.

En ja hoor: het gaat ook om een stuk ontmanteling van de verzorgingsstaat. Die is in de jaren onmiddellijk na de oorlog met veel goede bedoelingen opgebouwd om mensen van allerlei zorgen te bevrijden. Evenwel is het gevolg geweest dat de mensen hun zelfredzaamheid ontnomen werd en de motivatie om zelf verantwoordelijkheid te nemen verdween. Mensen werden van de verzorgingsstaat afhankelijk gemaakt.

Wat meer is: de verzorgingsstaat had een soort unieke één-op-één relatie tussen zichzelf en het van de staat afhankelijke individu in het leven geroepen. Intussen kruimelde het cement tussen de mensen onderling weg, omdat die elkaar niet langer nodig hebben.

De nieuwe CDA-voorzitter, die luistert naar de naam Sybrand van Haersma Buma, treedt daarmee in de voetsporen van de in Vlaanderen ongetwijfeld beter bekende Jan-Peter Balkenende en diens voorganger, Elco Brinkman. Deze beide heren hadden al eerder afstand genomen van de toch wel vreemde en enigszins naargeestige doch bijbelse term “compassie”. Volgens vele Christenen hoort de overheid in een aantal gevallen te interveniëren en wel precies vanuit deze compassie.

Maar dat compatieuze verdwijnt dus uit het jargon van het CDA.

Wat er dan in de plaats moet komen?

Er moet een vruchtbare bodem worden geschapen voor nieuw particulier initiatief. Er moet een spontaan proces op gang worden gebracht waarin de burgers opnieuw zichzelf organiseren.

Critici antwoorden daarop dat als dat proces van zelforganisatie niet op gang komt, er slechts een liberale woestenij overblijft.

Marcel ten Hooven besluit dat het CDA misschien nog nauwelijks een Christelijke partij kan genoemd worden, doch veeleer een nieuwsoortige liberale partij.

Vooraleer hierop in te gaan, wil ik de aandacht trekken op de paralellen tussen wat zich in het CDA afspeelt, en datgene wat gaande is binnen de Vlaamse N-VA.

Want wanneer je de Christelijke dimensie pur sang weghaalt, dan lijkt het verhaal van N-VA namelijk wel erg sterk op dat van het CDA in Rijksnederland.

Marcel ten Hooven zit niet bepaald op de eerste rij als het aankomt op het applaudisseren voor rechts. Hij ziet de ontwikkelingen binnen het CDA dan ook met lede ogen aan.

De vraag is of we hier waarlijk rechtse ontwikkelingen aan het werk zien en of ten Hooven zich niet vergist.

Want heel anders dan het liberalisme, zet het nieuwe CDA in op de volledigheid van de menselijke verantwoordelijkheid – niet op het economische alléén. Dat wil zeggen dat het CDA ervan uit gaat dat mensen uit zichzelf een dosis sociale zin bezitten en dat het beter is dat enorme potentieel aan solidaire zin spontaan aan het werk te laten. Alles op de schouders van de staat te leggen is vooral een uiting van wantrouwen in de goede krachten in de mens.

Natuurlijk is dit een gok en niemand weet of hij zal uitkomen.

Maar toch is het naar mijn mening terecht om die gok te wagen. Wie rondom zich kijkt merkt heel veel spontaan menselijk meevoelen. Mensen trekken uit zichzelf niet ten oorlog – om deze boude boutade nog maar eens te herhalen. Je ziet dat bij herhaling als dura lex ertoe leidt om volkomen geïntegreerde doch volgens de officiële papieren illegale vluchtelingen uit te wijzen, zoals onlangs nog gebeurde. Misschien is inderdaad de verzorgingsstaat te ver doorgeschoten en heeft zijn haast totalitaire bemoeizucht mensen de kans ontnomen om hun solidariteit voluit aan het werk te laten, zoals, wellicht vreemd genoeg, in het geval van de teruggestuurde doch geïntegreerde Afghaan. Misschien is de al te veel doorgeschoten verzorgingsstaat zelfs een van de oorzaken van de vaak verdoemde verzuring. Want wie van het krijgen moet leven, heeft nooit genoeg.

En inderdaad is deze visie totaal anders dan die van het liberalisme. Dat is van nature gericht op zelfverrijking, daarbij, nogal naïef, gelovend dat de goedheid zich wel uit zichzelf over de samenleving zal verspreiden. De excessen van de negentiende eeuw hebben geleerd dat zulks een gore illusie is. Wie inzet op zelfverrijking spreekt de laagste instincten in de menselijke ziel aan. Daar kan niets goeds uit voortkomen.

Het antwoord op die excessen was het socialisme en zijn doorgeschoten verzorgingsstaat.

Maar nu moet er een weg gevonden worden tussen die betuttelende verzorgingsstaat en het zelfzuchtige op zelfverrijking georiënteerde liberalisme. Dat particuliere initiatief is dus niet alleen van economische aard: het is van “nationale” aard, waarbij “nationaal” wordt opgevat als een term die verwijst naar het samen delen van dezelfde symbolische wereld van onderlinge solidariteit. In Vlaanderen komen we dan op de Vlaamse natie uit.

Die weg moet een innig samenspel vormen tussen vrijheid aan de ene kant en verantwoordelijkheid voor de gemeenschap aan de andere kant.

Als de tekenen niet bedriegen, dan zou de totstandkoming van dat innige samenspel wel eens de ware inzet van de komende verkiezingen kunnen zijn.

Jaak Peeters

Oktober ‘13

Alweer die vermaledijde pers!

Ik geloof al lang niet meer in de eerlijke wil van “de pers” om de burger zo objectief mogelijk voor te lichten. Het echt niet de eerste keer dat ik zoiets zeg. Nu de verkiezingsstrijd begonnen is, valt het allemaal nog meer op. Het loopt zelfs de spuigaten uit. Nu al. En het is nog 7 maanden te gaan tot aan de verkiezingen.

Ik las onlangs in een eertijds rechts, Vlaamsgezind dagblad dat op de Linkeroever wordt uitgegeven hele verhalen over de dommigheden van een aantal figuren die in Turnhout hun eigen N-VA-burgemeester onderuit hebben gehaald. Daarmee hebben ze hun eigen coalitie opgeblazen. Het weze gezegd dat mijn persoonlijk oordeel veel harder is dan dat wat hun eigen partij heeft uitgesproken.

Maar dat terzijde.

De Turnhoutse coalitie is dus gebarsten.

Wat lees ik, een paar weken later, in diezelfde krant?

“Ook barsten in de coalitie in Geel”. Er is daar een N-VA-CD&V – coalitie aan de macht met een N-VA-burgemeester.

Wie ik erover aansprak, vroeg me of de N-VA van Geel dezelfde grol wil uithalen als die van Turnhout. Nu zijn de feiten zeer duidelijk. Niet de N-VA van Geel is intern verdeeld, maar wel de CD&V, van wie de voormalige OCMW-voorzitter het bestond om alle in het schepencollege gemaakte afspraken aan zijn laarzen te lappen. Uit frustratie, wellicht, omdat de partij waartoe hij behoort na zowat 70 jaar haar absolute meerderheid kwijt is.

Dat is natuurlijk iets totaal anders dan in het perceptie-spoor van Turnhout te schrijven over “ook barsten in de coalitie in Geel”. Er zijn daar helemaal geen barsten. Er zijn barsten binnen de CV&V.

Weet de journalist niet dat zijn titel suggestief is en geenszins de waarheid weergeeft? Een ontkenning zou een misappreciatie van de intellectuele capaciteiten van die journalist zijn.

Nu begrijpt iedereen wat er aan de hand is. Journalisten zijn namelijk ook kiezers en ook zij hebben hun eigen politieke voorkeur. In het genoemde geval is de kans groot dat de journalist zijn functie mede te danken heeft aan zijn politieke voorkeur. Zijn krant stond altijd al bekend als Christendemocratisch.

Maar dat geeft hem echt niet het recht om een sfeertje te scheppen.

Vandaag lees ik in Het Laatste Nieuws dat De Wever zijn partijgenoten tot kalmte oproept. Ook dat is sfeerschepperij. Het lijkt alsof de minder gunstige peiling de hele N-VA machinerie uit evenwicht heeft gebracht. In Knack schreef de communist Maly dit trouwens met zoveel woorden.

Ik heb de moeite genomen om enkele N-VA afdelingen rond mij na te vragen. Ik heb nergens paniek gevonden, noch onrust en ik heb al evenmin het gevoel gekregen dat de partij uit evenwicht is. Er is wel veel realisme en de wil om geen fouten meer te maken.

Maar ook hier weer is het sfeertje geschapen.

Op een gelijkaardige wijze vindt de lezer regelmatig boodschappen die de N-VA negativisme verwijten: afbreken wat anderen doen maar geen eigen positieve bijdragen zou voor N-VA kenmerkend zijn. Voor de zichzelf kwaliteitskrant noemende bladen zijn daar kampioen in. De website lezen is kennelijk te lastig.  De prestaties van de ministers nakijken evenzeer. Het lijkt er overigens sterk op dat de lezersbrievenpagina’s bewust gestuurd worden. Ik heb dat namelijk zelf getest en verschillende keren ondervonden dat geargumenteerde brieven die tégen de teneur van het becommentarieerde stuk ingaan gewoon niet verschijnen. Toeval?

Waar N-VA aan het bestuur deelneemt, hoor ik doorgaans best wel goede berichten. Alvast niet slechter dan waar die partij niet aan de macht is. Waar N-VA in de oppositie is beland is het haar taak de politiek van de meerderheid door de mangel te halen. Daarvoor dient oppositie toch? Als de SPA in Antwerpen soms wel heel erg harde kritiek uit, dan lees ik nergens een journalist die het over negativisme heeft en al zeker niet in de zichzelf progressief noemende pers.

Het is duidelijk dat een deel van het journalistieke korps niet liever zou willen dan N-VA de weg van het Blok/Belang opgaat.

Zij mogen dat willen en ze mogen zelfs hopen dat het zal gebeuren, maar ze moeten hun taak als voorlichter scheiden van hun persoonlijke overtuigingen als politieke persoon.

Ze dragen door zo te handelen namelijk zélf bij aan het ontstaan van een negatieve sfeer in de samenleving die ze nu aan N-VA ( en voorheen Het Blok) verwijten. Door zelf zo vaak aan negatieve sfeerschepping te doen, verspreidt die negatieve sfeer zich over de samenleving – en zelf hopen ze dat die sfeer zich vastzet op de door hen gehate partij.

Dat is vals spel. Dat is hatelijk. Dat is de maatschappij zélf beschadigen om hun eigen enggeestigheid te doen zegevieren. Want een samenleving die in een negatieve sfeer baadt verliest het vermogen om de uitdagingen aan te pakken.

Het lukt een aantal figuren binnen het journalistenkorps kennelijk niet om N-VA af te maken, zoals ze dat met het Vlaams Belang hebben gedaan. Ze beseffen dat het daarvoor te laat is. Daarom laten ze de beschadigingsmolen op volle toeren draaien. N-VA vernietigen kan misschien niet, haar beschadigen wél.

Daarmee sluiten ze naadloos aan bij wat verschillende Franstalige topfiguren bij het aantreden van deze federale regering hebben gezegd: wij moeten de NVA terugdringen. Collaboratie heet zulks. Het anti-flamingantisme druipt er bij sommigen werkelijk af. Zij discrimineren, want ook de Vlamingen hebben de nationale rechten van de Denen, de Ieren, de Tsjechen…och, de lijst is zo lang!

Natuurlijk zijn er journalisten die het best wel fatsoenlijk willen doen. Hen wens ik veel sterkte toe. Want de molen lijkt voornamelijk te worden gedraaid door een aantal lieden, wier boosaardigheid moeilijk kan worden ontkend. Het moet zwaar werken zijn in zulk milieu vol afbraak en negativisme.

En Ik? Ik zal met grote wellust op de koppen van de ware negativisten van deze samenleving blijven kloppen.

 

 

Zakken dicht!

Wat is er toch aan de hand met de Vlaamse pers? Wie de kranten – over de VRT zwijgen we best, liefst zo zedig mogelijk – doorneemt, kàn niet anders dan deze vraag te stellen. Een heel pijnlijke vraag.

Een korte bloemlezing slechts.

Op 10 september 2013 vormden 1,6 miljoen Catalanen een menselijke ketting van 400 km, naar het voorbeeld van de Litouwers. Wie de moeite neemt even door onze “Vlaamse” pers te lopen, staat versteld over de onverschilligheid waarmee dit toch belangrijke feit verslagen wordt. De Standaard volstond voor het hele feit met 135 woorden, de lengte van een flinke lezersbrief. Het Laatste nieuws vond 98 woorden voldoende, net als De Morgen – die, zoals iedereen weet, steeds overzichtelijker schrijft, hetgeen met 98 woorden moeilijk anders kan.

Tegelijk staan diezelfde kranten vol van de commercieel goed doordachte fratsen van Astrid Bryan. Haar blootloperij op Tomorrowland verleidde het Laatste Nieuws tot het plegen van  222 woorden…

Iederéén stelt zijn prioriteiten.

Als democratie nog iets betekent, dan zou een normaal mens verwachten dat een ketting van 1,6 miljoen mensen toch wel een klein beetje aandacht waard is, temeer daar de gebeurtenissen in Catalonië wel eens een grote invloed zouden kunnen hebben op de toestanden in Schotland en misschien ook Vlaanderen. Het minste dat men kan zeggen is dat de pers haar democratische taak niet naar behoren volbrengt.

Een ander voorbeeld.

De “Blijde Intrede” van de heer Philippe Cobourg in Antwerpen was, zoals alle kranten wel verplicht waren mee te delen, niet bepaald een publiekstrekker. VTM had het over een tweehonderdtal fans van het koningshuis en een vijftigtal tegenbetogers. In De Standaard werd dat: “ enkele honderden fans” en “enkele tegenbetogers”. Tweehonderd is niet “enkele honderden” en “vijftig” is niet “enkele”. Natuurlijk weten ze dat bij De Standaard ook wel, zodat er maar één conclusie overblijft: “lezersbedrog”. Een straf woord, maar helaas onontkoombaar.

Wat moet dat worden met dat blad als ook zijn laatste degelijke journalist, Guy Tegenbos, verdwijnt wegens bereiken van de pensioenleeftijd?

Nog een voorbeeld.

Het halve “Vlaamse” krantenwereldje schreeuwde moord en brand omdat het N-VA – college van Antwerpen 1400 ambtenaren laat afvloeien – zonder naakte ontslagen weliswaar, zodat niemand zijn werk verliest. Termont, de alom bekende Nieuwspraak-ridder uit Gent, wist ons mee te delen dat Gent zo’n duizend ambtenaren laat afvloeien. Herinnert iemand zich iets van heisa over dit Gentse feit ergens in onze kranten? De provincie Limburg ontslaat 50 ambtenaren. Naakte ontslagen. Dat in een provincie die door de sluiting van Ford al zo zwaar getroffen werd. Herinnert iemand….

“Het wordt eentonig,” schreef Eduard Douwes Dekker…

Och, als het daartoe zou beperkt blijven.

Maar zowat élke dag klinkt er in de “Vlaamse” pers kritiek op het lik-op-stukbeleid van Dewever in Antwerpen. Nu wordt datzelfde lik-op-stukbeleid al jaren gevoerd in Rotterdam, met overigens goed resultaat. Wie is er in Rotterdam burgemeester? Ahmed Aboutaleb. En waar blijft het protest van de moraalridders in Knack en co op het beleid in Rotterdam? Meer zelfs: Antwerpenaren delen mij mee wat tevreden te zijn dat je tegenwoordig weer over de Groenplaats of het Astridplein kunt lopen, zonder lastig gevallen te worden door junkies of dronkelappen. Iets over gelezen in Knack?

Nu ik het toch over Knack heb.

Humo II – het origineel is altijd beter dan de kopie, maar dat had Oosterwaal eerder moeten weten – voert nog steeds de aartsmaoist Jan Blommaert op. Of nog: Bleri Lieshi. Of Ilco Maly. Beide laatsten toevallig promovendi bij…jawel: Jan Blommaert. Blommaert is een gedegen taalkundige. Maar als hij over politiek begint slaan al zijn stoppen door en bestaat hij het iemand als Etienne Vermeersch een “intellectuele lapzwans” te noemen. Zou de redactie van Knack niet wat meer zorgzaamheid aan de dag leggen bij het uitkiezen van haar “columnisten”?

Neen, dus.

Nog een mooie: “hypocriete N-VA zet de deuren wagenwijd open voor Roemenen en Bulgaren op de Vlaamse arbeidsmarkt.” Zo ongeveer staat breed uitgesmeerd de uithaal van SPA-er Crombez in het Nieuwsblad van 13 september. Die krant had daar 177 woorden voor over. Hoewel zowel Crombez als de redactie best wel weten dat de Vlaamse regering gewoon niet de bevoegdheid heeft om die Roemenen of Bulgaren te weigeren – oekazes van het oh zo gezellige Europa, weet U wel? – gaan ze beide – de redactie én Crombez – lustig door met het verspreiden van leugens. Anders kan men zoiets toch niet noemen? Dat Crombez door de verkiezingskoorts is gegrepen kan iedereen begrijpen. Maar waarom plaatst de redactie geen commentaar bij de toch wel erg hatelijke uithaal van de SPA-er? En stel je voor dat Muyters zou gedààn hebben wat Crombez zegt? Welk gehuil zou er dan opstijgen? Kan iemand zich niet de koppen in onze “Vlaamse” pers voorstellen – het eeuwig geheven vingertje van Yves Desmet op kop?

Iedereen die een klein beetje kritisch ingesteld is, stoot elke dag opnieuw op dergelijk journalistiek geknoei.

De “Vlaamse” pers is gewoon onvlaams, om niet te zeggen: “anti-Vlaams”. Nu de verkiezingen naderen, zal dat soort geknoei alleen maar toenemen. De V-partijen zouden er dus goed aan doen hun mediabeleid op deze ergerlijke toestand af te stemmen en via alle mogelijke alternatieve kanalen de man en vrouw in de Vlaamse straat te informeren over de juiste toedracht.

En de lezer?

Die is gewaarschuwd. Ondernemen kan die veel geplaagde lezer niets, behalve geen kranten meer te kopen, al doet hij dat gelukkig steeds minder.

Maar hij kan in ieder geval wel zijn zakken potdicht gesloten houden.

 

 

Jaak Peeters

Sept. 2013

 

Een wakkerschuddende Bracke

De kans bestaat dat de Amerikanen binnenkort Syrië aanvallen. Nu Obama zijn nek heeft uitgestoken kan hij nog moeilijk terug en moet hij wel “iets” ondernemen. In de media zullen de teksten en commentaren over dat “iets” over elkaar heen buitelen. Het stof dat door de uitspraken van Bracke werd opgeworpen, zal dan allang zijn gaan liggen. Meteen vergeten zullen ook de nogal goedkope commentaren zijn in diezelfde media over Bracke en diens partij. De sullige schijnoriginele praterij van de eeuwig kwebbelende Mark Eyskens, zal zijn partij in staat stellen even opgelucht de aandacht af te wenden van de euronationalistische brakke grond in de CD&V die Eyskens heet. Want Bracke moge dan iets hebben van een ongeleid projectiel: in elke Vlaamse partij komen er exemplaren van deze soort voor.  Termont bij de SPA zou ook beter zijn mond houden, tenzij het over zijn eigen stad gaat, want daar valt nog wel een en ander recht te zetten. De Gucht kan het evenmin laten om bij momenten de aandacht naar zich te trekken en wat het Vlaams Belang betreft: toen die partij een kwart van de Vlaamse kiezers kon bekoren, hoopten velen ook dat hun stem wat nuttigers zou opleveren, dan wat de partij van Annemans er in de praktijk van gebakken heeft.

En zopas verscheen in De Morgen –  nog overzichtelijker, nog actueler: u weet wel – een stuk van Rik Torfs, die men met enige verbeeldingskracht Brackes soulmate kan noemen. Beide witte konijnen, gedreven door een eigen visie op de politiek. Beide kennelijk moeilijk in te passen in de machinerie die een politieke partij nu eenmaal is.

Maar net als Torfs in zijn partij ongetwijfeld sommigen heeft gedwongen vragen te stellen, is ook het optreden van Bracke van ruimere betekenis dan alleen maar een kortstondige persoonlijke opwelling van iemand die graag even in het belangstelling staat.

Voor deze beoordeling bestaan er tenminste drie redenen.

Ten eerste heeft Brackes stellingname de gedachte beklemtoond dat de traditionele Vlaamse aanpak – eerst communautaire eisen afdwingen van de Franstaligen, en pas dan een regering – ditmaal misschien niet werkt. Nu we opgezadeld zitten met een regering die aan Vlaamse kant zelfs geen meerderheid heeft, is de mogelijkheid van een nieuwe minorisering van de Vlaamse meerderheid helemaal geen theorie meer. Als een grote Vlaamse partij – die van Bracke met name – de eis naar een confederale hervorming van deze staat als een voorwaarde vooraf voor regeringsdeelneming stelt, zou die partij daarmee zichzelf wel eens zélf buitenspel kunnen zetten. Erg democratisch is dat niet, maar la Belgique is dan ook geen democratie.

Er moet derhalve goed nagedacht worden over de tactiek die men volgt om te verhinderen dat, net als het in geval van het Vlaams Blok, de stemmen van het bewuste Vlaanderen geen enkele politieke waarde blijken te hebben. Men kan alleen maar hopen dat de achterban begrip heeft voor de tactische opstelling van haar partij en niet meteen begint met scherp te schieten.

Ten tweede: door zo radicaal naar de prioriteiten van zijn partij te vragen, roept Bracke zijn partijgenoten op om zich constant te beraden en dus op de hoede te zijn. Goede peilingen – 30% is nogal altijd indrukwekkend en in Vlaanderen sinds vele jaren ongezien – neigen naar gemakzucht. Een partij die geen vragen meer stelt, ziet zichzelf op een bepaald, meestal onverwacht moment, overtroefd. De CD&V weet er alles van.

Anders gezegd: een partij die in conditie wil blijven heeft klokkenluiders nodig. Die houden iedereen wakker en dwingen tot alertheid.

Hiermee is, ten derde, een verderreikende vraag verbonden.

De vraag naar de prioritaire betekenis van het confederalisme, en daarmee natuurlijk de politieke onafhankelijkheid, dwingt partijleden die wat ideologischer georiënteerd zijn of alvast wat verder in de toekomst willen blikken, zich af te vragen wat de betekenis van de politieke doelstellingen van hun én andere partijen eigenlijk is. Brutaal gezegd: is het zinvol om te streven naar een onafhankelijk Vlaanderen, zelfs in een Europese context – wat dat ook moge betekenen -, als we weten dat de Chinezen op dit ogenblik met man en macht op zoek zijn naar het IQ-gen? Beseffen we wat er zal gebeuren als hen dat lukt? Hitler kan hierover alleen maar gedroomd hebben, al vermoed ik niet dat de Chinezen deze historische figuur voor de rest van zijn optreden zullen willen navolgen. Politiek en staatkunde moeten in een planetaire context worden gezien – een andere is er vandaag niet meer. Zulke gedachtegang roept ook de vraag op naar de zin van de Europese eenmaking. Want wat voor zin heeft het om een stel lieden samen te smeden, die allemaal even onwillig zijn om de ogen open op de toekomst te richten en de tekenen des tijds ernstig te nemen? Als je tien armoezaaiers bij elkaar brengt, heb je nog altijd alleen maar armoede. Er moet dus iets anders gebeuren: er moet nààst de lijnen worden gedacht. Er bestaat niet één reden waarom een klein land als Vlaanderen – dat zonder discussie recht heeft op onafhankelijkheid, laat dat duidelijk zijn – daarin geen voortrekkersrol zou kunnen spelen. Misschien zijn we in dit opzicht vanwege onze beperkte omvang zelfs bevoordeeld, omdat we geen grote belangen te verdedigen hebben en ons niet aan illusies kunnen vastklampen.

Dat laatste is trouwens wat zovele jonge, opkomende landen behoorlijk vooruithelpt: het ontbreken van historische ballast.

Door zo heftig aan de misschien wat inslapende N-VA –boom te schudden, dragen mensen als Bracke eraan bij dat vragen worden gesteld die anders misschien opgesteld  blijven. Ja hoor: het is niet zeker dat de verandering die N-VA beoogt wel ver genoeg gaat en radicaal genoeg is. Vooral als er in de geesten wat moet veranderen.

En daarom is “de zaak Bracke” voor zijn partij tegelijk ook een kans.

Hopelijk is men verstandig genoeg om die met beide handen te grijpen.

 

Jaak Peeters

September 2013

 

Tanpinar versus Blommaert en co.

Hieronder laat ik een enigszins gewijzigde reactie op de hatelijke elfjuliboodschap van een stel extreemlinksen verschijnen. Ik had het stuk naar Yves Desmet van De Morgen gestuurd, maar kennelijk is daar de ruimdenkendheid begrensd tot al wie tot het linkse kliekje gerekend wordt.

Hoe komt het toch dat ik steiger telkens ik extreemlinkse figuren zie peroreren dat de Vlaamse staatsidentiteit geen dominantie mag uitoefenen en dat er naast de territoriale verbondenheid nog vele andere vormen van verbondenheid bestaan? Dat gebeurde toen ik in De Morgen, nota bene op 11 juli, een stuk las van een aantal als uiterst links bekend staande figuren, onder de titel “Van identiteit geen staatszaak maken”.

En waarom knik ik heftig van “ja” als ik de Turkse schrijver Ahmed Tanpinar zie schrijven: “Alleen met de massa en het momentum van de Osmaanse erfenis kan het moderne Turkije werkelijk verder”? Turkije moet volgens Tanpinar zijn modernisering dus enten op de Osmaanse stam. Zoals een goede Cabernet geënt moet zijn op een degelijke onderstam – de Californische zijn uitstekend. Als amateur-wijnbouwer zegt zulks me een hele wereld, groter dan die in welk opiniestuk in een zichzelf progressief noemend blad dan ook.

Wat zegt Tanpinar nog?

“Je moet een identiteit hebben. Iedere natie ontleent die identiteit aan haar verleden.”

Ik neem aan dat extreemlinks geen bezwaar heeft tegen de opeising van het hele verleden voor opname in de volheid van de Turkse nationale identiteit door Tanpinar. Maar in het Vlaamse geval betwist extreemlinks de coördinerende rol van nationale identiteit die Tanpinar zo in de verf zet. Ze wil de Vlaamse natie-identiteit op slechts gelijke hoogte plaatsen met andere vormen van verbondenheid: geloofsovertuigingen, politieke voorkeuren…. Volgens extreemlinks is Vlaanderen in de greep van een staatsvormend project dat de dominante Vlaamse identiteit dreigt af te laten lijnen door de Vlaamse territoriale omschrijving.

De aap komt wel snel uit de extreemlinkse mouw: de eenzijdige klemtoon op de Vlaamse omschrijving van identiteit leidt ertoe dat Vlaanderen en België als tegengesteld moeten worden beschouwd. “We moeten aanvaarden dat er verschillend kan gedacht worden over het Vlaamse staatsproject en dat dit los staat van het al dan niet erkennen of miskennen van de Vlaamse identiteit.” Aldus het extreemlinkse verhaal.

Kort en simpel gezegd, zonder het omfloersende gezwam van mooi klinkende woorden: De vorming van de Vlaamse identiteit op basis van een Vlaamse staatsstructuur moet worden afgewezen. België moet blijven bestaan en de Vlaamse nationale identiteit mag geen dominant karakter krijgen.

Ik zal het nog korter zeggen: “De Vlaamse nationale staat mag niet bestaan”.

Reden? De Vlaamse nationale staat brengt een nationale identiteit met zich die de andere verbondenheden – lees: de klassenverbondenheid – in de weg staat of insluit en dus de communistische revolutie dwars zit.

De dames en heren wouldbe-communisten moeten eens uitleggen waarom ze de Belgische staatsidentiteit wél goed vinden en de Vlaamse niet, al zal ik verderop mijn eigen vermoeden hierover verder uitspreken. Een gemeenschap haar nochtans in het Handvest van de VN opgenomen zelfbeschikkingsrecht ontzeggen, terwijl andere volkeren dat recht wél hebben, lijkt erg op discriminatie op etnische gronden.

Ten tweede:  de dames en heren, mede door de onvermijdelijke Jan Blommaert aangevoerd, verklaren voorts dat het debat over kosten en baten moet gaan: “daarover moet het debat wél gaan”.

Wel nog aan toe! Ik zal de partij niet bij naam noemen, maar ze is de grootste van het land. Er gaat zo ongeveer geen dag voorbij, of die partij wijst op de een of andere manier op de nadelen van het voortbestaan van de Belgische staat en de baten van een confederale ombouw van die staat. Dus gààt het debat toch over wat de dames en heren van de Vooruitgroep wensen? Maar toch gaat het daar dus niet over, want anders hoeven ze niet te zeggen dat het debat dààrover moet gaan. “Selectief blind”, noemt men zulks. En wie debatteert over kosten en baten van Vlaanderen moet toch iets in gedachten hebben dat voor zoiets als “Vlaanderen” door kan gaan – anders hoeft het debat zelfs niet eens. Die logica kan toch de fel verlichte geesten van Vooruitgroepers niet ontgaan?

Als er iets voor ogen staat dat als Vlaanderen door kan gaan en waarvoor dus kosten en baten moeten berekend worden bestààt dat iets en dus heeft datzelfde iets een identiteit. Wat geen identiteit heeft bestaat namelijk niet, want het onderscheidt zich in niets van zijn omgeving. Nochtans schrijven de auteurs dat die gehate Vlaamse identiteit naar de buitenwereld geldt als criterium van onderscheid voor eigen Vlaamse staatsstructuren. Je mag je dus niet onderscheiden met de buitenwereld, en dààrom mag een Vlaamse identiteit niet bestaan!

Nou, lezer.  Kunt u nog volgen? Wie veel tijd over heeft kan zich eens amuseren met het optellen van de intellectuele inconsequenties.

Maar laten we het simpel houden.

We gaan terug naar Tanpinar. Je hebt een identiteit nodig. En een natie ontleent die aan haar verleden. En voor de Vooruitgroepers: tot dat al dan niet recente verleden behoort ook de klassenstrijd in Vlaanderen, de verschillende geloofsovertuigingen, de aanwezigheid van Marokkanen, Turken, Berbers en weet ik wat al meer, en de hele mikmak van de zo door extreemlinks geroemde maatschappelijke diversiteit. Neen: echt niet alleen de verhalen van Conscience, wees gerust, dames en heren!

Alleen: in een Vlaamse staat zullen we geen Belgen meer zijn. Zoals de Turken van vandaag inderdaad ook geen Osmanen meer zijn – maar wel in hun identiteit Osmaanse betekenissen meedragen. Echter: die Vlaamse nationale identiteit is dominant zoals de Turkse in Turkije en in een democratie omvàt die nationale identiteit de betekenissen van de door de linkerzijde omarmde klassenstrijd. En daar wringt het schoentje. Want is een Belgische identiteit waterachtig, een Vlaamse zou wel eens hecht kunnen worden.

Hiermee verraadt de Vooruitgroep haar ware aard: die groep is helemaal niet progressief, maar reactionair en Belgisch, met cynische heimwee naar het liberale België van de negentiende eeuw, waar een flamingantische progressief als Daens zo fel tegen streed. Voor de Vooruitgroepers moet de gang van de geschiedenis naar een een sterke Vlaamse nationale identiteit worden stilgezet, omdat zo’n identiteit veel kans biedt op een stevige nationale solidariteit. In die sfeer van solidariteit maakt het “overal strijd tussen links en rechts” weinig kans een dominant thema te worden en bedreigt daarom de bestaansreden zelf van extreemlinks. Zoals Miller uitvoerig toelicht, is een hechte nationale identiteit de beste garantie voor solidariteit en in een solidaire samenleving maakt de retoriek van de klassenstrijd geen kans.

Blommaert noemde Etienne Vermeersch eens “een intellectuele lapzwans”. Heeft iemand een voorstel van passend epitheton voor de heer Blommaert en co?

 

 

Jaak Peeters

Juli 2013

 

 

Paul Verhaeghe en het Vlaamse nationalisme

Midden in het opvallend opgeblazen hoerageroep van de Belgische traditionele partijen – die blijken nog maar eens bevallen te zijn van een staatshervorming, de zesde inmiddels al, geloof ik – lijkt het zinniger de blik maar naar ernstiger oorden af te wenden. Want het schouwspel van Verherstraeten en co – de genoemde is me persoonlijk bekend en zijn arrogant opgestoken kin is écht zijn gewone houding -, is weinig anders dan de voortzetting van een inmiddels versleten rakende en daarom holklinkende goednieuwsshow.

De feiten spreken immers andere taal. De staatsschuld wordt niet afgebouwd, de noodzakelijke hervormingen ten bate van het concurrentievermogen worden uitgesteld, de benadeling van Vlaanderen gaat gewoon door, de ware machtscentra blijven gewoon Belgisch en de traditionelen zetten hun “beleid” van de laatste decennia gewoon verder. De lintbebouwing gaat onverminderd door; de afbraak van onze intellectuele bovenlaag gaat verder door het massaal wegvloeien van jong opgeleide doctoraten; de infrastructuur veroudert in een razend tempo; onze ziekenhuizen verworden tot steenharde bedrijven in plaats van verzorgingscentra van zieke en zwakke medemensen;  het aantal zelfmoorden lag nooit zo hoog…. een lange zin die nog veel langer kan worden, alleen maar om te zeggen dat de dode mussen ons bij bosjes naar het hoofd worden gesmeten.

Niet zonder walging voor dit wansmakelijke en bedrieglijke – ik wik mijn woorden – gedrag van het Belgische régime, wordt het me veel te zwaar te moede om er nog woorden aan te verspillen.

Laat ons even ingaan op de inhoud van een goed boek, verschenen bij de Bezige Bij in 2012. Het is van de hand van de Gentse psychoanalyticus Paul Verhaeghe en vertelt het verhaal van de menselijke identiteit.

Oh ja: er bestaat geen boek waar de enigszins belezen lezer geen kritiek op heeft. Verhaeghe geeft, dunkt me, te weinig aandacht aan de biologische factoren die ons gedrag bepalen. Wie als driftkikker werd geboren blijft driftkikker. Zijn houding tegenover het christendom lijkt me nogal eenzijdig. En er zijn nog van die opmerkingen.

Maar het gaat om details en accentverschillen, want in grote lijnen kan ik met zijn stellingen akkoord gaan.

Zo legt hij uit hoe identiteit tot stand komt in een proces waarbij wij als menselijke wezens ons aan de ene kant willen aansluiten en dus identificeren met de groep waartoe we behoren, maar aan de andere kant onze eigen afzonderlijkheid willen handhaven of versterken. Identificatie en afzonderlijkheid vormen samen een spanningsveld waarbinnen onze identiteit zich vormt.

Er zijn maar twee manieren om “iemand te zijn”: door zich bij een groep aan te sluiten – een motorbende, bijvoorbeeld – of door uit te blinken. Identificatie en afzondering.

Wat de inhoud van die identiteit betreft: die komt uiteraard uit onze omgeving. We vinden onze identiteit niet zelf uit en al evenmin kiezen we die zelf, zoals een extreem liberaal als De Gucht denkt. Wij zuigen onze identiteit op uit onze omgeving. Die omgeving bestaat niet alleen uit onze ouders en familie, maar uit het hele verhaal van onze samenleving. Het grote narratief, zoals dat zo mooi heet, het geheel van verhalen, mythen, gemeenschappelijke overtuigingen, gemeenschappelijke ervaringen van gisteren en vandaag, kortom: een heuse symbolische orde, die bemiddeld wordt door de taal. Door het spreken van dezelfde taal wordt ieder van ons met ongeveer dezelfde symbolische orde geconfronteerd. Zodoende ontstaat groepsidentiteit.

Het boek navertellen zou onmogelijk zijn en bovendien de auteur onrecht aan doen. Het is het volledig doorlezen waard.

Verhaeghe keert zich, naar mijn oordeel volkomen terecht, tegen het heersende discours van het neoliberalisme. Dat is niets anders dan een geïndividualiseerde versie van het survival of the fittest. Een soort hedendaags sociaal darwinisme. Maar ditmaal zijn het niet de groepen die in onderlinge strijd tegenover elkaar staan, maar de individuen. Deze ontmaskering van de diepe hatelijkheid van het neoliberalisme – en eigenlijk van elk liberalisme – doet de nationalist goed aan het hart, want dat neoliberalisme ontwricht de hele samenleving ten bate van de economische belangen van een kleine groep en laat in werkelijkheid de grote massa verweesd achter, de werkende middenklasse op de eerste plaats. Geestig is ook Verhaeghes constatering dat de eis naar minder staat juist oorzaak is van méér regelgeving: als je euthanasie vrijgeeft, ontstaat de behoefte om regels uit te vaardigen waar die voordien niet nodig waren.

Ook het normen- en waardendebat van de CD&V moet er aan geloven, en nog terecht ook. Het verdwijnen van normen en waarden is namelijk niet de oorzaak, maar het gevolg. Als je immers jongeren altijd weer vertelt dat elke behoefte, elk verlangen perfect te bevredigen is, en zelfs op korte termijn, en dat genieten van onbegrensde consumptie het levensdoel is (blz. 154), dan verdwijnt elk engagement dat het persoonlijke voordeel te boven gaat. Alle gezwam over “het midden” van de heer Beke is daarom naast de kwestie: de zaak is dat de symbolische orde, waarop de jongeren moeten steunen om zichzelf een identiteit te bouwen, door vijftig jaar onbenullig beleid zodanig is ondermijnd, dat het profiteren of nooit tevreden zijn allengs normaal is geworden. De christelijke zuil heeft zichzelf kritiekloos ingeschreven in het neoliberale verhaal en verwaarloosd aangepast tegengas te geven. Zij vooral heeft haar taak verwaarloosd.

Hij zal het zeker niet zo bedoelen, maar Verhaeghes boek leent zich uitstekend tot verdere gronding van het Vlaamse nationalisme. Want wie spreekt over de symbolische orde als uitgangspunt van individuele en groepsidentiteit, spreekt over “oorsprong”.  Die oorsprong moet dus met grote zorg omgeven worden, en gevrijwaard van links geëxperimenteer en neoliberale hebzucht. En is bezig zijn met deze oorsprong niet ….. nationalisme?

Nationalisme komt toch van natio, dat op zijn beurt afgeleid werd van nascere: “geboren worden”?

En wat heeft er nu meer met oorsprong te maken dan de eigen fysische maar dus ook mentale geboorte?

 

Jaak Peeters

Juli 2013